Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC3304

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/40374, 07/40373, 07/40376, 07/40375
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Medische noodsituatie / BMA advies

De brief van 24 augustus 2007 dateert van na het laatste BMA advies. De voorzieningenrechter overweegt dat in deze brief van Mediant, anders dan in de eerder overgelegde brieven van Mediant, expliciet is opgenomen dat de behandelaars van verzoeker behandeling in Azerbeidzjan niet mogelijk achten. Verweerders in het bestreden besluit ingenomen standpunt, te weten dat de brief van 24 augustus 2007 geen nieuwe informatie bevat, volgt de voorzieningenrechter derhalve niet. Gezien de (nieuwe) informatie vervat in de brief van 24 augustus 2007 had het op de weg van verweerder gelegen om deze brief aan het BMA voor te leggen met het verzoek daarop nader te adviseren. Verweerder is immers een leek op medisch gebied en niet in staat om medische gegevens als hiervoor weergegeven in de brief van 24 augustus 2007 te duiden althans daarvan vast te stellen of en in hoeverre die gegevens (medisch) relevant zijn in het kader van de beoordeling van de onderhavige aanvraag. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat het BMA in de eerder afgegeven adviezen van 27 januari 2004, 20 april 2006 en 26 juli 2007 ook niet is ingegaan op de in de eerdere brieven van Mediant gegeven informatie dat behandeling zal moeten plaatsvinden in een veilige behandelomgeving en dat Azerbeidzjan in verzoekers beleving geen veilige behandelomgeving is.

Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:

AWB 07 / 40374 (voorlopige voorziening)

AWB 07 / 40373 (beroep)

ÄWB 07 / 40376 ( voorlopige voorziening)

AWB 07 / 40375 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 december 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

hierna te noemen verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1976, en

[verzoekster],

hierna te noemen verzoekster, geboren op [geboortedatum] 1969,

tevens names:

[kind 1],

geboren op [geboortedatum] 2002,

[kind 2],

geboren op [geboortedatum] 2004,

allen van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

gezamenlijk te noemen verzoekers,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. Favier, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 11 oktober 2005 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. Verzoekster en de kinderen hebben op 31 oktober 2005 aanvragen ingediend tot het verlengen van de aan hen verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf vanwege medische noodsituatie [verzoeker]’. Verweerder heeft de aanvragen bij besluiten van 30 mei 2006 afgewezen. Verzoekers hebben tegen deze besluiten op 23 juni 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluiten van 3 oktober 2007 ongegrond verklaard. Verzoeker hebben tegen deze besluiten op 26 oktober 2007 beiden beroep ingesteld.

1.2 Verzoekers hebben op 26 oktober 2007 beiden gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten voordat de rechtbank op de beroepen heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Verzoekster is in persoon verschenen en verzoeker is vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

2.5 Ingevolge artikel 3.83 Vreemdelingenbesluit (Vb) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vw, niet op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vw (het paspoortvereiste) afgewezen indien de vreemdeling naar het oordeel van de minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

2.6 Op grond van het bepaalde in paragraaf B1/5.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het Vb of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de Vc anders is bepaald.

2.7 In paragraaf B1/8.3.2 Vc is bepaald dat om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in verband met een medische noodsituatie betrokkene zich in Nederland dient te bevinden en sprake dient te zijn van de situatie dat:

a. stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en

b. de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en

c. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.

2.8 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker lijdt aan depressiviteit, angsten, slaapproblemen, suïcidale gedachten en paranoïde wanen. Volgens de behandelaars van verzoeker worden deze klachten toegeschreven aan een Post Traumatisch Stress Stoornis (PTSS), een depressieve stoornis en een psychose. Verzoeker heeft tevens nierstenen, hoge bloeddruk en galstenen.

Verzoekers hebben op 18 december 2001 asielaanvragen ingediend. Bij besluiten van 17 april 2002 zijn de aanvragen afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen van 24 juli 2003 (AWB 02/37067 en 02/37074) zijn de door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Verzoeker is vervolgens met ingang van 4 december 2003 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf vanwege een medische noodsituatie’, geldig tot 4 december 2005. Verzoekster en de kinderen hebben eveneens met ingang van 4 december 2003 een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘verblijf vanwege medische noodsituatie [verzoeker]’ ontvangen, geldig tot 4 december 2005.

De gemachtigde van verzoekers heeft de voorzieningenrechter bij brief van 4 december 2007 bericht dat verzoeker vanaf 3 december 2007 in crisisopname zit in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.9 Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten, samengevat, op de volgende standpunten gesteld. Door het Bureau Medisch Advisering (BMA) is inmiddels vier keer advies omtrent de medische situatie van verzoeker uitgebracht, te weten op 27 december 2004, 9 juni 2005, 20 april 2006 en 26 juli 2007. Uit de laatste twee adviezen blijkt dat verzoeker in staat wordt geacht te kunnen reizen en dat hij in zijn land van herkomst kan worden behandeld. Verzoeker voldoet derhalve niet aan de gevraagde beperking. Aangezien verzoeker niet meer intern wordt behandeld bij ‘De Vonk’ in Noordwijkerhout is er ook geen grond meer voor vrijstelling van het paspoortvereiste. Verzoeker heeft niet aangetoond dat hij vanwege de regering van zijn land van herkomst niet in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Nu de geldigheidsduur van de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning niet is verlengd, voldoen verzoekster en de kinderen eveneens niet aan de beoogde beperking.

2.10 Verzoekers hebben hiertegen, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte de aan verzoekers verleende verblijfsvergunning niet verlengd. Door de behandelaars van verzoeker is bij herhaling aangegeven dat verzoeker, vanwege zijn paranoïde psychiatrische klachten, niet in staat is naar Azerbeidzjan te reizen en dat onomstotelijk vast staat dat verzoeker in zijn land van herkomst niet behandeld kan worden omdat verzoekers trauma’s in Azerbeidzjan zijn ontstaan en Azerbeidzjan geen veilige behandelomgeving is. In de BMA adviezen wordt hier niet op ingegaan. Verzoeker verwijst ook naar de beslissing van het Centraal tuchtcollege van de Gezondheidszorg van 4 september 2007 waaruit blijkt dat de BMA arts, indien de gegevens in het dossier aanleiding geven tot gerede twijfel over de effectiviteit voor de vreemdeling van de in het algemeen verkrijgbare behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst, hiervan melding moet maken in zijn rapportage. Het BMA heeft in casu, gezien de standpunten van de behandelend arts van verzoeker, in zijn advisering blijk gegeven van een “te enge opvatting” door zich slechts in het algemeen uit te laten over de beschikbaarheid in het land van herkomst. Verweerder heeft niet laten onderzoeken of het reizen naar Azerbeidzjan voorzienbaar zal leiden tot schade aan de gezondheid van verzoeker. Er bestaan derhalve ook concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de volledigheid en juistheid van de BMA advisering. Voorts is het bewijs van opname in Azerbeidzjan en de weergave van verzoekers psychische voorgeschiedenis in Azerbeidzjan niet door het BMA meegenomen in het advies van 7 juni 2007. Ook werpt verweerder ten onrechte het paspoortvereiste tegen. Gezien het voorgaande is de verblijfsvergunning van verzoekster en de kinderen ten onrechte niet verlengd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.11 Nu de aanvragen van verzoekster en de kinderen een van de aanvraag van verzoeker afhankelijk karakter hebben, zal de voorzieningenrechter eerst overgaan tot een beoordeling van het beroep van verzoeker.

2.12 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het BMA in verband met verzoekers crisisopname op 3 december 2007 om nader advies zal worden gevraagd. Verweerder handhaaft echter het standpunt zoals vervat in de bestreden besluit.

2.13 Beoordeeld dient te worden of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit niet meer voldeed aan de beperking waaronder hem een verblijfsvergunning is verleend.

2.14 Op 7 juni 2007 heeft verweerder het BMA verzocht een advies uit te brengen omtrent de medische situatie van verzoeker. Hierbij zijn onder meer de volgende stukken overgelegd:

- de eerdere BMA adviezen van 27 januari 2004 en 20 april 2006;

- brieven van Mediant van 19 augustus 2004, 11 juli 2006, 23 augustus 2006 en 25 oktober 2006.

2.15 Het BMA heeft in zijn advies van 26 juli 2007 – voor zover van belang – het volgende geoordeeld:

“Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapie mogelijkheden in het land van herkomst/ land van eventuele verwijdering, concludeer ik, dat er voldoende behandelmogelijkheden in het land van herkomst verkrijgbaar zijn. Ik concludeer dat psychiatrische behandeling verkrijgbaar is. Genoemd wordt het Republic Psychiatrus Hospital te Baku. Ik concludeer dat een eventuele behandeling van galstenen door een gastroenteroloog/ chirurg verkrijgbaar is. Genoemd wordt het Central Clinic Hospital te Baku. Ik concludeer dat de door betrokkene gebruikte medicatie of equivalenten hiervan, verkrijgbaar is.”

“Betrokkene zal in Azerbeidzjan kunnen worden behandeld op een wijze, volgens de aldaar heersende medische inzichten en gewoonten.”

“Betrokkene is in 2004 en in 2006 klinisch opgenomen geweest in verband met de behandeling van een paranoïde psychose. Bij uitblijven van psychiatrische behandeling en medicatie bestaat de kans op een (dreigende) psychotische decompensatie. Bij uitblijven van psychiatrische behandeling en medicatie is er sprake van een medische noodsituatie op korte termijn.”

2.16 Uit de brieven van Mediante aan het BMA, onder meer van 6 juli 2007 en 19 augustus 2004 blijkt dat de behandelaars van verzoeker zich op het standpunt stellen dat gedwongen terugkeer van verzoeker naar Azerbeidzjan een ernstige verslechtering zal geven van verzoekers psychiatrische toestandsbeeld. Met name het gevaar voor een ernstige psychose is reëel. Daarbij komt dan ook een groot suïcidaal risico. Volgens zijn behandelaars is verzoeker zo paranoïde dat hij niet in staat is te reizen naar Azerbeidzjan. Ten slotte zal behandeling plaats moeten vinden in een veilige omgeving. Azerbeidzjan is dit in de beleving van verzoeker niet.

2.17 In brief van 24 augustus 2007, aan verweerder overgelegd op 28 augustus 2007, heeft Mediant het volgende bericht:

“(…) Vanuit de ervaring met behandeling van PTSS, zowel vanuit de literatuur als binnen de praktische ervaringen met deze behandelingen binnen het Centrum voor Psychotrauma van Mediant, staat het onomstotelijk vast dat deze behandeling niet mogelijk is in land van herkomst waar de ernstige trauma’s zijn ontstaan. In de paranoïde psychotische beleving van meneer [verzoeker] is Azerbeidzjan geen veilige omgeving en zullen zijn paranoïde gedachten voortdurend geactualiseerd worden, waardoor behandeling niet mogelijk is.’

2.18 De brief van 24 augustus 2007 dateert van na het laatste BMA advies. De voorzieningenrechter overweegt dat in deze brief van Mediant, anders dan in de eerder overgelegde brieven van Mediant, expliciet is opgenomen dat de behandelaars van verzoeker behandeling in Azerbeidzjan niet mogelijk achten. Verweerders in het bestreden besluit ingenomen standpunt, te weten dat de brief van 24 augustus 2007 geen nieuwe informatie bevat, volgt de voorzieningenrechter derhalve niet.

2.19 Gezien de (nieuwe) informatie vervat in de brief van 24 augustus 2007 had het op de weg van verweerder gelegen om deze brief aan het BMA voor te leggen met het verzoek daarop nader te adviseren. Verweerder is immers een leek op medisch gebied en niet in staat om medische gegevens als hiervoor weergegeven in de brief van 24 augustus 2007 te duiden althans daarvan vast te stellen of en in hoeverre die gegevens (medisch) relevant zijn in het kader van de beoordeling van de onderhavige aanvraag. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat het BMA in de eerder afgegeven adviezen van 27 januari 2004, 20 april 2006 en 26 juli 2007 ook niet is ingegaan op de in de eerdere brieven van Mediant gegeven informatie dat behandeling zal moeten plaatsvinden in een veilige behandelomgeving en dat Azerbeidzjan in verzoekers beleving geen veilige behandelomgeving is.

2.20 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit betreffende de aanvraag van verzoeker niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen.

2.21 In aanmerking genomen de verklaring van verweerders gemachtigde ter zitting dat het paspoortvereiste de afwijzing van de gevraagde verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet zelfstandig kan dragen in die zin dat de verlenging niet op grond van het paspoortvereiste wordt geweigerd als komt vast te staan dat eiser nog voldoet aan de beperking “medische noodsituatie”, zal de voorzieningenrechter het beroep van verzoeker gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met 3:2 Awb.

2.22 Nu de beroepen van verzoekster en de kinderen een van verzoeker afhankelijk karakter hebben, zal de voorzieningenrechter deze beroepen eveneens gegrond verklaren.

2.23 De voorzieningenrechter zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen.

2.24 Nu in de hoofdzaken wordt beslist, zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.25 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekers hebben gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het in samenhangende ingediende verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het in samenhangende zaken ingediende beroepschrift, wegingsfactor 1).

2.26 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften;

3.4 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan verzoeker in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 322,- in verband met het beroep.

3.6 draagt de Staat der Nederlanden op € 143,- aan verzoekers te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening en € 143,- voor het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 13 december 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.J.E. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.