Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2933

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/14228, 07/16271, 07/15239, 07/26145
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rvb / pas op de plaats-beleid / geen rechtmatig verblijf / IVRK / zorgplicht

Eisers zijn allen minderjarig en behoren tot (kinderen van) de categorie vreemdelingen die ogenschijnlijk voldoen aan de objectieve criteria van de Pardonregeling die op 15 juni 2007 als de ‘Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud)’ in werking is getreden. Eisers hebben geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, Vw 2000 en evenmin op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eisers zich materieel in een situatie bevinden die op één lijn te stellen is met de situatie als geschetst door de Centrale Raad van Beroep (hiena: CRvB) in de uitspraak van 24 januari 2006 (LJN: AV0197), waarin de CRvB heeft geoordeeld dat hoewel de Nederlandse Staat de kinderen van de desbetreffende vreemdelingen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, hij welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven en waaruit volgens de CRvB volgt dat de Nederlandse Staat welbewust een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht ten opzichte van die minderjarige vreemdelingen op zich heeft genomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat op eisers het zogenaamde pas op de plaats-beleid van toepassing is als neergelegd in de brief van 7 december 2006 van de (toenmalige) Minister en als geaccordeerd in het kabinetsbesluit van 13 december 2006. Dit betekent dat, zoals de Staatssecretaris in het onderhavige geval ook heeft aangegeven, ten aanzien van eisers geen gedwongen uitzettingshandelingen worden verricht. Gedurende de periode waarin door de IND nog besloten moet worden of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling kan van hen in alle redelijkheid niet worden verwacht dat zij Nederland zelfstandig verlaten. Gelet op het kabinetsbesluit van 13 december 2006 dat het pas op de plaats-beleid zou blijven gelden tot aan het moment dat door de IND is vastgesteld of de desbetreffende vreemdeling al dan niet voldoet aan de voorwaarden van de Pardonregeling, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vanaf dat moment de onderhavige minderjarige vreemdelingen zijn komen te verkeren in een situatie die niet wezenlijk afwijkt van de situatie van de minderjarige vreemdelingen waarover de CRvB heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat jegens hen een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht heeft. Ook in de onderhavige gevallen heeft de Nederlandse Staat immers welbewust aanvaard dat minderjarige vreemdelingen, zoals eisers, gedurende een zekere periode in Nederland verblijven. Van belang is dat voor deze specifieke groep geldt dat het verblijf in de betreffende periode eerder vergelijkbaar is met legaal dan met illegaal verblijf en dat geen sprake is van een uitzichtloze maar afgebakende periode waarin eisers zich in deze situatie bevinden, te weten de tijd tot (ambtshalve) is beoordeeld of eisers onder de reikwijdte van de Pardonregeling vallen. De rechtbank ziet zich in zijn oordeel gesteund door de toelichting op de wijziging van artikel 2 van de Rvb, waarin de Minister van Justitie aangeeft dat hij zich de uit de hier besproken uitspraak van de CRvB voortvloeiende zorgplicht op grond van het IVRK heeft aangetrokken. Aangezien verweerder op grond van artikel 3 van de Wet COA de materiële en immateriële zorgtaken voor vreemdelingen opgedragen heeft gekregen, ligt het op de weg van verweerder om aan die zorgplicht uitvoering te geven. Verweerder heeft de verplichting die voor de Nederlandse Staat voortvloeit uit het IVRK ten aanzien van juist de specifieke categorie kinderen, waartoe eisers behoren, te beperkt uitgelegd en het had op de weg van verweerder gelegen om te beoordelen of eisers zich in een feitelijke situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie als bedoeld door de CRvB. Door enkel te beoordelen of eisers voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb heeft verweerder de aan hem opgedragen zorgtaken te beperkt uitgevoerd. De bestreden besluiten zijn dan ook onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd en worden wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb vernietigd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Breda

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

Reg.nr(s):AWB 07/14228, AWB 07/16271, AWB 07/15239, AWB 07/26145

V-nr(s): 070.201.7747, 200.700.7249

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht d.d. 7 december 2007

in de zaken van

[Eiser 1], eiser 1,

woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde

mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle,

[Eiseres 1], eiseres 1,

[Eiseres 2], eiseres 2,

[Eiseres 3], eiseres 3,

[Eiser 2], eiser 2

woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde

mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen,

(hierna ook: eisers, waaronder eiser 1),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, (hierna: COA),

verweerder,

gemachtigden mr. G. Turksema en mr. J.N. Mons.

1. Procesverloop

1.1 Eiser 1 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 1) inzake de afwijzing van een aanvraag, ingediend door zijn vader, tevens wettelijk vertegenwoordiger [vader], voor een toelage ingevolge de Regeling bepaalde categorieën vreemdelingen (hierna: Rvb).

Eiseres 1 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 2) inzake de afwijzing van de aanvraag om een toelage ingevolge de Rvb over de maand januari 2007 en de terugvordering van de over die maand verstrekte toelage.

Eiseressen 2 en 3 hebben beroep ingesteld tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 14 maart 2007 (hierna: bestreden besluiten 3 en 4) inzake de afwijzing van hun aanvragen om een toelage ingevolge de Rvb.

Eiser 2 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 maart 2007 inzake de afwijzing van een aanvraag om een toelage ingevolge de Rvb over de maand januari 2007 en de terugvordering van de over die maand verstrekte toelage.

1.2 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingezonden.

1.3 De beroepen zijn met instemming van partijen gevoegd en gezamenlijk behandeld ter enkelvoudige zitting van 6 juli 2007. Eiser 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens eiseressen 1, 2 en 3 en eiser 2 is hun moeder [moeder] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld van mw. J.B. Kabasubabu als tolk in de Lingala taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. T. van Ekris en mr. D.G. Turksema.

1.4 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Hierna heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest en heropend diende te worden. Bij heropeningsuitspraak van 11 juli 2007 heeft de rechtbank verweerder verzocht vragen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) met het verzoek hierop schriftelijk te reageren, waarna eisers in de gelegenheid zouden worden gesteld om op die reactie te reageren.

1.5 Na ontvangst van verweerders reactie bij faxbericht van 20 augustus 2007 en eisers afzonderlijke reacties daarop van 27 augustus 2007 heeft de rechtbank bepaald dat verdere behandeling van het beroep ter zitting zal worden voortgezet door een meervoudige kamer.

1.6 Het beroep is opnieuw meervoudig en met instemming van partijen gevoegd en gezamenlijk behandeld ter zitting van 26 oktober 2007. Eiser 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens eiseressen 1, 2 en 3 en eiser 2 is hun moeder, [moeder], verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2 Overwegingen

2.1 Eiser 1, geboren op 30 december 1990 en naar gesteld van Azerbeidzjaanse afkomst, heeft door tussenkomst van zijn vader, tevens wettelijk vertegenwoordiger [vader], op 24 januari 2007 een aanvraag ingediend om een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb.

Eiseres 1, geboren op 26 februari 2000, eiseres 2, geboren op 23 december 1998, eiseres 3, geboren op 16 februari 2002 en eiser 2, geboren op 26 november 2004, allen naar gesteld van Angolese afkomst, hebben door tussenkomst van hun moeder, tevens wettelijk vertegenwoordigster, [moeder], op 18 januari 2007 afzonderlijke aanvragen ingediend om een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb.

2.2 Verweerder heeft de afzonderlijke bestreden besluiten genomen. Deze besluiten strekken tot afwijzing van de afzonderlijke aanvragen om eisers een toelage te verlenen.

2.3 Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van de beroepen, dient de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser 2, geregistreerd onder kenmerk AWB 07/26145, (expliciet) te beoordelen, omdat het beroep gericht tegen het besluit van 14 maart 2007 niet eerder dan op 26 juni 2007 door het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken te Haarlem is ontvangen.

Ingevolge artikel 69 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), bedraagt in afwijking van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift vier weken.

In artikel 6:8, eerste lid, Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat de termijn lopen de dag na verzending, ongeacht of vast komt te staan dat het besluit de geadresseerde heeft bereikt. Op het besluit waartegen eiser 2 beroep heeft ingesteld staat geen zogenaamde verzendstempel. Als bewijs van de verzending kan ook de postadministratie van het bestuursorgaan gelden. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting opgemerkt niet te kunnen aangeven of er een postadministratie is waarin de verzending van besluiten wordt bijgehouden. Echter, nu de zussen van eiser 2 de besluiten, die op respectievelijk 14 maart 2007 en 16 maart 2007 naar hetzelfde adres zijn verstuurd, wel hebben ontvangen, acht de rechtbank aannemelijk dat op 14 maart 2007 ook het besluit ten aanzien van eiser 2 naar dat adres is verzonden. Er van uitgaande dat op 15 maart 2007 de beroepstermijn in dezen is aangevangen dan is het op 26 juni 2007 ingediende beroep buiten de hier geldende beroepstermijn ingediend.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk dient te verklaren, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is volgens dit artikel sprake indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Gemachtigde van eiser 2 heeft ter zitting medegedeeld dat hij (tijdig) tegen de besluiten die hij van de moeder van zijn cliënten heeft ontvangen beroep heeft aangetekend. Pas na ontvangst van het procesdossier begreep hij dat er ook een besluit was genomen ten aanzien van eiser 2. Op dat moment heeft hij ook direct beroep tegen dat besluit aangetekend. De rechtbank is van oordeel dat eiser 2 daarmee niet de ontvangst van het besluit van 14 maart 2007 op niet-ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Hieruit volgt dat het beroep van eiser 2, geregistreerd onder kenmerk AWB 07/26145, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, zodat een inhoudelijk beoordeling van het beroep van eiser 2 achterwege blijft. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

2.4 In dit geding dient vervolgens te worden beoordeeld of de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4 (hierna: bestreden besluiten) in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2.5 Eiser 1 en eiseressen 1, 2 en 3 (hierna: eisers) hebben in beroep kort samengevat en voorzover relevant aangevoerd dat verweerder ten onrechte de aanvraag om een uitkering te verstrekken op grond van de Rvb heeft afgewezen. Eisers zijn van mening dat zij, als (minderjarige kinderen van) vreemdelingen behoren tot de categorie waarvoor het Generaal Pardon (hierna ook: de Pardonregeling) komt te gelden, in afwachting zijn van verlening van een verblijfsvergunning en derhalve Nederland niet hoeven te verlaten. Eisers zijn van mening dat zij derhalve in aanmerking komen voor een uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb, aangezien de Nederlandse Staat heeft berust in hun verblijf hier ten lande, in ieder geval tot uitvoering is gegeven aan de hiervoor genoemde regeling, en derhalve een zorgplicht voor hen heeft. Volgens eisers bevinden zij zich in een situatie die gelijk dient te worden gesteld met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 Vw 2000. Eisers (en hun ouders) zijn immers gerechtigd in Nederland te verblijven. Eisers hebben er op gewezen dat de (toenmalige) Minister voor Vreemdelingen zaken en Integratie a.i. bij brief van 7 december 2006 aan de Tweede Kamer (Kenmerk: Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19 637, nr.1110) heeft laten weten dat ten aanzien van vreemdelingen die onder de Pardonregeling vallen een pas op de plaats wordt gemaakt waardoor geen uitzettingshandelingen ten aanzien van die vreemdelingen meer zullen plaatsvinden. Voorts is in het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV van 7 februari 2007 besloten de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet af te wikkelen. Blijkens dat akkoord mogen geen onomkeerbare stappen worden ondernomen in geval de betrokkenen in aanmerking komen voor een nog te concretiseren Pardonregeling. Eisers zijn van mening dat zij in aanmerking voor de Pardonregeling komen, aangezien zij aan de genoemde objectieve criteria voldoen. Eisers zijn voorts van mening dat zij zich sinds de brief van de Minister van vreemdelingenzaken en Integratie a.i. aan de Tweede Kamer van 7 december 2006 en het kabinetsbesluit van 13 december 2006 (Kamerstukken II, 2006/7, 19637, nr. 1114) in een situatie bevinden waarbij de regering welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven. Zij zijn van mening dat zij derhalve voldoen aan een situatie die is beschreven door de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in de uitspraak van 24 januari 2006 (LJN: AV0197) en op grond waarvan de rechtsvoorganger van de Staatssecretaris artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb met ingang van 1 januari 2007 heeft aangepast. In voornoemde uitspraak die tot aanpassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e van de Rvb heeft geleid, heeft de CRvB geoordeeld dat de Nederlandse Staat welbewust een zekere uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) voortvloeiende zorgplicht voor kinderen wiens ouders rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw 2000 hebben op zich heeft genomen. Eisers zijn van mening dat zij zich in een situatie bevinden die feitelijk gelijk is aan die van de kinderen waarover de CRvB heeft geoordeeld en zijn van mening dat de Nederlanse Staat ook voor hen een zorgplicht heeft. Om die reden dienen zij in aanmerking te komen voor een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb, aldus eisers.

Als subsidiair standpunt is aangevoerd dat eisers wel degelijk rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000, aangezien zij in afwachting zijn van een ambtshalve beslissing inzake het recht op een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vw 2000. Een dergelijke vergunning wordt immers (ambtshalve) verleend indien blijkt dat zij voldoen aan de criteria van de Pardonregeling. Hieruit volgt dat zij thans reeds voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb, aldus eisers.

2.6 Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het niet aan verweerder is om vast te stellen of eisers onder de zogenoemde Pardonregeling vallen en dat het voor de vraag of het recht bestaat op een toelage op grond van de Rvb niet relevant is of eisers in aanmerking komen voor deze regeling, omdat met het in aanmerking komen voor deze regeling geen rechtmatig verblijf ontstaat. Verweerder heeft ter nadere onderbouwing van zijn weigering om eisers een toelage op grond van de Rvb te verstrekken er op gewezen dat uit de door eisers aangehaalde uitspraak van de CRvB juist valt af te leiden dat in de onderhavige gevallen geen zorgplicht voor de Nederlandse Staat bestaat. Volgens verweerder heeft de CRvB (slechts) welbewust een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht aangenomen voor kinderen die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw 2000 hebben, omdat de Nederlandse Staat welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende zekere tijd in Nederland verblijven.

Nu voor de minderjarige eisers geldt dat zij geen rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, Vw 2000, bestaat voor hen geen recht op een toelage op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb. Bovendien, zo heeft verweerder gesteld, is de Rvb een ministeriële regeling waar verweerder niet zelfstandig van kan afwijken.

2.7 In de heropeningsuitspraak van 11 juli 2007, heeft de rechtbank via verweerder de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd aan de Staatssecretaris.

- Dient, gelet op de hiervoor vermelde brief van 7 december 2006 van de (toenmalige) Minster van Vreemdelingenzaken en Integratie a.i. en de toezegging hierin dat ten aanzien van vreemdelingen die onder de Pardonregeling vallen een pas op de plaats-beleid zal worden gevolgd, te gelden dat de Nederlandse Staat ten aanzien van die categorie vreemdelingen eveneens welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland blijven, met als gevolg dat ook ten aanzien van de minderjarige kinderen van deze categorie vreemdelingen de uit de IVRK voortvloeiende zorgplicht op de Nederlandse staat rust?

- Uitgaande van een bevestigende beantwoording van de vorige vraag, dient dan, gelet op de toelichting op de Wijziging van de Rvb per 1 januari 2007, en met name de keuze om in de hier aan de orde zijnde noodzakelijke bestaansvoorwaarden te voorzien via de Rvb, artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb tevens van toepassing te worden geacht in de onderhavige gevallen, waarin het aanvragen van minderjarige kinderen van een categorie vreemdelingen betreft, die weliswaar geen rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw 2000, doch waarvoor geldt dat de Nederlandse staat welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven?

2.8 Tijdens de meervoudige behandeling van de beroepen ter zitting van 26 oktober 2007 heeft verweerder de antwoorden die de Staatssecretaris op bovenstaande vragen bij brief van 17 augustus 2007 heeft gegeven tot de zijne gemaakt. Op de eerste vraag heeft de Staatssecretaris geantwoord dat uit de brief van 7 december 2006 niet de conclusie kan worden getrokken dat ten aanzien van de betreffende categorie vreemdelingen wordt aanvaard dat zij zich gedurende een zekere tijd in Nederland bevindt. De pas op de plaats, zoals in de betreffende brief is neergelegd, voorzag slechts in het voorkomen van onomkeerbare stappen in afwachting van een debat met de Tweede Kamer. Vervolgens heeft het kabinet bij brief van 13 december 2006 (Kamerstukken II 2006/7, 19 637, nr. 1114) de Tweede Kamer gemeld dat gedurende de demissionaire periode de pas op de plaats zou blijven gelden. Inmiddels is bij brief van 25 mei 2007 (Kamerstukken II 2006/7, 31 018, nr. 2) de regeling aan de Tweede Kamer aangeboden. Conform deze regeling worden gedurende de uitvoering van de regeling geen onomkeerbare stappen gezet ten aanzien van vreemdelingen die mogelijk onder de reikwijdte van de Pardonregeling vallen en ten aanzien van wie nog geen ambtshalve beoordeling heeft plaatsgevonden. In vorenstaande dient echter niet te worden gelezen dat de betreffende vreemdelingen gedurende de uitvoering van de Pardonregeling rechtmatig verblijf hebben of zich bevinden in een situatie die daarmee gelijkgesteld dient te worden. Evenmin is de op hen rustende vertrekplicht die voortvloeit uit de Vw 2000 komen te vervallen. De terugkeerbegeleiding van de vreemdelingen die vallen onder de pas op de plaats wordt derhalve gecontinueerd en ook wordt actief informatie verstrekt ter zake de zelfstandige terugkeer. De pas op de plaats betekent dan ook slechts dat ontruimingen en gedwongen terugkeer niet plaatsvinden.

De pas op de plaats heeft gezien het bovenstaande op dit moment geen andere betekenis dan een periode waarin de Immigratie en Naturalisatiedient (hierna: IND) in staat wordt gesteld op zorgvuldige wijze de ambtshalve beoordeling plaats te laten vinden om tot uitvoering van de Pardonregeling te komen.

Ten aanzien van de tweede vraag heeft de Staatssecretaris bij eerdergenoemde brief het standpunt ingenomen dat gezien het antwoord op de eerste vraag het antwoord op de tweede vraag van de rechtbank mogelijk overbodig is. Subsidiair stelt de Staatssecretaris zich op het standpunt dat de Rvb en de daaruit voortvloeiende verstrekkingen beperkt zijn tot de in de regeling opgenomen en met name genoemde categorieën, in casu dus minderjarige vreemdelingen die geen bestaansmiddelen hebben en rechtmatig verblijf hebben zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, Vw 2000. Voorts heeft de Staatssecretaris opgemerkt dat op grond van de Pardonregeling niet op aanvraag maar ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend.

2.9 De rechtbank neemt, in het licht van de aangevoerde beroepsgronden, het navolgende wettelijke kader tot uitgangspunt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, IVRK dienen de Staten, die partij zijn bij dit Verdrag, de in het Verdrag beschreven rechten te eerbiedigen en waarborgen voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd.

In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat de Staten die partij zijn, alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.

Krachtens artikel 3, eerste lid, IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Staten, die partij zijn, zich ertoe verbinden het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

Ingevolge het derde lid van artikel 3 waarborgen de Staten, die partij zijn, dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, IVRK erkennen de Staten, die partij zijn, het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

Krachtens het tweede lid van artikel 27 hebben de ouder(s) of anderen, die verantwoordelijk zijn voor het kind, de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Volgens het derde lid van dit artikel nemen de Staten, die partij zijn, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma’s voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

In het vierde lid is bepaald dat de Staten, die partij zijn, alle passende maatregelen nemen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.

Krachtens artikel 8, aanhef, aanhef en onder f, Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet COA) is het orgaan belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid van artikel 3, Wet COA, kan onze minister het orgaan taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Na wijziging van de Rvb met ingang van 1 januari 2007, (Regeling van de Minister van Justitie van 22 december 2006, nr. 5458886/06/DBV) in die zin dat onderdeel e is toegevoegd aan artikel 2, eerste lid, van de Rvb komt dit artikel als volgt te luiden:

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb is het COA belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor een samen met tenminste één ouder of verzorger hier ten lande verblijvende minderjarige vreemdeling, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in onderdeel c, die geen aanspraak heeft op verstrekkingen op grond van enig ander wettelijk voorschrift en die blijkens een schriftelijke verklaring van de IND aan het orgaan rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h Vw 2000.

In de toelichting op deze wijziging van artikel 2 van de Rvb is vermeld dat dit zelfstandige recht van de minderjarige vreemdelingen voortvloeit uit de rechtstreekse werking die de CRvB aan het IVRK toekent. Voorts is aangegeven dat de ambtsvoorganger van de Staatssecretaris, gelet op het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat de desbetreffende categorie vreemdelingen niet past in de systematiek van de WWB omdat deze groep geen toegang heeft tot de arbeidsmarkt, ervoor heeft gekozen in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden te voorzien via de Rvb. Gevolg hiervan is dat niet de gemeenten doch het COA verantwoordelijk is voor het verstrekken van een uitkering aan minderjarige kinderen van vreemdelingen, die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, Vw 2000 houden.

2.10 De rechtbank merkt allereerst op dat de door eisers bedoelde Pardonregeling inmiddels, op 15 juni 2007, als de ‘Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud)’ in werking is getreden. Niet in geschil is dat eisers allen minderjarig zijn en behoren tot de categorie vreemdelingen die ogenschijnlijk voldoen aan de objectieve criteria van de Pardonregeling.

Ook is niet in geschil dat eisers geen rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers evenmin rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000, omdat zij, zoals is aangevoerd als subsidiaire beroepsgrond, in afwachting zouden zijn van een ambtshalve beslissing over de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 Vw 2000 krachtens de Pardonregeling. Rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000 vloeit immers voort uit een ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 Vw 2000 waarop nog niet is beslist. Voor eisers geldt dat de afwijzing op de eerder ingediende asielaanvraag in rechte vast staat en dat er geen asiel- of andere (aanvraag)procedure meer loopt waarop nog moet worden beslist. De rechtbank stelt vast dat, terwijl eisers Nederland nog niet zelfstandig hebben verlaten, de landelijke discussie over de Pardonregeling ertoe heeft geleid dat de (toenmalige) Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie a.i. op 7 december 2006 de eerdergenoemde brief over het pas op de plaats-beleid aan de Tweede Kamer heeft geschreven, het kabinet op 13 december 2006 heeft besloten om ten aanzien van vreemdelingen, zoals eisers, geen onomkeerbare stappen te nemen, waarna uiteindelijk de Pardonregeling is vastgesteld. Dat de IND ambtshalve (nog) zal gaan beslissen of eisers op grond van de objectieve criteria van die regeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14 Vw 2000 maakt niet dat zij, zolang nog geen besluit is genomen, rechtmatig verblijf hebben of hebben gehad als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000. Dat besluit betreft immers een ambtshalve beslissing van verweerder. Hieruit volgt dat eisers strikt genomen niet voldoen aan de voorwaarden als gesteld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb.

Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of eisers zich materieel in een situatie bevinden die op één lijn te stellen is met de situatie als geschetst door de CRvB in de eerder genoemde uitspraak van 24 januari 2006, waarin de CRvB heeft geoordeeld dat hoewel de Nederlandse Staat de kinderen van de desbetreffende vreemdelingen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, hij welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven en waaruit volgens de CRvB volgt dat de Nederlandse Staat welbewust een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht ten opzichte van die minderjarige vreemdelingen op zich heeft genomen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Op eisers is het hiervoor besproken pas op de plaats-beleid van toepassing als neergelegd in voornoemde brief van 7 december 2006 en als geaccordeerd in het reeds aangehaalde kabinetsbesluit van 13 december 2006. Dit betekent dat, zoals de Staatssecretaris in haar reactie van 17 augustus 2007 ook heeft aangegeven, ten aanzien van eisers geen gedwongen uitzettingshandelingen worden verricht. Gedurende de periode waarin door de IND nog besloten moet worden of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling kan van hen, anders dan de Staatssecretaris naar voren heeft gebracht, in alle redelijkheid niet worden verwacht dat zij Nederland zelfstandig verlaten. Gelet op het kabinetsbesluit van 13 december 2006 dat het pas op de plaats-beleid zou blijven gelden tot aan het moment dat door de IND is vastgesteld of de desbetreffende vreemdeling al dan niet voldoet aan de voorwaarden van de Pardonregeling, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vanaf dat moment de onderhavige minderjarige vreemdelingen zijn komen te verkeren in een situatie die niet wezenlijk afwijkt van de situatie van de minderjarige vreemdelingen waarover de CRvB heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat jegens hen een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht heeft. Ook in de onderhavige gevallen heeft de Nederlandse Staat immers welbewust aanvaard dat minderjarige vreemdelingen, zoals eisers, gedurende een zekere periode in Nederland verblijven. Van belang is dat voor deze specifieke groep geldt dat het verblijf in de betreffende periode eerder vergelijkbaar is met legaal dan met illegaal verblijf en dat geen sprake is van een uitzichtloze maar afgebakende periode waarin eisers zich in deze situatie bevinden, te weten de tijd tot (ambtshalve) is beoordeeld of eisers onder de reikwijdte van de Pardonregeling vallen. De rechtbank ziet zich in zijn oordeel gesteund door de toelichting op de wijziging van artikel 2 van de Rvb, waarin de Minister van Justitie aangeeft dat hij zich de uit de hier besproken uitspraak van de CRvB voortvloeiende zorgplicht op grond van het IVRK heeft aangetrokken. Mede gelet ook op de toelichting van de Minister van Justitie op artikel 2 van de Rvb, heeft naar het oordeel van de rechtbank de Staatssecretaris in haar reactie van 17 augustus 2007 op de door de rechtbank gestelde vragen onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de situatie van de specifieke categorie minderjarige vreemdelingen waartoe eisers behoren op wezenlijke punten afwijkt van de situatie waarin de in de uitspraak van de CRvB besproken categorie minderjarige vreemdelingen zich bevindt.

Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de rechtbank, op gelijke gronden als de CRvB in haar uitspraak van 24 januari 2006, van oordeel is dat de Nederlandse Staat ten opzichte van eisers een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht heeft.

Aangezien verweerder van de (rechtsvoorganger van de) Staatssecretaris op grond van artikel 3 van de Wet COA de materiële en immateriële zorgtaken voor vreemdelingen opgedragen heeft gekregen, ligt het op de weg van verweerder om aan die zorgplicht uitvoering te geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verplichting die voor de Nederlandse Staat voortvloeit uit het IVRK ten aanzien van juist deze specifieke categorie kinderen, waartoe eisers behoren, te beperkt uitgelegd en had het op de weg van verweerder gelegen om te beoordelen of eisers zich in een feitelijke situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie als bedoeld door de CRvB. Door enkel te beoordelen of eisers voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb heeft verweerder de aan hem opgedragen zorgtaken te beperkt uitgevoerd. Hieruit volgt dat de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig zijn voorbereid en ontoereikend zijn gemotiveerd. Derhalve komen de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.11 Op grond van het voorgaande zullen de beroepen van eiser 1 en eiseressen 1, 2 en 3 gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd. De rechtbank acht termen voor een proceskostenveroordeling aanwezig. Voor eiser 1 zijn de proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpk) vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1) Voor eiseressen 1, 2 en 3, zijn de proceskosten eveneens op basis van het Bpk vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1, waarbij de beroepen met toepassing van het bepaalde in artikel 3 Bpk zijn beschouwd als één zaak).

Aangezien ten behoeve van eiser 1 en eiseressen 1, 2 en 3 een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling aan de griffier te geschieden.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep van eiser 2, geregistreerd onder kenmerk AWB 07/26145, niet-ontvankelijk;

verklaart de beroepen van eiser 1 en eiseressen 1, 2 en 3 gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

draagt verweerder op om ten aanzien van eiser 1 en eiseressen 1, 2 en 3 nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder ten aanzien van eiser 1 in de proceskosten ad € 966,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

veroordeelt verweerder ten aanzien van eiseressen 1, 2 en 3 in de proceskosten ad € 966,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Aldus gedaan door mr. E.C.H. Kouwenhoven, mr. S.A.M.L van den Bosch - van de Sande en mr. M.L. Weerkamp, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2007, in tegenwoordigheid van M.G. Panis, griffier.

Rechtsmiddelenclausule

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: