Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2436

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/27270
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing vovo / herhaalde aanvraag / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / relevante wijziging van het recht

Verzoeker, afkomstig uit Afghanistan en behorend tot de Hazara bevolkingsgroep, heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend welke onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb werd afgewezen. Verzoeker beroept zich op nieuw beleid, neergelegd in de WBV's 2007/07, 2007/19 en 2007/33 en voorts op artikel 15c van de Definitierichtlijn en stelt dat hiermee sprake is van nieuw recht zodat de asielaanvraag inhoudelijk behandeld had moeten worden. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat artikel 15c van de Definitierichtlijn gezien dient te worden als een wijziging van het recht. De vraag of het een voor verzoeker relevante wijziging van het recht is, leent zich - gelet op het verstrekkende karakter – naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beantwoording in de aanhangige procedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, inhoudende dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage,

zittinghoudende te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 07 / 27270 BEPTDN

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

M. Halim, verzoeker,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluit: 11 juni 2007.

Kenmerk: 0401.13.0461.

V-nummer: 270.307.8926

Behandeling ter zitting: 6 december 2007.

I. PROCESVERLOOP

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de (herhaalde) aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen.

Tegen dit besluit is namens verzoeker op 4 juli 2007 beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingesteld bij deze rechtbank. Bij schrijven van gelijke datum is voorts de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

Aanvulling van de gronden van het verzoek annex beroep heeft plaatsgevonden bij brieven van 28 augustus 2007, 7 september 2007, 8 november 2007, 15 november 2007,

30 november 2007 en 4 december 2007.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 december 2007, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. L.M.A. Hansen, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling van het verzoek de volgende feiten.

Op 13 januari 2004 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 8 december 2004 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 5 september 2005 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, (met registratienummer AWB 05/131 BEPTDN) het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft vervolgens genoemde uitspraak bevestigd op 2 januari 2006. De beslissing van 8 december 2004 is daarmee onherroepelijk en in rechte onaantastbaar geworden.

Bij brief van 22 juni 2006 heeft verzoeker een (herhaalde) asielaanvraag ingediend.

Verweerder heeft de onderhavige asielaanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb en afgewezen onder verwijzing naar het afwijzende besluit op verzoekers eerste asielaanvraag. Verzoeker heeft bij zijn herhaalde asielaanvraag namelijk geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd.

Namens verzoeker is hiertegen – voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

Verweerder had artikel 4:6 van de Awb niet mogen toepassen nu er sprake is van nieuw beleid, zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: WBV) 2007/07 alsmede in de WBV’s 2007/19 en 2007/33.

Verzoeker beroept zich voorts op artikel 15c van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) en stelt dat hiermee eveneens sprake is van nieuw recht, waarbij verwezen wordt naar een uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2007, gepubliceerd in JV 2007/442.

De voorzieningenrechter overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2007, gepubliceerd in JV 2007/214, als volgt.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

Blijkens de geschiedenis en de totstandkoming van artikel 4:6 van de Awb (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 93-94) ziet de bepaling niet op de situatie dat het recht wordt gewijzigd. Indien het voor de aanvraag relevante recht wordt gewijzigd, kan ook zonder dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een nieuwe aanvraag worden ingediend, die op grond van de dan geldende bepalingen wordt beoordeeld.

Hieruit vloeit voort dat een aanvraag waarin een beroep wordt gedaan op wijziging van het recht sedert de beslissing op een eerdere soortgelijke aanvraag, geen herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Uit het vorenoverwogene volgt dat eerst dient te worden getoetst of sprake is van nieuw recht in die zin dat ten tijde van het in beroep bestreden besluit ander recht gold dan ten tijde van het eerdere besluit van 8 december 2004. Vervolgens is aan de orde de vraag of sprake is van een voor verzoeker relevante wijziging van het recht. Eerst wanneer is vastgesteld dat dit niet het geval is, is aan de orde de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn van de Raad van de Europese Unie een voor hem relevante wijziging van het recht is.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn is de persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

In artikel 15 van de Definitierichtlijn is bepaald dat de in artikel 2, aanhef en onder e, van de Richtlijn genoemde ernstige schade bestaat uit:

a. doodstraf of executie; of

b. foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is, zodat aan deze bepaling rechtstreekse werking toekomt. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat op 10 oktober 2006 ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Definitierichtlijn de implementatietermijn is geëindigd. Het voorgaande brengt met zich dat verzoeker een direct beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn.

Verzoeker heeft eerst na het bestreden besluit expliciet een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, en verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet uitgesproken over de toepasselijkheid van deze beschermingsgrond.

Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat met ingang van 10 oktober 2006 sprake is van een wijziging van het recht.

Inzake de vraag of sprake is van een voor verzoeker relevante wijziging van recht overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2007, gepubliceerd in AB 2007/271, als volgt.

Artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is voor de desbetreffende vreemdeling slechts relevant indien hij valt onder de reikwijdte van deze bepaling, derhalve indien hij heeft aangetoond dat in zijn land van herkomst ten tijde van het nemen van het desbetreffende besluit sprake was van een gewapend conflict, als bedoeld in die bepaling.

Verzoeker is afkomstig uit Afghanistan en behoort tot de Hazara bevolkingsgroep.

Dit wordt door verweerder niet betwist.

Alvorens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn aan te kunnen merken als een voor verzoeker relevante wijziging van het recht en het besluit op de aanvraag te kunnen toetsen, dient beoordeeld te worden of verzoeker heeft aangetoond dat in Afghanistan ten tijde van het bestreden besluit, sprake was van een gewapend conflict, als vorenbedoeld.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of verzoeker heeft aangetoond dat in Afghanistan ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een gewapend conflict, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, verstrekkend van aard is en zich niet leent om te worden beantwoord in de thans aanhangige procedure. Verweerder heeft hieromtrent ter zitting te kennen gegeven hierover op dat moment geen standpunt te kunnen innemen.

Indien de situatie in Afghanistan valt onder meergenoemd artikel, wordt van belang dat de Afdeling dienaangaande prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter zich zal beperken tot een belangenafweging, waarbij de belangen van verzoeker bij toewijzing van de gevraagde voorziening afgewogen dienen te worden tegen de belangen van verweerder bij (onverkorte) uitvoering van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter acht in de omstandigheden van dit geval, nu onduidelijk is of het bestreden besluit in de bodemprocedure stand zal kunnen houden, voldoende grond gelegen de belangen van verzoeker te laten prevaleren.

Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden toegewezen, inhoudende dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. Hetgeen in deze procedure voorts nog is aangevoerd behoeft daarom geen beoordeling meer.

De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:84 van de Awb te veroordelen in de door verzoeker in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van verzoeker twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Nu aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Mitsdien wordt beslist als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

I. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, inhoudende dat verzoeker de uitspraak op het namens hem ingediende beroep in Nederland mag afwachten;

II. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

Aldus gedaan door mr. Y.J. Klik als rechter in tegenwoordigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2007.

w.g. T. Horsten-Kuijpers

w.g. Y. Klik

voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.