Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2386

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/7083/MRB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is kentekenhouder van een auto. Op 17 oktober 2005 heeft een huisgenoot van eiser de auto meegenomen. Op genoemde datum om omstreeks 00:12 uur is door een agent van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland geconstateerd dat de auto op de openbare weg reed. Op het genoemde tijdstip stond de auto als geschorst geregistreerd op de voet van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. Naar aanleiding van deze constatering is aan eiser over de periode 14 februari 2005 tot en met 18 november 2005 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 418. Tevens is aan eiser een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 418. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht aan eiser zijn opgelegd. Rechtbank 's-Gravenhage overweegt dat niet in geschil is dat met de auto van de weg gebruik werd gemaakt tijdens een voor die auto geldende schorsing. Naar het oordeel van de rechtbank is - gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 - de naheffingsaanslag terecht en op juiste gronden aan eiser, als houder van de auto, opgelegd. De omstandigheid dat één van de kinderen van eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan zogenoemd ongeoorloofde joy-riding maakt dit oordeel niet anders. Voorts oordeelt de rechtbank dat nu vaststaat dat eiser de verschuldigde belasting niet tijdig heeft betaald, verweerder bevoegd was eiser een verzuimboete op te leggen. Deze verzuimboete acht de rechtbank, gelet op de omstandigheden van het geval, passend en geboden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser, als houder van het voertuig, de nodige maatregelen dient te nemen om te voorkomen dat er ongeoorloofd gebruik van zijn auto wordt gemaakt. Nu eiser niet heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij het onderhavige gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen, moet de rechtbank concluderen dat eiser heeft nagelaten bedoelde maatregelen te nemen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de opgelegde boete disproportioneel is. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 271
FutD 2008-0194

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/7083/MRB

Uitspraakdatum: 13 september 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, te [P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 augustus 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en boetebeschikking (aanslagnummer [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007.

Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 12 juni 2007 aan eiser, naar het door hem in zijn beroepschrift opgegeven adres [adres] onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting van 30 augustus 2007 te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu de aan eiser verzonden uitnodiging niet ter griffie is terugontvangen, de uitnodiging voor de zitting is verstuurd naar het door eiser aan de rechtbank opgegeven adres en uit informatie van TNT Post is gebleken dat deze uitnodiging op 14 juni 2007 in ontvangst is genomen op voornoemd adres, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting van 30 augustus 2007 te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Namens verweerder is verschenen [A].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Eiser was volgens de kentekenregistratie van 23 december 2004 (datum afgifte deel II) tot en met 1 mei 2006 houder van het motorrijtuig met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De datum van het kentekenbewijs deel I is [datum] 1996.

2.2. Op 17 oktober 2005 heeft een huisgenoot van eiser de auto meegenomen. Een agent van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland heeft op genoemde datum om omstreeks 00:12 uur geconstateerd dat de in 2.1. genoemde auto op de (openbare) Rijksweg A9 te [...] reed.

2.3. Op het in 2.2. genoemde tijdstip stond de auto als geschorst geregistreerd op de voet van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. De datum van ingang van de schorsing was 14 februari 2005.

2.4. Naar aanleiding van de in punt 2.2. vermelde constatering is aan eiser over de periode 14 februari 2005 tot en met 18 november 2005 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 418. Tevens is aan eiser een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 418.

2.5. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag en verzuimboete terecht aan eiser zijn opgelegd.

2.6. Artikel 67, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) bepaalt dat, indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de eigenaar of houder van dat voertuig, tegen betaling op de door die Dienst vastgestelde wijze van het daarvoor door deze Dienst vastgestelde tarief, de geldigheid van het kentekenbewijs schorst. In artikel 19 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) is bepaald dat voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven de belasting niet geheven wordt over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW. Ingevolge artikel 68, eerste lid, onderdeel d, van de WVW eindigt de schorsing zodra met het voertuig gebruik van de weg wordt gemaakt.

2.7. Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW kan, gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB, de belasting worden nageheven.

2.8. Nu niet in geschil is dat met de in 2.1. genoemde auto van de weg gebruik werd gemaakt tijdens een voor die auto geldende schorsing, is - gelet op hetgeen in punt 2.7. is overwogen - de naheffingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank terecht en op juiste gronden aan eiser, als houder van de auto, opgelegd. De omstandigheid dat één van de kinderen van eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan zogenoemd ongeoorloofde joy-riding maakt dit oordeel niet anders.

2.9. Ingevolge artikel 37 van de Wet MRB in verband met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur - voor zover hier van belang - indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald een verzuimboete opleggen van ten hoogste

€ 4.537. Ingevolge paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald met een minimum van € 45 en een maximum van € 4.537.

2.10. Voor zover eiser ter zake van de opgelegde verzuimboete heeft bedoeld te stellen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, dan wel dat sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete, kan de rechtbank deze stellingen niet volgen. Nu vaststaat dat eiser de verschuldigde belasting niet tijdig heeft betaald, was verweerder bevoegd eiser een verzuimboete op te leggen. Deze verzuimboete acht de rechtbank, gelet op de omstandigheden van het geval, passend en geboden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser, als houder van het voertuig, de nodige maatregelen dient te nemen om te voorkomen dat er ongeoorloofd gebruik van zijn auto wordt gemaakt. Nu eiser niet heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij het in 2.2. genoemde gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen, moet de rechtbank concluderen dat eiser heeft nagelaten bedoelde maatregelen te nemen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de opgelegde boete disproportioneel is.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 13 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.