Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2225

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/44485
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / onvoldoende voortvarend handelen / opstarten lp-traject

De bewaring is een maatregel gericht op uitzetting van de vreemdeling. Naar vast beleid van verweerder (hoofdstuk A6/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000) dient de maatregel tot het strikt noodzakelijke beperkt te blijven. Dit houdt in dat verweerder zo spoedig mogelijk na de inbewaringstelling een concreet traject dient te hebben opgestart gericht op de uitzetting van de vreemdeling. Eiser is op 27 oktober 2007 in bewaring gesteld. Verweerder heeft op 20 november 2007 – 23 dagen na de inbewaringstelling – een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Bij de vraag of verweerder met betrekking tot het opstarten van het traject Marokko voldoende voortvarend heeft gehandeld, dient de rechtbank de individuele feiten en omstandigheden van het geval te betrekken (o.m. AbRS 8 november 2007, 200706730/1). Op 27 oktober 2007 is een zogenaamd identiteitsgehoor afgenomen. Eerst 11 dagen later heeft de regievoerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting niet kunnen verklaren waarom het vertrekgesprek niet op een eerder moment heeft kunnen plaatsvinden. De enkele mededeling dat met de overplaatsing van eiser naar een justitiële inrichting en de overdracht van het dossier aan de regievoerder enige tijd is gemoeid, is daartoe onvoldoende. Na het op 12 november 2007 verzenden van de lp-set aan de lp-kamer heeft het vervolgens acht dagen geduurd voordat de lp-aanvraag is ingediend. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen verklaren waarom het versturen van de lp-set vier dagen heeft geduurd, noch waarom de lp-kamer een periode van acht dagen nodig had om de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten in te dienen. Dat eiser de lp-aanvraag niet zelf heeft ingevuld acht de rechtbank, zonder nadere motivering, daartoe in ieder geval onvoldoende. Nu ter zitting voorts niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat het tijdsverloop (mede) is te wijten aan omstandigheden die in de sfeer van eiser liggen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door eerst op 20 november 2007 een lp-aanvraag in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/44485

V-nr.: 271.829.6036

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1976, van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit, verblijvende op de Detentieboot Stockholm te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. J.L.W. Nillesen, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Lelyveld, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie .

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 27 oktober 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Laatstelijk bij uitspraak van 13 november 2007 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen oplegging van de maatregel ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 27 november 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 13 december 2007. Eiser en verweerder hebben zich aldaar doen vertegenwoordigen door hun voornoemde gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

De voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is onrechtmatig nu verweerder de zaak met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) dient verweerder binnen 14 dagen een aanvang te maken met uitzettingshandelingen. Eiser is op 27 oktober 2007 in bewaring gesteld en eerst op 20 november 2007 is er een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (hierna: lp) doorgestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Dat verweerder op 8 november 2007 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en op 12 november 2007 de stukken naar de lp-kamer heeft verzonden, maakt niet dat verweerder wel voldoende voortvarend heeft gehandeld.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in de onderhavige zaak met voldoende voortvarendheid wordt gehandeld. Verweerder heeft op 27 oktober 2007 een identiteitsgehoor afgenomen, op 8 november 2007 een vertrekgesprek gehouden, op 12 november de lp-set naar de lp-kamer verzonden en op 20 november 2007 een lp-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten gestuurd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De bewaring is een maatregel gericht op uitzetting van de vreemdeling. Naar vast beleid van verweerder (hoofdstuk A6/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000) dient de maatregel tot het strikt noodzakelijke beperkt te blijven. Dit houdt in dat verweerder zo spoedig mogelijk na de inbewaringstelling een concreet traject dient te hebben opgestart gericht op de uitzetting van de vreemdeling.

Eiser is op 27 oktober 2007 in bewaring gesteld. Verweerder heeft op 20 november 2007 – 23 dagen na de inbewaringstelling – een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Bij de vraag of verweerder met betrekking tot het opstarten van het traject Marokko voldoende voortvarend heeft gehandeld, dient de rechtbank de individuele feiten en omstandigheden van het geval te betrekken (o.m. AbRS 8 november 2007, 200706730/1).

Op 27 oktober 2007 is een zogenaamd identiteitsgehoor afgenomen. Eerst 11 dagen later heeft de regievoerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting niet kunnen verklaren waarom het vertrekgesprek niet op een eerder moment heeft kunnen plaatsvinden. De enkele mededeling dat met de overplaatsing van eiser naar een justitiële inrichting en de overdracht van het dossier aan de regievoerder enige tijd is gemoeid, is daartoe onvoldoende. Na het op 12 november 2007 verzenden van de lp-set aan de lp-kamer heeft het vervolgens acht dagen geduurd voordat de lp-aanvraag is ingediend. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen uitleggen waarom het versturen van de lp-set vier dagen heeft geduurd noch heeft verweerder kunnen verklaren waarom de lp-kamer een periode van acht dagen nodig had om de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten in te dienen. Dat eiser de lp-aanvraag niet zelf heeft ingevuld acht de rechtbank, zonder nadere motivering, daartoe in ieder geval onvoldoende.

Nu ter zitting voorts niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat het tijdsverloop (mede) is te wijten aan omstandigheden die in de sfeer van eiser liggen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door eerst op 20 november een lp-aanvraag in te dienen.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 19 december 2007.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen met ingang van 14 november 2007, zijnde de dag volgend op de vorige uitspraak, en wel tot een bedrag van € 70,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 2450,-- (35 maal € 70).

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 19 december 2007 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 2450,-- (zegge: vierentwintighonderd en vijftig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 19 december 2007 door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: AS

Coll: YHK

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.