Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2221

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-12-2007
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/61503
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ8711, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / sprake van binnenlands gewapend conflict / relevante wijziging van het recht

De onderhavige asielaanvraag is de tweede asielaanvraag van eiser. Eisers eerste aanvraag is onherroepelijk afgewezen. Gelet op eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, in het licht van de onweersproken omstandigheden dat eiser Afghaan is, dat er in Afghanistan sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dat eiser behoort tot de minderheid der Oezbeken, is er sprake van voor eiser relevant gewijzigd recht en is artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing. Nu verweerder niet heeft getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn, slaagt eisers beroep reeds wegens een voorbereidings- en motiveringsgebrek op dit punt. De kern van het inhoudelijke geschil tussen partijen betreft de vraag welke betekenis toekomt aan de documenten die eiser in de onderhavige procedure heeft overgelegd, en of deze een zo bijzondere situatie opleveren dat op het eerdere oordeel in rechte moet worden teruggekomen. In onderhavige procedure heeft eiser onder meer een kopie van een verklaring van de Centrale Raad voor de Taliban Beweging overgelegd. In deze verklaring staat dat eiser door de Taliban de doodstraf opgelegd heeft gekregen wegens contra-Talibanactiviteiten. Vooropgesteld zij dat het risico te worden gedood door de Taliban vanwege hun onwelgevallige activiteiten een bijzondere situatie als hiervoor bedoeld kan opleveren. Evenzeer geldt echter dat een kopie van een document in beginsel niet toereikend is om een dergelijk risico zodanig overtuigend aan te tonen dat dit noopt tot het terugkomen op een eerder in rechte vaststaand oordeel. Eiser beschikt over niet meer dan een kopie. Gelet echter op de inhoud van deze verklaring en de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding voor de volgende overwegingen. Niet in geschil is de door eiser gegeven toelichting waarom hij niet (langer) in het bezit is van het origineel. Met stukken onderbouwd en onweersproken is immers dat eisers familieleden als vluchtelingen in Iran verblijven en voorts staat vast dat zij de bewuste originele verklaring daar - met het oog op bescherming - aan de autoriteiten hebben overgelegd. Hoewel dit de onderzoeksmogelijkheden ten aanzien van (de kopie van) die verklaring ernstig beperkt, maakt het ontbreken van een origineel niet ieder zinnig onderzoek op voorhand onmogelijk. Niet is gesteld of gebleken dat de onderzoeksmogelijkheden door verweerder zijn uitgeput. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat voor nader onderzoek geen aanleiding bestond, omdat de inhoud van deze verklaring strijdig is met hetgeen door eiser in zijn gehoren is verklaard, mist dit betoog feitelijke grondslag. De inhoud van deze verklaring laat zich immers logischerwijze rijmen met eisers asielrelaas. Voorts acht de rechtbank de omstandigheid dat de verklaring van de Taliban eerst drie jaar nadat eiser is gevlucht is uitgegeven - mede gelet op de machtswisselingen in Afghanistan- op zich zelf onvoldoende om de conclusie dat dit de verklaring reeds op voorhand ongeloofwaardig en/of irrelevant maakt te dragen. In dit licht bezien en gelet op de inhoud van de overgelegde documenten heeft verweerder, gelet op de vereisten van een zorgvuldige voorbereiding, niet zonder nader onderzoek betreffende de documenten en nadere, draagkrachtige motivering dienaangaande het standpunt kunnen innemen dat de overgelegde documenten niet afdoen aan het eerdere oordeel in rechte. Verweerder dient zich opnieuw te beraden over de vraag of er sprake is van een bijzondere situatie in vorenbedoelde zin.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/61503

V.nr.: 010.503.7890

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1975, van Afghaanse nationaliteit, wonende te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. K.E. Geertsema, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H.M. van Wijk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 24 november 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 29 mei 2006 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen. Op 15 december 2006 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer G.J.J. de Vries, tolk Dari.

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiser is -naar eigen zeggen- op 7 augustus 2001 Nederland binnengekomen en heeft op 18 augustus 2001 een asielaanvraag ingediend.

2. Bij besluit van 29 januari 2003 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

3. Daartegen is op 7 februari 2003 beroep ingesteld. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle heeft op 12 januari 2005 het beroep van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel ingesteld.

III. ASIELRELAAS

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser was in Afghanistan werkzaam als tandarts. In 2001 was eiser bij gelegenheid van een voetbalwedstrijd ongewild getuige van een publieke executie van een straf, te weten amputatie van ledematen, uitgevoerd door een arts in opdracht van de Taliban. Hierover heeft eiser zich meerdere malen negatief binnen de medische beroepsgroep uitgelaten, waarbij hij probeerde artsen ervan te weerhouden hieraan hun medewerking te verlenen. Hierdoor kwam hij in de negatieve aandacht te staan van de Taliban. Op dit moment heeft eiser nog steeds te vrezen voor de Taliban nu eisers familie op 24 september 2004 in Kabul een document van de Centrale Raad voor de Taliban Beweging heeft ontvangen waarin eiser de doodstraf opgelegd krijgt wegens contra-Talibanactiviteiten. Eisers vader zou een geldboete krijgen als hij eiser niet zou uitleveren. Daaraan is mondeling toegevoegd dat ook eisers vader de doodstraf zou krijgen. De vader van eiser heeft bescherming gevaagd aan het Ministerie van Binnenlandse zaken van Afghanistan en aan de politie. Deze autoriteiten hebben eisers familie laten weten niet in staat te zijn bescherming te bieden ten gevolge waarvan eisers familie naar Pakistan is gevlucht. Vanuit Pakistan zijn zij naar Iran vertrokken en als vluchteling opgevangen.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser wordt artikel 31, lid 2 sub f van de Vw 2000 tegengeworpen. Eiser heeft inmiddels zijn identiteit aangetoond middels een origineel Certificate of Identity waardoor hem niet langer ongedocumenteerdheid ten aanzien van de nationaliteit en identiteit wordt tegengeworpen. Eiser heeft echter nog steeds geen documenten overlegd die zijn reisroute kunnen aantonen. Voorts blijft eisers asielrelaas ongeloofwaardig. De overgelegde verklaringen van de Afghaanse ambassade hebben geen betrekking op eisers asielrelaas en zeggen niets over de geloofwaardigheid ervan. Ook de verklaringen dat de Taliban drie jaar nadat eiser is gevlucht nog met een beschuldiging komt aan het adres van eiser en zijn familie alsmede eisers beroep op de algemene onveilige situatie waardoor de macht van de Taliban weer is toegenomen, is onvoldoende om van hernieuwde aandacht voor eiser te spreken. De conclusie blijft dat eiser een ongeloofwaardig asielrelaas heeft waardoor er geen beoordeling van de zwaarwegendheid van eisers asielrelaas plaatsvindt.

1.2 In het verweerschrift stelt verweerder ten aanzien van eisers beroep op Richtlijn 2004/83 van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Hierna: de Definitierichtlijn) dat de Nederlandse regelgeving inzake toelating van asielzoekers in hoofdlijnen voldoet aan deze richtlijn. Ook regelgeving inzake het samenwerkingvereiste voldoet aan de Definitierichtlijn. Voorts wordt -indien het asielrelaas van een vreemdeling geloofwaardig wordt geacht- de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund. Daarbij vereist artikel 15 van de Definitierichtlijn een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Indien er sprake is van een dergelijk conflict dient te worden aangesloten bij het bepaalde in artikel 29, eerste lid en onder b van de Vw 2000. Verder dient er sprake te zijn van een individuele bedreiging aan het adres van eiser waarbij wordt meegewogen dat uit de preambule van de Definitierichtlijn blijkt dat een situatie waar een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld aan bedreigingen en aan geweld niet kan worden aangemerkt als een individuele bedreiging.

2. Eiser heeft de volgende- voor zover relevant - beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Eiser komt in aanmerking voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b en onder c, van de Vw 2000. Eisers asielrelaas is ten onrechte alleen op basis van het ontbreken van reisdocumenten ongeloofwaardig bevonden en dat is onzorgvuldig. Eiser heeft zijn identiteit inmiddels aangetoond met een origineel document. Voorts heeft hij nieuwe documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft te vrezen voor vervolging. Verwezen wordt naar artikel 4 van de Definitierichtlijn en het samenwerkingsvereiste. Eiser dient het voordeel van de twijfel te worden gegund nu hij oprechte inspanning heeft geleverd zijn verzoek te staven, zijn verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn en zijn relaas in grote lijnen geloofwaardig kan worden geacht. Verweerder acht het asielrelaas ongeloofwaardig maar acht de overgelegde documenten van de Afghaanse ambassade van Teheran wel geloofwaardig. De verklaringen van de familie zijn voor de Afghaanse ambassade voldoende terwijl deze verklaringen volgens verweerder onvoldoende objectief zijn. Verweerder heeft met betrekking tot het document van de Taliban gesteld dat het niet kan worden meegewogen nu het een kopie betreft. Het origineel is in Teheran omdat de familie van eiser het nodig heeft om bescherming te verkrijgen aldaar. Dit document had -nu de aanvraag niet is afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb- bij de besluitvorming dienen te worden betrokken. Voorts is ten onrechte niet aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) getoetst. Daarnaast heeft de omstandigheid dat eiser deel uitmaakt van een etnische minderheid ten onrechte onvoldoende een rol gespeeld bij de besluitvorming. Eveneens ten onrechte is het categoriale beschermingsbeleid afgeschaft en is de Definitierichtlijn 2004/83 niet toegepast. Dit alles maakt dat de totstandkoming van de bestreden beschikking onzorgvuldig is en dat de beschikking niet op een draagkrachtige motivering berust.

V. RELEVANTE REGELGEVING

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan onder andere de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

3. In de Definitierichtlijn zijn in Hoofdstuk V voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming opgenomen, waaronder ernstige schade. In artikel 15 is een definitie gegeven van ernstige schade. Ingevolge deze bepaling bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of

bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of:

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

4. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

VI. BEOORDELING

1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter toetsing ligt voor of het besluit, waarbij de onderhavige aanvraag is afgewezen door verweerder, in rechte kan standhouden.

2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de onderhavige aanvraag van eiser zijn tweede asielaanvraag betreft. Dit geeft aanleiding voor de navolgende ambtshalve overwegingen.

3. In vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is uitgemaakt dat artikel 4:6 van de Awb blijkens de wetsgeschiedenis niet ziet op de situatie dat het recht wordt gewijzigd. Indien het voor de aanvraag relevante recht wordt gewijzigd, kan ook zonder dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een nieuwe aanvraag worden ingediend, die op grond van de dan geldende bepalingen wordt beoordeeld. Hieruit vloeit voort dat een aanvraag waarbij een beroep wordt gedaan op wijziging van het recht sedert de beslissing op een eerdere soortgelijke aanvraag, geen herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit het vorenoverwogene volgt dat eerst dient te worden getoetst of sprake is van nieuw recht in die zin dat ten tijde van het in beroep bestreden besluit ander recht gold dan ten tijde van het eerdere besluit van 29 januari 2003. Vervolgens is aan de orde de vraag of sprake is van een voor eiser relevante wijziging van het recht. Eerst wanneer is vastgesteld dat dit niet het geval is, is aan de orde de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (zie onder andere de uitspraak van 12 maart 2007, LJN BA1205).

4. Eiser heeft zich beroepen op voor hem relevante wijzigingen van recht sinds de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag en heeft in dat kader gewezen op WBV 2007/07 en op artikel 15 c van de Definitierichtlijn.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser afkomstig is uit Afghanistan en behoort tot de Oezbeekse minderheid. Evenmin is - blijkens de mededelingen van de gemachtigden ter zitting - in geschil dat er in Afghanistan sprake is van een binnenlands gewapend conflict.

6.1. Voorts heeft deze rechtbank en zittingsplaats in een uitspraak van 25 januari 2007 (AWB 06/50100) bepaald dat er voor de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen aansluiting gevonden kan worden bij artikel 29, eerste lid en onder a,b of c van de Vw 2000 ten gevolge waarvan genoemd artikel niet, althans niet zonder nadere implementatie, in de Nederlandse wetgeving kan worden gelezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden geconcludeerd dat sprake is van nieuw recht.

6.2. Bij de beantwoording van de vraag, of dit recht voor eiser relevant is, zij vooropgesteld dat eiser uit Afghanistan afkomstig is en dat in Afghanistan een binnenlands gewapend conflict gaande is. De vraag rijst, of in dat licht reeds op grond van het feit dat eiser tot de Oezbeekse minderheid behoort kan worden geconcludeerd dat het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voor de beoordeling van eisers aanvraag relevant is.

6.3. Ingevolge artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn dient voor een geslaagd beroep op subsidiaire bescherming sprake te zijn van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger. In overweging 26 in de preambule is voorts neergelegd dat gevaren waaraan (een deel van) de bevolking van een land in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Daarmee is evenwel nog niet gezegd hoe het criterium ‘‘individuele bedreiging’’ dient te worden opgevat. Verweerder heeft aangegeven dat er in het individuele geval van eiseres sprake moet zijn van een reëel risico op het lijden van ernstige individuele schade. Overeenkomstig verweerders eerder aangegeven standpunt, inhoudende dat het in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn geschetste ernstige schade geacht moet worden te zijn begrepen in het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, begrijpt de rechtbank verweerders opvatting aldus dat ten aanzien van artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn sprake dient te zijn van hetzelfde ‘real risk’-criterium dat gehanteerd wordt bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

6.4. Onder verwijzing naar de uitspraak van 9 maart 2007 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (JV 2007, 203), overweegt de rechtbank dienaangaande het volgende. Verweerders opvatting miskent dat de in artikel 15, onderdeel c, van de Definitierichtlijn aangegeven schade het gevolg is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands conflict. De verwijzing naar het criterium ‘willekeurig geweld’ heeft gevolgen voor de wijze waarop het criterium ‘individuele bedreiging’ moet worden opgevat. Voor de aanwezigheid van genoemde ‘individuele bedreiging’ is niet noodzakelijk dat die bedreiging slechts de betrokken vreemdeling zelf betreft of, indien de vreemdeling tot een risicogroep behoort, dat de bedreiging in het bijzonder ten aanzien van de betrokken vreemdeling geldt. Voldoende is dat in een situatie van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict de betrokken vreemdeling tot een groep burgers behoort die op grond van (een combinatie van) specifieke kenmerken een zodanig bijzonder risicoprofiel heeft dat reëel te verwachten valt dat leden van die groep burgers het slachtoffer worden van willekeurig geweld. Het criterium ‘willekeurig’ duidt er daarbij op dat het behoren tot een dergelijke groep burgers met een bijzonder risicoprofiel voldoende is en dat niet vereist is dat de betrokken vreemdeling binnen die groep nog eens een extra of aanvullend individueel risico aannemelijk maakt. Het gaat er om dat het geweld leden van de groep burgers zal treffen zonder aanzien des persoons binnen de groep.

6.5. Bij de vraag naar de betekenis van de etniciteit van eiser in dit kader acht de rechtbank het volgende van belang. Onweersproken is dat etnische minderheden in Afghanistan betrekkelijk kwetsbaar zijn. Eiser heeft zich in dit verband onder meer beroepen op de brief van Amnesty International van 26 juni 2006. In het beleid van verweerder, zoals dat is vastgesteld na de afwijzing van de eerste asielaanvraag van eiser in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/07 (en overigens ook na het thans bestreden besluit), is onder meer het volgende opgenomen. Gezien de algehele situatie in Afghanistan bestaat er aanleiding om bijzondere aandacht te schenken aan asielaanvragen van personen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren. Deze beleidswijziging behelst - zoals ter zitting zijdens verweerder is erkend - een gewijzigd toetsingskader. Nu onweersproken is dat eiser behoort tot een minderheidsgroep van in een land waar sprake is van een binnenlands gewapend conflict concludeert de rechtbank, mede in het licht van informatie uit openbare bronnen en verweerders huidige beleid, dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voor eiser relevant nieuw recht behelst.

7. Reeds op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige aanvraag geen herhaalde aanvraag betreft en dat artikel 4:6 van de Awb geen toepassing kan vinden nu er sprake is van rechtens relevant gewijzigd recht voor eiser. De rechtbank zal thans, aan de hand van de beroepsgronden, overgaan tot de beoordeling van het bestreden besluit, waarin inhoudelijk is gekeken of eiser voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt.

8. Bij de inhoudelijke beoordeling, welke zich toespitst op de vraag of eiser zijn relaas en daaraan ontleende vrees thans aannemelijk heeft gemaakt, kan evenwel niet buiten beschouwing blijven dat reeds in de eerste asielprocedure door verweerder een geloofwaardigheidsoordeel is gegeven dat stand heeft gehouden bij de rechterlijke toetsing. Eiser beroept zich immers nog altijd op dezelfde problemen als in de eerste procedure. In het besluit van 29 januari 2003 heeft verweerder het relaas, zoals dat door eiser was gecorrigeerd en aangevuld, ongeloofwaardig geacht, en daarmee hetgeen hij bij terugkeer stelde te vrezen. Samengevat weergegeven had verweerder daartoe het volgende overwogen. Eiser heeft toerekenbaar geen reis-of identiteitsdocumenten overlegd waardoor de oprechtheid van eisers asielrelaas op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas. Daarnaast mist het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht, omdat de correcties en aanvullingen van 14 november 2002 dusdanig verschillen met eisers overige verklaringen dat getwijfeld wordt aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. In deze correcties staat immers dat eiser zelf de amputaties uitvoerde terwijl uit de eerdere gehoren blijkt dat eiser niet zelf de amputaties uitvoerde maar de artsen die belast waren met de uitvoering van deze taak daarvan probeerde te weerhouden. Het beroep tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 12 januari 2005 (AWB 03/8300). Hiertegen is door eiser geen rechtsmiddel aangewend. Dit geeft aanleiding voor de navolgende overwegingen.

9. Vooropgesteld zij dat eiser zich heeft beroepen op de Definitierichtlijn zoals hierboven aangegeven. Vast staat dat verweerder hieraan niet (kenbaar) heeft getoetst in het bestreden besluit. Het onder VI.6.4. overwogene laat onverlet dat het genoemde bijzondere risicoprofiel aan de hand van concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt zal moeten worden. Eiser heeft daartoe een aantal elementen naar voren gebracht, in het bijzonder zijn onweersproken nationaliteit en etniciteit. Verweerder heeft nagelaten te beoordelen of deze elementen, voor zover ze niet door de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser worden geraakt, voldoende aanknopingpunten bieden voor de conclusie dat in zijn geval sprake is van ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Bijgevolg ontbeert het bestreden besluit op dit punt een voldoende draagkrachtige motivering en komt het bestreden besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal de genoemde beoordeling alsnog dienen te verrichten en op basis daarvan een nieuw besluit hebben te nemen. Hetgeen in dit kader meer of anders is aangevoerd behoeft thans geen bespreking.

10.1. Overigens ziet de rechtbank aanleiding voor de navolgende overwegingen. In het bestuursrecht geldt als leidend beginsel dat beschikkingen formele rechtskracht verkrijgen, als daartegen niet (tijdig) of tot in laatste aanleg niet met succes, is opgekomen. Voorts volgt uit (inmiddels) bestendige jurisprudentie van de appèlrechter dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, tot gevolg heeft dat de rechtbank in het beroep tegen een hierna genomen nieuw besluit heeft uit te gaan van het oordeel over die beroepsgronden in de eerdere uitspraak. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de AbRS, onder meer die van 6 augustus 2003 (AB 2003, 355, ook wel bekend onder de naam “Brummen”). Deze uitgangspunten, die de rechtszekerheid en finaliteit van geschilbeslechting dienen, gelden in beginsel ook wanneer er tegen een uitspraak van de eerstelijnsrechter geen hoger beroep mogelijk is. Uit genoemde jurisprudentie van de ABRS leidt de rechtbank evenwel ook af dat, onder bijzondere omstandigheden nuancering mogelijk is en een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht gerechtvaardigd kan zijn. De rechtbank wijst hierbij in de eerste plaats op overweging 2.4 in de uitspraak van de ABRS van 6 augustus 2003 (AB 2003, 355), waarin is geoordeeld dat bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat het niet instellen van hoger beroep tegen uitspraken waarin beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, niet aan een betrokkene kan worden tegengeworpen, met name als tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep is ingesteld omdat betrokkene, afgaande op eerdere jurisprudentie, in de veronderstelling verkeerde dat deze beroepsgronden in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling aan de rechtbank konden worden voorgelegd.

10.2. Uit de bewoordingen “met name” leidt de rechtbank af dat er ook andere, (zeer) bijzondere, situaties denkbaar zijn waarin een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht gerechtvaardigd is. Daarnaast heeft de ABRS in een reeks van recente uitspraken nuanceringen aangebracht van de “Brummen” uitspraak. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraken van de ABRS van 19 januari 2005 (AB 2005/115), 3 februari 2005 (AB 2005/104), 13 juli 2005 (AB 2005/255) en 31 augustus 2005 (AB 2005/286).

10.3. Voor de onderhavige zaak brengt het voorgaande mee dat de rechtbank bij beoordeling van het thans voorliggende beroep heeft uit te gaan van het oordeel neergelegd in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 12 januari 2005, behoudens bijzondere omstandigheden die een doorbreking van het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen. In onderhavige procedure ligt de vraag voor of er sprake van dergelijke omstandigheden.

10.4. Voor eiser is van belang, zoals ook blijkt uit zijn mededelingen ter zitting, dat in de correcties en aanvullingen van 14 november 2002 volgens hem een kennelijke fout staat (namelijk dat hijzelf betrokken was bij amputaties, terwijl hij dat zelf nooit heeft verklaard), en dat deze fout van zijn toenmalige gemachtigde hem niet blijvend kan worden aangerekend. Het is in dit kader echter niet aan de rechtbank om uit te maken of er fouten zijn gemaakt bij het in rechte vertegenwoordigen van eiser in de vorige procedure en om daaraan gevolgen te verbinden.

10.5. De kern van het inhoudelijke geschil tussen partijen in deze procedure betreft de vraag welke betekenis toekomt aan de documenten die eiser in de onderhavige procedure heeft overgelegd, en of deze een zo bijzondere situatie opleveren dat op het eerdere oordeel in rechte moet worden teruggekomen. In onderhavige procedure heeft eiser een kopie van een verklaring van de Centrale Raad voor de Taliban Beweging van 24 augustus 2004 overgelegd. In deze verklaring staat dat eiser door de Taliban de doodstraf opgelegd heeft gekregen wegens contra-Talibanactiviteiten. Eiser heeft verklaard dat hij in het bezit was van de originele verklaring, maar deze heeft moeten terugsturen aan zijn familie, omdat zij de verklaring nodig hadden ter verkrijging van bescherming in Teheran. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het een kopie betreft, het niet mogelijk is te controleren op echtheid waardoor het document niet betrokken wordt in de besluitvorming. Voorts merkt verweerder op dat het opmerkelijk is dat eerst drie jaar na eisers vertrek uit Afghanistan de Taliban pas een dergelijke verklaring afgeeft. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat er ongerijmdheden voorkomen, nu de verklaring rept van ongehoorzaamheid bij het uitvoeren van het vonnis van een militaire rechterbank, terwijl eiser zelf nooit heeft gesproken over een militaire rechtbank. Ook heeft eiser een verklaring van de Afghaanse ambassade te Teheran van 2 april 2006 overgelegd waaruit blijkt dat eisers familie vluchteling is en thans in Teheran verblijft. Verweerder hecht geloof aan de overgelegde documenten van de Afghaanse ambassade van Teheran met betrekking tot echtheid en inhoud, maar stelt dat dit slechts betrekking heeft op eisers vader en niet op eiser zelf. Daarbij heeft de ambassade de verklaringen van de familie van eiser slechts als weergave opgenomen en heeft deze verklaring niet bevestigd.

10.6. Vooropgesteld zij dat het risico te worden gedood door de Taliban vanwege hun onwelgevallige activiteiten een bijzondere situatie als hiervoor bedoeld kan opleveren. Evenzeer geldt echter dat een kopie van een document in beginsel niet toereikend is om een dergelijk risico zodanig overtuigend aan te tonen dat dit noopt tot het terugkomen op een eerder in rechte vaststaand oordeel. Eiser beschikt over niet meer dan een kopie van de verklaring van de Centrale Raad voor de Taliban Beweging. Gelet echter op de inhoud van deze verklaring en de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding voor de volgende overwegingen. Niet in geschil is de door eiser gegeven toelichting waarom hij niet (langer) in het bezit is van het origineel. Met stukken onderbouwd en onweersproken is immers dat eisers familieleden als vluchtelingen in Iran verblijven en voorts staat vast dat zij de bewuste originele verklaring daar met het oog op bescherming aan de autoriteiten hebben overgelegd. Hoewel dit de onderzoeksmogelijkheden ten aanzien van (de kopie van) die verklaring ernstig beperkt, maakt het ontbreken van een origineel niet ieder zinnig onderzoek op voorhand onmogelijk. Niet is gesteld of gebleken dat de onderzoeksmogelijkheden door verweerder zijn uitgeput. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat voor nader onderzoek geen aanleiding bestond, omdat de inhoud van deze verklaring strijdig is met hetgeen door eiser in zijn gehoren is verklaard, mist dit betoog feitelijke grondslag. De inhoud van deze verklaring laat zich immers logischerwijze rijmen met eisers asielrelaas voor wat betreft het niet gehoorzamen aan de uitvoering van een vonnis van een militaire rechtbank, nu eiser heeft verklaard dat hij heeft getracht artsen te weerhouden de door de Taliban opgelegde straffen in de vorm van amputaties uit te voeren en daarmee heeft geprobeerd de uitvoering van vonnissen tegen te houden. Voorts acht de rechtbank de omstandigheid dat de verklaring van de Taliban eerst drie jaar nadat eiser is gevlucht is uitgegeven

- mede gelet op de machtswisselingen in Afghanistan- op zich zelf onvoldoende om de conclusie dat dit de verklaring reeds op voorhand ongeloofwaardig en/of irrelevant maakt te dragen.

10.7. In dit licht bezien en gelet op de inhoud van de overgelegde documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de vereisten van een zorgvuldige voorbereiding, niet zonder nader onderzoek betreffende de documenten en nadere, draagkrachtige motivering dienaangaande het standpunt heeft kunnen innemen dat de overgelegde documenten niet afdoen aan het eerdere oordeel in rechte. Verweerder dient zich opnieuw te beraden over de vraag of er sprake is van een bijzondere situatie in vorenbedoelde zin. Hetgeen meer of anders is naar voren is gebracht door partijen, behoeft thans geen bespreking.

11. Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Bij de verrichten besluitvorming zal verweerder ook het actuele beleid dienen te betrekken.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 27 december 2007 door mr. K. Mans, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Aar, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier (buiten staat)

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: MA

Coll: EB

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.