Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1441

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/45317
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mondelinge weigering terugkeervisum geen besluit / artikel 72, derde lid, van de Vw 2000

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de telefonische afwijzing van verweerder van 29 november 2007 geen besluit waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. Daartoe wordt overwogen dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat geen sprake is van schriftelijkheid. Evenmin kan de afwijzing op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 gelijk gesteld worden met een besluit, nu geen sprake is van een feitelijke handeling als in dat artikellid bedoeld. Blijkens de parlementaire geschiedenis (MvT, TK 1998 - 1999, 26 732, nr.3, blz. 107) valt daarbij onder meer te denken aan de situatie over de wijze waarop van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik wordt gemaakt. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. Uit de parlementaire geschiedenis valt voorts af te leiden dat de uitbreiding van het beschikkingsbegrip zoals voorzien in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 vooral is bedoeld voor die handelingen waartegen anders geen bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, zodat de vreemdeling genoodzaakt zou zijn deze zaken bij de burgerlijke rechter voor te leggen. Deze situatie doet zich thans evenmin voor. Immers, ongeacht het feit dat verweerder aanvragen als de onderhavige mondeling pleegt af te doen, staat niets de vreemdeling eraan in de weg om een schriftelijke aanvraag in te dienen (hetgeen hij volgens artikel 4:1 van de Awb overigens zelfs verplicht is) en verweerder er zodoende toe te bewegen een besluit op deze aanvraag te nemen. Indien verweerder dan alsnog weigert een schriftelijke beslissing te nemen, is sprake van het niet tijdig beslissen als bedoeld in art 6:2 van de Awb waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:1
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 07/45317

V-nummer: 170.0044.749

Inzake: [Verzoeker], verzoeker,

gemachtigde mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde drs. J.M. Sidler.

I Procesverloop

1 Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1968, bezit de Nigeriaanse nationaliteit. Hij verblijft naar eigen zeggen sedert 1992 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Laatstelijk is hij van 16 december 2003 tot 2 maart 2006 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) met als beperking “het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst”. Op 24 maart 2006 heeft hij verzocht om verlenging van de aan hem verleende vergunning dan wel om verlening van een vergunning regulier voor onbepaalde tijd. Op deze aanvragen heeft verweerder op 31 oktober 2006 afwijzend beslist. Tegen deze besluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt op 29 november 2006. Verweerder heeft op 5 april 2007 de bezwaren niet ontvankelijk verklaard. Op 16 april 2007 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 29 augustus 2007 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ongegrond verklaard. Op 2 oktober 2007 heeft verzoeker tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

2 Naar verzoeker stelt heeft hij op 2 augustus 2006 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier met als beperking “voortgezet verblijf”. Bij brief van 15 mei 2007 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Bij brief van 5 november 2007 heeft verzoeker beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

3 Naar verzoeker stelt heeft hij op 29 november 2007 bij verweerder telefonisch een aanvraag ingediend tot het verlenen van een terugkeervisum als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Hierop heeft verweerder, eveneens telefonisch, dezelfde dag afwijzend gereageerd. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt op 4 december 2007.

4 Op 4 december 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder wordt opgedragen om aan verzoeker binnen twee dagen na de uitspraak het gevraagde terugkeervisum te verlenen met een geldigheidsduur van vier weken, op straffe van een dwangsom van € 5000 per dag.

5 De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 december 2007. Ter zitting is verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging. Voorzover deze toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

1.2 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge het tweede lid wordt onder beschikking verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Ingevolge het derde lid wordt onder aanvraag verstaan het verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.

1.3 In artikel 4:1 van de Awb is bepaald dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

1.4 In artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat voor de toepassing van de rechtsmiddelen met een beschikking gelijk is gesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een aanvraag, nu het telefonische verzoek van 29 november 2007 niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. Er is geen sprake van schriftelijkheid als bedoeld in artikel 4:1 van de Awb. Wel is de mondelinge weigering naar de mening van verweerder een feitelijke handeling waartegen rechtsmiddelen ingediend kunnen worden. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt de gevraagde voorziening afgewezen dient te worden, omdat de gevraagde voorziening tot verstrekking van het gevraagde terugkeervisum, strekt tot een definitief oordeel en de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel kan geven in onderhavige procedure.

3 Verzoeker stelt dat de mondelinge weigering van verweerder om een terugkeervisum te verlenen een besluit is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De reden die verweerder bij de afwijzing op 29 november 2007 heeft gegeven voor de weigering, te weten dat verzoeker uitgeprocedeerd zou zijn, wordt door verzoeker niet gevolgd. Er lopen twee beroepen. Eén beroep is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om voortgezet verblijf van 2 augustus 2006. Verweerder heeft bij brief van 22 november 2007 erkend dat te laat is beslist op het bezwaar. Het andere beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 5 april 2007, waarbij het bezwaar van verzoeker van 29 november 2006 niet ontvankelijk is verklaard. Nu de aanvraag van 2 augustus 2006 tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking “voortgezet verblijf” is ingediend binnen de tijdsperiode van zes maanden en ook niet kan worden uitgesloten dat de beroepen in het voordeel van verzoeker uitvallen, komt verzoeker in aanmerking voor een terugkeervisum. Temeer nu verzoeker is ingereisd met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en hij in procedure is voor een verblijfsvergunning.

4.1 De voorzieningenrechter overweegt ambtshalve het volgende.

4.2 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de telefonische afwijzing van verweerder van 29 november 2007 geen besluit waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. Daartoe wordt overwogen dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat geen sprake is van schriftelijkheid. Evenmin kan de afwijzing op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 gelijk gesteld worden met een besluit, nu geen sprake is van een feitelijke handeling als in dat artikellid bedoeld. Blijkens de parlementaire geschiedenis (MvT, TK 1998 - 1999, 26 732, nr.3, blz. 107) valt daarbij onder meer te denken aan de situatie over de wijze waarop van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik wordt gemaakt. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. Uit de parlementaire geschiedenis valt voorts af te leiden dat de uitbreiding van het beschikkingsbegrip zoals voorzien in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 vooral is bedoeld voor die handelingen waartegen anders geen bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, zodat de vreemdeling genoodzaakt zou zijn deze zaken bij de burgerlijke rechter voor te leggen. Deze situatie doet zich thans evenmin voor. Immers, ongeacht het feit dat verweerder aanvragen als de onderhavige mondeling pleegt af te doen, staat niets de vreemdeling eraan in de weg om een schriftelijke aanvraag in te dienen (hetgeen hij volgens artikel 4:1 van de Awb overigens zelfs verplicht is) en verweerder er zodoende toe te bewegen een besluit op deze aanvraag te nemen. Indien verweerder dan alsnog weigert een schriftelijke beslissing te nemen, is sprake van het niet tijdig beslissen als bedoeld in art 6:2 van de Awb waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Overigens blijkt uit het dossier dat eiser reeds eerder een schriftelijke aanvraag heeft ingediend en derhalve op de hoogte moet zijn van deze procedure.

4.3 Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat geen sprake is van een besluit, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te treffen dient te worden afgewezen.

5 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De voorzieningenrechter:

rechtdoende:

wijst het verzoek af.

Aldus gedaan door mr. C. Laukens, voorzieningenrechter, en door deze en mr. J. van Dort, griffier, ondertekend.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.