Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1413

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
286620 - HA ZA 07-1379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

strafvorderlijk beslag; is eiser rechthebbende op beslagen goed?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 286620 / HA ZA 07-1379

Vonnis van 19 december 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. R. Dhalganjansing,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. A.Th.M. ten Broeke.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 april 2007;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 25 juli 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 19 oktober 2007.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 18 maart 2003 heeft de marechaussee op Schiphol een bedrag van € 290.670,- aan contant geld aangetroffen in diverse kledingstukken en een koffer met dubbele bodem van [persoon A.]. Daarop is [persoon A.] aangehouden en zijn de bankbiljetten met enkele bescheiden in beslag genomen. [persoon A.] heeft tijdens zijn eerste verhoor verklaard dat het geld, op € 5.000,- na, aan [eiser] toebehoorde en dat hij werd betaald om dit naar de Nederlandse Antillen te vervoeren.

2.2. Tijdens zijn tweede verhoor op 18 maart 2003 heeft [persoon A.] afstand gedaan van het geld. In een schriftelijke verklaring aan [eiser] d.d. 3 april 2003 heeft [persoon A.] bevestigd dat hij op het inbeslaggenomen geld geen aanspraak zal doen gelden.

2.3. [eiser] heeft bij de rechtbank Haarlem een op 3 april 2003 gedateerd klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend, waarin hij om opheffing van het beslag en teruggave van het geld verzocht. Dit beklag is bij beschikking van de enkelvoudige raadkamer op 31 juli 2003 ongegrond verklaard. Die beschikking vermeldde dat bij het onderzoek in raadkamer van 17 juli 2003 was gebleken dat ook tegen [eiser] als verdachte een opsporingsonderzoek was ingesteld, onder meer naar de herkomst van het inbeslaggenomen geld. Het tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij beschikking van 6 juli 2004 verworpen.

2.4. Op 7 juni 2005 heeft [eiser] wederom een klaagschrift ex artikel 552a Sv bij de rechtbank Haarlem ingediend, waarin hij om opheffing van het beslag en teruggave van het geld verzocht. Bij beschikking van 26 september 2005 heeft de enkelvoudige raadkamer [eiser] in zijn beklag niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Bij brief van 27 september 2005 heeft de officier van justitie verklaard dat [eiser] ten tijde van de behandeling van het klaagschrift op 5 september 2005 niet werd vervolgd in deze zaak.

2.5. Een door [eiser] ingediende klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is door die instantie op 23 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

2.6. Bij brief van 16 juni 2006 heeft de officier van justitie van het parket Haarlem aan [persoon A.] een kennisgeving van niet (verdere) vervolging gestuurd. Als reden werd opgegeven dat het feit waarvan [persoon A.] werd verdacht nu te oud was.

2.7. [eiser] heeft bij brief van 31 juli 2006 het parket Haarlem gesommeerd tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag.

Het geschil

[eiser] vordert dat de Staat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om de door de Staat jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige daden onmiddellijk ongedaan te maken en de gevolgen daarvan op te heffen en voorts aan [eiser] te vergoeden de door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 18 maart 2003, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

3.2. Aan deze vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de Staat ondanks het uitblijven van een strafrechtelijke procedure blijft weigeren het inbeslaggenomen geldbedrag en de daarop betrekking hebbende bescheiden aan hem terug te geven, waarmee de Staat bewust in strijd handelt met artikel 552ca Sv. Deze handelwijze is onrechtmatig jegens [eiser]. De Staat heeft uitsluitend om procestechnische reden voortdurend geroepen dat [eiser] verdachte is, zonder ooit de serieuze bedoeling te hebben gehad een strafrechtelijke procedure aan te spannen tegen hem of [persoon A.], die een broer van de levenspartner van [eiser] is. Artikel 552ca Sv verplicht het openbaar ministerie de nodige naspeuringen te doen naar degene die als rechthebbende zou kunnen gelden.

[eiser] heeft het geldbedrag op legale wijze, met zeer hard werken en veel risico's verdiend met het jaarlijks organiseren van concerten met Caraïbische muziekformaties. Door het onrechtmatig handelen van de Staat heeft [eiser] aanzienlijke schade geleden, zo stelt hij.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer.

De beoordeling

4.1. Ter comparitie is gebleken dat de inbeslaggenomen bankbiljetten door de Staat zijn gestort op een bank- of girorekening. Niet in geschil is evenwel dat het beslag nog immer voortduurt. Het geld wordt nu door de Staat beheerd ten behoeve van de rechtmatige eigenaar of eigenaren. Een met de waarde van het inbeslaggenomen geld overeenkomend bedrag zal worden uitgekeerd aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

4.2. De rechtbank zal eerst het door de Staat gevoerde ontvankelijkheidsverweer bespreken. De Staat heeft in dit kader een beroep gedaan op de vaste jurisprudentie volgens welke de klaagschriftprocedure van artikel 552a Sv als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang moet worden aangemerkt. Wegens de nauwe samenhang met de vordering tot teruggave kan [eiser] in zijn vordering tot schadevergoeding evenmin worden ontvangen, aldus de Staat.

4.3. Aangezien in de door hem aangespannen beklagprocedures ex artikel 552a Sv geen schadevergoeding kon worden gevorderd, kan naar het oordeel van de rechtbank [eiser] in zoverre met zijn vordering zonder meer door de burgerlijke rechter worden ontvangen.

[eiser] vordert daarnaast, naar de rechtbank begrijpt, teruggave van de inbeslaggenomen bankbiljetten, althans vergoeding van de waarde daarvan. Daarbij gaat het [eiser] kennelijk niet langer om het uitblijven van een last tot teruggave, maar om de (niet-)nakoming van de - door de Staat erkende - verplichting tot teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat, nu het geschil over de teruggave nog uitsluitend de civielrechtelijke vraag betreft of [eiser] als rechthebbende is te beschouwen, ook voor dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijkverklaring door de burgerlijke rechter achterwege moet blijven. Een andere beslissing zou immers als ongewenst gevolg hebben dat de Staat niet in rechte kan worden gedwongen tot nakoming van de ook na ongebruikt verloop van de in artikel 552a, vierde lid, Sv gestelde termijn op hem rustende verplichting om, zodra het belang van de strafvordering (of dat van de ontnemingsvordering) zich daartegen niet meer verzet, het inbeslaggenomen voorwerp aan de rechthebbende terug te geven.

4.4. Ter beoordeling staat dus, of [eiser] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Stelplicht en bewijslast te dier zake rusten conform de hoofdregel op [eiser].

4.5. De Staat heeft gemotiveerd betwist dat [eiser] redelijkerwijs als rechthebbende op het geld valt aan te merken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de herkomst van het geld schimmig is. Er bestaat een aanmerkelijke kans dat het geld van criminele activiteiten, in het bijzonder de handel in drugs, afkomstig is, waardoor onduidelijk is wie de rechthebbende is. De door eiser georganiseerde evenementen kunnen niet verklaren dat [persoon A.] een dergelijk groot bedrag vervoerde en evenmin duidelijk maken waarom is gekozen voor de wijze waarop het geld is vervoerd: in de dubbele bodem van een koffer en in de onderbroek en kleding van [persoon A.], aldus de Staat.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat [eiser], gelet op het onder 4.5 vermelde verweer, zijn eigendomsclaim niet voldoende heeft onderbouwd. Ter comparitie is hij met een van het gestelde in de dagvaarding afwijkende verklaring gekomen van de herkomst van een deel van het inbeslaggenomen geld: dit zou deels werkvermogen betreffen dat in de vorm van leningen ter beschikking was gesteld door de ouders van [eiser] en zijn in Nederland wonende broer [broer]. [eiser] heeft echter niet duidelijk gemaakt welke betalingen daarmee op Curaçao moesten worden gedaan. Deze kunnen in elk geval geen betrekking hebben gehad op het door [eiser] aldaar onder de naam [naam bedrijf] geëxploiteerde tuinbouwbedrijf, nu hij volgens zijn eigen verklaring die exploitatie pas in augustus 2005 van zijn ouders heeft overgenomen. Nadere bijzonderheden en bewijsstukken van de gestelde leningen zijn niet verstrekt.

Evenmin heeft [eiser], hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, alsnog nader inzicht gegeven in de omzet en kosten van de door hem in de relevante periode georganiseerde feesten. Mede gezien het door de Staat overgelegde rapport d.d. 20 mei 2003 van het door de marechaussee ingestelde financieel onderzoek, kon [eiser] niet volstaan met het overleggen van de jaarrekeningen 2001 en 2002 van zijn [bedrijf].. Nu [eiser] aldus niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht, gaat de rechtbank aan zijn bewijsaanbod, dat overigens uitsluitend betrekking heeft op de omzet van de door hem georganiseerde feesten, voorbij. Aan de vordering van [eiser] tot schadevergoeding komt na het voorgaande geen zelfstandige betekenis meer toe.

4.7. Een en ander leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] op inhoudelijke gronden zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal hij in de proceskosten worden verwezen. Op verzoek van de Staat zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met bepaling dat [eiser] over die kosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn. Voor de eveneens gevraagde veroordeling tot betaling van nakosten bestaat nog geen grond.

De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat worden begroot op € 251,- aan verschotten en € 904,- aan salaris van de procureur;

- bepaalt dat [eiser] over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.A. Koppen, E.C. van Veen en D.A. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.