Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1195

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
15-01-2008
Zaaknummer
09/900095-06 (dagvaarding I); 09/900595-07 (dagvaarding II)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook BC0775. Vonnis in de zaak van het meisje Mehak. Mehak is gedurende de laatste periode van haar korte leven mishandeld en affectief verwaarloosd. Mehak kreeg veelvuldig slaag, met zwaar lichamelijk letsel en uiteindelijk haar dood ten gevolg. Mehak zou behekst zijn geweest of een 'slechte' geest hebben gehad. Bij de ouders hebben daarnaast mogelijk nog andere motieven bijgedragen aan de verwording van de omgang met dit nog zeer jonge en volstrekt weerloze kind. Verdachte heeft Mehak mishandeld en medeverdachten aangezet tot het toepassen van geweld tegen Mehak. Hoewel de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte op 28 januari 2006 opzet heeft gehad op de dood van Mehak, is zij van oordeel dat de rol van verdachte in de periode van verwaarlozing en escalerend geweld daaraan voorafgaand groot is geweest. Verdachte was ervan overtuigd dat Mehak behekst was en beschuldigde Mehak bij alles wat niet goed ging. In verband met de geest in Mehak moest zij klappen krijgen en vastgebonden worden. Verdachte bracht de ouders van Mehak er (mede) toe dat zij hun dochtertje verwaarloosden en sloegen. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de stukken blijkt dat ook de moeder van Mehak overtuigd was van het feit dat er in Mehak een slechte geest zat en dat de vader van Mehak dit op zijn minst voor mogelijk hield. Verdachte heeft Mehak ook zelf geslagen. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan, te meer nu medeverdachten de ouders van Mehak en de huishoudster zich in een afhankelijke positie tot verdachte bevonden. Zij werkten voor verdachte en haar man en leefden in hun woning. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van deze positie. De omstandigheden waaronder de ouders van Mehak en de huishoudster bij verdachte en haar man hebben verbleven en hebben gewerkt, moeten worden gekwalificeerd als mensenhandel, een zeer ernstig strafbaar feit is. Verdachte heeft samen met haar echtgenoot goedkope werkkrachten in huis gehaald en deze mensen in een situatie van volledige afhankelijkheid op alle terreinen gebracht. Daar kan niet aan afdoen dat zij wellicht ook meenden deze mensen een plezier te doen door hen in Nederland voor zich te laten werken. In het voordeel van verdachten wordt er rekening mee gehouden dat alles in een Indiase setting heeft plaatsgevonden, waardoor de huishoudster en de ouders van Mehak ten tijde van de telastgelegde periode kennelijk niet de mate van onvrijwilligheid hebben ervaren die naar Nederlandse maatstaven wel degelijk aanwezig was. In hun nadeel laat de rechtbank meewegen dat de bestaande uitbuitingssituatie geacht moet worden mede een voedingsbodem te hebben gecreëerd voor de uiteindelijke gewelddadigheden jegens Mehak, in het bijzonder die door de moeder van Mehak, die wel weg wilde maar door haar volstrekt afhankelijke positie en mede door gebrek aan medewerking van de vader van Mehak en haar familie geen mogelijkheden had daadwerkelijk te vertrekken. Tot slot heeft verdachte zich samen met haar man schuldig gemaakt aan het belemmeren van de verklaringsvrijheid van een van haar kinderen, de huishoudster, de moeder van Mehak en L. Zij heeft daarmee willen bereiken dat de genoemde personen in onderhavige zaak ten gunste van verdachte en haar man zouden verklaren. Verdachte heeft daarmee de waarheidsvinding in de onderhavige zaak ernstig geschaad. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 47, 57, 273a (oud), 285a, 301 en 303 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 3 jaar en 9 maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VONNIS)

parketnummers 09/900095-06 (dagvaarding I); 09/900595-07 (dagvaarding II)

's-Gravenhage, 14 december 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[hoofdbewoonster],

geboren te [geboorteplaats] (India) op [datum] 1964,

thans wonende te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 juli 2006, 3 oktober 2006, 6 september 2007, 13 november 2007, 29 november 2007 en 30 november 2007.

De verdachte is niet verschenen. Haar raadslieden, aanvankelijk mr. A. Sennef en nadien, vanaf 13 november 2007, mr I.A. van Straalen, advocaat te 's Gravenhage, zijn telkens wel verschenen en hebben verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren.

De officier van justitie mr L.M. Robert-Altimari heeft gevorderd dat verdachte terzake van het haar bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 en 3 telastgelegde en bij dagvaarding II primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De telastlegging

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de aan het eind van het vonnis opgenomen telastlegging.

De geldigheid van de dagvaarding

1.1 In de gevoegde zaak met parketnummer 900095-06 heeft de verdediging betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 betreffende de telastgelegde mensenhandel volstrekt onbegrijpelijk en daarom nietig is.

Daarvoor is ten eerste aangevoerd dat een aantal werkwoorden in de telastlegging niet is vervoegd en dat daarin ongespecificeerde aanduidingen als 'die ander(en)' voorkomen.

1.2 De rechtbank is het met de verdediging eens dat de in artikel 273a (oud) lid 1 strafbaar gestelde handelingen als hele werkwoorden in de telastelegging zijn opgenomen, terwijl deze hadden moeten worden vervoegd. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke schrijffout en leest de telastelegging op dit punt verbeterd. De verdediging is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Het verweer omtrent het gebruik van het ongespecificeerde 'die ander en/of anderen' wordt verworpen. In eerste instantie wordt in de telastlegging gesproken over [huishoudster]/[huishoudster], [moeder van Mehak] en/of [vader van Mehak] en in de feitelijke uitwerking worden deze namen nog verschillende malen herhaald. Daarmee is voldoende duidelijk dat met 'die ander' of 'die anderen' een of meer van de genoemde personen worden bedoeld.

2.1 Ten tweede heeft de officier van justitie volgens de verdediging in de uitwerking van de dwang waaronder het telastgelegde 'werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen' zou hebben plaatsgevonden, slechts gebeurtenissen opgesomd die zich zouden hebben voorgedaan nadat [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] al in Nederland waren aangekomen. Dit is onlogisch en maakt de telastlegging onbegrijpelijk, aldus de raadsman.

2.2 Ook op dit punt kan het verweer niet slagen. Het is juist dat volgens de afgelegde verklaringen de in de telastlegging nader omschreven dwang pas zou hebben plaatsgevonden nadat de bedoelde personen in Nederland waren aangekomen. Dit maakt dat een deel van de telastlegging mogelijk niet bewijsbaar is, maar niet dat de telastlegging innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk is.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1. De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit op de hierna genoemde gronden. Als de rechtbank de daarin genoemde feiten en omstandigheden, hetzij zelfstandig, hetzij in onderlinge samenhang, onvoldoende vindt voor niet-ontvankelijkverklaring, dan dienen daaraan andere gevolgen te worden verbonden zoals bij iedere grond aangegeven, aldus de verdediging.

2. Algehele vooringenomenheid en tunnelvisie van politie en justitie bij het onderzoek

2.1 De raadsman heeft met voorbeelden gestaafde kritiek geuit op de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden en in het bijzonder waarop sommige verhoren zijn afgenomen, kennelijk mede als gevolg van de emoties die het overlijden van Mehak heeft opgeroepen. Daaruit zou blijken dat de politie zozeer vanuit een tunnelvisie heeft gerechercheerd en verhoren van medeverdachten uitgevoerd dat er daardoor welbewust op is aangestuurd, althans het risico is genomen dat onware belastende verklaringen tegen verdachte zouden worden afgelegd. Daarbij zijn suggestieve en beledigende opmerkingen gemaakt over de persoon van verdachte en haar echtgenoot en persoonlijke opvattingen geventileerd over hun vermeende gedragingen. De opmerking van de officier van justitie in de vordering inbewaringstelling ten aanzien van verdachte dat [huishoudster] 'nu eindelijk de waarheid had gesproken' is exemplarisch voor de algehele vooringenomenheid waarmee het onderzoek heeft plaatsgevonden, zo heeft de verdediging betoogd. Hoewel politie en justitie wisten dat [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] hun verklaringen op elkaar aan het afstemmen waren, is na het afleggen van de 'nieuwe' verklaring door [moeder van Mehak] nog een maand gewacht met het horen van [vader van Mehak].

Door deze onrechtmatige handelwijze is verdachte in haar gerechtvaardigde belangen en haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak onherstelbaar aangetast en zijn hierdoor de beginselen van een behoorlijke procesorde op grove wijze geschonden, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te leiden, aldus de raadsman.

Subsidiair dienen de in 2007 afgelegde politieverklaringen van [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] van het bewijs te worden uitgesloten.

2.2 Het is de rechtbank gebleken dat de politie in een aantal gevallen verdachten heeft geconfronteerd met evident onjuiste informatie of niet-gerechtvaardigde conclusies heeft getrokken en ook andere uitgesproken onzorgvuldigheden heeft begaan. Zo is [moeder van Mehak] voorgehouden dat uit het onderzoek zou zijn gebleken dat de beentjes van Mehak waren gebroken, hetgeen niet het geval was. Ook is [moeder van Mehak] geconfronteerd met de verklaring van [huishoudster] omtrent zware mishandeling door verdachte, waarbij de politie op een verklaring van [moeder van Mehak] omtrent een dergelijk incident op een ander tijdstip concludeert dat er sprake moet zijn van twee incidenten, hetgeen bepaald niet zonder meer het geval hoeft te zijn. Voorts heeft [huishoudster] op de avond van het overlijden van Mehak kennelijk kans gezien om ongezien de woning aan de [adres] binnen te gaan, ondanks de opdracht aan politieambtenaren tot bewaking van het pand.

In zijn algemeenheid kan de rechtbank echter niet de stelling van de verdediging delen dat sprake is geweest van zodanige algehele vooringenomenheid van politie en justitie dat ervan moet worden uitgegaan dat kennelijk doelbewust onjuiste belastende verklaringen zijn verzameld of dat welbewust het risico daarop is genomen. De keerzijde van de zaak is dat vrijwel alle huisgenoten van Mehak, inclusief verdachte en haar echtgenoot, van meet af aan in meerdere of mindere mate hebben gelogen over allerlei feiten en omstandigheden, waardoor de waarheidsvinding ernstig werd bemoeilijkt, terwijl al direct duidelijk was dat Mehak een gewelddadige dood moest zijn gestorven. Naar hierna nog zal worden overwogen heeft het echtpaar [echtpaar] daarin bovendien zelf in belangrijke mate de hand gehad, hetgeen tevens maakt dat de later afgelegde verklaringen niet zonder meer onwaar of onbetrouwbaar behoeven te zijn.

[huishoudster] is de enige die op enig moment uitgebreider ging verklaren over de achtergronden van de mishandelingen van Mehak die uiteindelijk tot haar dood hebben geleid. Dat de andere verdachten met de verklaringen van [huishoudster] zijn geconfronteerd alsof deze de waarheid weergaven, kan worden beschouwd als een geoorloofde verhoortechniek. Dat de verhorende politieambtenaren vraagtekens gingen plaatsen bij de verklaringen van de verschillende verdachten kan hen redelijkerwijze niet worden verweten. De verdachten wisselden immers geregeld van verklaring en gaven daarbij ook toe dat zij in eerdere verklaringen hadden gelogen. Dat verklaringen vervolgens niet direct voor waar werden aangenomen en dat er indringend werd doorgevraagd, wordt door de raadsman ten onrechte bestempeld als vooringenomenheid. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet iedere uiting van emotie bij verhorende politieambtenaren zonder meer ongeoorloofd. De verklaringen zijn op sommige punten ook moeilijk invoelbaar. Confrontatie met die oninvoelbaarheid kan een effectief onderdeel van een verhoor uitmaken.

Het is waar dat er lang is gewacht met het horen van [vader van Mehak] nadat [moeder van Mehak] in april 2007 bij de politie nader was gaan verklaren. Het is echter aannemelijk dat, zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, de gesprekken in het kader van de belregeling als gevolg van de vertaling en uitwerking niet steeds op korte termijn ter beschikking van het onderzoeksteam hebben gestaan.

De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring of bewijsuitsluiting, of enige andere toepassing als bedoeld in artikel 359a lid 1 Sv op deze grond.

3. Pleegplaats mensenhandel

3.1 Dit verweer betreft hetzelfde deel van de telastlegging als besproken bij 2.1 onder 'de geldigheid van de dagvaarding' (mensenhandel). Als pleegplaats van de strafbaar gestelde wettelijke handelingen 'werven, vervoeren of overbrengen' is telastgelegd 'te 's-Gravenhage, althans in Nederland'. Die handelingen, zoals feitelijk uitgewerkt in de telastlegging

-bijvoorbeeld het regelen van een paspoort-, hebben echter, indien al begaan, buiten Nederland plaatsgevonden, zo is namens verdachte aangevoerd.

3.2 De rechtbank ziet geen aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie voor wat betreft dit gedeelte. De rechtbank dient op de grondslag van de telastlegging de ontvankelijkheid te beoordelen (HR 11 september 1990, LJN AD7495). Nu is telastgelegd dat de aan verdachte verweten handelingen in Nederland zijn gepleegd, heeft de rechtbank rechtsmacht ten aanzien van de beoordeling van deze feiten. Mocht blijken dat deze inderdaad buiten Nederland zijn gepleegd, dan zullen zij niet bewezen kunnen worden verklaard.

4. Afluisteren geheimhouders

4.1 In het kader van het opsporingsonderzoek tegen verdachte zijn zowel via telefoontaps als door middel van in de auto van verdachte en haar echtgenoot geplaatste afluisterapparatuur gesprekken opgenomen. Daaronder bevinden zich gesprekken met verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 126aa tweede lid Wetboek van Strafvordering (Sv). Ingevolge dit artikellid dienen de processen-verbaal van de laatstgenoemde gesprekken of andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend, te worden vernietigd conform de voorschriften, te geven bij algemene maatregel van bestuur. Dit geldt voorzover deze processen-verbaal of voorwerpen mededelingen bevatten terzake waarvan de verschoningsgerechtigde als getuige verschoningsrecht zou toekomen als hem naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd.

De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het 'Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken' (Stb. 1999, 548). In deze regeling worden de bedoelde verschoningsgerechtigden aangeduid als geheimhouders. Artikel 4 lid 2 van het genoemde Besluit bepaalt dat de officier van justitie -nadat deze heeft vastgesteld dat sprake is van mededelingen door of aan een geheimhouder- terstond schriftelijk de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen beveelt, voor zover deze dergelijke mededelingen bevatten. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.

Voorts gold in 2006 de inmiddels vervallen en door een gelijknamige regeling vervangen 'Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders' van het College van Procureurs-Generaal d.d. 12 maart 2002, in werking getreden op 1 april 2004. Deze bepaalde dat de officier van justitie, na melding door een opsporingsambtenaar van communicatie met een geheimhouder, beoordeelt of de inhoud van de communicatie mededelingen bevat als bedoeld in artikel 126aa tweede lid Sv. Is dat het geval, dan geeft de officier van justitie terstond schriftelijk bevel om de inhoud van de communicatie te vernietigen. In de instructie worden voor de beoordeling door de officier en de vernietiging zelf geen termijnen genoemd. Daarover wordt in de toelichting vermeld dat het voor de hand ligt dat in beide gevallen dezelfde spoed wordt betracht die artikel 4 van het hierboven bedoelde Besluit voorschrijft voor de melding van de opsporingsambtenaar aan de officier van justitie van een mogelijk geheimhoudersgesprek ('onverwijld') en voor het geven van een bevel tot vernietiging ('terstond'). In de thans geldende Instructie, in werking getreden op 1 februari 2007, is wel een termijn ingevoegd voor de beoordeling door de officier van justitie (binnen 3 werkdagen), maar niet voor de vernietiging. In beide Instructies is bepaald dat zowel de teamleiding als de beheerder van het interceptiecentrum proces-verbaal opmaakt van de vernietiging.

B4.2 Ondanks het voorschrift van artikel 126aa lid 2 Sv is -naar de officier van justitie reeds bij requisitoir heeft erkend- een tweetal van de processen-verbaal met mededelingen als hierboven bedoeld in het dossier terechtgekomen. Dit betreft een gesprek d.d. 7 februari 2006 (nr. 346) tussen [hoofdbewoner] en mr. Soekarman, de advocaat die hem eerder als raadsvrouw bij gelegenheid van de rechtmatigheidstoetsing van de verlenging inverzekeringstelling had bijgestaan. Voorts is een gesprek d.d. 4 april 2006 (nr. 3983) tussen [hoofdbewoner] en zijn raadsvrouwe mr. Noorduyn uitgewerkt en in het dossier gevoegd.

Een aantal andere processen-verbaal c.q. voorwerpen waarin/waarop gesprekken met geheimhouders zijn vastgelegd is, na schriftelijke opdracht van de officier van justitie tot vernietiging ten spoedigste, blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal soms op dezelfde dag, soms acht weken later en in het uiterste geval zeven maanden later vernietigd. Eén gesprek (nr. 151) is ondanks een opdracht tot vernietiging een tweede keer schriftelijk uitgewerkt. Een tweede bevel tot vernietiging met betrekking tot dit proces-verbaal bevindt zich niet in het dossier. Van vernietiging op enig moment is niet uit een daarvan opgemaakt proces-verbaal gebleken. Door de beheerder van het interceptiecentrum, aan wie de opdrachten van de officier van justitie ook telkens waren gericht, is nooit een proces-verbaal van vernietiging opgemaakt.

4.3 De verdediging verbindt aan de genoemde gang van zaken de conclusie dat de recherche kennelijk bewust niet heeft voldaan aan de bevelen van de officier van justitie tot vernietiging ten spoedigste, terwijl de officier van justitie daarop onvoldoende controle heeft uitgeoefend. Volgens de raadsman moet de officier van justitie de vernietiging 'ten spoedigste' bevelen en moet de uitvoering van dat bevel ook daadwerkelijk ten spoedigste plaatsvinden. De verdediging beroept zich daartoe mede op de genoemde Instructie. Het ligt voor de hand aan te nemen dat met de vernietiging is gewacht om de inhoud van de gesprekken te gebruiken in het onderzoek. Er is dan ook sprake van de objectief gerechtvaardigde schijn van ongerechtvaardigde inbreuken op de vertrouwelijke omgang tussen advocaat en cliënt, waardoor het recht op een eerlijk proces is geschonden en niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie dient te volgen. Subsidiair behoren deze verzuimen te worden verdisconteerd in de strafmaat, aldus de raadsman.

4.4 De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de vernietiging met betrekking tot de processen-verbaal en andere voorwerpen die mededelingen van of aan geheimhouders bevatten, niet of niet geheel in overeenstemming met de wettelijke regeling en soms zelfs helemaal niet heeft plaatsgevonden. Hoewel de wet en het daarop gebaseerde Besluit geen termijnen bevatten voor de vernietiging en de daaraan voorafgaande beoordelingsmomenten, is daarover in de Instructie wel opgenomen dat het gelet op de ratio van de wet voor de hand ligt alle in dit kader te verrichten handelingen in termen van 'onverwijld' en 'terstond' te volbrengen. De rechtbank onderschrijft dit. De officier van justitie heeft in haar bevelen ook telkens vernietiging 'ten spoedigste' verzocht; hier is dus in een aantal gevallen niet aan voldaan. Er zijn bovendien processen-verbaal van geheimhoudersgesprekken in het dossier gevoegd. Er is dan ook sprake van een inbreuk op de wettelijk verankerde vertrouwelijkheid van het verkeer tussen verdachte en raadsman.

Dit verzuim kan niet meer worden hersteld. Ingevolge artikel 359a lid 2 Sv dient de rechtbank voor de bepaling van de gevolgen van dit verzuim rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

De vertrouwensrelatie tussen verdachte en raadsman is een belangrijke pijler van het recht van de verdachte op een behoorlijke verdediging, welk op zijn beurt een essentieel onderdeel vormt van het recht op een eerlijk proces. Schendingen van die vertrouwelijkheid zijn dan ook naar hun aard ernstig, te meer omdat bekendheid omtrent dergelijke schendingen tot uitholling van de vrijheid van spreken in de communicatie tussen verdachten en raadslieden kan leiden.

Anderzijds is niet aannemelijk geworden dat verdachte in de onderhavige zaak, afgezien van het nadeel dat de schending van de vertrouwelijkheid naar zijn aard met zich meebrengt, van de geconstateerde verzuimen enig ander concreet nadeel heeft ondervonden. De in het dossier gevoegde processen-verbaal bevatten geen voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak relevante informatie en op geen enkele wijze is gebleken dat de te laat of niet vernietigde informatie enige rol in het onderzoek heeft gespeeld. Mede in het licht van de ernst van de beschuldigingen aan het adres van verdachte -betrokkenheid bij de langdurige mishandeling en de gewelddadige dood van een zeer jong meisje, naast mensenhandel en beïnvloeding van getuigen- ziet de rechtbank daarom geen aanleiding tot algehele niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in haar vervolging, ook niet in samenhang met de hierna nog te bespreken gronden daarvoor zoals aangevoerd door de verdediging. Wel zal de rechtbank bij de oplegging van straf rekening houden met de onderhavige verzuimen, omdat het nadeel van schending van de vertrouwelijkheid naar haar oordeel langs deze weg kan worden gecompenseerd.

5. Bejegening kinderen verdachte

5.1 De verdediging heeft uitvoerig betoogd dat de kinderen van verdachte, [kind 1 van hoofdbewoonster] en [kind 2 van hoofdbewoonster], na de aanhouding van verdachte en haar medeverdachte echtgenoot door het Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming schandelijk zijn behandeld. De raadsman beschouwt de vooringenomenheid van de politie jegens verdachte als verklaring voor die behandeling, die mede een inbreuk heeft gevormd op het recht op eerbiediging van het gezinsleven van verdachte.

5.2 Zoals hierboven bij 2.2 onder 'de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' overwogen is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de omstandigheden waaronder het onderhavige onderzoek moest worden verricht, niet gebleken van uitgesproken vooringenomenheid van politie en justitie ten aanzien van verdachte. Verdachte en haar medeverdachte echtgenoot hebben zelf, door gedurig over diverse feiten te liegen, de verdenking van betrokkenheid bij de dood van Mehak gevoed. Er was mede daardoor in het onderzoek sprake van allerhande onduidelijke en onopgehelderde kwesties en ten aanzien van beide ouders golden beperkingen. Met inachtneming daarvan hadden Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming vervolgens een geheel zelfstandige verantwoordelijkheid voor de onder hun hoede staande kinderen. Ter zake daarvan kan de officier van justitie -wellicht behoudens flagrante uitzonderingen, die hier niet aan de orde zijn- niet in het strafproces tegen de ouders ter verantwoording worden geroepen. Er is derhalve geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, noch voor enig ander gevolg als bedoeld in artikel 359a lid 1 Sv.

6. Frustratie van appelrecht

6.1 Uit het dossier blijkt dat de gevangenhouding van verdachte door de raadkamer van de rechtbank bij beschikking van 17 mei 2006 met 60 dagen is verlengd. De zaak heeft vervolgens op de zitting van de meervoudige kamer van 6 juli 2006 gestaan, is toen aangehouden en heeft op 13 juli 2006 weer gediend. Toen zijn verzoeken van de verdediging tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Op 14 juli 2006 heeft het gerechtshof in hoger beroep de beschikking tot verlenging van de gevangenhouding van 17 mei 2006 vernietigd en de voorlopige hechtenis opgeheven.

Door de verdediging is aangevoerd dat de officier van justitie en/of de rechter-commissaris actief hebben geprobeerd te voorkomen dat het gerechtshof over de vrijheidsbeneming van verdachte zou oordelen door de stukken achter te houden en niet naar het hof te sturen. Dat zij daarbij belang hadden, zou blijken uit het feit dat verdachte door het hof onmiddellijk op vrije voeten is gesteld.

6.2 Ook voor deze (ernstige) beschuldiging aan het adres van de officier van justitie en de rechter-commissaris -gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat deze een persoonlijk belang hebben bij vrijheidsbeneming van een verdachte- ziet de rechtbank geen grond. Uit de beschreven gang van zaken blijkt dat het onderhavige dossier nodig was voor de zitting van de rechtbank op 6 juli 2006. Dat kan verklaren waarom het dossier niet naar het hof is verzonden. Hoewel het uiteraard in hoge mate ongewenst is dat er niet tijdig stukken, zonodig in kopie, naar het hof gaan voor de behandeling van een hoger beroep, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat er sprake is van bewust achterhouden van stukken door de officier van justitie of de rechter-commissaris.

6.3 De verdediging klaagt voorts over het feit dat een op 21 juli 2006 ingediend bezwaarschrift tegen inbeslagneming van de woning van verdachte en haar echtgenoot door toedoen van de officier van justitie nooit is behandeld. Het huis is op 12 juli 2006 ex artikel 94 Sv in beslag genomen ten behoeve van een op 22 september 2006 in de woning te houden reconstructie. Volgens de verdediging was dit beslag onrechtmatig, omdat artikel 94 Sv de mogelijkheid van beslag op onroerende zaken niet kent. Het klaagschrift werd alsmaar niet behandeld, volgens informatie van de raadkamergriffier omdat appointering in dergelijke zaken pas plaatsvindt nadat de officier van justitie een schriftelijk standpunt heeft ingenomen, hetgeen in deze zaak nog niet gebeurd was. Uit informatie van de raadkamerofficier van justitie bleek dat er wel een standpunt was, maar dat intern werd gesproken over de genoegzaamheid daarvan. Ondertussen werd er echter geen datum voor de behandeling bepaald. Uiteindelijk is de zaak geappointeerd voor behandeling op 26 september 2006. Omdat de woning na de reconstructie was vrijgegeven, is het klaagschrift ingetrokken bij gebrek aan belang.

6.4 Uit de geschetste gang van zaken kan worden afgeleid dat de rechtbank de onderhavige beklagzaak kennelijk niet heeft geappointeerd zolang het openbaar ministerie geen schriftelijke reactie op het klaagschrift had gegeven. Voor zover dit juist is, is dit een proces waarvoor de rechtbank verantwoordelijk is; appointering zou ook kunnen plaatsvinden zonder voorafgaande schriftelijke reactie van het openbaar ministerie. Deze werkwijze kan dan ook redelijkerwijze niet aan de officier van justitie worden tegengeworpen. Wel acht de rechtbank verdachte door het uitblijven van een voortvarende behandeling van het beklag in haar belangen geschaad in zodanige mate dat enige verdiscontering in de strafmaat op zijn plaats is.

7 De conclusie is dat de officier van justitie in de vervolging kan worden ontvangen. Voor zover hierboven overwogen zal de rechtbank bepaalde onherstelbare verzuimen verdisconteren in de aan verdachte op te leggen straf.

Bewijsmotivering

Algemene inleiding

Het onderzoek door de rechtbank in de onderhavige zaak is op vele punten ernstig bemoeilijkt. Behalve deskundigenverklaringen ten aanzien van een gering aantal sporen, het bij Mehak geconstateerde letsel en haar overlijden en processen-verbaal omtrent de tijdstippen van telefoongesprekken en in beslag genomen voorwerpen, is er slechts bewijs voor wat er voor en op 28 januari 2006 is gebeurd in de vorm van verklaringen. Een belangrijk deel van de afgelegde verklaringen -naar hun aard al met enige terughoudendheid te beoordelen- is niet zonder meer betrouwbaar te noemen. Zoals al bij de preliminiaire verweren is overwogen, hebben vrijwel alle betrokkenen die op de [adres] woonden bij de politie en/of de rechter-commissaris tenminste gedeeltelijk onjuiste verklaringen afgelegd. Voor zover dit door de betrokkenen is erkend, zijn daarvoor allerlei uiteenlopende redenen aangevoerd, waaronder vrees voor het uitkomen van betrokkenheid bij illegaal verblijf in Nederland, voor geweld tegen familie in India, voor reputatieschade. Ook op punten waarop dit niet is erkend, is duidelijk dat er is gelogen, bijvoorbeeld over het geloof in geesten. Voorts is veelvuldig door dezelfde verdachte/getuige op dezelfde details wisselend verklaard en door [moeder van Mehak] zelfs over de persoon die Mehak zou hebben gedood. Naar de redenen daarvan kan de rechtbank slechts gissen; het tijdsverloop zal op de details mede van invloed zijn geweest, maar ook andere belangen kunnen daarbij een rol hebben gespeeld.

Voorts zijn de getuigen in India ondanks alle daartoe verrichte inspanningen niet gehoord. Met de raadslieden is de rechtbank van mening dat dit zeer te betreuren is.

De beoordeling wordt verder bemoeilijkt door de verschillen in taal en cultuur. Alle communicatie moest via tolken verlopen. Daar komt bij, dat [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en [huishoudster]udster] vragen lijken te beantwoorden zonder spontaan relevante achtergrondinformatie te geven. Wat niet specifiek gevraagd wordt, wordt ook niet verteld.

Door al deze omstandigheden heeft de rechtbank zich, ondanks de duur en omvang van het onderzoek, geen volledig beeld kunnen vormen van de feiten en de achtergronden daarvan.

De verdachten

[vader van Mehak], [moeder van Mehak]], [huishoudster], [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] worden ervan verdacht een aandeel te hebben gehad in (zware) mishandeling van Mehak in de periode van 1 december 2004 tot en met 27 januari 2006 en in haar uiteindelijke dood op 28 januari 2006.

Mehak was de dochter van [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] (1). [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] zijn op [datum] 2002 getrouwd (2). Zij hebben -na een eerdere verklaring van [moeder van Mehak] dat zij in [land 1] woonden (3) - verklaard dat zij in augustus 2004 met Mehak vanuit India naar Nederland gekomen en sindsdien hebben zij verbleven aan de [adres] bij een tante van [vader van Mehak] -verdachte [hoofdbewoonster]-, haar man [hoofdbewoner] en hun kinderen [kind 1 van hoofdbewoonster] en [kind 2 van hoofdbewoonster]. [huishoudster] heeft verklaard dat zij al zes jaar bij de familie [hoofdbewoners] inwoonde en daar in de huishouding werkte (4) .

Verdachte en haar echtgenoot hebben ontkend dat [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak in hun huis hebben gewoond; zij zouden in [land 1] wonen. [hoofdbewoner] heeft over [huishoudster] verklaard dat zij af en toe bij hen woonde. [hoofdbewoonster] heeft over [huishoudster] verklaard dat zij ongeveer 6 jaar geleden bij hen is gekomen en dat zij haar hebben opgehaald. De laatste drie jaar komt zij regelmatig bij hen. (5)

[vader van Mehak] heeft steeds ontkend dat hij in [land 1] heeft gewoond (6) en [moeder van Mehak] heeft uiteindelijk ook verklaard dat zij van [hoofdbewoonster] moesten zeggen dat zij in [land 1] woonden (7) . Zij zijn niet voor langere tijd in [land 1] zijn geweest en [huishoudster] bevestigt dat (zie noot 3). Omgekeerd bevestigen [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] dat [huishoudster] al in de [adres] woonde toen zij daar in augustus 2004 kwamen (8). De rechtbank laat daarom de verklaringen van verdachte en haar man in dit verband als onwaar buiten beschouwing. Ter zitting is door de raadslieden van [hoofdbewoner] en [hoofdbewoonster] ook toegelicht dat van tevoren was afgesproken dat iedereen zou zeggen dat [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak in [land 1] woonden om problemen in verband met hun illegaal verblijf hier te lande voor [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] te vermijden.

Gezien het feit dat vier van de vijf verdachten de achternaam [achternaam] hebben, zal de rechtbank de verdachten hierna met de voornaam aanduiden. Uit de stukken blijkt dat [vader van Mehak] ook wel [vader van Mehak] of [vader van Mehak] wordt genoemd. [hoofdbewoonster] wordt ook wel tante, Didi of [hoofdbewoonster] genoemd en [hoofdbewoner] ook wel oom of [hoofdbewoner].

Omdat de rol van iedere verdachte in de gebeurtenissen met betrekking tot Mehak alleen in samenhang met die van de anderen kan worden gezien, heeft de rechtbank ervoor gekozen in alle zaken dezelfde bewijsmotivering te geven.

Bij de niet eenvoudige taak te onderzoeken of het wettig en overtuigend bewijs van de telastgelegde feiten is geleverd, heeft de rechtbank zich een oordeel moeten vormen over de betrouwbaarheid van de door de verschillende verdachten afgelegde verklaringen, met name die van [huishoudster], [vader van Mehak] en [moeder van Mehak], nu [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] iedere betrokkenheid ontkennen.

De rechtbank zal in het hierna volgende op haar overwegingen ter zake ingaan en de overige bewijsmiddelen bespreken die zij heeft gebezigd.

Ten aanzien van de feiten met betrekking tot Mehak

Op zaterdag 28 januari 2006 om 20.10 uur werd in het Juliana Kinderziekenhuis te Den Haag de dood vastgesteld van Mehak [...], geboren op [datum] 2004. Het ziekenhuispersoneel is verteld dat Mehak van de trap is gevallen. Gelet op de uitgebreide letsels die geconstateerd werden, niet passend bij een val van de trap, is een onderzoek naar de oorzaak van haar overlijden ingesteld.

Oorzaak van overlijden

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar het letsel dat Mehak had bij overlijden, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van de patholoog dr. Kubat van 4 augustus 2006 (9).

Dr. Kubat concludeert in haar rapport dat het overlijden van Mehak wordt verklaard op basis van zeer uitgebreide en ernstige letsels op het lichaam en van de inwendige organen, al dan niet in combinatie met smoren, en de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade.

Bij röntgenonderzoek zijn talrijke oude en recente botbreuken gebleken, onder andere aan de ribben beiderzijds (aan de rugzijde en zijwaarts), het linkerschouderblad, aan de onderarm links (met scheefstand passende bij genezing zonder behandeling) en aan de bovenarm rechts.

Er was sprake van ernstig letsel aan de borst- en buikorganen en een meerdere dagen oude beschadiging van één van de sensibele banen van het ruggenmerg (die de gevoelszin van de onderste helft van het lichaam verzorgt). De letsels zijn ontstaan door zeer heftig uitwendig mechanisch botsend en/of samendrukkend geweld op de betreffende lichaamsdelen.

Er was geen lucht meer in de longen van Mehak. Het aan de tong en mond geconstateerde letsel past bij uitwendige afsluiting van mond en neus (in het kader van smoren) en dientengevolge optredende verstikking. De aangetroffen kleine bloeduitstortingen in de spieren van de hals kunnen ontstaan zijn ten gevolge van geforceerde ademhalingsbewegingen die bij elke vorm van ademnood (en derhalve ook bij smoren) kunnen optreden.

De bij sectie gevonden letsels waren bij leven opgetreden, ernstig en zeer uitgebreid, vele malen uitgebreider dan letsels ten gevolge van een val van een trap. Gezien het voorkomen van oude en recente letsels is er tenminste twee maal heftig geweld tegen het slachtoffertje gebruikt.

Het is niet aan te geven in welke mate welk (recent) letsel een bijdrage heeft geleverd aan het overlijden. Het overlijden was het gevolg van het geheel aan letsels (mogelijk in combinatie met afsluiting van de mond en neusopening), de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade (10).

Aan een drietal ribbreuken heeft nader onderzoek plaatsgevonden teneinde de ouderdom van deze letsels te bepalen. Deze fracturen bleken 0-2 dagen oud dan wel 2-3 weken oud (11).

Ten aanzien van het letsel aan het ruggenmerg heeft dr. Kubat geconcludeerd dat dit het beste past bij een meerdere dagen bestaande beschadiging van de achterwortels van het ruggenmerg in de lumbale segmenten, meest waarschijnlijk op basis van trauma (12). In haar briefrapport van 14 juli 2006 heeft dr Kubat ten aanzien van het letsel aan het ruggenmerg aangegeven dat de gevonden afwijkingen enkele dagen tot circa één week oud zijn (13).

Het mechanisme dat geleid heeft tot het enkele weken oude letsel is niet meer te reconstrueren. Over het mechanisme dat geleid heeft tot de recente huidbeschadigingen en onderhuidse bloeduitstortingen kan geen uitspraak worden gedaan. Voor het overige kan het letsel zijn ontstaan door slaan met een vlak, hard voorwerp, slaan met de handen en door het gooien of botsen tegen een vlak oppervlak, zoals een bed of een muur (14). Bij de rechter-commissaris heeft dr. Kubat verklaard dat de letsels het gevolg waren van uitwendig botsend of samendrukkend geweld op het hoofd en de romp. De ernstige inwendige letsels zouden kunnen zijn ontstaan door heftig slaan, schoppen of door met de knieën op het slachtoffer te gaan zitten (15), aldus de patholoog.

Ook dr. R. Bilo, foresisch geneeskundige, heeft het letsel beoordeeld en de bevindingen van het NFI onderschreven (16).

Met uitzondering van de geconstateerde afwijkingen van het schouderblad vertoonden de niet recente botbreuken bij Mehak allen callusvorming. Omdat slechts drie ribfracturen zijn gedateerd, is het niet uitgesloten dat de niet-gedateerde fracturen ontstaan zijn op diverse tijdstippen van kort tot meer dan 3 weken (17) voorafgaand aan het overlijden .

In zijn verklaring bij de RC heeft dr. Bilo het voormelde verduidelijkt en aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat er fracturen zijn ouder dan twee of drie weken. Een aantal fracturen is zeer recent. Ten aanzien van de claviculafracturen en de standafwijking van de arm moet worden gezegd dat deze niet te dateren zijn. De breuken in de linkeronderarm vertoonden uitgebreide callusvorming. Callusvorming is bij kinderen zichtbaar vanaf 10 dagen na het ontstaan van de fractuur tot ongeveer drie maanden na het ontstaan van de fractuur (18).

Op grond van voormelde onderzoeksresultaten staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat Mehak op 28 januari 2006 opzettelijk ernstig letsel is toegebracht, welk letsel al dan niet in combinatie met verstikking tot haar dood heeft geleid. Ook is Mehak tenminste eenmaal eerder - een aantal weken voor haar overlijden- zwaar lichamelijk letsel toegebracht (talrijke botbreuken en beschadiging van een van de sensibele banen van het ruggenmerg). Op basis van de uitgebrachte rapportages zijn er onvoldoende aanwijzingen dat Mehak eerder dan drie maanden voor haar dood zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

De gebeurtenissen op zaterdag 28 januari 2006

Op 28 januari 2006 zijn [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] samen met [kind 2 van hoofdbewoonster] en een vriendje, [vriendje], rond 12:00 uur met de auto naar een schaaktoernooi gegaan waaraan [kind 2 van hoofdbewoonster] en [vriendje] zouden deelnemen (19). Dit toernooi telde 7 rondes met tussendoor telkens een pauze (20). Getuige [getuige A] heeft verklaard dat er iets later dan gepland, te weten om 12:55 uur is begonnen, maar dat de pauzes zijn ingekort zodat ze volgens schema zijn uitgekomen (21). Uit het uitslagenformulier (22) blijkt, dat [kind 2 van hoofdbewoonster] en [vriendje] alle zeven wedstrijden hebben gespeeld. [kind 2 van hoofdbewoonster] heeft de eerste drie wedstrijden verloren, de vierde gelijk gespeeld en de laatste drie gewonnen. Getuige [getuige B], die schaakles gaf op de school van [vriendje], heeft verklaard dat de vader van [kind 2 van hoofdbewoonster] om 16.30 of 16.45 uur kwam zeggen dat [kind 2 van hoofdbewoonster] wegging (23).

Getuige [getuige C] (de moeder van [vriendje]) heeft verklaard, dat zij op een gegeven moment door [hoofdbewoonster] of [hoofdbewoner] is gebeld met de mededeling dat de familie niet tot het einde van het toernooi wilde wachten. Haar werd gevraagd of [vriendje] mocht blijven spelen bij [kind 2 van hoofdbewoonster]. Zij vond dit goed en afgesproken werd dat [kind 2 van hoofdbewoonster] die avond met [vriendje] en getuige mee zou gaan naar een kindervoorstelling (24). Uit de gegevens van de mobiele telefoon van deze getuige en van die van verdachte [hoofdbewoner] blijkt, dat dit gesprek heeft plaatsgevonden om 16.10 uur (25). Getuige heeft haar zoon vervolgens om 19:00 uur opgehaald aan de [adres]. Daar bleek dat [kind 2 van hoofdbewoonster] niet mee mocht (26).

Uit de verklaring van de getuigen Keemink (27) en Lankhorst (28), respectievelijk kinderarts en arts-assistent kindergeneeskunde, blijkt, dat Mehak omstreeks 17:30 uur in het Juliana Kinderziekenhuis arriveerde.

Door alle verdachten is (uiteindelijk) verklaard dat vanaf ongeveer 12:15 uur in de woning Mehak, haar ouders, [huishoudster] en [kind 1 van hoofdbewoonster] aanwezig zijn geweest. [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] hebben samen met Mehak tussen 14:00 en 14:30 uur korte tijd de woning aan de [adres] verlaten. Mehak droegen zij in een dekentje gewikkeld met zich mee. Dit is door buren gezien (29) en de verdachten [huishoudster], [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en [hoofdbewoonster] (30) hebben dit bevestigd.

Alle verdachten hebben aanvankelijk verklaard, dat het letsel van Mehak is veroorzaakt door een val van de trap vanaf de eerste verdieping naar de begane grond (31).

De afgelegde verklaringen

De rechtbank zal thans eerst de door de verdachten afgelegde verklaringen bespreken. Vervolgens zal zij ingaan op de betrouwbaarheid van die verklaringen door deze te relateren aan elkaar en andere bewijsmiddelen, waarna conclusies ten aanzien van het bewijs van de telastgelegde feiten zullen worden getrokken. Bij de bespreking van de afgelegde verklaringen maakt de rechtbank onderscheid tussen de in 2006 en de in 2007 door de verschillende verdachten -ook als getuigen- afgelegde verklaringen.

Verklaringen afgelegd in 2006

[moeder van Mehak]

[moeder van Mehak] was aanvankelijk niet aanspreekbaar, waardoor zij eerst op 6 februari 2006 kon worden gehoord. Op 23 februari 2006 (32) heeft zij verteld dat zij haar dochtertje heeft doodgeslagen. Zij heeft uitvoerig uitgelegd dat haar dochter werd bezeten door een geest, die haar, [moeder van Mehak], seksueel benaderde. Op zaterdag 28 januari 2006 had verdachte besloten die geest dood te maken. Mehak heeft toen geen eten of drinken gekregen. Voordat zij met haar man en dochter buiten is geweest, heeft zij haar dochter klappen gegeven. Mehak heeft toen gehuild (33). Terug in huis heeft zij haar dochtertje teruggezet in de box in haar kamertje. Toen is zij naar haar dochter gegaan en heel erg boos geworden (34). Op de vraag hoe zij Mehak heeft doodgemaakt heeft [moeder van Mehak] verklaard dat zij haar dochter met een sjaal heeft vastgebonden en heel erg met een houten (35) stok heeft geslagen tot er bijna geen geluid meer uit haar keel kwam. Vervolgens heeft zij Mehaks keel dichtgeknepen (36). Zij heeft meermalen verteld dat het echt haar plan was haar dochter te doden. Zij heeft haar uit de box getild en geschud en met al haar kracht geslagen (37). Mehak heeft heel erg geschreeuwd. Toen Mehak dood was, begreep verdachte meteen dat ze 'iets heel verkeerds had gedaan'.

[moeder van Mehak] verklaarde dat zij er niet altijd was voor haar kind. Zij en haar man zorgden wel voor haar, maar niet zoveel. De meeste tijd bracht Mehak in haar bed door, omdat verdachte haar niet voldoende tijd kon geven (38). Omdat 'die man altijd seks met haar kwam doen', ging zij haar kind slaan (39). Ze heeft haar ook een keer heel erg geslagen toen ze haar luier had opengemaakt (40).

Zij heeft aan [hoofdbewoonster] verteld dat er een man uit Mehak kwam die met haar verkeerde daden verrichtte (41). Ze heeft dat ook aan de man van [hoofdbewoonster] verteld (42). Tante heeft twee volgelingen, [volgeling 1] en [volgeling 2], erbij geroepen. Tante zei: als Mehak iemand in haar lichaam heeft, kunnen die vrouwen het vertellen. [volgeling 1] en [volgeling 2] zijn in de [adres] geweest. De vrouwen wisten toen ze kwamen dat er 'iemand' in huis was. 'Die werden bang en hadden ook het gevoel er is iets in haar lichaam.' Ze hadden Mehak toen niet eens gezien. Ze zijn niet naar haar dochtertje gegaan.[moeder van Mehak] ging haar dochter toen minder verzorgen. Ze was bang van haar (43). Haar man en zij, tante en oom hebben ook gebeden dat wat er in het lichaam van Mehak zat er uit moest komen. [moeder van Mehak] verklaarde ook dat het kind bijna nooit buiten kwam.

Op 24 februari 2006 (44) heeft [moeder van Mehak] voorts verteld dat ze Mehak geen eten ging geven, omdat ze bang voor haar was. Ze gaf alleen wat Mehak zelf kon eten. Ze maakte branta (een soort roti) en gaf haar dat in haar bed (45). Soms gaf zij ook melk. Mehak ging vaak huilen omdat ze honger had. Daarom heeft ze haar doodgemaakt. Alleen zij en haar man zorgden voor Mehak. [huishoudster] heeft haar ook eten gegeven. [hoofdbewoonster] ging vaker vragen waarom dat kind aan het huilen was. Dan antwoordde zij, dat ze haar net eten gegeven had en niet wist waarom ze huilde. Tante ging zeggen: 'Het is al een jaar dat het kind aan het huilen is (46)'. Als Mehak ging huilen, ging [moeder van Mehak] haar sussen. Ze had Mehak geleerd om niet meer te huilen door haar hand voor de mond van Mehak te houden en heel hard te slaan. Als Mehak overdag sliep, maakte verdachte haar wakker. Als ze in slaap zou vallen, kwam die man uit haar (47). Ze sloeg Mehak niet elke dag. Wanneer ze boos was, sloeg ze (48). [moeder van Mehak] vertelde dat ze Mehak veel geslagen heeft en dat zij 'haar hand kapot gemaakt' heeft. Op de vraag om voor te doen hoe dat ging, pakte [moeder van Mehak] de onderarm van de verhoorder en maakte een weggooigebaar. Ze tilde Mehak op en gooide of duwde haar tegen de muur of het bed. 'Het maakte me niet uit', aldus [moeder van Mehak]. Soms gooide [moeder van Mehak] Mehak tegen de muur en soms liet ze niet los maar bonkte het kind tegen de muur (49). [vader van Mehak] kwam erachter dat zij Mehak sloeg doordat hij littekens van het slaan op haar gezicht zag. Zij heeft toen verteld dat zij Mehak had geslagen. [vader van Mehak] was boos, aldus [moeder van Mehak].

In een in haar cel aangetroffen geschrift (50) heeft [moeder van Mehak] opgeschreven: 'Ik beken hierbij mijn schuld voor het vermoorden van mijn dochter. Mijn drift kreeg de overhand en ik pakte een stok en begon haar op de borst te slaan, waardoor haar ribben kapot gingen, maar ze ging maar niet dood.

In latere verhoren heeft verdachte weinig willen zeggen en zegt zij niets meer te weten. Zij ontkende door [hoofdbewoonster] te zijn geslagen (51). Op 19 april 2006 verklaarde [moeder van Mehak] dat er in haar kind geen spook of boze geest zat(52). Het is een leugen dat Mehak behekst was (53). Zij heeft haar kind niet doodgemaakt.

[huishoudster]

Verdachte [huishoudster] heeft vlak voor zij naar India zou worden uitgezet de politie laten weten, dat zij een nadere verklaring wilde afleggen. Op 23 maart 2006 (54) heeft zij verklaard dat gezegd is dat het meisje behekst was. [volgeling 1] en [volgeling 2] kunnen alles vertellen over de beheksing. [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] hebben thuis met [volgeling 1] en [volgeling 2] gesproken. [huishoudster] verklaarde vaker gezien te hebben dat als [moeder van Mehak] Mehak sloeg, [vader van Mehak] er naast stond (55). Als [hoofdbewoonster] met [moeder van Mehak] over Mehak sprak, ging [moeder van Mehak] als het gesprek klaar was naar de kamer van Mehak en sloeg haar waardoor Mehak hard ging huilen (56).

[huishoudster] verklaarde dat zij Mehak op 28 januari 2006 tussen 13:00 en 14:00 uur heel erg had horen huilen. Vervolgens zijn [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak even naar buiten gegaan. Toen [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] terugkwamen heeft zij gezien dat Mehak in orde was. Maar daarna is Mehak heel erg geslagen (57). [huishoudster] hoorde Mehak weer erg huilen en ging kijken. De deur van Mehaks kamertje stond ongeveer 60 centimeter open en [huishoudster] zag verdachte [moeder van Mehak] Mehak met haar vuist op voorhoofd en wangen slaan. [moeder van Mehak] zei daarbij herhaaldelijk: 'Spook'. [huishoudster] zag ook, dat [moeder van Mehak] Mehak met een stok sloeg. Zij heeft Mehak eerst heel hard horen huilen, daarna werd de stem van Mehak zwaarder (58).

[huishoudster] stelt dat [moeder van Mehak] niet de echte dader is, maar degenen die [moeder van Mehak] hebben gezegd dat Mehak behekst is (59).

Op 28 maart 2006 (60) en 6 april 2006 (61) heeft verdachte [huishoudster] het volgende verklaard.

Verdachte werkt al 6 jaar voor [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] in Nederland (62). Zij heeft uitvoerig toegelicht dat zij heel bang voor hen is, omdat zij in India veel macht hebben en haar en haar familie grote problemen kunnen bezorgen. Zij werkte voor de familie als hulp in de huishouding en ontvangt daarvoor € 50 per maand, die zij naar huis stuurt voor de studie van haar broers. (63) Omdat haar verblijfsvergunning niet geregeld kon worden, zouden [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] haar gaan vervangen. Zij moest ze inwerken.

Na de komst van [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak naar Nederland was er volgens verdachte [huishoudster] aanvankelijk niets aan de hand, tot [moeder van Mehak] [hoofdbewoonster] vertelde dat zij in India een slang had gedood. Vanaf die tijd is [hoofdbewoonster] zich anders gaan gedragen. Toen dacht [hoofdbewoonster] dat Mehak behekst was, dat er een spook of zoiets in haar lichaam was (64). De beheksing is ongeveer 6 maanden geleden gebeurd (65). Toen dit verhaal bekend werd, gingen ze Mehak alleen nog maar in haar kamer zetten (66). Als er in huis ook maar iets mis ging, bijvoorbeeld als [kind 2 van hoofdbewoonster] struikelde, zei [hoofdbewoonster] dat het door Mehak kwam. Dan werd [moeder van Mehak] ook boos en ging ze Mehak slaan. Mehak mocht haar kamertje niet meer uit. [hoofdbewoonster] heeft Mehak met de hand en met schoenen geslagen en ze ging ook gooien met Mehak alsof ze een pop was (67). Als er iets gebeurde in huis, zei [hoofdbewoonster] tegen [moeder van Mehak]: het komt door jouw dochter dat het gebeurt. En daarna ging ze haar langzamerhand slaan. [hoofdbewoonster] heeft Mehak ook geschopt. Als er in het huis ruzie was of iets gebeurde kreeg Mehak altijd de schuld. Dan werd ze vastgebonden en kreeg de hele dag geen eten of drinken. (68)

[moeder van Mehak] en [hoofdbewoonster] bonden Mehak ook vast (69). [moeder van Mehak] hield eigenlijk heel veel van Mehak, maar ze begon ook te geloven dat Mehak behekst was en toen is ze haar gaan mishandelen, aldus [huishoudster] (70).

[hoofdbewoonster] was volgens [huishoudster] de baas in huis, [hoofdbewoner] had niets te vertellen. [hoofdbewoonster] sloeg [huishoudster], [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] ook, met een stokje (71). [huishoudster] heeft er nooit iets van gemerkt dat Mehak behekst was. [hoofdbewoonster] heeft dat gezegd, verder niemand. [hoofdbewoner] heeft altijd gezegd dat het verboden was om te slaan, maar hij was er wel eens bij (72). [hoofdbewoonster] sloeg [vader van Mehak] als hij iets fout deed en zei dan dat het de schuld van Mehak was. Dan werd [vader van Mehak] ook boos op Mehak. [vader van Mehak] heeft Mehak hooguit vier keer geslagen, en niet hard, want hij wilde haar niet slaan (73), maar [moeder van Mehak] wilde scoren bij de [hoofdbewoners] en laten zien dat ze het goed deed. [huishoudster] heeft [moeder van Mehak] een keer gezegd dat zij haar kind alleen maar sloeg vanwege [hoofdbewoonster]. Toen is zij door [hoofdbewoner] en [hoofdbewoonster] mishandeld met een stok. (74) [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] hebben twee belangrijke religieuze personen, [volgeling 1] en [volgeling 2], geraadpleegd over de beheksing en kregen, naar verdachte [huishoudster] heeft gehoord, het voorstel een bidceremonie te doen. (75)

Dit ritueel is volgens [huishoudster] ongeveer 2 maanden voor de dood van Mehak verricht in het pand aan de [adres], terwijl de familie op het Kijkduinpark in een vakantiehuisje logeerde (76). Mehak is daar twee keer geweest, maar als er iets mis ging, moest ze weer weg (77).

Op 28 januari 2006 heeft [huishoudster] [hoofdbewoonster] 's morgens tegen [moeder van Mehak] horen zeggen dat Mehak vastgebonden moest worden, omdat [kind 2 van hoofdbewoonster] anders door het spook dat in haar zat de wedstrijden zou verliezen. Mehak mocht haar kamertje niet uit en niet te eten of te drinken krijgen, want als ze at en daardoor lachte kon [kind 2 van hoofdbewoonster] ook verliezen (78). 's Middags belde [hoofdbewoonster] [huishoudster] op en gaf haar opdracht om tegen [moeder van Mehak] te zeggen dat Mehak moest worden vastgebonden en een paar klappen moest krijgen, want [kind 2 van hoofdbewoonster] had de eerste wedstrijd verloren (79). De eerste keer dat [hoofdbewoonster] belde, heeft [huishoudster] de boodschap doorgegeven. [vader van Mehak] wist ervan; hij was in de woonkamer en vroeg wat er aan de hand was. [huishoudster] heeft het hem verteld (80). De tweede keer moest ze [moeder van Mehak] de telefoon geven. Toen zag ze dat Mehak op de grond lag en met sjaals was vastgebonden. Mehak werd heel klein gemaakt met haar benen omhoog gebonden om haar middel en haar armen over elkaar gevouwen aan de voorkant. [huishoudster] weet niet wat er toen gezegd is. [moeder van Mehak] sloeg Mehak op haar voorhoofd en noemde haar een spook en een heks (81).

[vader van Mehak] was aan het werk, hij kon niets doen. Tegen [hoofdbewoonster] kon niemand op.

Tijdens het derde telefoontje droeg [hoofdbewoonster] [huishoudster] op [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak het huis uit te sturen, want omdat Mehak binnen was, verloor [kind 2 van hoofdbewoonster] (82). Ze waren snel weer terug. Mehak was toen nog in orde. [moeder van Mehak] en Mehak zijn weer naar het kamertje gegaan en [hoofdbewoonster] belde op om te zeggen dat Mehak weer vastgebonden moest worden (83). Dat heeft [huishoudster] doorgegeven. Zij heeft gezien dat [moeder van Mehak] Mehak vastbond. Op verzoek van [moeder van Mehak] is zij een stok gaan halen -wat [vader van Mehak] wist, omdat hij toen bij de deur van de woonkamer stond- (84), en ze zag dat [moeder van Mehak] daarmee op de armen van Mehak sloeg (85). Toen ging de deur dicht en [moeder van Mehak] hield de telefoon bij zich. [huishoudster] heeft Mehak heel hard horen huilen. [vader van Mehak] was bij [huishoudster] en moet dat ook gehoord hebben. (86) Pas tegen 15.30 of 16:00 uur ging de deur weer open. Mehak was toen niet meer vastgebonden. Ze haalde heel moeilijk adem en haar ogen draaiden weg. [huishoudster] heeft [hoofdbewoonster] gebeld, die haar zei op de borstkas van Mehak te drukken. [moeder van Mehak] leek heel normaal en zei: 'Ze is al dood.' (87) Een kwartier later was [hoofdbewoonster] al thuis. Ze ging zelf met Mehak bezig en heeft gevraagd om het ademhalingsapparaat. (88) Het was niet de bedoeling dat Mehak die dag dood zou gaan, maar waarschijnlijk is [moeder van Mehak] gewoon te ver gegaan, aldus [huishoudster]. (89)

[hoofdbewoonster] heeft gezegd dat er verteld moest worden dat Mehak van de trap was gevallen. (90)

Op 3 mei 2006 is [huishoudster] opnieuw gehoord. Over het eerderbedoelde stokje verklaart zij nader dat het om een zweepje gaat. (91) Ze vertelde toen dat zij de stok pakte en dat ze wist waarvoor die gebruikt ging worden. Ze wist dat de opdracht van [hoofdbewoonster] kwam, omdat [hoofdbewoonster] net met [moeder van Mehak] had gesproken (92). Daarover doorgevraagd verklaart zij dat zij dit heeft afgeleid uit het feit dat [moeder van Mehak] kort daarvoor met [hoofdbewoonster] had gesproken (93). Zij heeft de stok gehaald omdat [moeder van Mehak] dat had gevraagd. Mehak is daarvoor nooit met deze stok -een boomtak- geslagen. Meestal werd ze met een ander stokje geslagen. Dat lag in de kamer van Mehak (94). [vader van Mehak] heeft op 28 januari 2006 niet gezegd dat er niet geslagen moest worden; dat deed hij nooit. Zelf heeft ze het ook niet gezegd. [vader van Mehak] wist dat Mehak geslagen werd. Hij heeft dat heel vaak gezien. [hoofdbewoonster] ging Mehak heel hard slaan. Zo hard dat er bloed uit haar mond kwam (95). Ze sloeg met de vuist en de vlakke hand.

Op 22 september 2006 heeft een reconstructie van de gebeurtenissen op 28 januari 2006 plaatsgevonden in de woning aan de [adres] (96). Van alle verdachten heeft alleen [huishoudster] daaraan meegewerkt en onder meer voorgedaan wat zij van het vastbinden van Mehak heeft gezien. [huishoudster] verklaarde, dat [hoofdbewoonster] haar gezegd had dat [moeder van Mehak] Mehak niets mocht geven en moest slaan. [hoofdbewoonster] is hierna weggegaan. [moeder van Mehak] en Mehak waren op dat moment in de kleine kamer. Wat [hoofdbewoonster] zei, heeft ze door de dichte deur doorgegeven aan [moeder van Mehak]. (97) Ze hoorde Mehak kort daarna hard huilen. Ze kon dit tot in de keuken horen. [vader van Mehak] was in de woonkamer. [hoofdbewoonster] belde vervolgens. [vader van Mehak] nam op en gaf de telefoon aan haar. [hoofdbewoonster] vroeg [huishoudster] wat [moeder van Mehak] aan het doen was. [huishoudster] vertelde dat [moeder van Mehak] Mehak aan het slaan was en dat ze haar hoorde huilen. Toen [hoofdbewoonster] weer belde, nam [huishoudster] zelf op. [hoofdbewoonster] vroeg naar [moeder van Mehak]. Ze gaf de telefoon daarop aan [moeder van Mehak]. Ze hoorde [moeder van Mehak] 'ok, ok' zeggen. [huishoudster] kreeg de telefoon terug en [hoofdbewoonster] zei haar, dat ze [moeder van Mehak] had gezegd Mehak vast te binden en te slaan (98). [huishoudster] hoorde toen vijf keer heel hard een geluid en huilen. [huishoudster] ging de woonkamer in en gaf de telefoon aan [vader van Mehak]. Korte tijd later ging de telefoon weer. [vader van Mehak] nam op en gaf de telefoon door aan [huishoudster]. [huishoudster] gaf de telefoon aan [moeder van Mehak]. [huishoudster] kreeg de telefoon terug en [hoofdbewoonster] zei toen dat [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak naar buiten moesten. [huishoudster] zei dit tegen [moeder van Mehak], riep [vader van Mehak] en zei het ook tegen [vader van Mehak] (99). [huishoudster] stond nog met [hoofdbewoonster] aan de telefoon en moest zeggen wanneer ze buiten waren. Korte tijd later waren [vader van Mehak], [moeder van Mehak] en Mehak alweer terug. [moeder van Mehak] liep gelijk met Mehak naar de kamer van Mehak (100). [moeder van Mehak] zei dat [hoofdbewoonster] had gezegd dat ze weer naar binnen moesten. De deur ging dicht. Daarna heeft ze [huishoudster] geroepen en vroeg ze waar [vader van Mehak] was. [huishoudster] moest heel hard duwen om de deur open te maken en zag toen dat Mehak was vastgebonden en [moeder van Mehak] vroeg naar [vader van Mehak]. [moeder van Mehak] zei tegen [huishoudster]: stuur [vader van Mehak] met een stok. [moeder van Mehak] zag dat ze alles helemaal vastgebonden had, voeten en handen. Mehak zag er heel slecht uit en toen vroeg [moeder van Mehak] [vader van Mehak] een stok te halen. [huishoudster] heeft voorgedaan hoe Mehak vast zat. [vader van Mehak] heeft de stok gebracht. [moeder van Mehak] trok de stok uit de handen van [vader van Mehak] en ging gelijk heel hard slaan. Echt hoog en dan hard slaan. Mehak huilde zachtjes. De telefoon was bij [huishoudster] en volgens [huishoudster] heeft [hoofdbewoonster] waarschijnlijk gebeld en [moeder van Mehak] ging slaan. Toen heeft zij de telefoon aan [moeder van Mehak] gegeven want dat vroeg [hoofdbewoonster]. en toen heeft [moeder van Mehak] heel hard geslagen op de rug van Mehak. Mehak ging niet huilen (101). Vervolgens heeft [hoofdbewoonster] gebeld en gezegd dat [kind 2 van hoofdbewoonster] gewonnen had. [huishoudster] heeft ok gezegd en [hoofdbewoonster] zei: 'Geef de telefoon aan [moeder van Mehak]' en dat heeft [huishoudster] gedaan. Ze heeft de deur dichtgedaan en is weggegaan. Toen [huishoudster] wegging, werd er nog geslagen. [vader van Mehak] heeft niets gezegd. Hij stond gewoon stil daar. [huishoudster] heeft de telefoon aan [moeder van Mehak] gegeven en is weggegaan naar boven. De telefoon is nog vaak gegaan. Ze heeft Mehak nog twee of drie keer heel hard horen gillen en daarna kwam er geen geluid meer. Op een gegeven moment heeft [moeder van Mehak] haar geroepen.

[huishoudster] heeft toen met [hoofdbewoonster] aan de telefoon gesproken en ze moest van [hoofdbewoonster] kijken of Mehak ademhaalde (102).

[vader van Mehak]

Verdachte [vader van Mehak] heeft een- en andermaal verklaard dat Mehak van de trap is gevallen. Nadat hij op 28 januari 2006 samen met [moeder van Mehak] en Mehak buiten was geweest, was [moeder van Mehak] bij Mehak. Hij was bezig met werkzaamheden en bidden. 's Avonds heeft hij gehoord dat er een ongeval had plaatsgevonden (103). Oud letsel heeft hij naar zijn zeggen niet gezien; Mehak was volgens hem volledig gezond (104).

[hoofdbewoner]

[hoofdbewoner] heeft als verdachte bij de politie verklaard dat Mehak actief en gezond was (105). Hij heeft nooit gemerkt dat [vader van Mehak] haar sloeg. Wel heeft hij gehoord dat [moeder van Mehak] haar wel eens een klein tikje gaf, maar beslist geen harde klappen (106). Mehak was een heel druk kind en in India viel ze vaak. Ze was daardoor niet zichtbaar gewond (107).

Het was die zaterdag een bijzondere dag vanwege de schaakwedstrijd van zijn zoon. Er was die ochtend en middag geen bijzondere reden om naar huis te bellen, behalve een zakelijk telefoontje dat hij verwachtte uit India over de aankoop van 'property'. [hoofdbewoner] kan zich niet herinneren naar huis gebeld te hebben die middag. Af en toe zag hij dat [hoofdbewoonster] belde (108). Hij kan zich niet herinneren of [hoofdbewoonster] tegen hem gezegd heeft waar al die gesprekken over gingen (109).

[hoofdbewoner] verklaarde verder dat hij 's morgens vroeg naar zijn werk ging en 's avonds laat thuiskwam. 'In het weekend werken wij ook of zijn we buitenshuis. Daarom heb ik geen aandacht aan [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en [huishoudster] besteed (110).'

Mehak huilde wel eens. Hij heeft daar niet op gelet. Haar ouders zijn daar verantwoordelijk voor, aldus [hoofdbewoner].

[hoofdbewoonster]

Als verdachte bij de politie gehoord heeft [hoofdbewoonster] gezegd dat zij nooit heeft gezien of gehoord dat [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] Mehak sloegen (111). Mehak was een vrolijk, actief kind. Volgens [hoofdbewoonster] was ze gezond, maar wel mager. [moeder van Mehak] heeft op 28 januari 2006 een keer of zes naar [hoofdbewoonster] gebeld. [hoofdbewoonster] hoorde op de achtergrond Mehak een beetje huilen (ze had medicijnen gekregen) en later brabbelen en het geluid van speelgoed. Om half twee, twee uur zei [moeder van Mehak] dat ze het kind even mee naar buiten nam om te spelen (112). [hoofdbewoonster] heeft [vader van Mehak] toen gebeld om te vragen wanneer ze weer naar binnen gingen, omdat zij een telefoontje uit India verwachtte. Verder heeft [moeder van Mehak] geïnformeerd naar het schaaktoernooi en is er over het eten gesproken (113).

Verklaringen afgelegd in 2007

[moeder van Mehak]

Op 23 april 2007 (114) en 25 mei 2007 (115) heeft [moeder van Mehak] als verdachte, evenals als getuige ter zitting in de zaken tegen [vader van Mehak] en [huishoudster] op 18 en 19 juni 2007 (als processtuk gevoegd in de zaken tegen [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner]) (116), een andere verklaring afgelegd omtrent de dood van haar dochter, erop neerkomende dat [huishoudster] Mehak heeft doodgeslagen. Niet zijzelf maar [huishoudster] was degene die in opdracht van verdachte [hoofdbewoonster] Mehak heeft vastgebonden en geslagen met een stok. [moeder van Mehak] zou daarbij aanwezig zijn geweest en met haar rug naar [huishoudster] toe kleding hebben gesorteerd (117). Voor het overige verklaarde zij in grote lijnen overeenkomstig de gang van zaken zoals verdachte [huishoudster] die heeft beschreven.

[moeder van Mehak] verklaarde dat zij niet eerder heeft verteld dat [huishoudster] haar dochter vermoord heeft, omdat [hoofdbewoonster] gedreigd had haar familie in India uit te moorden (118). Ze legde nu deze verklaring af omdat ze haar schoonvader heeft gesproken en die heeft gezegd dat hij zal zorgen dat [hoofdbewoonster] ervan langs krijgt mocht hen iets gebeuren (119).

[moeder van Mehak] verklaart dat zij haar kind eerder ook heeft geslagen. Iedereen sloeg Mehak, daarom had ze botbreuken. [moeder van Mehak] vertelde huilend dat niet zij, maar [hoofdbewoonster] de arm van Mehak heeft gebroken (120). [moeder van Mehak] verklaarde dat er veel werk in huis was, dat zij haar kind daardoor niet meer kon verzorgen en het kind heel erg sloeg omdat het constant huilde. Ze had geen tijd om Mehak te verzorgen omdat ze telkens van alles in huis moest doen van [hoofdbewoonster] (121).

Mehak huilde veel en [hoofdbewoonster] houdt niet van kinderen die huilen. [hoofdbewoonster] had haar op een dag gezegd dat ze deze zonde in haar huis had gebracht. Toen heeft zij [hoofdbewoonster] verteld, dat ze in India heel vaak slangen dood had zien gaan. [moeder van Mehak] verklaarde dat [hoofdbewoonster] als eerste Mehak in het bijzijn van [huishoudster] in de kamer waar zij eerst woonde met de dozen, aan de arm heeft vastgehouden en tegen de muur heeft geslingerd (122). Op het moment dat zij [hoofdbewoonster] vertelde dat zij heel veel slangen heeft zien doodgaan zei [hoofdbewoonster] tegen haar dat haar dochtertje een vrouwelijke slang is die wraak wil nemen op haar (123). [moeder van Mehak] verklaarde dat ze [hoofdbewoonster] dit in december 2005 heeft verteld. Vanaf toen is [hoofdbewoonster] gaan denken dat in Mehak een slang was geïncarneerd. Toen heeft [hoofdbewoonster] Mehak heel erg geslagen, haar beschuldigd en harde woorden tegen [moeder van Mehak] gezegd. Toen heeft [moeder van Mehak] gezegd dat zij terug wilde naar India en heeft [hoofdbewoonster] haar heel erg geslagen. (124) Daarna werd Mehak iedere dag geslagen. Zijzelf, [huishoudster], [hoofdbewoonster] en meerdere keren ook haar man sloegen Mehak. Dat is begonnen in december 2004. Zij heeft haar kind altijd geslagen. [hoofdbewoonster] dwong haar. [huishoudster] zei een keer: 'Je slaat je kind om [hoofdbewoonster] blij te maken'. Mehak kreeg van alle vervelende dingen de schuld (125). Mehak kreeg niet op tijd eten (126) en alleen brood met water, maar wel medicijnen tegen de pijn (127). 'Toen [kind 1 van hoofdbewoonster] een keer ruzie op school had, belde [hoofdbewoonster] op en gaf Mehak de schuld.' [moeder van Mehak] vertelde dat zij Mehak toen geslagen heeft. Ook [huishoudster] heeft Mehak toen geslagen. Toen [hoofdbewoonster] bovenkwam, pakte ze het armpje van Mehak en draaide het om. Ze legde toen haar voet op de buik van Mehak en op de borst en ze schopte [moeder van Mehak] in haar baarmoeder (128). Ze heeft Mehak erg geslagen met haar handen. [hoofdbewoonster] heeft de botten van Mehak gebroken. Mehak is heel erg geslagen vanaf het moment dat [D] naar India is gegaan (129). [hoofdbewoner] heeft Mehak ook geslagen. Zelfs haar man heeft haar kind geslagen.(130) . [hoofdbewoonster] sloeg Mehak met een stok. Zij heeft Mehak met een snoer geslagen (131). Toen [kind 2 van hoofdbewoonster] de hardloopwedstrijd had, heeft [hoofdbewoonster] [vader van Mehak] geslagen met een snoer. Daarna heeft zij Mehak met het snoer geslagen. Mehaks kleren moesten uit. Ze zijn naar Kijkduin gegaan om te kijken of de geest daar ook zou komen of in het andere huis zou blijven (132). [volgeling 1] en [volgeling 2] zijn niet op haar verzoek maar op initiatief van [hoofdbewoonster] naar Mehak komen kijken (133). Zij wisten niet dat Mehak werd geslagen (134). Dat verhaal van die man die uit Mehak kwam is een leugen. Dat moest ze van [hoofdbewoonster] zeggen (135). [hoofdbewoonster] en zij stopten speelgoed in de mond van Mehak en hielden haar mond dicht, anders werd ze niet stil (136).

Mehak huilde niet zoveel. [moeder van Mehak] heeft eerst gezegd van wel, omdat dat haar zo is ingeprent, want [hoofdbewoonster] ging schreeuwen als Mehak huilde tijdens het bidden (137). Mehak kon niet meer lopen toen [hoofdbewoonster] haar voet op Mehaks buik had gezet, haar hand verdraaide en haar tegen de muur had geslagen. Mehak werd altijd vastgebonden als [hoofdbewoonster] het huis verliet. Mehak mocht niet slapen omdat de geest [hoofdbewoonster] dan zou achtervolgen (138).

[vader van Mehak]

Op 21 mei 2007 (139) en ter zitting op 18 en 19 juni 2007 (140) heeft verdachte [vader van Mehak] eveneens een uitgebreide verklaring afgelegd, waarbij hij heeft verteld dat [huishoudster] en [moeder van Mehak] op 28 januari 2006 samen op de kamer van Mehak waren, dat hijzelf op verzoek van [huishoudster] een knoop in de sjaal heeft gelegd waarmee zijn dochter was vastgebonden en dat hij de stok is komen brengen en een soort sambal waarmee [huishoudster] probeerde Mehak bij te brengen. [vader van Mehak] steltde, dat hij zijn dochter in haar gezicht en (met de stok) op haar rug heeft geslagen toen ze al buiten kennis was. [huishoudster] vroeg hem: 'Wij zijn Mehak aan het slaan, waarom doe jij dat ook niet?' Het vastbinden en slaan van Mehak door [huishoudster] heeft hij niet gezien.

[vader van Mehak] zei dat hij eerder niet verklaard heeft omdat Mehak toch dood was en omdat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] in de problemen zouden komen als hij (de waarheid) zou vertellen (141). Hij verklaarde dat achter alles wat er gebeurd is, [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] zitten. [huishoudster] en [moeder van Mehak] gingen Mehak slaan in opdracht van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner]. Zij waren bang voor [hoofdbewoonster]. Er was iedere dag ruzie.

Toen hij en [moeder van Mehak] pas in Nederland waren, ging iedereen goed met Mehak om. Na drie of vier maanden werd dat anders. [hoofdbewoonster] ging zich anders gedragen tegenover hem, [moeder van Mehak], Mehak en [huishoudster] (142). Mehak werd ervan beschuldigd dat ze geen normaal kind was, dat door haar toedoen allerlei rare dingen gebeurden. Mehak is niet zodanig mishandeld dat ze er letsels aan over hield. [vader van Mehak] heeft niet gezien wie geslagen heeft en hoe hard. (143) Hij wist wel dat het al een tijdje aan de gang was dat Mehak werd geslagen. (144) Het slaan van Mehak gebeurde vier of vijf maanden nadat zij in Nederland waren. [hoofdbewoner] sloeg Mehak niet, maar wist er van (145). [hoofdbewoner] zal het niet gezien hebben. Hij had niets te vertellen. (146) Mehak werd met de hand geslagen en met een soort lineaal. [huishoudster] zat ook iedere keer nieuwe ideeën te verzinnen om Mehak te slaan. [huishoudster] sloeg alleen in opdracht van [hoofdbewoonster]. De tweede keer ging Mehak niet mee naar het Kijkduinpark omdat ze bezeten was. (147) [hoofdbewoonster] heeft [vader van Mehak] met een snoer geslagen.

Nadat Mehak mishandeld werd, kon ze niet meer staan.

Op 28 januari 2006 is er veel gebeld door [hoofdbewoonster]. [vader van Mehak] nam op en [hoofdbewoonster] wilde steeds [huishoudster] spreken. Dat was om te vragen wat Mehak aan het doen was. [vader van Mehak] denkt dat Mehak geslagen is voor ze naar buiten zijn geweest (148). Hij vertelde dat het hoogstens ging om een klap geven, vastbinden. Het was niet de bedoeling om haar dood te maken. 'Gewoon een paar klappen geven, vastbinden daar zou het bij blijven. Gewoon normaal (149)'. [vader van Mehak] wist alleen maar dat daar binnen Mehak met een stok werd geslagen, niet dat [huishoudster] zo veel zou slaan (150).

[hoofdbewoner] en [hoofdbewoonster]

De verdachten [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] zijn na hun invrijheidstelling naar India teruggereisd en hebben geen nadere verklaringen meer afgelegd. Wel is op de zittingen in hun zaken een videoboodschap van zeven minuten vertoond. Hierop ontkennen zij iedere betrokkenheid bij het mishandelen en de dood van Mehak.

[huishoudster]

[huishoudster] is naar aanleiding van de door [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in 2007 afgelegde verklaringen opnieuw gehoord op 23 mei 2007. Zij heeft toen het volgende verklaard.

[huishoudster] wist niet wanneer Mehak naar de kleine kamer verhuisd is. Vanaf toen kwam ze niet meer uit haar kamer omdat [hoofdbewoonster] dacht dat ze behekst was (151). [moeder van Mehak] gaf normaal gesproken het eten. Mehak heeft op 5 à 6 dagen helemaal geen eten gekregen, maar niet aaneengesloten. Soms zei [hoofdbewoonster] tegen [moeder van Mehak] dat ze Mehak wel eten moest geven. Mehak kreeg brood, maar ook groente. (152) [hoofdbewoonster] is helemaal veranderd toen [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in het huis kwamen. De eerste keer zag [huishoudster] [moeder van Mehak] Mehak slaan. [hoofdbewoonster] heeft Mehak niet als eerste geslagen. Later wel. Een keer ging [hoofdbewoonster] Mehak slaan en dat vond [huishoudster] niet leuk. Toen heeft ze gezegd: 'Waarom sla je dat kind?' Toen werd [hoofdbewoner] boos en heeft hij [huishoudster] geslagen. (153) [huishoudster] verklaart gezien te hebben dat [hoofdbewoonster] Mehak bij haar arm greep en tegen de muur sloeg. En [moeder van Mehak] heeft haar hoofd gebonkt op de vloer. [hoofdbewoonster] schold Mehak ook uit. Er was toen verder niemand thuis. Mehak ging heel hard huilen. [moeder van Mehak] gaf Mehak klappen en [hoofdbewoonster] ging schoppen. Er kwam bloed uit haar mond. [hoofdbewoonster] schopte aan de zijkanten en tegen haar rug. [hoofdbewoonster] heeft haar een keer vastgehouden en tegen de muur geslagen. Mehak had toen gezwollen lippen en blauwe plekken. (154) Mehak werd soms twee keer per week geslagen, soms een week niet. [moeder van Mehak] sloeg haar. [moeder van Mehak] heeft ook een keer met een stok geslagen. Mehak werd ook geschopt. Ze kon een keer amper meer praten. Dat was een maand voordat ze dood ging. (155) [moeder van Mehak] heeft dat ook gezien en verder niemand (156). Mehak kreeg vaak een paar klappen, maar ze is maar af en toe in elkaar geslagen. [hoofdbewoner] heeft wel tegen haar gezegd: 'Geef dat kind eten, straks gaat ze weer huilen' (157). Van [vader van Mehak] weet ze niet of hij wist hoe het met Mehak ging. [moeder van Mehak] zorgde niet goed voor haar. Niemand had aandacht voor dat probleem. Ze wisten het wel. Ze kan zich niet herinneren dat Mehak vaker vastgebonden werd (158). [vader van Mehak] heeft de stok op 28 januari 2006 aan [moeder van Mehak] gegeven.

[hoofdbewoner] heeft Mehak nooit geslagen (159). Het verhaal van [moeder van Mehak] dat [huishoudster] gezegd zou hebben de kleren van Mehak uit te doen omdat ze anders niets voelde van het slaan, is niet waar.

De betrouwbaarheid van de verklaringen en overige bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen ten aanzien van de rol van de verdachten [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] op 28 januari 2006

De verklaringen van [moeder van Mehak] en [huishoudster] over de manier waarop Mehak om het leven is gebracht komen in grote lijnen overeen (vastbinden, slaan met de vuist en slaan met een stok) en passen bij het door de patholoog geconstateerde letsel (160).

Dr. Bilo heeft het letsel dat bij Mehak is geconstateerd, gerelateerd aan het door [moeder van Mehak] op 23 en 24 februari 2006 verklaarde (dichtknijpen van de keel) en de door [huishoudster] tijdens de reconstructie afgelegde verklaring (de inbinding). Zowel de door de [moeder van Mehak] beschreven handelingen als de door [huishoudster] beschreven handelingen als een combinatie van beide kunnen de bij Mehak geconstateerde afwijkingen hebben veroorzaakt. Voor de plausibiliteit van het verhaal van [huishoudster] pleit in dit verband de aanwezigheid van verse fracturen op de costochondrale overgang. Ook de geconstateerde stuwing in de schaamstreek kan worden verklaard door de door [huishoudster] beschreven inbinding van Mehak, aldus dr. Bilo (161).

Ook forensisch geneeskundige D. Botter heeft na onderzoek geconcludeerd dat wat [huishoudster] tijdens de reconstructie op 22 september 2009 heeft verteld en laten zien zeer wel kan passen bij een toedracht van mishandeling die aanleiding is geweest voor het overlijden van Mehak. De beschreven geweldsinwerkingen en kneveling kunnen de bij sectie door dr. Kubat gedane bevindingen tot gevolg hebben (162).

Het geconstateerde letsel ondersteunt derhalve de verklaringen op het punt van de wijze waarop Mehak om het leven is gebracht. De verklaringen van [moeder van Mehak] en [huishoudster] dat met een stok is geslagen, wordt ondersteund door het feit dat in de prullenbak in de keuken een stok is gevonden, waarop celmateriaal van Mehak is aangetroffen (163). [moeder van Mehak] (164) heeft over de stok waarmee geslagen zou zijn gezegd dat ze die in een vuilnisemmer heeft gezet.. [huishoudster] heeft verteld dat zij de stok - een tak van een boom- waarmee Mehak werd geslagen in de keuken vond en in de prullenbak deed (165) . [moeder van Mehak] heeft de stok herkend als de stok waarmee geslagen is (166).

De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat met deze stok is geslagen. Daarbij kan in het midden blijven hoe de stok in de vuilnisbak terecht is gekomen

[huishoudster] heeft aanvankelijk meermalen verklaard dat zij de hele middag aan het winkelen was. Zij is later anders gaan verklaren, toen zij dreigde te worden uitgezet naar India. Zij wil heel graag in Nederland blijven. De rechtbank heeft zich dan ook rekenschap gegeven van de mogelijkheid dat [huishoudster] heeft gelogen en dat de verdachten [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] alsnog de waarheid zijn gaan vertellen. Als [huishoudster] degene is die Mehak om het leven heeft gebracht, heeft zij er immers belang bij om de schuld op anderen af te schuiven. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

[huishoudster] is vanaf maart 2006 tot heden bij haar verklaring gebleven dat [moeder van Mehak] Mehak heeft gedood. Haar eerste verklaringen daarover zijn uitvoerig, gedetailleerd en samenhangend en worden op vele punten bevestigd door ander bewijsmateriaal, waaronder getuigenverklaringen van derden omtrent het naar buiten gaan van [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak (167). Zij benoemde daarbij ook wat volgens haar de beweegredenen van haar medeverdachten waren om te handelen zoals ze hebben gedaan. Zo verklaarde zij bijvoorbeeld, dat [moeder van Mehak] heel veel van haar kind hield maar door [hoofdbewoonster] in de beheksing van Mehak ging geloven en dat [vader van Mehak] zijn kind eigenlijk niet wilde slaan.

[moeder van Mehak] heeft aanvankelijk ook meermalen gezegd dat zij degene is geweest die Mehak met een stok heeft geslagen op hoofd, armen, benen en ribben en haar de keel heeft dichtgeknepen en zij heeft dit in haar cel ook uit eigen beweging opgeschreven. Zij heeft net als [huishoudster] gezegd dat Mehak was vastgebonden met een sjaal en dat zij Mehak sloeg omdat die werd bezeten door een geest. [moeder van Mehak] verklaarde ook dat zij [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] heeft verteld van de man die uit Mehak kwam. Deze verklaring komt, onder andere door de herhalingen daarin, authentiek over; [moeder van Mehak] geeft ook blijk van groot verdriet, schuldbesef en een zekere verwarring. Ook [vader van Mehak] heeft in zijn eerste verklaring op 7 februari 2006 verwezen naar geesten en desgevraagd verklaard dat hij denkt dat er een boze geest was in Mehak (168).

[huishoudster] heeft op 2 februari 2006 ook verklaard dat [moeder van Mehak] met een T-shirt de lippen van Mehak aan het schoonmaken was. Dit heeft [moeder van Mehak] op 23 februari 2006 in zoverre bevestigd dat zij heeft verklaard dat er een klein beetje bloed uit de mond van Mehak kwam dat zij -[moeder van Mehak]- met een roze slabbetje heeft afgeveegd (169). In de woning is een roze slabbetje aangetroffen met bloed dat van Mehak bleek te zijn (170).

De recente verklaring van [moeder van Mehak] dat het verhaal van de man die uit Mehak kwam een grote leugen van haar is geweest, dat zij niet geloofde dat er een geest in haar kind was en dat [hoofdbewoonster] haar in het ziekenhuis zou hebben gezegd dat als ze wat moest verklaren, ze moest zeggen dat er een geest in het kind zat (171), acht de rechtbank niet geloofwaardig. [moeder van Mehak] verklaarde drie vragen verder in datzelfde verhoor dat [hoofdbewoonster], toen [hoofdbewoner] en [hoofdbewoonster] op bezoek waren in de gevangenis, haar een papiertje heeft laten zien waarop stond dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] niet wisten dat er een geest was in het kind. Dat moest [moeder van Mehak] van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] verklaren (172). [moeder van Mehak] heeft op 13 november 2007 (173) als getuige bij de rechtbank bevestigd dat [hoofdbewoonster] een tekst op haar hand had geschreven en aan haar liet zien: 'Je moet vertellen dat er geen geest was in Mehak.' Dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] daadwerkelijk hebben getracht [moeder van Mehak] duidelijk te maken dat er nu juist niet over geesten of hekserij gesproken moest worden, blijkt uit het afgeluisterde gesprek in de auto tussen [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] op weg naar [moeder van Mehak] in Zwolle (174).

Uit de tapverslagen van de gesprekken tussen [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in het kader van de tussen hen geldende belregeling, in het bijzonder het gesprek op 26 april 2007(175), blijkt voorts dat zij met elkaar gesproken hebben over de door hen af te leggen verklaring. [moeder van Mehak] zegt haar man in genoemd gesprek, dat ze bij de politie is geweest en alles aan hen heeft verteld. Ze zegt dat ze nu de waarheid heeft verteld, namelijk dat [huishoudster] alles had gedaan. Ze vroeg [vader van Mehak] vervolgens wat hij zou gaan vertellen en vermeldde een aantal aspecten van haar eigen verklaring:

[moeder van Mehak]: 'Wat was er gebeurd die dag... vertel mij maar eens.'

[vader van Mehak]: 'Hee?'

[moeder van Mehak]: 'Ik weet niet wat je gaat zeggen... Vertel dat eerst mij maar.'

[vader van Mehak]: 'wat moet ik zeggen?'

[moeder van Mehak]: 'Jij was er wel... in de keuken... ik weet niet waar jij was.'

[vader van Mehak]: 'Ja.'

[moeder van Mehak]: 'Ik was sinds 12 uur bij Mehak en om 2 uur kwam [huishoudster] daar. Ik weet niet wat [hoofdbewoonster] tegen haar zei. Ik weet niet hoe vaak [hoofdbewoonster] haar gebeld heeft. Ik was daar binnen.'

[vader van Mehak]; 'Ik weet ook niet wat ze zei.'

[moeder van Mehak]: 'En een keer heeft [huishoudster] de telefoon aan mij gegeven en [hoofdbewoonster] zei dat ik wel heel verdrietig zou zijn omdat Mehak vandaag geen eten en water had gekregen. Jij weet wel [vader van Mehak], dat ze die dag niets had gegeten.'

[vader van Mehak]: 'Ja, dat weet ik wel.'

[moeder van Mehak]: 'De politie heeft mij gevraagd: hoe heeft [huishoudster] haar vastgebonden? Zij heeft mij niets verteld en liet mij ook niet zien hoe ze dat deed. Ik heb gezegd dat ik niet weet hoe ze haar vastbond. Op het eind toen de ogen van Mehak waren gedraaid, zei [huishoudster] tegen mij dat ze moe was geworden en nu moest ik haar slaan. Ze had jou gevraagd om een stok te halen?'

[vader van Mehak]: 'Ja.'

[moeder van Mehak]: 'Ik heb gezegd dat ik met die stok drie keer heb geslagen en toen heeft [huishoudster] jou geroepen.'

[vader van Mehak]: 'Ja.'

[moeder van Mehak]: 'Dat je snel moet komen. Toen zei je dat haar bloed gestold was.'

[vader van Mehak]: 'Hmm. Oké, ik ga het met mijn advocaat bespreken.'

[moeder van Mehak]; 'Nu ben ik pas uitgerust (relaxed). (...)' 'Ik heb gezegd dat iedereen mijn kind gedood heeft... Er is niemand die mijn kind niet heeft geslagen. Ik heb haar geslagen en jij [vader van Mehak]... jij hebt haar ook geslagen. [hoofdbewoonster] heeft het ook gedaan en [hoofdbewoner] heeft haar ook geslagen.'

Deze conversatie is geheel overbodig in geval [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] (al of niet in overleg) hebben besloten om naar waarheid te gaan verklaren omtrent de gebeurtenissen op 28 januari 2006. [moeder van Mehak] lijkt in dit gesprek haar best te doen om haar man de nodige informatie te verschaffen, zodat ze samen een sluitend verhaal kunnen vertellen.

[vader van Mehak] vroeg tijdens zijn verhoor van 21 mei 2007 ook aan de politie of zijn verklaring wel overeenkwam met die van zijn vrouw, omdat zij van haar advocaat had begrepen dat hun relazen identiek moesten zijn. [moeder van Mehak] heeft hem dit, zoals blijkt uit de tap van dit gesprek, verteld in een telefoongesprek van 10 mei 2007 (176).

De verklaringen van [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] over hoe een en ander zou zijn gegaan, komen ook niet overeen of worden -zoals op de zittingen van 18 en 19 juni 2007- telkens bijgesteld. Zo verklaarde [vader van Mehak] bij de politie dat hij op verzoek van [huishoudster] een knoop is komen leggen in de shawls, tussendoor peper/sambal is komen brengen en ook zelf nog met de stok heeft geslagen op verzoek van [huishoudster]. [moeder van Mehak] heeft dat bij de politie allemaal niet vermeld. Eerst nadat [moeder van Mehak] op de terechtzitting van 18 en 19 juni 2007 de verklaring had gehoord die [vader van Mehak] als getuige aflegde, verklaarde zij dat [vader van Mehak] inderdaad op 28 januari 2006 Mehak heeft geslagen en dat zij zich nu ook herinnert dat hij sambal is komen brengen. De volgorde kan zij zich niet meer precies herinneren: 'U vraagt mij of mijn man nog een knoop is komen leggen. O ja. De tweede keer dat hij binnen kwam, kwam hij met de sambal en toen heeft hij de knoop gemaakt. Nee sorry, dat was daarvoor. De tweede keer kwam hij de knoop leggen. Ik herinnerde mij dit altijd al, maar heb het tot nu toe niet willen zeggen. U vraagt mij waarom dat is. Zomaar. U vraagt mij of ik het nu zeg omdat mijn man het zegt. Ja.' (177)

[moeder van Mehak] en [vader van Mehak] waren er al ongeveer een jaar van op de hoogte dat [huishoudster] voor vooral [moeder van Mehak] zeer belastende verklaringen heeft afgelegd. Al die tijd hebben zij geen aanleiding gezien hun eigen relazen aan te passen. Dat zij dit zoals zij zeggen hebben nagelaten vanwege bedreigingen van [hoofdbewoonster] aan het adres van [moeder van Mehak] en hun uitleg dat zij als zij [huishoudster] noemden, zij [hoofdbewoonster] ook moesten noemen, overtuigen niet. Dit kan immers niet verklaren, waarom [moeder van Mehak] bij verschillende verhoren heeft gezegd zelf schuldig te zijn aan de dood van Mehak. Niets belette [moeder van Mehak] om te blijven bij haar aanvankelijke verklaring dat Mehak van de trap was gevallen, wanneer zij [huishoudster] in verband met [hoofdbewoonster] niet had willen noemen.

[moeder van Mehak] heeft toegelicht, dat haar moeder (in India) had gehoord dat zij, [moeder van Mehak], haar kindje had vermoord en dat haar schoonvader haar vroeg hoe dit zat. Toen heeft zij gezegd dat dit niet waar was en dat [huishoudster] het had gedaan (178). Het behoud van de sympathie van haar familie en schoonfamilie, naar wie zij hoe dan ook op enig moment terug moet keren, kan voor [moeder van Mehak] een belangrijk motief zijn geweest om haar verklaring aan te passen. In het verhoor van 23 februari 2006 wilde verdachte aanvankelijk niet meer bevestigen dat zij Mehak met een stok had geslagen, omdat dat 'niet kon': haar ouders en schoonouders zouden haar gaan haten (179).

Een belangrijk punt waarover [huishoudster] op enig moment onjuist moet hebben verklaard, is over wie de stok aan [moeder van Mehak] heeft aangegeven. Dit deel van haar verklaring ziet echter niet op de rol van [moeder van Mehak] zelf.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaringen van [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] dat [huishoudster] de geweldshandelingen die tot de dood van Mehak hebben geleid heeft uitgevoerd, niet geloofwaardig. De rechtbank acht de bekentenis van [moeder van Mehak] ter zake en de door [huishoudster] afgelegde verklaring over het op 28 januari 2006 door [moeder van Mehak] op Mehak toegepaste geweld betrouwbaar en bezigt die tot het bewijs. De verklaringen ondersteunen elkaar en worden ondersteund door het aangetroffen letsel en het technisch bewijs met betrekking tot de in beslag genomen boomtak.

Voorts ten aanzien van de rol van verdachte [huishoudster] op 28 januari 2006

[huishoudster] heeft het door haar vanaf 23 maart 2006 verklaarde over de gang van zaken op 28 januari 2006 sindsdien in grote lijnen gehandhaafd. Zij is nog vele malen verhoord en heeft meegewerkt aan de reconstructie op 22 september 2006, waarbij zij onder meer heeft gedemonstreerd hoe Mehak was vastgebonden op 28 januari 2006. Over allerlei details, zoals tijdstippen waarop gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en hoe wijd de deur van Mehaks kamertje wanneer precies heeft opengestaan, verklaart zij wisselend. De rechtbank beschouwt dit als een gevolg van het tijdsverloop en dit tast naar haar oordeel de betrouwbaarheid van de kern van het betoog van [huishoudster] niet aan.

Het meest significante verschil in de verklaringen van [huishoudster] bij de reconstructie ten opzichte van daarvoor is dat zij inmiddels ontkent dat zij de stok voor [moeder van Mehak] heeft gehaald en nu zegt dat [vader van Mehak] dat heeft gedaan op verzoek van [moeder van Mehak].

In haar verklaring van 6 april 2006 heeft [huishoudster] zonder enig voorbehoud verteld dat zij het was die op verzoek van [moeder van Mehak] de stok is gaan halen. Vervolgens waarschuwden de verhorende verbalisanten haar dat zij met deze verklaring ook verdachte werd van medeplichtigheid aan de dood van Mehak en dat ze niet verplicht was tot antwoorden. Ze vroegen haar of ze dat begreep. Ze antwoordde: 'Dat kan ik begrijpen omdat ik de stok aan haar heb gegeven. Ik wist het wel, maar ik heb het nooit eerder gezegd. Ik was bang dat ik ook gestraft zou worden, maar naderhand heb ik gedacht als ik iets verkeerds heb gedaan is het wel rechtvaardig dat ik ook daarvoor gestraft zal worden (180).' Tijdens het verhoor van 3 mei 2006 heeft [huishoudster] opnieuw en uitvoerig toegelicht waarom zij die de stok heeft gehaald en dat ze wist dat Mehak met die stok geslagen zou worden (181).

Uit de zojuist genoemde verklaring die [huishoudster] heeft afgelegd, valt af te leiden dat zij er van tevoren over heeft nagedacht of zij wel zou vertellen dat ze de stok had gehaald. Ze lichtte ook toe waarom ze het vervolgens heeft verteld en verklaarde in het volgende verhoor, enige dagen later, nog uitvoering over de gang van zaken.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte dit destijds alleen heeft verklaard omdat ze zich op dat moment zo schuldig voelde dat ze vond dat ze straf verdiende, zoals ze in het verhoor van 23 mei 2007 en op de zitting van 18/19 juni 2007 heeft gezegd (182).

Dat [vader van Mehak] inmiddels heeft bevestigd dat hij de stok heeft gehaald kan daaraan niet afdoen. De rechtbank heeft hiervoor reeds gemotiveerd waarom zij de door hem in 2007 afgelegde verklaring op het punt van de persoon die het geweld heeft toegepast en de stok heeft aangegeven niet betrouwbaar acht. Aangenomen moet worden dat [vader van Mehak] het aangeven van de stok door [huishoudster] aan [moeder van Mehak] heeft veranderd in het aangeven van de stok door hem aan [huishoudster].

De rechtbank gaat er voor de bewezenverklaring dan ook van uit dat [huishoudster] de stok heeft gepakt. Dat er een stok is gepakt, wordt op zichzelf bevestigd door de verklaringen van [moeder van Mehak] en [vader van Mehak].

De betrouwbaarheid van de verklaringen ten aanzien van de rol van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner].

[huishoudster] is in haar verhoren gaandeweg belastender gaan verklaren over met name [hoofdbewoonster].

Als reden voor het feit dat zij pas in maart 2006 een eerste verklaring heeft afgelegd over wat er echt zou hebben plaatsgevonden aan de [adres], heeft zij aangegeven dat zij onder grote druk stond van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner], dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] haar hebben verboden over hen te verklaren en dat de zaak voor haar nog niet afgelopen is, omdat de familie [familie] het haar in India heel moeilijk zal maken (183).

In een opgenomen gesprek van 6 februari 2006 zegt [hoofdbewoonster] tegen [huishoudster]: 'Wil je dat ik je bij de politie breng en daar achter laat ... en aan de politie zeggen .... Handel jullie dit zelf ... willen jullie haar opsluiten .. mishandelen of vrijlaten ... doe alles met haar wat jullie willen ... het maakt mij niets meer uit ... (...) Begrijp je wel [huishoudster] ... en als het nog erger wordt ... dan laat ik je daar achter ... of je dood gaat en of je in leven blijft ... moet je zelf weten ... doe wat je zelf goed vindt ... het maakt mij niets meer uit ... ik breng je daar met al je spullen ... laat ik je daar achter ... met jou heb ik dan niets meer te maken ... luister je.' [huishoudster] heeft over dit gesprek verklaard dat dit over de politie in India gaat (184).

Op 23 maart 2006 is voorts een gesprek tussen opgenomen tussen [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner], die op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat [huishoudster] zou worden uitgezet naar India. In dit gesprek praatten [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] over de geplande uitzetting van [huishoudster] naar India. Uit het verslag van dit gesprek blijkt, dat geregeld is dat [huishoudster] op het vliegveld in India zal worden opgewacht door familie van [hoofdbewoonster]. [hoofdbewoonster] zei in dit gesprek voorts onder andere: 'Ik zal haar op een zodanige manier door de politie laten oppakken dat haar familie er niet achter komt. 'Ze was gaan werken, maar niemand weet waar ze naartoe is...' en 'Ze moeten er niet achter komen dat ze door de politie geslagen wordt.'(185)

Uit voormelde gesprekken blijkt dat [hoofdbewoonster] bedreigingen als door [huishoudster] vermeld aan het adres van [huishoudster] heeft gedaan en de rechtbank acht -los van de vraag of [hoofdbewoonster] daadwerkelijk in staat is om hetgeen zij zegt te bewerkstelligen- de door [huishoudster] gemelde angst om belastend over [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] te verklaren dan ook reëel.

De rechtbank vindt het feit dat [huishoudster] aanvankelijk niets heeft verklaard over de telastgelegde feiten dan ook geen reden om die verklaringen onbetrouwbaar te achten.

(Steun-)bewijs

De verklaring van [huishoudster] dat ook [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] op de hoogte waren van het verhaal dat in Mehak een boze geest zou huizen, wordt ondersteund door het ter zake door [moeder van Mehak] in haar verklaringen van 23 en 24 februari 2006 vertelde en ook door het hiervoor reeds aangehaalde tapgesprek van 3 april 2006. Uit dit gesprek blijkt dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] aan [moeder van Mehak] bij hun bezoek aan de PI Zwolle wilden vertellen dat ze over het onderwerp 'geesten' moest zeggen: 'Het leek me zo, maar ik vergat het te vertellen.' Ze moest zeggen dat ze er [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] niets over had verteld, omdat ze dacht dat ze dan niet meer bij hen zou mogen blijven logeren. Verdachte [hoofdbewoonster] heeft daartoe op haar hand geschreven: 'Niet over geesten en hekserij praten.' Zij zal dit [moeder van Mehak] tonen bij hun bezoek (186). Uit dit gesprek blijkt dat het hele onderwerp helemaal niet nieuw was voor [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner]. Als dit wel het geval was geweest, dan had immers voor de hand gelegen dat zij [moeder van Mehak] gevraagd zouden hebben hoe het dan zat met die geest.

Tot slot hebben de twee pandits [volgeling 1] en [volgeling 2], die [moeder van Mehak] en [huishoudster] in hun verklaringen noemden, beiden verklaard in september 2005 bij [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] in hun woning te zijn geweest, waar [volgeling 1] met [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] heeft gesproken (187).

De getuige [volgeling 1] heeft voorts verklaard dat [hoofdbewoonster] haar zei dat de huishoudster een kind had en dat de moeder wilde dat [volgeling 1] haar zou opzoeken, maar dat ze dat niet heeft gedaan. [hoofdbewoonster] vertelde [volgeling 1] dat ze als ze dat meisje vereerde, geen goede respons kreeg en dat haar dochter jaloers was. [hoofdbewoonster] wilde onder meer weten wat het kind in een vorig leven was geweest. De moeder van het kind heeft toen zij thee kwam brengen gevraagd het kind te zegenen. [hoofdbewoonster] was erg bezorgd over het kind, verklaarde [volgeling 1] verder, maar de manier waarop zij haar zorgen uitte, beviel [volgeling 1] niet. [hoofdbewoonster] bleef praten over slapen en rondlopen en vroeg steeds wat het kind in een vorig leven was geweest. [hoofdbewoonster] zei dat het kind zich in het bed draaide als ze sliep. [volgeling 1] vond dat [hoofdbewoonster] onlogische dingen zei. [hoofdbewoner] was erbij toen [hoofdbewoonster] vertelde over haar zorgen, maar [hoofdbewoonster] was degene die over het kind praatte (188).

De raadslieden van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] hebben aangevoerd dat de verklaring van [volgeling 1] niet tot het bewijs mag worden gebezigd, nu de verdediging in geen enkel stadium van het geding in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en zodoende de betrouwbaarheid van haar verklaring te toetsen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij acht het gebruik van de verklaring van [volgeling 1], hoewel bedoelde ondervragingsgelegenheid inderdaad heeft ontbroken, niet in strijd met artikel 6 EVRM. De rechtbank bezigt de verklaring van [volgeling 1] immers alleen tot het bewijs van verdachte telastgelegde feiten in de vorm van steunbewijs voor de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van [huishoudster] (en [moeder van Mehak]).

Dat het verschijnsel van geesten die levenden lastig vallen en hen schade berokkenen (bhut) geen rariteit betreft met een zodanig onwaarschijnlijkheidsgehalte dat om die reden de verklaringen van [huishoudster] als ongeloofwaardig van de hand zouden moeten worden gewezen, blijkt uit het rapport van dr. E. de Maaker en de verklaringen van de getuigen [getuige D] (189), [getuige E] (190), [getuige F] (191) en [getuige G] (192). Uit voormelde stukken blijkt voorts dat slaan en vastbinden van personen in het kader van bezetenheid voorkomt.

Dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] wisten dat Mehak werd geslagen blijkt voorts ook uit het opgenomen gesprek tussen [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] in hun auto van 19 februari 2006 (193), waarin [hoofdbewoonster] tegen [hoofdbewoner] zei: 'Het gebeurde toch wel ... dat ... zodra de dag begon .. dat zij mishandeld werd', waarop [hoofdbewoner] antwoordde: 'Hmm. Elke twee minuten hé'.

De rechtbank acht voorts voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig voor hetgeen [huishoudster] heeft verklaard omtrent de betrokkenheid van [hoofdbewoonster] bij de gebeurtenissen op 28 januari 2006.

De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

In de eerste plaats wordt het door [huishoudster] ten aanzien van telefoongesprekken die zouden hebben plaatsgevonden ondersteund door de opgevraagde gespreksgegevens. [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] hebben bevestigd dat de betreffende mobiele telefoonnummers op 28 januari 2006 bij hen in gebruik waren. Uit de opgevraagde telefoongegevens blijkt, dat met deze nummers vele telefoontjes zijn gepleegd naar het vaste nummer van de woning aan de [adres]. [hoofdbewoonster] heeft verklaard dat zij een groot aantal gesprekken heeft gevoerd met dit nummer. Zij heeft voorts bevestigd dat zij [vader van Mehak] op de zilverkleurige Nokia heeft gebeld toen [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] met Mehak de woning hadden verlaten.

Het verloop van de schaakwedstrijden van [kind 2 van hoofdbewoonster] zoals [huishoudster] dat heeft geschetst in haar verklaring sluit voorts aan bij de uitslagen van de schaakwedstrijd. Wanneer de uitslagen van de schaakwedstrijd worden bezien in combinatie met de tijdstippen van de telefoontjes, levert dit geen aanwijzing op dat de verklaring van [huishoudster] onjuist zou zijn.

Ook het gedrag van [hoofdbewoonster] nadien, zoals daarvan onder meer blijkt uit gesprekken die [hoofdbewoonster] met [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] heeft gevoerd aangaande de op 28 februari 2006 gepleegde telefoontjes, vormt een bevestiging voor de juistheid van de verklaringen van [huishoudster] ter zake.

Op 24 april 2006 (194) heeft [vader van Mehak] [hoofdbewoonster] gebeld vanuit het huis van bewaring en zij heeft tegen hem gezegd:

'Kijk, die dag toen dit gebeurd is. Dat er een paar keer werd gebeld toen wij naar de wedstrijd gingen?'

[vader van Mehak]: 'Ja.'

[hoofdbewoonster]: 'Die dag toen wij een deal zouden sluiten in India over een perceel... waarvoor wij zo veel hebben gebeld?'

[vader van Mehak]: 'Ja...'

[hoofdbewoonster].: 'Dat is ook niet doorgegaan... Daar hebben wij zo veel verlies geleden. Het perceel hebben wij niet kunnen kopen. Daarover hebben ze ons ook verdacht waarom wij zo veel belden... ik heb hun alles verteld maar toch willen ze ons niet geloven. Je moet hun wel vertellen wat ik jou gezegd had als je een telefoontje uit India zou krijgen... wat je moest zeggen dat het over een perceel gebeld zou worden, en daarom heb ik zoveel gebeld.'

Op 3 april 2006 (195) heeft [hoofdbewoonster] blijkens een tap tegen [moeder van Mehak] in het huis van bewaring iets soortgelijks gezegd:

'Het is zo gegaan (volgt een beschrijving van de ochtend van 28 januari 2006). Na ons vertrek hebben wij elkaar nog gebeld omdat...'

[moeder van Mehak]: 'Hmm...'

[hoofdbewoonster]: 'Je weet toch dat er uit India gebeld zou worden over percelen.'

[moeder van Mehak]: 'Hmm.'

[hoofdbewoonster]: 'Daarover hebben wij toch gesproken?'

[moeder van Mehak]: 'Hmm.'

[hoofdbewoonster]: 'Dat wij percelen zouden kopen?'

[moeder van Mehak]: 'Hmm.'

[hoofdbewoonster]: Over de percelen is niets van terecht gekomen. En je had mij over eten gevraagd, weet je nog?'

[moeder van Mehak]: 'Ja, dat klopt. Ik had het over eten.'

[hoofdbewoonster]: 'Ja... dat was het enige waarover wij gesproken hadden. Op het laatst is er een telefoontje gekomen dat zij gevallen is... daarna kon je mij niet vertellen hoe erg het was.'

[moeder van Mehak]: 'Ik kon het niet vertellen.'

[hoofdbewoonster] lijkt in voormelde gesprekken [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] te instrueren over hetgeen zij omtrent de inhoud van de op 28 januari 2006 door haar met de huislijn gepleegde telefoontjes moeten vertellen bij de politie. Uit het uitvoerige politieonderzoek ter zake is voorts geen enkele bevestiging gevonden voor een telefoontje uit India op de betreffende dag.

De rechtbank leidt uit het gedrag van [hoofdbewoonster] na de dood van Mehak af, dat zij heeft geprobeerd de betreffende door haar gepleegde telefoontjes in een onschuldig daglicht te stellen. Ook dit ondersteunt de verklaring van [huishoudster] dat Mehak (ook) volgens [hoofdbewoonster] behekst was en dat de telefoontjes gingen over het slaan en vastbinden van Mehak in verband met de geest die (ook) volgens [hoofdbewoonster] in haar zat.

Voorts is gebleken dat de familie [hoofdbewoners] in 2005 meermalen een of twee huisjes op het Kijkduinpark heeft gehuurd op tijdstippen die passen bij hetgeen [huishoudster] daarover heeft verklaard (196).

Tot slot hebben [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in 2007 verklaringen afgelegd die de verklaring van [huishoudster] op een groot aantal punten bevestigen. Gezien het overige steunbewijs acht de rechtbank de verklaringen van [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in zoverre wel betrouwbaar. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat zij in het dossier geen aanwijzingen heeft gevonden dat [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] hun verklaringen op andere punten dan ten aanzien van wie Mehak zou hebben geslagen en vastgebonden op 28 januari 2006 onderling op elkaar hebben afgestemd.

De rechtbank komt op grond van het voormelde tot de conclusie dat de hiervoor aangehaalde verklaringen van [huishoudster] betrouwbaar kunnen worden geacht en dat deze tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

De rechtbank acht de verklaringen van [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] gezien het tijdsverloop, en gezien het feit dat deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de rol van [huishoudster] op 28 januari 2006 onjuist zijn, onvoldoende betrouwbaar om te kunnen dienen tot het bewijs van feiten, gepleegd door medeverdachten, die niet ook uit de verklaringen van [huishoudster] en/of andere bewijsmiddelen blijken. Dit betekent onder meer, dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat [huishoudster] Mehak geslagen zou hebben en dat zij [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] zou hebben moeten slaan en daadwerkelijk heeft geslagen.

Ten aanzien van dagvaarding I feit 1 (Mehak, 28 januari 2006)

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding I onder 1 primair is telastgelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Voor opzet op de dood van Mehak bij verdachte, ook in voorwaardelijke vorm, is onvoldoende wettig bewijs voorhanden.

Verdachte was op 28 januari 2006, toen Mehak is geslagen en vastgebonden, niet in de woning aanwezig. Op grond van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen blijkt echter dat zij tegen [huishoudster] en [moeder van Mehak] had gezegd dat Mehak moest worden geslagen. Verdachte heeft meermalen naar de woning gebeld om door te geven wat er met Mehak moest gebeuren en te controleren of wel gebeurde wat zij had gezegd. Zij heeft [moeder van Mehak] meermalen aan de telefoon gehad. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en [huishoudster], gericht op het mishandelen van Mehak. De opdracht die verdachte gaf was volgens [huishoudster] 'vastbinden en een paar klappen geven' en volgens [moeder van Mehak] 'slaan'. Ook [vader van Mehak] heeft verklaard dat het niet de bedoeling was om Mehak dood te maken. 'Gewoon een paar klappen geven, vastbinden, daar zou het bij blijven. Gewoon normaal.' [huishoudster] verklaart over wat verdachten aanvankelijk voor ogen heeft gestaan en heeft ook verklaard dat het niet de bedoeling was dat Mehak dood zou gaan, maar waarschijnlijk is [moeder van Mehak] gewoon te ver gegaan. Er is geen bewijs dat verdachte verderstrekkende opdrachten zou hebben gegeven, bijvoorbeeld tot het slaan met een stok. Ook is niet gebleken is dat door [moeder van Mehak] of [huishoudster] aan [hoofdbewoonster] is verteld dat dat zij met een stok werd geslagen of dat het heel slecht ging met Mehak nadat zij was vastgebonden. Niet gebleken is dat verdachte wist dat [moeder van Mehak] die dag had besloten Mehak om het leven te brengen. De kans dat [moeder van Mehak] dit zou doen is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen ook niet aanmerkelijk te noemen.

Het betoog van de officier van justitie dat voor iedereen, dus ook voor [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] duidelijk was of moest zijn dat Mehak verzwakt was en in een slechte conditie verkeerde, wordt niet door bewijsmiddelen gestaafd. Het sectierapport vermeldt dat Mehak in goede voedingstoestand verkeerde (zie noot 2). Verder kan wel geconstateerd worden dat er bij de huisgenoten van Mehak, inclusief haar vader, sprake was van grote onverschilligheid voor haar welzijn en situatie, maar daarmee staat nog niet vast dat die slechte situatie door verdachte ook is onderkend. In die zin kan dan ook geen voorwaardelijk opzet bij verdachte worden aangenomen op zwaar lichamelijk letsel of de dood, nu onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat Mehak op 29 januari 2006 zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht of zelfs zou komen te overlijden. Van doodslag of zware mishandeling moet verdachte dus worden vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank haar schuldig aan het medeplegen van mishandeling met voorbedachte raad, de dood ten gevolge hebbend. De voorbedachte raad blijkt uit het feit dat verdachte opdrachten gaf, die vervolgens door een ander of anderen moesten worden uitgevoerd. Zowel voorafgaand aan het bellen als korte tijd daarna was er voor verdachte een mogelijkheid om zich hierop te bezinnen.

Ten aanzien van dagvaarding I feit 2 (mensenhandel)

Met betrekking tot de telastgelegde mensenhandel overweegt de rechtbank het volgende.

Het verweer dat de in de telastlegging feitelijk uitgewerkte drukmiddelen (zoals dwang) pas na het vervoer plaatsvonden, is al besproken in het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie. Voorzover nog is aangevoerd dat om die reden algehele vrijspraak zou moeten volgen, wordt dit verweer verworpen, omdat het telastgelegde begrip 'huisvesten' mede kan zien op een voortdurende toestand, waarvan in deze zaak ook sprake is geweest.

De rechtbank zal eerst een aantal opmerkingen maken over de telastlegging, vervolgens het wettelijk kader bespreken, daarna de relevante feiten, aansluitend deze feiten in het wettelijke kader plaatsen en tot slot daaruit conclusies trekken voor de bewezenverklaring en de kwalificatie.

Telastlegging

In de telastlegging heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank een aantal feitelijke uitwerkingen onder een onjuiste kwalificatie gerangschikt. Zo maakt het iemand zonder geldige verblijfsstatus in Nederland laten verblijven eerder deel uit van het drukmiddel 'misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht' dan van de uitbuiting zelf, terwijl het tegen geringe betaling lange dagen tewerkstellen in de huishouding nu juist een invulling is van uitbuiting. Omdat de rechtbank niet gebonden is aan de kwalificatie van de officier van justitie, zal de rechtbank de telastegelegde feitelijke uitwerkingen beoordelen op hun bewijsbaarheid. Voor zover deze bewezen zijn, kwalificeert de rechtbank deze zoals zij juist acht. Overigens geeft de wijze waarop dit wetsartikel is geredigeerd wel aanleiding tot verwarring.

Wettelijk kader

Mensenhandel buiten de sfeer van seksuele uitbuiting is in Nederland met ingang van 1 januari 2005 strafbaar gesteld en wel bij artikel 273a (oud), inmiddels vernummerd tot 273f, van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens het tweede lid van dit artikel omvat uitbuiting tenminste gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.

Voor de uitleg van de in dit artikel gehanteerde begrippen -voor zover in de onderhavige zaak relevant- baseert de rechtbank zich op de Memorie van Toelichting op het betreffende wetsvoorstel, oudere rechtspraak voor zover betrekking hebbend op de uitleg van die begrippen, de sindsdien gedane uitspraken en verschenen literatuur, waaronder de beide rapporten van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. Op grond daarvan gaat de rechtbank er vanuit dat voor het aannemen van uitbuiting in een werksituatie sprake moet zijn van geobjectiveerde excessieve omstandigheden, dus van een situatie die onaanvaardbaar is volgens de in de Nederlandse maatschappij en rechtsorde geldende normen. De schending van fundamentele mensenrechten - lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid - is maatgevend. Bij de beoordeling of daarvan sprake is spelen de ernst, duur en omvang van de drukmiddelen en het uit de situatie te behalen economisch voordeel een rol. Instemming met de situatie door het slachtoffer is niet relevant, als één van de genoemde drukmiddelen is gebruikt. De subjectieve beleving kan wel een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het slachtoffer zich aan de machtssfeer van de verdachte had kunnen onttrekken.

Relevante feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de telastlegging uit van de volgende feiten en omstandigheden. Gebeurtenissen die vóór 1 januari 2005 hebben plaatsgevonden worden ook in de beoordeling betrokken, voor zover deze van invloed zijn geweest op de situatie daarna.

Plaats en tijd, huisvesten

Uit de hierboven al aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat [huishoudster] (197), [moeder van Mehak] (198) en [vader van Mehak] (199) allen in de telastgelegde periode, meer specifiek van 1 januari 2005 tot en met 28 januari 2006, op het adres [adres] woonden. Deze woning behoorde toe aan verdachte en haar echtgenoot. Zij woonden daar zelf ook met hun twee kinderen. (200)

Na de dood van Mehak op 28 januari 2006 zijn [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in hechtenis genomen en heeft [huishoudster] op verschillende adressen verbleven, al dan niet samen met het echtpaar [hoofdbewoners]. Dat betekent dat het beschikbaar stellen van en huisvesten in de woning [adres] na 28 januari 2006 niet meer aan de orde was. Voorzover er daarna nog sprake van is geweest dat [huishoudster] -zoals zij op 6 april 2006 heeft verklaard en door de officier van justitie is telastgelegd- door [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] is geslagen, bedreigd met geweld tegen haar familie in India en bang gemaakt voor de politie in Nederland, kan dit dus niet in het kader van de bedoelde huisvesting hebben plaatsgevonden, zodat verdachte daarvan in dit verband wordt vrijgesproken. De rechtbank zal hierna, bij het beïnvloeden van de getuigen, nog nader op deze handelingen ingaan.

Geen geldige verblijfsstatus

Ook staat vast dat eerder -bij gelegenheid van hun komst naar Nederland- aan [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] verstrekte visa waren verlopen en dat zij nadien geen andere geldige verblijfsvergunning hebben verkregen. (201) Hoewel de rechtbank niet aannemelijk acht dat zij op grond daarvan van het echtpaar [hoofbewoners] een algeheel verbod hadden gekregen om naar buiten te gaan - volgens de verklaringen deden [huishoudster] en [vader van Mehak] immers ook boodschappen en brachten/haalden zij de kinderen naar/van school (202)-, ligt wel voor de hand dat dit een ernstige belemmering vormde voor contacten met de buitenwereld. Dit geldt te meer nu ontdekking niet alleen voor henzelf, maar ook voor het echtpaar [hoofdbewoners] gevolgen zou hebben.

Vrijwilligheid

De 'Verblijfsaantekeningen Algemeen' in het paspoort van [huishoudster] bevestigen haar verklaring inhoudende dat zij in 1999 Nederland in is gereisd. (203) Op basis van wat zij daaromtrent zelf heeft verteld, moet ervan worden uitgegaan dat zij zelf weg wilde uit India vanwege haar huiselijke omstandigheden en dat zij graag naar Nederland wilde om daar te werken en te studeren (204). Zij werkte in India al bij de moeder van [hoofdbewoonster] (205) .

Ook [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] hebben verklaard dat zij vrijwillig met [hoofdbewoonster] naar Nederland zijn gekomen, in de hoop daar een goed bestaan op te bouwen (206).

Op enig moment - na een van de eerste keren dat Mehak was geslagen- wilde [moeder van Mehak] graag terug naar India. [vader van Mehak] wilde dat echter niet en [moeder van Mehak] kreeg van haar ouders en schoonouders te horen dat zij in India niet zonder hem welkom was. Zij is toen gebleven (207).

Bij [huishoudster] is er sprake van geweest dat zij terug naar India zou gaan op het moment dat [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] haar werk in huis zouden kunnen overnemen (208). Dat is er echter nooit van gekomen. [huishoudster] wilde en wil eigenlijk niet terug naar India, hetgeen ook blijkt uit het feit dat zij kort voor haar dreigende uitzetting uitgebreider dan daarvoor tegenover de politie is gaan verklaren. (209) Dit bracht haar echter nog meer in een kwetsbare positie, vatbaar voor uitbuiting, omdat wat haar betreft kennelijk alles beter was dan terug te moeten naar India.

Werk en beloning

Op grond van de afgelegde verklaringen met deze strekking gaat de rechtbank er vanuit dat [huishoudster] al geruime tijd voor de komst van [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] bij de [hoofdbewoners] in huis verbleef en daar van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat allerhande huishoudelijke werkzaamheden verrichtte, waaronder koken, schoonmaakwerk en verzorging van de kinderen (210). [moeder van Mehak] heeft verklaard dat zij de hele dag moest werken en nog eens werken, eten koken, schoonmaken, [hoofdbewoonster]'s voeten masseren. Ook zegt zij dat [huishoudster] er nog erger aan toe was en dat zij zich niet kan voorstellen hoe [huishoudster] al het werk in hun huis heeft kunnen doen, terwijl zij het met zijn drieën al niet aankonden. [huishoudster] was een bediende, een knecht.

[huishoudster] heeft wisselende verklaringen afgelegd over de afgesproken beloning en betaling:

- zij ontvangt daarvoor € 50 per maand, die zij naar huis stuurt voor de studie van haar broers (zie noot 64, politieverklaring 28 maart 2006);

- zij verdiende € 50 per maand, maar heeft de afgelopen1,5 jaar niets gekregen, omdat zij wel eens dingen kapotmaakte (211);

- met haar vader was een betaling van 1.500 roepies per maand afgesproken; [hoofdbewoonster] stuurde dit geld naar India; [huishoudster] heeft van haar vader gehoord dat hij dit heeft ontvangen. (212)

[hoofdbewoonster] heeft enerzijds verklaard dat zij [huishoudster] helemaal niet betaalde, omdat zij niet voor haar werkte. Anderzijds verklaart zij dat [huishoudster] wel heel vaak kwam en af en toe wel bij hun ging werken. (213) Dit laatste gedeelte van de verklaring wordt als bevestiging van de verklaringen van [huishoudster] en [moeder van Mehak] ten aanzien van het verrichten van werk door [huishoudster] beschouwd en voor het overige als ongeloofwaardig buiten beschouwing gelaten.

Gelet op de lange tijd die [huishoudster] bij de familie [hoofdbewoners] heeft gewerkt (op basis van haar eigen verklaring en die van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] gaat de rechtbank uit van tenminste drie jaar) kan niet zonder meer gezegd worden dat haar verklaringen omtrent de overeengekomen beloning en de betaling daarvan met elkaar in strijd zijn. Het komt de rechtbank het meest waarschijnlijk voor, gelet op de hierna te bespreken gang van zaken met betrekking tot [moeder van Mehak] en [vader van Mehak], dat er in de telastgelegde periode inderdaad een afspraak met betrekking tot een zeer lage beloning bestond, die in ieder geval ook enige malen -voorzover betaald- aan familie van [huishoudster] in India is betaald en niet steeds aan [huishoudster] zelf.

Niet gebleken is dat [huishoudster] in Nederland ooit naar school is gegaan of een opleiding heeft gevolgd.

Wat [vader van Mehak] betreft, hij zou werkzaamheden gaan verrichten in een kennelijk door [hoofdbewoonster] te beginnen zoetwarenbedrijfje. [moeder van Mehak] zou het huishouden gaan doen. De afgesproken betaling zou 5000 roepies per persoon per maand bedragen (214). Het zoetwarenbedrijf is niet van de grond gekomen. [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] zijn niettemin gebleven en [vader van Mehak] is diverse andere werkzaamheden in de woning gaan verrichten, volgens zijn verklaring hoofdzakelijk schoonmaakwerk. (215) Dat [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] daarbij even extreem lange dagen maakten als [huishoudster] vindt de rechtbank op grond van de verklaringen van [huishoudster] en [moeder van Mehak] ter zake niet aannemelijk, maar wel dat zij dagelijks langer dan in een Nederlands dienstverband gebruikelijk, op ongeregelde tijden en ook meer dan vijf dagen per week hebben gewerkt. Het argument van de verdediging dat de verklaringen van [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] omtrent de verrichte werkzaamheden, gezien de in de [adres] aangetroffen situatie, niet juist kunnen zijn, wordt door de rechtbank verworpen. Dat het een grote bende was in de niet heel grote woning, is ook de rechtbank duidelijk op grond van de foto's (216). Blijkens de verklaringen moest er echter heel veel worden gekookt: verschillende gerechten voor de verschillende leden van de familie [hoofdbewoners] en voor de andere personen in huis, vrijwel de hele dag door (217). Een buurman heeft verklaard dat hij al om 6 uur wakker werd van de etenslucht en zich daarover heeft beklaagd. (218) Daarnaast moesten de - toch al grote- kinderen verregaand worden begeleid bij het aankleden, naar school gaan en eten, dienden zij van school te worden opgehaald, moest de tempel steeds worden schoongehouden en lieten de leden van de familie [familie] zich geregeld langdurig masseren (219).

In een afgeluisterd gesprek met [moeder van Mehak] op 3 april 2006 in het huis van bewaring heeft [hoofdbewoonster] gezegd: 'In al die vijftien jaar dat ik hier heb gewoond... mijn werk, onze eer... onze naam, ons geld... Alles is in één keer verdwenen, besmet. (...) Mij hebben ze van mijn werk ontslagen...' (220)

In het verhoor van 5 april 2006 (221) heeft [hoofdbewoonster] verklaard dat ze niet veel tijd had om zich met Mehal bezig te houden, omdat ze al weinig tijd had voor haar eigen kinderen. Gevraagd waar ze het zo druk mee heeft antwoordde ze: 'Met dit en dat'en wilde verder niet uitleggen wat dat dan inhield. De rechtbank acht het op basis hiervan aannemelijk dat [hoofdbewoonster] een baan had. Dat maakt onaannemelijk dat ze zelf voortdurend bezig was met koken voor de familie, zoals door de verdediging is betoogd.

Bovendien is van algemene bekendheid dat de arbeidsproductiviteit van Nederlandse werknemers zeer hoog is in relatie tot die in vele andere landen; een vergelijking met een Nederlandse huishoudelijke hulp gaat dan ook niet zonder meer op, te minder niet nu deze haar werkgever niet pleegt te masseren.

Omgerekend is 5.000 roepies een bedrag in de orde van grootte van € 82,-- tot € 95,-- (222). Voor zover er aan [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] is betaald, is dit met instemming van de betrokkenen aan familie in India betaald, hetzij contant, hetzij in de vorm van goederen. (223)

Klaarblijkelijk ontvingen [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak], naast deze betalingen, gratis kost en inwoning.

Feitelijke verhoudingen

[vader van Mehak] is een kleinzoon van de broer van [hoofdbewoonster]'s vader; er is dus een familierelatie tussen [hoofdbewoonster] en [vader van Mehak] met een leeftijdsverschil van één generatie.(224) [huishoudster] is ook aanzienlijk jonger dan het echtpaar [echtpaar] en zij is bovendien hoogstwaarschijnlijk van een lagere kaste. [K] heeft hierover verklaard dat huishoudelijke hulpen in India van een andere kaste zijn dan de familie waarin ze werken en dus ook niet tot de familie behoren. Hij heeft verklaard dat [huishoudster] als huishoudelijke hulp voor [hoofdbewoner] en [hoofdbewoonster], die als familie hoog aangeschreven staan in India, naar Nederland is gekomen. (225) [hoofdbewoonster] heeft over de positie van [huishoudster] verklaard dat [huishoudster] geen directe familie van haar is en dat ze gezien kan worden als een buitenstaander. (226) [moeder van Mehak] heeft verklaard dat [huishoudster] een knecht was, een bediende, terwijl [hoofdbewoonster] [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in ieder geval in het begin als familie beschouwden (227). In ieder geval was er een groot verschil in economische positie. Bovendien was er sprake van een arbeidsrelatie. In de Indiase cultuur brengen deze verschillen klaarblijkelijk mee dat er een verregaand respect verschuldigd was door [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] aan het echtpaar [hoofdbewoners], door [huishoudster] nog in meerdere mate dan door [moeder van Mehak] en [vader van Mehak]. (228) Kenmerkend daarvoor is ook dat [hoofdbewoonster] door alledrie werd aangesproken met 'Didi', wat 'tante' of 'grote zus' betekent (229).

Met betrekking tot haar overkomst naar Nederland heeft [huishoudster] op 16 februari 2006 bij de politie verklaard dat haar moeder haar reis en onkosten heeft betaald. (230) De rechtbank acht deze verklaring weinig geloofwaardig, omdat uit de rest van de verklaring duidelijk blijkt dat zij hier nog liegt, kennelijk om [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] te dekken. Ter terechtzitting van 18/19 juni 2007 heeft zij verklaard dat [hoofdbewoonster] haar naar Nederland heeft gebracht, dat zij niet weet of zij een verblijfsvergunning had omdat [hoofdbewoonster] dat regelde en dat zij wel een keer bij de politie is geweest, maar niet wat toen besproken is. Ook is zij op de ambassade van Delhi geweest; er werden toen vragen gesteld over wat zij in Nederland ging doen (kennelijk is bedoeld de Nederlandse ambassade in Delhi, rechtbank). [hoofdbewoonster] had gezegd dat zij moest opgeven dat zij in Nederland op vakantie ging en ging winkelen. Zij verklaart verder dat [hoofdbewoonster] altijd alles voorkauwde wat zij moest zeggen.

[vader van Mehak] heeft verklaard dat [hoofdbewoonster] hem en [moeder van Mehak] heeft laten overkomen om in Nederland te werken. Zij was de enige die zij in Nederland kenden, dus ze gingen automatisch naar dat adres. [hoofdbewoonster] heeft de reis heeft betaald. Ze kwamen onder begeleiding van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] heeft hen opgehaald.

[moeder van Mehak] heeft verklaard dat haar vader en schoonvader haar ticket hebben betaald. (231)

Gelet op het feit dat uit andere verklaringen van [moeder van Mehak] blijkt dat [vader van Mehak] de financiën regelde, acht de rechtbank de verklaring van [vader van Mehak] in deze overtuigender.

Op grond van deze verklaringen van [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] acht de rechtbank bewezen dat [hoofdbewoonster] bij ieder van hen vergaande bemoeienis heeft gehad met hun overkomst naar Nederland en vermoedelijk ook (een deel van) de tickets heeft betaald.

Dit is mede aannemelijk, omdat [hoofdbewoonster] geregeld naar India reisde en kennelijk over voldoende financiële middelen beschikte (232). [vader van Mehak] heeft nog verklaard dat over de terugbetaling van de reissom geen afspraken zijn gemaakt. (233) [huishoudster] verklaart op 23 maart 2006 dat zij [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] zoveel verschuldigd is, omdat zij zoveel voor haar familie hebben gedaan. (234) In zoverre was er dus sprake van een zowel financiële als morele schuldrelatie van [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] aan [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner], die geacht moet worden te hebben bijgedragen aan het feitelijke overwicht van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] op [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak].

Geweld

Met betrekking tot het telastgelegde geweld is het volgende verklaard:

[huishoudster]: [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] hebben gezien dat ik werd geslagen door [hoofdbewoonster]. Het gebeurde gemiddeld een keer in de week. (235) [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en ik werden ook geslagen met een dun, geelachtig stokje met een handvat. Een keertje heb ik tegen [moeder van Mehak] gezegd: jij slaat je dochter alleen maar vanwege [hoofdbewoonster]. Toen ben ik mishandeld door [hoofdbewoner] en [hoofdbewoonster] met een stok. (236) Ik ben flink mishandeld toen ik een keer was begonnen over het mishandelen van Mehak. (237) [vader van Mehak] is door [hoofdbewoonster] geslagen met een stokje, een electriciteitskabel en een zweepje. Van de kabel had hij littekens en bloed op zijn rug. [moeder van Mehak] heeft een litteken op haar duim door een klap van [hoofdbewoonster]. (238)

[vader van Mehak]: [hoofdbewoonster] sloeg me met een snoer. Ze heeft me met een hockeystick geslagen op mijn rug, voeten en kuit. (239) Ze sloeg iedereen, behalve [hoofdbewoner], [kind 1 van hoofdbewoonster] en [kind 2 van hoofdbewoonster]. In het begin sloeg [hoofdbewoonster] af en toe, later vaker. We werden om de beurt geslagen. Zij sloeg mij op het gezicht met de hand, op de rug met de elektriciteitskabel en met de zweep overal. (240)

[moeder van Mehak]: In december 2004 heeft [hoofdbewoonster] mij heel erg geslagen. (241) Toen [kind 2 van hoofdbewoonster] bij de hardloopwedstrijd verloor, heeft [hoofdbewoonster] [vader van Mehak] heel erg geslagen met een snoer. (242)

Voorts is er een NFI-rapport, opgemaakt door dr. Botter d.d. 29 juni 2006, (243) die naar aanleiding van de verklaring van [huishoudster] over mishandeling van [vader van Mehak] door [hoofdbewoonster] [vader van Mehak] heeft onderzocht. Dr. Botter constateert bij het onderzoek een meestwaarschijnlijk streepvormige huidklieving op de rug ter hoogte van het linkerschouderblad en oppervlakkig krasletsel op de rug 10 cm onder de punt van de rechterschouder, naast enige littekens aan de armen. Hij verklaart dat deze huidlittekens zich alle in het niveau van de huid bevinden en geen rode verkleuring tonen. Dit zijn kenmerken van oude littekens die minstens circa een half jaar oud zijn. De bevindingen zijn aspecifiek; de toevoeging dat deze niet op mishandeling duiden vat de rechtbank zo op dat aan de hand van de littekens niet is te zeggen dat deze door mishandeling zijn ontstaan. [vader van Mehak] verklaarde toen nog dat hij niet was mishandeld. De rechtbank vat de bevindingen van dr. Botter echter op als een bevestiging van de verklaringen van [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] omtrent de mishandelingen door [hoofdbewoonster].

De rechtbank is er op grond van deze bewijsmiddelen dan ook van overtuigd dat [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] in ieder geval door [hoofdbewoonster] zijn geslagen (244). De rechtbank acht niet bewezen dat [huishoudster] [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] heeft geslagen. Zoals hiervoor bij de beoordeling van de feiten betreffende de mishandelingen en het overlijden van Mehak overwogen, vindt de rechtbank het aannemelijk dat zij in hun verklaringen van dit jaar hebben overdreven om hun eigen rol in het geheel kleiner te maken.

Paspoorten

Omtrent haar leeftijd heeft [huishoudster] verklaard dat zij in 1999 volgens opgave van haar vader 14 jaar oud was, maar van [hoofdbewoonster] te horen kreeg dat zij bij de aanvraag van een paspoort moest opgeven dat zij 18 jaar was, omdat zij anders niet mee zou kunnen gaan naar Nederland. Hoewel de foto in haar paspoort een aanwijzing vormt dat [huishoudster] in 1999 nog lang geen 18 was, is er verder geen bewijs voor de juistheid van haar verklaring hieromtrent. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat haar paspoort vals is of vervalst.

Volgens de verklaringen van [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] (245) werden de paspoorten bij elkaar bewaard in een attachékoffertje in de woonkamer, waar zij bij een doorzoeking ook zijn aangetroffen. (246) Er is onvoldoende bewijs dat dit koffertje achter slot werd bewaard of zelf op slot was, maar wel neemt de rechtbank op grond van deze verklaringen aan dat [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] niet zonder opdracht of toestemming van verdachte of haar echtgenoot aan dit koffertje mocht komen. Hoewel dit naar Nederlandse maatstaven moeilijk te begrijpen is, heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat in ieder geval [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] het door de bestaande, hierboven beschreven sociale verhoudingen, geheel in een Indiase context, in combinatie met het gepleegde geweld, daadwerkelijk niet in hun hoofd haalden dit koffertje te openen of anderszins op enige wijze tegenspraak te leveren. Op vragen van de rechtbank en de raadslieden over de lijdzaamheid en dociliteit van in het bijzonder [vader van Mehak], maar ook van [huishoudster] en [moeder van Mehak], hebben zij steeds geantwoord met als strekking: 'Wij hadden geen keus, wij konden niet anders'. (247) [huishoudster] heeft zich soms wel verzet (248), maar zij zag buiten de deur geen werkelijke alternatieven; zij kon met betrekking tot haar eigen situatie ook redelijkerwijs menen dat die er niet waren. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat zij geen van drieën vrije toegang hadden tot hun paspoorten.

Overige relevante omstandigheden

Verder vindt de rechtbank nog van belang dat [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] hebben verklaard dat zij geen eigen kamer tot hun beschikking hadden. (249) Weliswaar verbleef Mehak in ieder geval gedurende de laatste periode van haar leven in haar kleine kamertje, maar niet gebleken is dat dit ook voor [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] bestemd en geschikt was. [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] hebben verklaard dat zij ook geen vaste slaapplaats hadden en [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] mochten bovendien niet bij elkaar slapen. (250) Voorts hebben [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak], voor wat betreft de frequentie bevestigd door de lijsten met telefoongesprekken op en kort voor 28 januari 2006, verklaard dat er veelvuldig door [hoofdbewoonster] en/of [hoofdbewoner] naar huis werd gebeld om te vragen wat zij aan het doen waren en dat zij allemaal precies tegen [hoofdbewoonster] moesten zeggen wat zijzelf deden en wat de anderen deden of hadden gedaan. (251) Er was dan ook niet of nauwelijks sprake van enige privacy. Zelfs het voeren van telefoongesprekken met familie in India stond onder volledige controle van [hoofdbewoonster]. (252)

Plaatsing feiten in wettelijk kader

Bij de toetsing aan het wettelijke kader heeft de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

- de naar Nederlandse maatstaven uitzonderlijk lage afgesproken beloningen (zelfs als er van wordt uitgegaan dat deze volledig zijn betaald) van -bij de gunstigste omrekenkoers- € 47,50 per persoon per maand voor [vader van Mehak] en [moeder van Mehak] en € 23,75 tot € 50,-- voor [huishoudster]; dat gratis kost en inwoning werd verstrekt, maakt dit niet anders;

- de zeer (bij [huishoudster] extreem) lange werkdagen;

- het feit dat de betalingen niet of niet volledig aan [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en [huishoudster] zelf werden gedaan, zodat zij niet over eigen financiële middelen konden beschikken en daarmee volledig afhankelijk waren van het echtpaar [hoofdbewoners];

- het bewaren van de paspoorten bij elkaar in een koffertje dat niet zonder opdracht of toestemming mocht worden geopend;

- het feit dat zij dag en nacht in dezelfde omgeving verkeerden, met nauwelijks ([huishoudster] en [vader van Mehak]) of geen enkel ([moeder van Mehak]) contact met de buitenwereld;

- het volkomen gebrek aan een persoonlijke levenssfeer in die omgeving;

- het lichamelijke geweld.

Al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, brengen mee dat naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een excessieve situatie, waarin de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] verregaand zijn geschonden. De werkzaamheden die zij onder deze omstandigheden verrichtten, zijn daarmee tot gedwongen arbeid geworden, nu zij geen mogelijkheden hadden zich aan de machtssfeer van het echtpaar [hoofdbewoners] te onttrekken. Duidelijk is dat zij vrijwillig naar Nederland zijn gekomen om hier te werken en in ieder geval voor [vader van Mehak] en [huishoudster] moet worden aangenomen dat zij zelf niet terugwilden naar India. Er is dan ook zeker een bepaalde 'dubbelheid' te constateren in de situatie. In het begin van het onderzoek blijkt uit de verklaringen van [huishoudster] en [moeder van Mehak] (253) duidelijk een zekere mate van dankbaarheid en loyaliteit aan het echtpaar [hoofdbewoners], ongetwijfeld omdat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] het mogelijk hebben gemaakt dat [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] overeenkomstig hun wens uit India wegkonden. Dit doet echter niet af aan de feitelijke onmogelijkheid zich, eenmaal in Nederland, aan hun situatie daar te onttrekken. Als zij al op de gedachte zouden zijn gekomen om te vertrekken, waren zij volledig afhankelijk van het echtpaar [echtpaar] voor de verstrekking van financiële middelen en praktische hulp, terwijl zij zich -vanwege de heenreis- toch al verplicht voelden. Het paspoort van [huishoudster] was niet eens meer geldig, dus het is onduidelijk hoe zij zonder ontdekking van haar lange illegale verblijf in Nederland nog naar India had kunnen reizen.

Er was naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een uitzichtloze situatie onder mensonterende omstandigheden, die gekwalificeerd kan worden als dienstbaarheid, bedoeld in artikel 273a (oud) tweede lid Sr. Uit de extreem lage betaling in relatie tot de lange werkdagen en de overige omstandigheden blijkt het oogmerk van uitbuiting.

Ten aanzien van dagvaarding I feit 3 (beïnvloeding getuigen)

Aan verdachte is op dagvaarding I onder 3 telastgelegd dat zij tegenover [kind 1 van hoofdbewoonster], [huishoudster] en [moeder van Mehak] en [L] bepaalde uitlatingen heeft gedaan, kennelijk om hun als getuigen af te leggen verklaringen te beïnvloeden.

[kind 1 van hoofdbewoonster] is op 29 januari 2006 om 2.32 uur voor de eerste keer door de politie gehoord. Ze heeft in dat verhoor verklaard dat toen ze op 28 januari 2006 wakker werd [vader van Mehak] in hun woning aanwezig was en dat ze aan hem werd voorgesteld. [moeder van Mehak] en Mehak zouden al een week daarvoor gekomen zijn. (254)

[hoofdbewoonster] heeft op 30 januari 2006 zelf over [vader van Mehak] verklaard dat hij één week geleden met [moeder van Mehak] en Mehak naar Nederland is gekomen. Ze verklaarde dat ze eerder niet de waarheid over zijn komst naar Nederland had verklaard omdat ze weet dat [vader van Mehak] illegaal in Nederland verblijft. Ze wilde hem beschermen. (255)

Op 2 maart 2006 heeft [kind 1 van hoofdbewoonster] verklaard dat haar moeder toen ze voor het eerst naar het politiebureau waren meegenomen, dus op 29 januari 2006, naar haar toe kwam en zei dat ze moest zeggen dat [vader van Mehak] die dag pas was gekomen. Ze verklaarde dat ze dat toen ook tegen de politie had gezegd, maar dat [vader van Mehak], [moeder van Mehak] en Mehak in het echt eerder zijn gekomen. (256) Tevens verklaarde ze in dat verhoor: 'Ik wil niemand erbij betrekken ... mijn ouders hebben ook gezegd dat ze dat niet willen doen' (257) en 'Ik wil dat niet vertellen ... mijn ouders hebben me verboden ... niet alleen over hun ... maar over degenen die niet erbij betrokken zijn ... over hun wil ik niets vertellen.' (258)

In het verhoor van 5 april 2006 heeft [hoofdbewoonster] verklaard dat [kind 1 van hoofdbewoonster] van haar niet over familie en andere mensen mocht vertellen. 259)

[hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] zijn op 3 april 2006 bij [moeder van Mehak] in de penitentiaire inrichting in Zwolle op bezoek geweest. Uit het opgenomen en uitgeluisterde gesprek in de auto van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] op 3 april 2006 komt naar voren dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] ervan uitgingen dat het gesprek tussen hen en [moeder van Mehak] in het huis van bewaring zou worden afgeluisterd en opgenomen zou worden met camera. Daarom willen zij [moeder van Mehak] onmerkbaar vertellen dat zij moet zeggen dat zij [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] niet over geesten had verteld. [hoofdbewoonster] had daarom op haar hand geschreven 'niet over de geesten en hekserij praten'. De bedoeling hiervan was om dit aan [moeder van Mehak] te laten zien, zodat ze dit toch aan [moeder van Mehak] konden overbrengen zonder dat het gehoord werd. [hoofdbewoner] zegt: 'Ja, dat ze niet over geesten moet praten. Goed opschrijven.' (260)

Op 23 april 2007 heeft [moeder van Mehak] verklaard dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] toen ze in Zwolle in de gevangenis bij haar op bezoek kwamen hadden opgeschreven wat ze moest verklaren en dat daarbij stond dat [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] niet wisten dat er een geest was in het kind. (261)

Ter terechtzitting van 13 november 2007 heeft [moeder van Mehak] ook verklaard dat [hoofdbewoonster] in het huis van bewaring haar handpalm had laten zien. Daarop stond geschreven 'er is een camera, je kan hier niet praten', 'je moet vertellen dat er geen geest was in Mehak' en 'die mensen ([hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner]) weten helemaal niets'. (262)

In het in de auto van [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] opgenomen en uitgeluisterde gesprek van 10 maart 2006 kwam tenslotte naar voren dat [hoofdbewoonster] die dag tegen [L] (schoonzoon van de familie [getuige D]) heeft gezegd dat [L] bij de politie moet verklaren (263):

- hoe het kindje is gevallen;

- dat de vader en de moeder erbij waren en dat ze niet op het kindje hebben gelet toen het is gevallen;

- dat [hoofdbewoonster] hem heeft gebeld en gezegd dat het kindje is gevallen;

- dat [hoofdbewoonster] heeft gebeld omdat zij ([hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner]) nog ver van huis waren, zodat [L] even kon gaan kijken of er iets ernstigs was.

In dit gesprek zegt [hoofdbewoner]: 'Vertel hem precies hoe hij het moet zeggen'.

[L] heeft op 24 maart 2006 bij de politie verklaard dat [hoofdbewoonster] hem vertelde dat de ouders niet goed op het kind hebben gelet. (264)

Op 5 april 2006 heeft hij over bovenstaand gesprek met [hoofdbewoonster] tegen de politie verklaard: '[hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] hebben tegen mij gezegd dat ik bij de politie de verkeerde dingen had gezegd en dat ik de dingen anders moest vertellen. Zij herhaalden telkens wat ik van hen moest zeggen'. (265)

De rechtbank acht op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen en opgenomen en uitgeluisterde gesprekken wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met haar man opzettelijk jegens [kind 1 van hoofdbewoonster] en [moeder van Mehak] en [L] heeft geuit met het doel ('kennelijk') om hun vrijheid naar waarheid een verklaring af te leggen te beïnvloeden.

Op 23 maart 2006 heeft [huishoudster] verklaard dat ze door [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] was gevraagd om niet over de zaak en over [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] in de zaak te praten. Ze mocht geen namen van de familie noemen. De [hoofdbewoners] hadden haar dat verboden. (266)

Ter terechtzitting van 13 november 2007 heeft [huishoudster] ook verklaard dat ze zich herinnerde dat [hoofdbewoonster] haar heeft verteld dat ze alleen bepaalde dingen tegen de politie mocht zeggen en dat ze verder niets mocht zeggen. Ze moest vertellen dat ze niets wist. [huishoudster] heeft verklaard dat ze, voordat ze naar de politie ging, in een stoel moest gaan zitten en dat haar toen door [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] is verteld wat ze moest zeggen. Als ze het verkeerd zei, werd ze geslagen. Dat duurde een avond lang. [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] waren bang dat, als ze alles eerlijk zou vertellen, zij een probleem zouden krijgen omdat [huishoudster], [moeder van Mehak], [vader van Mehak] en Mehak allemaal illegaal in Nederland waren en omdat Mehak veel is geslagen. (267)

Mede gelet op de hier weergegeven verklaringen van [huishoudster], het reeds eerder aangehaalde gesprek tussen [hoofdbewoonster] en [huishoudster] op 6 februari 2006 (268) en de hierboven bewezen verklaarde beïnvloeding van de andere getuigen, overweegt de rechtbank dat ook bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich samen met haar man opzettelijk jegens [huishoudster] heeft geuit met het doel ('kennelijk') om haar vrijheid naar waarheid een verklaring af te leggen te beïnvloeden.

Ten aanzien van dagvaarding II (Mehak, periode voor 28 januari 2006)

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding II primair en subsidiair eerste alternatief is telastgelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op grond van de verklaringen van [huishoudster] (noten 65 tot en met 71 en 149, 150 en 152), [moeder van Mehak] (noten 122 tot en met 125) en [vader van Mehak] (noten 141 en 142) wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Mehak ook in de periode van 1 december 2004 tot 28 januari 2006, tezamen en in vereniging met anderen, heeft mishandeld. Uit de hiervoor bewijsmiddelen volgt dat verdachte dacht dat in Mehak een geest (bhut) was en alles wat mis ging in huis weet aan (de geest in) Mehak. Verdachte wist dat [moeder van Mehak] Mehak mishandelde. [moeder van Mehak] heeft Mehak voorts meermalen mishandeld in bijzijn van verdachte. Verdachte heeft [moeder van Mehak] gezegd dat ze Mehak moest slaan en of vastbinden in verband met de geest in Mehak. [vader van Mehak] heeft Mehak in bijzijn van verdachte geslagen en verdachte heeft Mehak ook zelf geslagen. Ook kreeg Mehak, mede in opdracht van verdachte, niet steeds geregeld te eten. (269) Niet gebleken is dat Mehak als gevolg van het krijgen van onvoldoende eten enig lichamelijk letsel heeft bekomen of pijn heeft ondervonden. In die zin kan het betreffende gedeelte van de telastlegging niet bewezen worden verklaard. Er is immers niet telastgelegd dat de gezondheid van Mehak daardoor is benadeeld.

De rechtbank acht in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte betrokken is geweest bij handelingen waarbij Mehak zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Op grond van het geconstateerde letsel staat vast dat Mehak vermoedelijk na oktober 2005 zwaar is mishandeld. [huishoudster] heeft verklaard dat Mehak ongeveer een maand voor haar dood zo ernstig is mishandeld door [moeder van Mehak] en [hoofdbewoonster] dat het leek of ze dood ging. (270) Bij die gelegenheid zou [hoofdbewoonster] Mehak bij haar arm hebben gegrepen en haar tegen de muur hebben geslagen. [moeder van Mehak] zou daarbij de beide handjes van Mehak boven het hoofd van Mehak hebben vastgehouden en haar zo hebben geslagen. Ook schopte [hoofdbewoonster] Mehak heel hard en bonkte [moeder van Mehak] Mehak met haar hoofd tegen de vloer. Mehak moest ook naar voren bukken en dan werd zij heel hard in haar rug geslagen en ook op haar rug geschopt. Ze werd zo bont en blauw geslagen dat er zelfs bloed uit haar mond kwam. Zij hield er ook blauwe plekken aan over. Even eerder in deze zelfde verklaring heeft [huishoudster] gezegd dat er in haar bijzijn nooit iets ergs is gebeurd. (271) Ze zegt daarbij dat het één keer gebeurd is dat [hoofdbewoonster] dat kind ging slaan en dat zij dat niet leuk vond. Als verbalisanten haar confronteren met de verklaring van [moeder van Mehak] op dit punt (272) ('[hoofdbewoonster] heeft Mehak aan de arm vastgehouden en tegen de muur geslingerd'), zegt zij dat dat klopt, maar dat zij daar niet bij was. Zij heeft het vanuit de keuken gezien, terwijl [moeder van Mehak] en [hoofdbewoonster] in de kamer waren. [moeder van Mehak] zegt hierover dat zij toen in de keuken was, terwijl [hoofdbewoonster] en [huishoudster] in de kamer waren. Toen zij binnenkwam zag zij dat Mehak blauw was en haar hemd was gescheurd. [hoofdbewoonster] had een armpje van Mehak vast en slingerde haar in het bijzijn van [moeder van Mehak]; 'ik was erbij op dat moment', zegt zij letterlijk. Dit zou al ongeveer een maand na haar komst in de [adres] hebben plaatsgevonden. Even later in deze zelfde verklaring zegt [moeder van Mehak] op een opmerking dat dan toch de arm uit kom gaat: 'Dat weet ik niet. Op dat moment was er niets gebeurd met haar.' Vervolgens vragen de verhoorders hoe het kan dat Mehak helemaal blauw was en haar shirt gescheurd. [moeder van Mehak] zegt daarop: 'Ik weet het niet, ik was in de keuken.'

De onderhavige verklaringen van [huishoudster] en [moeder van Mehak] zijn dus innerlijk tegenstrijdig en komen bovendien op belangrijke punten, bijvoorbeeld wanneer en waar dit gebeurd zou zijn, niet met elkaar overeen of zijn zelfs met elkaar in tegenspraak, zodat zij elkaar naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen ondersteunen. Ook de verklaring van [moeder van Mehak] dat [hoofdbewoonster] met haar voet op de buik van Mehak is gaan staan (273) wordt niet bevestigd door een andere verklaring. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat zij op grond van de verklaringen het letsel onvoldoende aan verdachten en incidenten kan relateren met uitzondering van de breuk in de onderarm.

[moeder van Mehak] heeft aanvankelijk verklaard Mehak ernstig te hebben mishandeld en haar armpje te hebben gebroken. (274) Inmiddels verklaart zij dat [hoofdbewoonster] dit heeft gedaan. De rechtbank acht het terugkomen van [moeder van Mehak] op haar gedetailleerde eerdere verklaring dat zij het letsel aan de linkeronderarm van Mehak heeft toegebracht niet geloofwaardig. Het kan zijn dat zij dit samen met verdachte heeft gedaan, maar ook daarvoor is onvoldoende bewijs voorhanden.

De rechtbank heeft hierbij overwogen dat verdachte blijkens de bewijsmiddelen Mehak ook op eigen initiatief mishandelde.

Met betrekking tot het vastbinden van Mehak in de telastgelegde periode is onvoldoende wettig bewijs voorhanden dat dit op zichzelf of in combinatie met andere handelingen tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid.

Nu sprake is geweest van stelselmatige mishandeling in verband met een veronderstelde bezetenheid over een langere periode, het aandeel van verdachte onder meer heeft bestaan uit het geven van opdrachten om te slaan en er geen aanwijzingen zijn dat enig handelen van verdachte in deze het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, moet worden geoordeeld dat verdachte telkens gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van haar handelen en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven, zodat sprake is van voorbedachte raad.

De rechtbank acht verdachte dan ook schuldig aan het medeplegen van mishandeling met voorbedachte raad in de telastgelegde periode.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 en bij dagvaarding II subsidiair tweede alternatief telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals weergegeven in de hieronder vermelde bewezenverklaring:

Dagvaarding I

Feit 1

zij op 28 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk en met voorbedachte rade, (bij) een meisje genaamd Mehak [...], (geboren [datum] 2004),

- met shawls de armen en benen op de borstkas heeft gebonden en

- meermalen met de (tot vuist gebalde) hand(en) op/tegen het hoofd en elders op het lichaam heeft geslagen,

terwijl het feit de dood van die Mehak [...] tengevolge heeft gehad;

Feit 2

zij in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 23 maart 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, [huishoudster]/[huishoudster] en [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] door geweld, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie heeft gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die [huishoudster]/[huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak],

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader

- haar woning aan de [adres] beschikbaar gesteld en

- die [huishoudster]/[huishoudster] en die [moeder van Mehak] en die [vader van Mehak] illegaal in deze woning gehuisvest en

- die [huishoudster]/[huishoudster] en die [moeder van Mehak] en die [vader van Mehak] tegen geringe betaling lange dagen als hulp in de huishouding en schoonmaker/schoonmaakster tewerkgesteld,

waarbij het geweld en/of het misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of het misbruik van een kwetsbare positie heeft bestaan uit het

- die [huishoudster]/[huishoudster] en die [moeder van Mehak] en die [vader van Mehak] zonder geldige verblijfsstatus in Nederland laten verblijven en

- meermalen slaan met de hand of een stok of een kabel of een zweep in het gezicht van of tegen de rug van die [huishoudster]/[huishoudster] en die [moeder van Mehak] en die [vader van Mehak] en

- het achterhouden van de identiteitspapieren, toebehorende aan die [huishoudster]/[huishoudster] en die [moeder van Mehak] en die [vader van Mehak];

Feit 3

zij, in de periode van 28 januari 2006 tot en met 10 maart 2006, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens personen, te weten [kind 1 van hoofdbewoonster] en [huishoudster]/[huishoudster] en [L] en [moeder van Mehak] heeft geuit, kennelijk om dier vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl zij, verdachte en haar mededader, ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader, toen en daar - zakelijk weergegeven -,

- op 29 januari 2006 die [kind 1 van hoofdbewoonster] de woorden toegevoegd: 'zeg tegen de

politie dat '[vader van Mehak]' die dag pas is gekomen' en

- in eerder genoemde periode tegen [huishoudster]/[huishoudster] de woorden toegevoegd: 'jij mag niet over de zaak praten tegen de politie' en 'ik verbied jou om namen te noemen tegen de politie' en

- op 10 maart 2006 tegen [L] de woorden toegevoegd: 'jij moet

zeggen hoe zij is gevallen en dat moeder en vader beiden erbij waren en zij

niet op het kindje hebben gelet toen ze is gevallen' en 'zeg dat ik jou heb

gebeld en dat ik jou gezegd heb dat het kindje is gevallen en 'zeg dat ik

jou gebeld heb omdat wij nog ver van huis waren en jij kon gaan kijken of er

iets ernstigs was' en

- op 3 april 2006 aan die [moeder van Mehak] een op een hand geschreven tekst getoond:

'je moet zeggen dat je aan ons over dat hekserij/geesten niet had verteld';

Dagvaarding II

zij op tijdstippen in de periode van 1 december 2004 tot en met 27 januari 2006 te

's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen,bij een meisje genaamd Mehak [...] (geboren op [datum] 2004), telkens opzettelijk en met voorbedachten rade

- met één of meer shawls de armen en/of benen op de borstkas heeft gebonden en

- met de hand op/tegen het lichaam heeft geslagen,

tengevolge waarvan die Mehak [...] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is daarvoor strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering

De op te leggen straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder wordt het volgende in aanmerking genomen.

Mehak [...], geboren op [datum] 2004, is gedurende de laatste periode van haar korte leven mishandeld en affectief verwaarloosd. In plaats van de aandacht, verzorging en bescherming waar zij als menselijk wezen jegens haar ouders en andere volwassenen aanspraak kon maken, kreeg zij veelvuldig slaag, met zwaar lichamelijk letsel en uiteindelijk haar dood ten gevolg.

Mehak heeft de laatste, zwartste periode van haar leven in haar kleine kamertje moeten doorbrengen. Ze kwam - met uitzondering van het merkwaardige uitstapje op 28 januari 2006- niet buiten. Geen van de verdachten heeft een beschrijving van haar persoonlijkheid met enige diepgang kunnen geven. Ze leek er niet (meer) toe te doen. Niemand heeft de laatste maanden ook maar enige belangstelling voor haar getoond of ook maar iets gedaan om haar lot te verlichten.

Mehak zou behekst zijn geweest of een 'slechte' geest hebben gehad. Bij de ouders hebben daarnaast mogelijk nog andere motieven bijgedragen aan de verwording van de omgang met dit nog zeer jonge en volstrekt weerloze kind. Mehak had tegen verdachte en haar mededaders geen schijn van kans.

De feiten hebben de maatschappij ernstig geschokt. Het leed dat dit kind is aangedaan en de eenzaamheid die haar in de laatste periode van haar korte leven ten deel is gevallen, is onmogelijk in straf uit te drukken.

Verdachte heeft Mehak mishandeld en medeverdachten aangezet tot het toepassen van geweld tegen Mehak. Hoewel de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte op 28 januari 2006 opzet heeft gehad op de dood van Mehak, is zij van oordeel dat de rol van verdachte in de periode van verwaarlozing en escalerend geweld daaraan voorafgaand groot is geweest.

Verdachte was ervan overtuigd dat Mehak behekst was en beschuldigde Mehak bij alles wat niet goed ging in huize [hoofdbewoners]. In verband met de geest in Mehak moest zij klappen krijgen en vastgebonden worden. Verdachte bracht de ouders van Mehak er (mede) toe dat zij hun dochtertje verwaarloosden en sloegen. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de stukken blijkt dat ook [moeder van Mehak] overtuigd was van het feit dat er in Mehak een slechte geest zat en dat [vader van Mehak] dit op zijn minst voor mogelijk hield. Verdachte heeft Mehak ook zelf geslagen.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan, te meer nu medeverdachten [vader van Mehak], [moeder van Mehak], en [huishoudster] zich in een afhankelijke positie tot verdachte bevonden. Zij werkten voor verdachte en haar man en leefden in hun woning. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van deze positie.

De omstandigheden waaronder [vader van Mehak], [moeder van Mehak] en [huishoudster] bij verdachte en haar man hebben verbleven en hebben gewerkt, moeten worden gekwalificeerd als mensenhandel, een zeer ernstig strafbaar feit is. Verdachte heeft samen met haar echtgenoot goedkope werkkrachten in huis gehaald en deze mensen in een situatie van volledige afhankelijkheid op alle terreinen gebracht. Daar kan niet aan afdoen dat zij wellicht ook meenden deze mensen een plezier te doen door hen in Nederland voor zich te laten werken. In het voordeel van verdachten wordt er rekening mee gehouden dat alles in een Indiase setting heeft plaatsgevonden, waardoor [huishoudster], [moeder van Mehak] en [vader van Mehak] ten tijde van de telastgelegde periode kennelijk niet de mate van onvrijwilligheid hebben ervaren die naar Nederlandse maatstaven wel degelijk aanwezig was. In hun nadeel laat de rechtbank meewegen dat de bestaande uitbuitingssituatie geacht moet worden mede een voedingsbodem te hebben gecreëerd voor de uiteindelijke gewelddadigheden jegens Mehak, in het bijzonder die door [moeder van Mehak], die wel weg wilde maar door haar volstrekt afhankelijke positie en mede door gebrek aan medewerking van [vader van Mehak] en haar familie geen mogelijkheden had daadwerkelijk te vertrekken.

Tot slot heeft verdachte zich samen met haar man schuldig gemaakt aan het belemmeren van de verklaringsvrijheid van [kind 1 van hoofdbewoonster, [huishoudster], [moeder van Mehak] en [L]. Zij heeft daarmee willen bereiken dat de genoemde personen in onderhavige zaak ten gunste van verdachte en haar man zouden verklaren. Verdachte heeft daarmee dde waarheidsvinding in de onderhavige zaak ernstig geschaad.

De aard en de ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank naast de ernst van de feiten de volgende omstandigheden meegewogen.

Omtrent de persoon van verdachte is weinig bekend. Uit de bewezenverklaarde feiten en de door en over verdachte afgelegde verklaringen komt het beeld naar voren van een egoïstische, dominante vrouw, die geweld niet schuwt om haar doel te bereiken.

Verdachte is gedurende de periode dat zij met haar gezin in Nederland heeft gewoond niet eerder in aanraking geweest met politie en justitie. Zij heeft Nederland verlaten en woont thans met haar gezin weer in India. Zij heeft twee nog relatief jonge kinderen.

Verder past de rechtbank een strafvermindering van drie maanden toe in verband met hetgeen is opgemerkt bij de bespreking van de preliminaire verweren.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering gevangenneming.

De officier van justitie heeft gevorderd bij uitspraak de gevangenneming van verdachte te bevelen. Gezien de bewezenverklaring en gegeven het feit dat verdachte in India verblijft, dient de vordering tot voorlopige hechtenis te worden afgewezen, daar gronden voor voorlopige hechtenis ontbreken.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 57, 273a (oud), 285a, 301 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair en subsidiair en bij dagvaarding II primair en subsidiair eerste cumulatief/alternatief telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 en bij dagvaarding II subsidiair tweede alternatief telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I feit 1 subsidiair:

medeplegen van mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft;

ten aanzien van dagvaarding I feit 2 primair:

mensenhandel gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I feit 3:

medeplegen van het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of ambtenaar af te leggen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II subsidiair tweede alternatief:

medeplegen van mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 9 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 29 januari 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 31 januari 2006,

in vrijheid gesteld op: 3 februari 2006,

opnieuw in verzekering gesteld op: 5 april 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 7 april 2006,

in vrijheid gesteld op: 13 juli 2006;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Verkleij, voorzitter,

Eisses en Wapenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Van de Vrede, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2007.

Gewijzigde telastlegging.

Dagvaarding I

Feit 1

zij op of omstreeks 28 januari 2006 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, een meisje genaamd Mehak [...], (geboren [datum] 2004) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) meermalen, althans eenmaal (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans (telkens) opzettelijk,

- met één of meer shawls en/of doeken en/of lappen (tezamen) de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op de borstkas van die Mehak om en/of (vast)gebonden en/of

- die Mehak (met kracht) bij haar keel beetgepakt en/of in de keel van die Mehak geknepen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- een/de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak dichtgehouden en/of (dicht)gekepen, althans de mond van die Mehak gesnoerd en/of

- op enige wijze de ademhaling bij/van die Mehak belemmerd en/of .

- met één afmeer stok(ken), althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak geslagen en/of gestompt,

tengevolge waarvan die Mehak [...] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 28 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, aan een meisje genaamd Mehak [...], (geboren [datum] 2004), (telkens) opzettelijk en met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel (te weten talrijke botbreuken: aan de ribben aan de rugzijde en/of zijwaarts, aan een sleutelbeen en/of een schouderblad en/of aan een bovenarm en/of uitgebreide bloeduitstortingen op het hartzakje en/of kneuzingen van het longweefsel en/of kneuzing van de rechterzijde van het hart en/of kneuzing van de wortel van de lever en/of kneuzing van de maag en/of vochtophoping in de hersenen en/of herseninklemming, heeft/hebben toegebracht, door die Mehak toen aldaar meermalen, althans eenmaal, telkens tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- met één of meer shawls en/of doeken en/of lappen (tezamen) de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op de borstkas van die Mehak om en/of (vast) te binden en/of

- die Mehak (met kracht) bij haar keel beet te pakken en/of in de keel van die Mehak te knijpen en/of de keel van die Mehak vast te knijpen en/of dicht te knijpen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- een/de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak te houden en/of de mond en/of neus van die Mehak dicht te houden en/of te dicht te knijpen, althans de mond van die Mehak te snoeren en/of

- op enige wijze de ademhaling bij/van die Mehak te belemmeren en/of

- met één of meer stok(ken), althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak te slaan en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak te slaan en/of te stompen,

terwijl het feit de dood van die Mehak [...] tengevolge heeft gehad;

art 303 lid 1 en lid 2Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 301 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op 28 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk en telkens met voorbedachte rade aan een meisje genaamd Mehak [...], (geboren [datum] 2004),

- met één of meer shawls en/of doeken en/of lappen (tezamen) de arm(en) en/of be(e)n(en)

van die Mehak op de borstkas van die Mehak heeft om en/of (vast)gebonden en/of

- die Mehak (met kracht) bij haar keel heeft beetgepakt en/of in de keel van die Mehak heeft geknepen en/of de keel van die Mehak heeft vastgeknepen en/of dichtgeknepen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- een/de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak heeft gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak heeft dichtgehouden en/of gekepen, althans de mond van die Mehak heeft gesnoerd en/of

- op enige wijze de ademhaling bij/van die Mehak heeft belemmerd en/of

- met één of meer stok(ken), althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl het feit de dood van die Mehak [...] tengevolge heeft gehad;

art 301 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 2

zij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 23 maart 2006 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[huishoudster]/[huishoudster] en/of [moeder van Mehak] en/of [vader van Mehak], door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meer perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die ander en/of anderen heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander en/of anderen, immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s),

- die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [moeder van Mehak] en/of [vader van Mehak] naar Nederland overgebracht en/of - valse identiteitspapieren en/of paspoort(en) voor die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [vader van Mehak] en/of [moeder van Mehak] geregeld en/of

- die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [moeder van Mehak] en/of [vader van Mehak] zonder geldige verblijfstatus in Nederland laten verblijven en/of

- haar woning gelegen aan de [adres] te Den Haag beschikbaar gesteld en/of

- die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [moeder van Mehak] en/of [vader van Mehak] illegaal in deze woning gehuisvest

waarbij de dwang, het geweld en/of een andere feitelijkheid en/of de dreiging met dwang en/of geweld en lof een andere feitelijkheid en/of misleiding dan wel de door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben bestaan uit het:

- meermalen, althans eenmaal stompen en/of slaan met de hand(en) en/of met een stok en/of een lat en/of een kabel en/of een snoer en/of een zweep in het gezicht en/of tegen de rug, althans het lichaam van die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [vader van Mehak] en/of [moeder van Mehak] en/of

- meermalen, althans eenmaal schoppen tegen het lichaam van die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [vader van Mehak] en/of [moeder van Mehak] en/of

- aan die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [vader van Mehak] en/of [moeder van Mehak] meermalen, althans eenmaal opdragen elkaar te slaan en/of te schoppen en/of

- aan die [huishoudster]/[huishoudster] en/of [vader van Mehak] en/of [moeder van Mehak] meermalen, althans eenmaal toevoegen van de woorden 'als je naar de politie gaat dan zal je elektrische schokken krijgen' en/of 'als je gaat praten en/of als je wat zegt, dan zal ik je familie in India vermoorden', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- achterhouden van de (vervalste) identiteitspapier(en) en/of de (vervalste) paspoort(en), toebehorende aan die voornoemde [huishoudster]/[huishoudster] en/of [vader van Mehak] en/of [moeder van Mehak] en/of

- tegen geen en/of geringe betaling lange dagen als hulp in de huishouding en/of schoonmaker/schoonmaakster te werk stellen van die [huishoudster]/[huishoudster] en/of

[vader van Mehak] en/of [moeder van Mehak];

(artikel 273a sub 1 en artikel 47 van het wetboek van Strafrecht)

Feit 3

zij, in of omstreeks de periode van 28 januari 2006 tot en met 10 maart 2006, in elk geval op 29 januari 2006 en/of 2 februari 2006 en/of 16 februari 2006 en/of 10 maart 2006 en/of 3 april 2006 te Den Haag en/of Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een of meer personen, te weten [kind 1 van hoofdbewoonster] en/of [huishoudster]/[huishoudster] en/of [L] en/of [moeder van Mehak] heeft/hebben geuit, kennelijk om diens/dier vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl zij, verdachte en/of zijn mededader(s), we(e)t(en) of ernstige reden heeft/hebben te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, immers heeft zij,

verdachte en/of haar mededader(s), toen en daar - zakelijk weergegeven-,

- op 29 januari 2006 die [kind 1 van hoofdbewoonster] de woorden toegevoegd: 'zeg tegen de

politie dat '[vader van Mehak]' die dag pas is gekomen' en/of

- op 2 maart 2006 en/of 16 februari 2006, althans in eerder genoemde periode

tegen [huishoudster]/[huishoudster] de woorden toegevoegd: 'jij mag niet over de zaak praten tegen de politie' en/of 'ik verbied jou om namen te noemen tegen de politie, althans

woorden van gelijke aard of strekking en/of

- op 10 maart 2006 tegen [L] de woorden toegevoegd: 'jij moet

zeggen hoe zij is gevallen en/of dat moeder en vader beiden erbij waren en zij

niet op het kindje hebben gelet toen ze is gevallen' en/of 'zeg dat ik jou heb

gebeld en dat ik jou gezegd heb dat het kindje is gevallen en/of 'zeg dat ik

jou gebeld heb omdat wij nog ver van huis waren en jij kon gaan kijken of er

iets ernstigs was', althans woorden van gelijke aard en strekking en/of

- op 3 april 2006 aan die [moeder van Mehak] een op een hand(en) geschreven tekst getoond:

'je moet zeggen dat je aan ons over dat hekserij/geesten niet had verteld',

althans woorden van gelijke aard en strekking;

(artikel 285a en artikel 47 van het wetboek van strafrecht)

Dagvaarding II

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 27 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten Mehak [...], geboren op [datum] 2004), (telkens) opzettelijk en (telkens) met voorbedachten rade, althans (telkens) opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten vele oude botbreuken aan: talrijke ribben aan de rugzijde en zijwaarts, het linker schouderblad, aan de linker onderarm (met blijvende scheefstand) en aan rechter bovenarm en/of een beschadiging van één van de sensibele banen van het ruggenmerg en/of haemorrghagische necrose van vrijwel de gehele achterwand van (een deel van) het hart), heeft/hebben toegebracht, door toen aldaar meermalen, althans eenmaal, telkens, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans telkens opzettelijk,

- met één of meer shawls en/of doeken de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak om en/of (vast) te binden en/of

- een/ de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak te houden en/of de mond en/of neus van die Mehak dicht te knijpen, althans de mond van die Mehak te snoeren en/of

- speelgoed, althans een of meer hard(e) voorwerp(en) in de mond van die Mehak

- op enige wijze de ademhaling bij / van die Mehak te belemmeren en/of

- met één of meer stok(ken) en/of snoeren, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak te slaan en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak te slaan en/of te stompen en/of

- met het volle gewicht (met een/de voet(en)) op de buik en/of borst, althans het lichaam van die Mehak te staan en/of

- (met kracht) een arm van die Mehak vast te pakken en deze arm vervolgens met kracht om te draaien, althans te breken en/of

- die Mehak bij haar armen vast te pakken en vervolgens het lichaam van die Mehak in de lucht rond te slingeren en/of daarbij dit lichaam van die Mehak tegen een muur aan te slaan en/of

- het lichaam van die Mehak door elkaar te schudden en/of

- het hoofd van die Mehak vast te pakken en/of (vervolgens) met dat hoofd tegen een muur, althans tegen een hard voorwerp, te slaan en/of te bonken en/of

- die Mehak geen, althans onvoldoende eten en/of drinken te geven en/of toe te dienen en/of

- die Mehak wakker te houden, althans te voorkomen dat die Mehak in slaap zou vallen en/of

- die Mehak (aldus) lichamelijk uit te putten en/of te verzwakken;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 27 januari 2006 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een meisje genaamd Mehak [...] (geboren op [datum] 2004), zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade, althans (telkens) opzettelijk

- met één of meer shawls en/of doeken de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op zeer strakke wijze (op de borstkas van die Mehak) en/of aan een babybox en/of bed om en/of (vast) heeft gebonden en/of

- de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak heeft gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak heeft dichtgeknepen, althans de mond van die Mehak heeft gesnoerd en/of

- speelgoed, althans een of meer hard(e) voorwerp(en) in de mond van die Mehak heeft gestopt en/of gepropt en/of

- op enige wijze de ademhaling bij die Mehak heeft belemmerd en/of

- met één of meer stok(ken) en/of snoeren, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde hand(en)) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of gestompt en/of

- met het volle gewicht met een/de voet(en) op de buik en/of borst, althans het lichaam van die Mehak is gaan staan en/of

- (met kracht) een arm van die Mehak heeft vastgepakt en deze arm vervolgens met kracht heeft omgedraaid, althans heeft gebroken en/of

- die Mehak bij haar armen heeft vast gepakt en vervolgens het lichaam van die Mehak in de lucht heeft rondgeslingerd en/of daarbij dit lichaam van die Mehak tegen een muur aan heeft geslagen en/of

- het lichaam van die Mehak door elkaar heeft geschud en/of

- het hoofd van die Mehak heeft vastgepakt en/of tegen een muur, althans tegen een hard voorwerp heeft geslagen en/of gebonkt en/of

- die Mehak geen, althans onvoldoende eten en/of drinken heeft gegeven en/of heeft toegediend en/of

- die Mehak wakker heeft gehouden, althans heeft voorkomen dat die Mehak in slaap zou vallen en/of

- die Mehak aldus lichamelijk heeft uitgeput en/of verzwakt;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 27 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een meisje genaamd Mehak [...] (geboren op [datum] 2004), (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade, althans (telkens) opzettelijk

- met één of meer shawls de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op zeer strakke wijze (op de borstkas van die Mehak) en/of aan een babybox en/of bed om en/of (vast) heeft gebonden en/of

- de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak heeft gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak heeft dichtgeknepen, althans de mond van die Mehak heeft gesnoerd en/of

- speelgoed, althans een of meer hard(e) voorwerp(en) in de mond van die Mehak heeft gestopt en/of gepropt en/of

- op enige wijze de ademhaling bij die Mehak heeft belemmerd en/of

- met één of meer stok(ken) en/of snoeren, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde hand(en)) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of gestompt en/of

- met het volle gewicht met een/de voet(en) op de buik en/of borst, althans het lichaam van die Mehak is gaan staan en/of

- (met kracht) een arm van die Mehak heeft vastgepakt en deze arm vervolgens met kracht heeft omgedraaid, althans heeft gebroken en/of

- die Mehak bij haar armen heeft vast gepakt en vervolgens het lichaam van die Mehak in de lucht heeft rondgeslingerd en/of daarbij dit lichaam van die Mehak tegen een muur aan heeft geslagen en/of

- het lichaam van die Mehak door elkaar heeft geschud en/of

- het hoofd van die Mehak heeft vastgepakt en/of tegen een muur, althans tegen een hard voorwerp heeft geslagen en/of gebonkt en/of

- die Mehak geen, althans onvoldoende eten en/of drinken heeft gegeven en/of heeft toegediend en/of

- die Mehak wakker heeft gehouden, althans heeft voorkomen dat die Mehak in slaap zou vallen en/of

- die Mehak aldus lichamelijk heeft uitgeput en/of verzwakt;

tengevolge waarvan die Mehak [...] (telkens) zwaar lichamelijk letsel (te weten vele oude botbreuken aan: talrijke ribben aan de rugzijde en zijwaarts, het linker schouderblad, aan de linker onderarm (met blijvende scheefstand) en aan rechter bovenarm en/of een beschadiging van één van de sensibele banen van het ruggenmerg en/of haemorrghagische necrose van vrijwel de gehele achterwand van een deel van het hart), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 301 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

(1) Deskundigenrapport NFI d.d. 1 maart 2006, Bijlage F behorende bij proces-verbaal nr. 1509-2006-336 (blz. 90-94).

(2) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 6 februari 2006, verdachtendossier [moeder van Mehak] blz. 21

(3) Idem, blz. 24, 30-31

(4) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 28 maart 2006, OPV/G, blz. 208; idem van [moeder van Mehak] d.d. 23 februari 2006, Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 53; verklaring [vader van Mehak], proces-verbaal [vader van Mehak] terechtzitting 18/19 juni 2007, blz. 2.

(5) Proces-verbaal van verhoor [hoofdbewoner] d.d. 29 januari 2006, verdachtendossier [hoofdbewoner], blz. 15-16, en d.d. 20 maart 2006, blz. 66; proces-verbaal van verhoor [hoofdbewoonster] d.d. 28 januari 2006, verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz. 15, d.d. 30 januari 2006, blz. 24

(6) Proces-verbaal van verhoor [vader van Mehak] d.d. 2 maart 2006, verdachtendossier [vader van Mehak] blz. 125

(7) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 23 april 2007, verdachtendossier [moeder van Mehak] blz. 232

(8) idem blz. 236, proces-verbaal van verhoor [vader van Mehak] d.d. 21 mei 2007, verdachtendossier [vader van Mehak] blz. 190

(9) Deskundigenrapport, pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, NFI-zaaknummer 2006.01.27.045 d.d. 4 augustus 2006.

(10) Deskundigenrapport, pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, NFI-zaaknummer 2006.01.27.045 d.d. 4 augustus 2006, p. 9-10.

(11) Rapport van forensisch antropologisch onderzoek d.d. 2 maart 2006 van prof. dr. G.J.R. Maat en R.R.R. Gerretsen.

(12) Deskundigenrapport van neuropathologisch onderzoek, NFI-zaaknummer 2006.01.27.045 d.d. 20 juli 2006.

(13) Briefrapport dr. Kubat d.d. 14 juli 2006, p. 1.

(14) Briefrapport dr. Kubat d.d. 14 juli 2006, p. 2-3.

(15) RC-getuigenverhoor d.d. 12 december 2006, verklaring getuige B. Kubat, pt. 27.

(16) Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006.

(17) Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006, p. XII-9.

(18) RC-getuigenverhoor d.d. 11 januari 2007, verklaring getuige R.A.C. Bilo, pt. 28 en 44; zie ook: Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006, schema op p. XII-9.

(19) Verdachtenverklaringen [huishoudster], [moeder van Mehak], [vader van Mehak], [hoofdbewoonster] en [hoofdbewoner] en proces-verbaal van verhoor van getuige [C], moeder van [vriendje], OPV/G, blz. 100-104.

(20) Schema gevoegd als bijlage bij proces-verbaal van verhoor van getuige [A], 0/OPV/G, blz. 316

(21) Proces-verbaal van verhoor van getuige [A], 0/OPV/G, blz. 314.

(22) OPV/G, blz. 311.

(23) Proces-verbaal van verhoor van getuige [B] 0/OPV/G, blz. 312-313

(24) Proces-verbaal van verhoor van getuige [C], 0/OPV/G, blz. 433-435 op blz. 434.

(25) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2006 met bijlagen, OPV/AH, blz. 250-255

(26) Proces-verbaal van verhoor van getuige [C], OPV/G, blz. 100-104 op 102.

(27) Proces-verbaal van verhoor van getuige Keemink, OPV/G, blz. 12-15 op blz. 12.

(28) Proces-verbaal van verhoor van getuige Lankhorst, OPV/G, blz. 48-50 op blz. 49.

(29) Processen-verbaal van verhoor van de getuigen [H] en [I], 0/OPV/G, blz. 7-8 respectievelijk blz. 21-23 en proces-verbaal van verhoor getuige [J], OPV/G, blz. 9-11.

(30) Proces-verbaal van verhoor van [huishoudster] als getuige d.d. 23 februari 2006, OPV/G, blz. 202, Proces-verbaal van verhoor van [moeder van Mehak] d.d. 23 april 2007, Verdachtedossier [moeder van Mehak], blz. 230, Proces-verbaal van verhoor [vader van Mehak] d.d. 7 februari 2006, Verdachtendossier [vader van Mehak], blz. 36. Proces-verbaal van verhoor van [hoofdbewoonster], Verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz. 25.

(31) Proces-verbaal van verhoor van [moeder van Mehak] d.d. 6 februari 2006, Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 19-49 op blz. 40; Processen-verbaal van verhoor van getuige [huishoudster] d.d. 2 februari 2006, OPV/G, blz. 37-42 op blz.40, d.d. 16 februari 2006, OPV/G, blz. 131-146 op 138, d.d. 9 maart 2006 OPV/G blz. 181-186 op blz. 183.

(32) Proces-verbaal van verhoor van [moeder van Mehak], d.d. 23 februari 2006, Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 52-85.

(33) Idem, blz. 73-74

(34) Idem, blz. 76.

(35) Idem, blz. 66.

(36) Idem, blz. 62-63.

(37) Idem, blz. 76.

(38) Idem, blz. 58.

(39) Idem, blz. 61.

(40) Idem, blz. 73.

(41) Idem, blz. 63.

(42) Idem, blz. 68.

(43) Idem, blz. 64.

(44) Proces-verbaal van verhoor van [moeder van Mehak], d.d. 24 februari 2006, Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 86-124.

(45) Idem, blz. 98.

(46) Idem, blz. 99.

(47) Idem, blz. 100.

(48) Idem, blz. 101.

(49) Idem, blz. 104.

(50) Ambtshandelingen blz. 80-84, vertaling blz. 85

(51) Proces-verbaal van verhoor van [moeder van Mehak] d.d. 31 maart 2006, Verdachtendossier blz. 170.

(52) Proces-verbaal van verhoor van [moeder van Mehak] d.d. 19 april 2006, Verdachtendossier, blz. 190 en 221.

(53) Idem, blz. 190.

(54) Proces-verbaal van verhoor van getuige [huishoudster], OPV/G, blz. 198-205.

(55) Idem, blz. 199.

(56) Idem, blz. 201.

(57) Idem, blz. 202.

(58) Idem, blz. 203.

(59) Idem, blz. 201.

(60) Proces-verbaal van verhoor van getuige [huishoudster], OPV/G, blz. 206-239.

(61) Proces-verbaal van verhoor van getuige [huishoudster], OPV/G, blz. 265-304.

(62) Proces-verbaal van verhoor van getuige [huishoudster], d.d. 28 maart 2006, OPV/G, blz. 208.

(63) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] als getuige d.d. 28 maart 2006, OPV/G blz. 210.

(64) Idem, blz. 215.

(65) Idem, blz. 219.

(66) Idem, blz. 215.

(67) Idem, blz. 211.

(68) Idem, blz. 212.

(69) Idem, blz. 215.

(70) Idem, blz. 214.

(71) Idem, blz. 216.

(72) Idem, blz. 213.

(73) Idem, blz. 217, 218

(74) Idem, blz. 218

(75) Idem, blz. 219

(76) Proces-verbaal van verhoor getuige [huishoudster] d.d. 6 april 2006, OPV/G, blz. 265-304 op blz. 274.

(77) Idem, blz. 273

(78) Idem, blz. 275-276

(79) Idem, blz. 277

(80) Idem, blz. 279-280

(81) Idem, blz. 278

(82) Idem, blz. 282

(83) Idem, blz. 284

(84) Idem, blz. 285

(85) Idem, blz. 284

(86) Idem, blz. 285-286

(87) Idem, blz. 287

(88) Idem, blz. 288

(89) Proces-verbaal 28 maart 2006, blz 223

(90) Proces-verbaal 6 april 2006, blz. 290

(91) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 3 mei 2006, verdachtendossier [huishoudster] blz. 22

(92) Idem, blz. 30

(93) Idem, blz.

(94) Idem, blz. 31

(95) Idem, blz. 33

(96) Proces-verbaal van bevindingen, PL 1509/2006/336, Algemeen dossier 8 OPV, blz 493-511

(97) Idem, blz. 496

(98) Idem, blz. 499

(99) Idem, blz. 502

(100) Idem, blz. 503

(101) Idem, blz. 505

(102) Idem, blz. 506

(103) Proces-verbaal van verhoor van [vader van Mehak] d.d. 7 februari 2006, Verdachtendossier [vader van Mehak], blz. 37-38.

(104) Verdachtendossier [vader van Mehak], blz 18-146

(105) Verdachtendossier [hoofdbewoner], blz 16

(106) Verdachtendossier [hoofdbewoner], blz 21

(107) Verdachtendossier [hoofdbewoner], blz 24

(108) Verdachtendossier [hoofdbewoner], blz 61

(109) Verdachtendossier [hoofdbewoner], blz 64.

(110) Verdachtendossier [hoofdbewoner], blz 69

(111) Verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz 22

(112) Verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz 24-25

(113) Verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz 29-30

(114) Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz 227-265

(115) Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz 266-296

(116) Processen-verbaal van de zitting van 18-19 juni 2007 betreffende [moeder van Mehak] (blz. 2), [vader van Mehak] (blz. 23) en [huishoudster]

(117) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 23 april 2007, blz. 258

(118) Idem, blz. 229

(119) Idem, blz. 234

(120) Idem, blz. 233

(121) Idem, blz. 237

(122) Idem, blz. 239

(123) Idem, blz. 240

(124) Idem, blz. 241

(125) Idem, blz. 242

(126) Idem, blz. 236

(127) Idem, blz. 243

(128) Idem, blz. 244

(129) Idem, blz. 246

(130) Idem, blz. 247

(131) Idem, blz. 248

(132) Idem, blz. 251

(133) Idem, blz. 253

(134) Zie noot 117

(135) Zie noot 118

(136) Idem, blz. 263

(137) Idem, blz. 277

(138) Idem, blz. 281

(139) Proces-verbaal van verhoor [vader van Mehak] d.d. 21 mei 2007, verdachtendossier [vader van Mehak], blz 179-228

(140) Processen-verbaal van de zitting van 18-19 juni 2007 betreffende [vader van Mehak], blz. 7 e.v.

(141) Proces-verbaal van verhoor [vader van Mehak] d.d. 21 mei 2007, blz. 186

(142) Idem, blz. 197

(143) Idem, blz. 203

(144) Idem, blz. 199

(145) Idem, blz. 210

(146) Idem, blz. 202

(147) Idem, blz. 207

(148) Idem, blz. 217

(149) Idem, blz. 221

(150) Idem, blz. 222

(151) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] 23 mei 2007, blz. 45

(152) Idem, blz. 47

(153) Idem, blz. 51

(154) Idem, blz. 55

(155) Idem, blz. 56

(156) Idem, blz. 57

(157) Idem, blz. 58

(158) Idem, blz. 60

(159) Idem, blz. 63

(160) zie noot 4

(161) Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006, p. IX-20.

(162) Briefrapport d.d. 9 februari 2007 van D. Botter, forensisch geneeskundige, NFI zaaknr 2006.01.27.045, p. 8.

(163) NFI 29-6-06

(164) Verdachtendossier [moeder van Mehak] blz 66

(165) Proces-verbaal verhoor [huishoudster] d.d. 3 mei 2006, Verdachtendossier [huishoudster], blz. 32.

(166) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] dd. 25-5-07, blz. 292

(167) Proces-verbaal van verhoor van de getuigen [H en I] (Getuigen I, blz. 7-8 respectievelijk 22) en [J] (Getuigen I, blz.10)

(168) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [vader van Mehak] d.d. 7 februari 2007, Verdachtendossier [vader van Mehak], blz 30

(169) Verdachtendossier [moeder van Mehak] blz 84

(170) NFI 29-6-06

(171) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] 23 april 2007, blz. 253

(172) Idem, blz. 254

(173) Proces-verbaal van verhoor getuige [moeder van Mehak], 13 november 2007

(174) TGO 06-020/5/OPV/Bijlage O, blz 19-23 op blz. 22-23.

(175) Proces-verbaal van bevindingen, PL 1509/2006/336 TGO 06-020, blz 519-523

(176) Proces-verbaal van bevindingen, PL 1509/2006/336 TGO 06-020, , blz 524-525

(177) Processen-verbaal ter terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [vader van Mehak], getuigenverhoor [moeder van Mehak], blz. 25

(178) Proces-verbaal getuigenverhoor [moeder van Mehak], 18-6-07

(179) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [moeder van Mehak], Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 78.

(180) Getuigen I, verhoor [huishoudster] blz 284

(181) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [huishoudster], Verdachtendossier [huishoudster], blz. 30-32.

(182) Verdachtendossier [huishoudster], blz 70; proces-verbaal van terechtzitting [huishoudster] d.d. 18/19 juni 2007, blz. 6

(183) Verklaring [huishoudster] d.d. 23 maart 2006, op p. 30 en p. 201; zie ook bijvoorbeeld de verklaring van [huishoudster] d.d. 6 april 2006 op p. 271.

(184) Proces-verbaal van verhoor van [huishoudster] d.d. 6 april 2006, OPV/G, blz. 295-296.

(185) OVC-gesprek 3108 d.d. 23 maart 2006 te 16:39:13 in Ordner met opschrift Uitdraaien word OVC TGO 06-020.

(186) OVC, blz 19-23

(187) Proces-verbaal van verhoor van getuige videoconferentie van getuige [volgeling 2] d.d. 26 april 2007 onder 13 en 14 en getuigenverklaring [volgeling 1] d.d. 9 mei 2006, OPV/G, blz. 422-426 en OPV/AH, blz. 218-232. .

(188) Getuigenverklaring [volgeling 1] d.d. 9 mei 2006, OPV/G, blz. 422-426 en OPV/AH, blz. 218-232.

(189) Proces-verbaal van verhoor van getuige [D] d.d. 24 mei 2006, OPV/G, blz. 399-403.

(190) Proces-verbaal van verhoor van getuige [E] d.d. 31 mei 2006, OPV/G, blz. 407-409.

(191) Proces-verbaal van verhoor van getuige [F] d.d. 30 mei 2006, OPV/G, blz. 410-412.

(192) Proces-verbaal van verhoor van getuige [G] d.d. 20 mei 2006, OPV/G, blz. 385-391.

(193) Bijlage O, OVC-gesprek nr. 1361, OPV/0 p. 13.

(194) Bijlage T, tapgesprekken, 4/OPV/T, blz 5

(195) Bijlage T, tapgesprekken, 4/OPV/T, blz 28

(196) Proces-verbaal van bevindingen nr. PL1509/2006/336 d.d. 21 maart 2006 met bijlagen, OPV/AH, blz 106-111.

(197) Proces-verbaal van verhoor getuige [huishoudster] dd. 28-3-06, Getuigen I, blz. 208

(198) Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van Mehak] dd. 23-4-07, Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 236 en 245

(199) Proces-verbaal van verhoor verdachte [vader van Mehak] dd. 21-5-07, Verdachtendossier [vader van Mehak], blz. 188 en 197

(200) Proces-verbaal van verhoor getuige [hoofdbewoonster] d.d. 28-1-06, Verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz 15, en proces-verbaal van verhoor getuige [hoofdbewoner] dd. 29-1-06, Verdachtendossier [hoofdbewoner], blz 15

(201) TGO 06/20/6/OPV blz. 177

(202) Proces-verbaal van verhoor verdachte [vader van Mehak] dd. 21-5-07, verdachtendossier [vader van Mehak] blz. 191

(203) TGO 06/020/8/OPV/AH blz. 377

(204) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] 2-2-2006, OPV/G blz. 38; proces-verbaal terechtzitting 13-11-07 [hoofdbewoonster], getuigenverklaring [huishoudster], blz. 17

(205) Proces-verbaal van verhoor getuige [huishoudster] dd. 6-4-06, Getuigen I, blz. 269

(206) Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van Mehak] dd. 23-4-07, Verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 235 en proces-verbaal van verhoor verdachte [vader van Mehak] dd. 21-5-07, Verdachtendossier [vader van Mehak] blz. 189

(207) Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van Mehak] dd. 23-4-07, verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 247 en idem dd. 25-5-07 blz. 288

(208) Proces-verbaal van verhoor getuige [huishoudster] dd. 6-4-06, Getuigen I, blz. 270

(209) Proces-verbaal van verhoor getuige [huishoudster] dd. 28-3-06, Getuigen I, blz. 201

(210) Proces-verbaal van verhoor verdachte [huishoudster] dd. 23-5-07, verdachtendossier [huishoudster], blz. 42-44; proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 23-4-07, verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 237-238

(211) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 6 april 2006, verdachtendossier [huishoudster], blz. 169

(212) Proces-verbaal terechtzitting [vader van Mehak] 13-11-07, getuigenverhoor [huishoudster], blz. 16

(213) Proces-verbaal van verhoor [hoofdbewoonster] d.d. 5 april 2006, Verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz. 101

(214) Proces-verbaal van verhoor verdachte [vader van Mehak] dd. 21-5-07, verdachtendossier [vader van Mehak] blz. 188-189; proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van Mehak] d.d. 23 april 2007, blz. 235, proces-verbaal terechtzitting 13-11-07 [hoofdbewoner], blz. 12

(215) Idem. Blz. 191-192, alsmede proces-verbaal terechtzitting 13-11-07, blz. 7-8

(216) TGO 06-020, algemeen Dossier, Bijlage technisch sporenonderzoek blz. 18-80

(217) Proces-verbaal terechtzitting 13-11-07, getuigenverklaring [moeder van Mehak], blz. 14-15

(218) Proces-verbaal van verhoor getuige [M] dd. 20-2-06, Getuigen I, blz. 69

(219) Proces-verbaal terechtzitting 13-11-07, getuigenverklaring [vader van Mehak], blz. 7-8, idem [moeder van Mehak] blz.14, idem [huishoudster] blz. 21

(220) TGO-06-020 OVC, blz. 27

(221) Verdachtendossier [hoofdbewoonster], blz. 106-107

(222) periode 2004-2007, bron: Internet, diverse webpagina's

(223) Proces-verbaal terechtzitting 13 november 2007, getuigenverklaring [vader van Mehak] blz. 4-5 , idem [moeder van Mehak] blz. 12

(224) Idem, verklaring [vader van Mehak], blz. 4

(225) Proces-verbaal van verhoor [K], d.d. 29 mei 2006, Zaken dossier India 1, blz. 173

(226) Proces-verbaal van verhoor [hoofdbewoonster] d.d. 5 april 2006, blz. 105

(227) proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 23-4-07, verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 238

(228) Idem, blz. 240

(229) Zie Getuigen I, uitleg tolk, blz. 235

(230) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 16 februari 2006, OPV/G blz. 132

(231) Proces-verbaal van verhoor [vader van Mehak] d.d. 12-5-07, verdachtendossier [vader van Mehak], blz. 188; proces-verbaal terechtzitting 18-19 juni 2007 [vader van Mehak], getuigenverklaring [huishoudster], blz 16; proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 24 februari 2006, verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 96

(232) Proces-verbaal terechtzitting 18/19-06-07 [vader van Mehak], getuigenverhoor [huishoudster], blz. 16

(233) Proces-verbaal van terechtzitting 13 november, verklaring [vader van Mehak] blz. 4

(234) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 23 maart 2006, OPV/G, blz. 204

(235) Idem, blz. 225

(236) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 28 maart 2006, blz. 215 en 218

(237) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 6 april 2006, blz. 282.

(238) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 3 mei 2006, blz. 21

(239) Proces-verbaal van verhoor [vader van Mehak] d.d. 21 mei 2007, blz. 208-209

(240) Proces-verbaal terechtzitting 18-19 juni 2007 [vader van Mehak], blz. 5

(241) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 23 april 2007, blz. 241

(242) Idem, blz. 249

(243) NFI-rapport d.d. 29 juni 2006, O/OPV/GD (getuigen-deskundigen)

(244) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] dd. 23-5-07, blz. 48-51, verdachtendossier [moeder van Mehak] verhoor 23-4-07 blz. 250, verdachtendossier [vader van Mehak], verhoor 21-5-07, blz. 193-194

(245) Proces-verbaal terechtzitting 13-11-07, getuigenverklaring [vader van Mehak], blz. 5, idem [moeder van Mehak], blz 11, idem [huishoudster], blz. 18

(246) Ambtshandelingen blz 22-23

(247) Proces-verbaal van terechtzitting [vader van Mehak] 18 en 19 juni 2007 blz. 3 en 6, verklaring [huishoudster] idem, blz. 19 verdachtendossier. [moeder van Mehak], verhoor 23-4-07, blz. 247, proces-verbaal terechtzitting 18-19-6-07, blz 5

(248) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 28-3-06, Getuigen I blz 230

(249) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 2 februari 2006, OPV/G blz. 38; proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak], 6-2-06 en 23-2-06, blz 34, 67, 69; verdachtendossier [vader van Mehak], proces-verbaal van verhoor d.d. 7-2-06 blz. 26 en proces-verbaal terechtzitting 18-19 juni 2007, blz 5;

(250) Proces-verbaal van terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [vader van Mehak], verklaring [vader van Mehak] blz. 5, proces-verbaal van terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [moeder van Mehak], verklaring [moeder van Mehak], blz. 3

(251) Proces-verbaal terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [huishoudster], verklaring [huishoudster] blz. 14, proces-verbaal van terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [moeder van Mehak], verklaring [moeder van Mehak] blz. 3, proces-verbaal van terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [vader van Mehak], verklaring [vader van Mehak] blz. 5

(252) Proces-verbaal terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [huishoudster], verklaring [huishoudster] blz. 4, proces-verbaal van terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [moeder van Mehak], verklaring [moeder van Mehak] blz. 6, Proces-verbaal van terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [vader van Mehak], verklaring [vader van Mehak] blz. 3

(253) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 24-2-06, verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 95-96

(254) proces-verbaal van verhoor van [kind 1 van hoofdbewoners] bij de politie d.d. 29 januari 2006, OPV/G, blz. 1-3

(255) proces-verbaal van verhoor van [hoofdbewoonster] bij de politie d.d. 30 januari 2006, V/[hoofdbewoonster], blz. 26

(256) proces-verbaal van studioverhoor bij de rechter-commissaris van [kind 1 van hoofdbewoners] d.d. 2 maart 2006, OPV/G, blz. 165

(257) proces-verbaal van studioverhoor bij de rechter-commissaris van [kind 1 van hoofdbewoners] d.d. 2 maart 2006, OPV/G, blz. 152

(258) proces-verbaal van studioverhoor bij de rechter-commissaris van [kind 1 van hoofdbewoners] d.d. 2 maart 2006, OPV/G, blz. 155

(259) proces-verbaal van verhoor van [hoofdbewoonster] bij de politie d.d. 5 april 2006, V/[hoofdbewoonster], blz. 92

(260) OVC-gesprek van 2 april 2006 met volgnummer 3783

(261) proces-verbaal van verhoor van [moeder van Mehak] bij de politie d.d. 23 april 2007, V/N.[hoofdbewoonster], blz. 254

(262) proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 13 november 2007 betreffende verdachte, blz. 12

(263) OVC-gesprek van 10 maart 2006 met volgnummer 2358

(264) proces-verbaal van verhoor van [L] bij de politie d.d. 24 maart 2006, OPV/G, blz. 90-92

(265) proces-verbaal van verhoor van [L] bij de politie d.d. 5 april 2006, OPV/G, blz. 244

(266) proces-verbaal van verhoor van [huishoudster] bij de politie d.d. 23 maart 2006, OPV/G, blz. 199

(267) proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 13 november 2007 betreffende verdachte, blz. 18

(268) proces-verbaal van verhoor van [huishoudster] bij de politie d.d. 6 april 2006, OPV/G, blz. 295-296

(269) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] d.d. 28 maart 2006, OPV/G, blz.

(270) Proces-verbaal van verhoor [huishoudster] 23 mei 2007, verdachtendossier [huishoudster], blz. 53

(271) Idem, blz. 52

(272) Proces-verbaal van verhoor [moeder van Mehak] d.d. 23-4-07, verdachtendossier [moeder van Mehak], blz. 239

(273) Idem, blz. 244

(274) Dit zou in [land 1] hebben plaatsgevonden, maar later is [moeder van Mehak] gaan verklaren dat zij niet in [land 1] zijn geweest. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit in de [adres] heeft plaatsgevonden.