Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1134

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/14659
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Associatiebesluit 1/80 / rechtsgevolgen naturalisatie / gezinsleden Turkse werknemer

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraken van het Hof van Justitie van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006/92), 18 juli 2007 (Derin; JV 2007/438) dat de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten slechts in twee gevallen worden beperkt, te weten:

- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;

- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de echtgenoot van eiseres - voor zover hij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van artikel 7 van het Besluit 1/80 - deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie, ongeacht of bij de naturalisatie zijn Turkse nationaliteit behouden bleef of niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Immers, verweerder had dienen te onderzoeken wat de rechtsgevolgen van de naturalisatie van de echtgenoot van eiseres, voor eiseres en haar echtgenoot zijn geweest. De enkele motivering in het bestreden besluit dat de echtgenoot van eiseres in ieder geval al vanaf de eerste mvv-aanvraag van eiseres in 1999 de Nederlandse nationaliteit heeft en dat eiseres gelet hierop niet in aanmerking komt voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80, kan gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen stand houden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 07/14659

Datum uitspraak: 18 december 2007

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1980,

v-nummer 080.300.0900,

van Turkse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. N. Akbalik,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 2 februari 2006 heeft eiseres een aanvraag gedaan tot het wijzigen van de beperking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot, [echtgenoot]’ in de beperking ‘arbeid in loondienst op grond van het Turkse Associatiebesluit 1/80’.

Bij besluit van 29 juni 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 19 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 3 april 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 november 2007. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.S. Schoot.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Aan het bestreden besluit is het volgende voorafgegaan.

Eiseres is van 18 oktober 1999 tot 28 april 2004 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]’. Op 18 februari 2005 heeft eiseres verweerder verzocht om verlenging van haar verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’. Bij besluit van 3 juni 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift heeft eiseres verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist. Bij uitspraak van 11 november 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en deze nevenzittingsplaats (AWB 05/27381) het verzoek van eiseres afgewezen. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres op 27 juli 2007 beroep ingesteld. Op dit beroep is nog geen uitspraak gedaan.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er op grond van artikel 3.80, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) geen sprake is van een tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen van de beperking van de verblijfsvergunning van eiseres. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding eiseres kan worden toegerekend. De niet tijdig ingediende aanvraag van eiseres dient volgens verweerder gelijkgesteld te worden met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor eerste toelating. Eiseres dient dan ook te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres vervolgens afgewezen omdat zij niet beschikt over een mvv en voorts niet is gebleken dat zij behoort tot één van de categorieën genoemd in artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 dan wel artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000, die voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij rechten kan ontlenen aan het Turkse Associatiebesluit 1/80. Verweerder stelt zich hieromtrent op het standpunt dat eiseres heeft verzuimd om een registratiebericht van het UWV alsmede jaaropgaven over de jaren 2002, 2003 en 2004 te overleggen. Eiseres heeft dan ook onvoldoende aangetoond dat zij daadwerkelijk één jaar legale arbeid in loondienst heeft verricht.

Tot slot stelt verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres ook geen rechten kan ontlenen aan de verblijfsstatus van haar echtgenoot, nu hij door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Derhalve komt eiseres niet in aanmerking voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Turkse Associatiebesluit 1/80.

4. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen nu verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of haar echtgenoot naast de Nederlandse nationaliteit niet tevens beschikt over de Turkse nationaliteit. Immers, haar echtgenoot heeft weliswaar door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit verkregen, maar hij heeft zijn Turkse nationaliteit behouden. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat haar verblijfsrecht op grond van artikel 7 van het Turkse Associatiebesluit 1/80 niet verloren is gegaan door de naturalisatie van haar echtgenoot. Eiseres verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraken van 16 februari 2006 (JV 2006/92) en van 18 juli 2007 (JV 2007/438) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie).

Bovendien is eiseres van mening dat zij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 6 van het Turkse Associatiebesluit 1/80. Eiseres verwijst hieromtrent naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2004 (JV 2004/348),

4 januari 2005 (JV 2005/120) en 29 maart 2005 (JV 2005/205).

Voorts stelt eiseres dat de weigering om haar verblijf in Nederland toe te staan een schending betekent van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst), is een Associatieraad ingesteld. Deze overeenkomst is op 12 september 1963 door de lidstaten van de Gemeenschap enerzijds en Turkije anderzijds ondertekend en namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217) gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd. De Associatieraad heeft op 19 september 1980 het Associatiebesluit 1/80 (hierna: Besluit 1/80) genomen.

7. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort, behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden,

- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

- na vier jaar legale arbeid in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

8. Artikel 7 van het Besluit 1/80 bepaalt:

Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

- hebben het recht om - onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang - te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste drie jaar aldaar legaal wonen;

- hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.

9. In hoofdstuk B11/3 van de Vc 2000 is het beleid ten aanzien van de Associatieovereenkomst en het Besluit 1/80 neergelegd.

In paragraaf B11/3.3.2 van de Vc 2000 is aangegeven dat de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80 plaatsvindt aan de hand van de overgelegde arbeidscontracten, jaarloonopgaven en het registratiebericht Melding Sociale Voorzieningen.

In paragraaf B11/3.4 van de Vc 2000 is bepaald dat onder gezinsleden wordt verstaan, de echtgenoot van de Turkse werknemer, hun bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van de eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn en de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn.

Blijkens paragraaf B11/3.4.2 van de Vc 2000 veronderstelt het begrip ‘legaal wonen’ in de zin van artikel 7 van het Besluit 1/80 dat het gezinslid gedurende de periode van drie respectievelijk vijf jaar onafgebroken daadwerkelijk bij de Turkse werknemer moet wonen. Bij de berekening van deze periode moet echter wel rekening worden gehouden met korte onderbrekingen van het samenleven, waarbij niet de bedoeling bestond om het samenleven op te geven. Hierbij kan gedacht worden aan een afwezigheid van de gemeenschappelijke woonplaats gedurende een redelijke periode waarvoor gegronde redenen zijn dan wel aan onvrijwillig verblijf van minder dan zes maanden dat de betrokkene in zijn land van herkomst heeft doorgebracht.

Vorenstaande betekent dat de vrije toegang tot de arbeidsmarkt als bepaald in artikel 7, eerste lid, onder b, besluit nr. 1/80 (waarin is bepaald dat gezinsleden vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben wanneer zij ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen) reeds na drie jaar legaal wonen van toepassing is. Met deze voor de gezinsleden van een Turkse werknemer gunstigere regel wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, onder a, Associatiebesluit 1/80. Deze gunstigere regel moet altijd worden toegepast.

Na de periode van drie jaar legaal wonen worden ingevolge artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 aan het verblijf van het gezinslid geen voorwaarden meer verbonden. De omstandigheid dat de Turkse werknemer na deze periode niet meer behoort tot de legale arbeidsmarkt of dat de gezinsband is verbroken, heeft geen gevolgen voor het verblijfsrecht van het gezinslid. Dit geldt ongeacht of het gezinslid in het bezit is van een zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat het, gelet op het verhandelde ter zitting, tussen partijen niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres, de heer [echtgenoot], zijn Turkse nationaliteit heeft (kunnen) behouden.

De rechtbank stelt vervolgens vast, gelet op de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting, dat eiseres niet betwist dat haar aanvraag van 2 februari 2006 niet tijdig is ingediend en dat haar aanvraag derhalve gelijkgesteld dient te worden met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor eerste toelating. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv.

De rechtbank ziet zich dan ook vraag de vraag gesteld of eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid en onder e, van het Vb 2000, voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt.

11. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraken van het Hof van Justitie van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006/92), 18 juli 2007 (Derin; JV 2007/438) dat de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten slechts in twee gevallen worden beperkt, te weten:

- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;

- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

12. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de echtgenoot van eiseres - voor zover hij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van artikel 7 van het Besluit 1/80 - deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie, ongeacht of bij de naturalisatie zijn Turkse nationaliteit behouden bleef of niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Immers, verweerder had dienen te onderzoeken wat de rechtsgevolgen van de naturalisatie van de echtgenoot van eiseres, voor eiseres en haar echtgenoot zijn geweest. De enkele motivering in het bestreden besluit dat de echtgenoot van eiseres in ieder geval al vanaf de eerste mvv-aanvraag van eiseres in 1999 de Nederlandse nationaliteit heeft en dat eiseres gelet hierop niet in aanmerking komt voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80, kan gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen stand houden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet voldoet aan artikel 7 van het Besluit 1/80 en waarom aan haar een daarmee samenhangend recht op verblijf onthouden kan worden. De rechtbank acht daarbij van belang dat niet uit de gedingstukken is gebleken dat eiseres niet daadwerkelijk sinds 1999 legaal bij haar echtgenoot heeft gewoond. Verweerder dient dan ook nader te onderzoeken of eiseres niet rechtstreeks aan het Besluit 1/80 haar verblijfsrecht ontleend.

13. Ten aanzien van het beroep op schending van de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet worden geoordeeld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar. Verweerder had derhalve niet kunnen afzien van het horen van eiseres.

14. Hetgeen verweerder verder heeft overwogen en wat daar zijdens door eiseres tegen in is gebracht, behoeft, gelet op het bovenstaande, derhalve geen verdere bespreking.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het bovenstaande niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het beroep is gegrond wegens schending van de hoorplicht (artikel 7:2 in samenhang met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb), wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12 van de Awb) en het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 7 maart 2007;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eiseres;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiseres € 143,-- te betalen ter vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.H. Pennings, voorzitter, mr. drs. I.D. Jacobs en mr. C. van Linschoten, rechters, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op

18 december 2007 in tegenwoordigheid van mr. L.E. Huberts als griffier.

de griffier

de rechter