Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1056

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/42994
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / eerdere inbewaringstelling

Eiser stelt dat de eerdere bewaring is opgeheven i.v.m. ontbreken van zicht op uitzetting. Verweerder heeft geen informatie kunnen verstrekken omtrent de opheffing van de eerdere bewaring. Er is niet meer informatie beschikbaar dan de vermelding dat er een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Er heeft geen rechterlijke uitspraak aan de opheffing ten grondslag gelegen. Nu verweerder geen helderheid heeft kunnen verschaffen met betrekking tot de opheffing, daar waar dit van verweerder mag worden verwacht, is de rechtbank van oordeel dat dit gebrek niet ten nadele van eiser mag worden uitgelegd. De conclusie is daarom dat verweerder de stelling van eiser onvoldoende heeft weersproken en het er daarom voor moet worden gehouden dat de voorlaatste bewaring is opgeheven vanwege onvoldoende zicht op uitzetting. Beroep gegrond. Toewijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/42994

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2007

inzake

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1976,

nationaliteit Iraakse,

verblijvende te Rotterdam in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. J. Groen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. R.P.G. van Bel.

Procesverloop

Op 27 oktober 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 14 november 2007 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 27 november 2007, waar eiser is verschenen in persoon. De gemachtigde van eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Ter zitting is gebleken dat eiser gebrekkig Nederlands spreekt en daarmee onvoldoende in staat is het woord te voeren. De aanwezige tolk (Arabisch) heeft aangegeven dat eiser geen Arabisch spreekt maar Koerdisch. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek op grond van artikel 8:64, lid 1 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen op de zitting van 3 december 2007 nader te worden gehoord.

Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 29 november 2007 nadere informatie aan de rechtbank verstrekt, met afschrift aan de wederpartij.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 3 dember 2007, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Sanchez Montoto, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat eiser meermalen in bewaring is gesteld, maar dat dit nimmer heeft geleid tot uitzetting. De vorige inbewaringstelling van eiser is opgeheven in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting. Niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die de huidige inbewaringstelling kunnen rechtvaardigen. Ondanks het feit dat eiser de Nederlandse taal niet goed spreekt, is hij voorafgaand aan de inbewaringstelling in de Nederlandse taal gehoord. Eiser heeft een vaste woon –of verblijfplaats en staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Ter onderbouwing van die stelling zijn ter zitting van 3 december 2007 bewijzen van inschrijving in het GBA overgelegd. Hij wordt niet langer meer verdacht van het misdrijf op grond waarvan de strafrechtelijke aanhouding heeft plaatsgevonden. Voorts loopt er een herzieningsverzoek van twee strafzaken omdat gebleken is dat het bewijs dat eiser die feiten zou hebben begaan mede stoelt op het resultaat van geurproeven die, naar de Officier van Justitie heeft moeten vaststellen, ondeugdelijk zijn verkregen. Volgens eiser ligt het voor de voor de hand dat de ongewenstverklaring opnieuw zal worden bezien.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. Verweerders gemachtigde heeft, na kennis te hebben genomen van de overgelegde GBA-gegevens, ter zitting verklaard dat de grond dat eiser “niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats” komt te vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank resteren er voldoende gronden voor inbewaringstelling. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser

- geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft;

- niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het

- Vreemdelingenbesluit 2000;

- wordt verdacht van het plegen van een misdrijf;

- zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn;

- ongewenst is verklaard.

Het voorgaande is voldoende grond ernstig te vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. Het feit dat eiser na de strafrechtelijke aanhouding is heengezonden maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de bewaringsgrond dat eiser verdacht wordt van een misdrijf ten tijde van de inbewaringstelling niet meer bestond. Dat in twee strafzaken van eiser herzieningsverzoeken lopen en mogelijk de ongewenstverklaring kan worden herzien doet niet af aan het feit dat het besluit tot ongewenstverklaring van eiser thans nog onverkort geldt.

4. Met betrekking tot eisers stelling dat de eerdere bewaring is opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting overweegt de rechtbank als volgt.

5. Gebleken is dat eiser eerder in bewaring heeft verbleven van 6 april 2006 tot 9 oktober 2006, van 17 oktober 2006 tot 12 februari 2007. In deze periode is op 20 november 2007 getracht eiser uit te zetten met een EU-document naar Noord-Irak. Dat is mislukt omdat de piloot van het vliegtuig heeft geweigerd eiser mee te nemen. Voorts heeft eiser eerder in bewaring verbleven van 6 mei 2007 tot 8 juni 2007 en van 29 juni 2007 tot 12 september 2007. Deze laatste inbewaringstelling is blijkens de voortgangsrapportage van 19 november 2007 en de M119 van 30 oktober 2007 opgeheven in verband met een belangenafweging.

6. Uit de gedingstukken, waarvan met name de M119 van 30 oktober 2007, de brief van verweerder van 29 november 2007, als ook de verklaring van verweerder ter zitting is gebleken dat verweerder geen informatie kan verstrekken omtrent de reden van opheffing van de eerdere inbewaringstelling van eiser op 12 september 2007. Er is niet meer informatie beschikbaar dan de vermelding dat er een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder heeft er geen rechterlijke uitspraak aan deze opheffing ten grondslag gelegen.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze verklaring onvoldoende informatie heeft verstrekt met betrekking tot de reden van opheffing op 12 september 2007. Nu verweerder geen helderheid heeft kunnen verschaffen, daar waar dit van verweerder mag worden verwacht, is de rechtbank van oordeel dat dit gebrek niet ten nadele van eiser mag worden uitgelegd. De conclusie is daarom dat verweerder de stelling van eiser onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken en het er daarom voor moet worden gehouden dat de voorlaatste bewaring is opgeheven vanwege onvoldoende zicht op uitzetting. De stelling van verweerder ter zitting dat het beleid van verweerder tot op heden is geweest dat ten aanzien van Noord-Irak in alle gevallen zicht op uitzetting bestaat, acht de rechtbank te algemeen en onvoldoende op de situatie van eiser toegespitst om het hiervoor geconstateerde gebrek te passeren.

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorige bewaring is opgeheven in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2005 (JV 2005/282) behoort de rechtbank, indien een eerdere bewaring is opgeheven omdat niet langer zicht op uitzetting bestaat, bij een volgende inbewaringstelling te onderzoeken of sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zulk zicht nu niet ontbreekt.

Niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die de huidige inbewaringstelling kunnen rechtvaardigen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat eiser op 22 augustus 2007 op een zogeheten “tweede lijst” is geplaatst. Dit is evenwel geen nieuw gegeven, nu volgens verweerder ter zitting deze lijst op of omstreeks 22 augustus 2007 aan de Iraakse autoriteiten is toegezonden en derhalve reeds bekend was tijdens de voorlaatste bewaringsprocedure van eiser.

9. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring van aanvang af onrechtmatig worden geacht en dient het beroep - onder opheffing van de bewaring - gegrond te worden verklaard.

10. Daar het voorgaande reeds tot opheffing van de bewaring leidt, behoeft hetgeen overigens door de gemachtigde van eiser is aangevoerd geen bespreking.

11. Nu de bewaring blijkens het voorgaande van meet af aan onrechtmatig is, acht de rechtbank termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

12. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

13. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 4 december 2007, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser in beginsel over de periode van 27 oktober 2007 tot en met 3 december 2007 schadevergoeding toekomt.

14. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 4 x € 95,00 en 34 x € 70,00 is € 2.760,00.

15. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

16. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 4 december 2007;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 2.760,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter in tegenwoordigheid van P. Bijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2007.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen

?

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2.760,00 (ZEGGE: TWEEDUIZENDZEVENHONDERDZESTIG EURO)

Aldus gedaan op 4 december 2007 door mr. J.R. van Es-de Vries.