Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1052

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/10457
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning / ongewenstverklaring / tenaamstelling besluiten

Eiser is onder naam A in 1999 ongewenst verklaard. Onder naam B is aan hem in 2002 een verblijfsvergunning verstrekt. Nadat in 2005 is gebleken dat A en B dezelfde persoon waren, is de verleende verblijfsvergunning ingetrokken. In beroep stelt eiser dat verweerder een ongewenstverklaring onder de naam A niet ten grondslag kan leggen aan een intrekking van een verblijfsvergunning op naam van B. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om eiser te volgen in zijn betoog dat, nu er geen ongewenstverklaring is gedaan ten name van B, dit niet in het bestreden besluit aan de intrekking ten grondslag kon worden gelegd. Eiser heeft niet bestreden dat hij van beide namen gebruik heeft gemaakt en ook niet gesteld dat het hem niet duidelijk was dat zowel de ongewenstverklaring als de intrekking van de verblijfsvergunning op hem betrekking had. Bovendien weegt de rechtbank hierbij mee dat eiser zelf aan de onderhavige situatie heeft bijgedragen door zich van een andere naam te bedienen bij de aanvraag van de verblijfsvergunning dan die, waaronder hij ongewenst was verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser ongewenst is verklaard en dat deze ongewenstverklaring aan de basis van de intrekking van de verblijfsvergunning kon worden gelegd. Verweerder heeft terecht besloten de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken. Volgt vernietiging van het bestreden besluit omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/10457 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 18 december 2007

inzake

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1976, alias [alias 1], geboren op [geboortedatum] 1976, alias [alias 2], geboren op [geboortedatum] 1981, van Surinaamse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister van Justitie , verweerder.

gemachtigde: mr. J.J. Hofland, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij beslissing van 20 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 16 januari 2006 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de per 28 mei 2002 aan eiser verleende verblijfsvergunning van eiser met als doel “verblijf bij echtgenote [echtgenote]” ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens. Eiser heeft tegen de beslissing van 20 februari 2007 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 25 september 2007, waar eiser niet is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 In geschil is of verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning op goede gronden heeft kunnen intrekken.

2.2 Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Eiser heeft gebruik gemaakt van meerdere aliassen. Onder de naam [alias 1] is eiser bij besluit van 18 november 1999 ongewenst verklaard. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 6 augustus 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Onder de naam [eiser] heeft eiser een aanvraag gedaan om verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf bij echtgenote, welke is verleend per 28 mei 2002. Laatstelijk heeft eiser een dergelijke verblijfsvergunning gekregen, geldig tot 2009. Uit een rapport van bevindingen van 7 juni 2005 blijkt dat eiser meerdere aliasnamen heeft gebruikt. Verweerder heeft op grond van deze rapportage aangenomen dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt welke gegevens zouden hebben geleid tot afwijzing van de aanvraag. De ongewenstverklaring heeft tot gevolg dat eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben.

2.3 Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan dat er een afweging van belangen had moeten plaatsvinden nu aan eiser wel verblijf is verleend en dat onduidelijk is in hoeverre eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde oplevert. Dat alles moet worden bezien in het licht van het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

2.4 Artikel 19 jo 18, eerste lid, aanhef en onder c, kan een verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier kan worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid

2.5 Artikel 67, derde lid, Vw bepaalt dat de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser dezelfde persoon is als [alias 1]. Evenmin wordt door eiser ontkend dat hij zich bij verschillende gelegenheden zowel van deze naam als van de naam [eiser] heeft bediend.

2.7 Voorts staat vast dat eiser onder de naam [alias 1] ongewenst is verklaard, en dat de aan eiser verleende en later ingetrokken verblijfsvergunning aan eiser onder de naam [eiser] is verleend.

2.8 De rechtbank ziet echter geen aanleiding om eiser te volgen in zijn betoog dat, nu er geen ongewenstverklaring is gedaan ten name van [eiser], dit niet in het bestreden besluit aan de intrekking ten grondslag kon worden gelegd. Eiser heeft niet gesteld dat het hem niet duidelijk was dat zowel de ongewenstverklaring als de intrekking van de verblijfsvergunning op hem betrekking had. Bovendien weegt de rechtbank hierbij mee dat eiser zelf aan de onderhavige situatie heeft bijgedragen door zich van een andere naam te bedienen bij de aanvraag van de verblijfsvergunning dan die, waaronder hij ongewenst was verklaard.

2.9 De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser ongewenst is verklaard en dat deze ongewenstverklaring aan de basis van de intrekking van de verblijfsvergunning kon worden gelegd. Verweerder heeft terecht besloten de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken.

2.10 Echter, gelet op de omstandigheid dat het besluit van verweerder om eiser ongewenst te verklaren formele rechtskracht heeft verkregen en gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 6 juli 2006, JV 2006/347, kan niet worden gesteld dat eiser belang heeft bij de onderhavige procedure. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard.

2.11 Het beroep is dan ook gegrond. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met strijd met artikel 7:1 jo 8:1 Awb. De rechtbank ziet thans aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

2.12 De rechtbank stelt vast dat eiser bij besluit van 18 november 1999 ongewenst is verklaard. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 6 augustus 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het besluit tot ongewenstverklaring in rechte vast staat.

2.13 In haar uitspraak van 6 juli 2006, JV 2006/347, heeft de AbRS gesteld dat, artikel 67, derde lid, van de Vw aan een ongewenstverklaring het gevolg verbindt dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang deze ongewenstverklaring voortduurt. Bij een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan heeft hij, zolang deze ongewenst is verklaard, derhalve geen belang, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan blijkens het bepaalde in artikel 67, derde lid, Vw in afwijking van artikel 8 Vw immers geen rechtmatig verblijf hebben.

2.14 Aan het in een dergelijk besluit neergelegd oordeel over de rechtmatigheid van het verblijf dat aan ongewenstverklaring krachtens artikel 67, eerste lid, onder a onderscheidenlijk c, van de Vw ten grondslag ligt, kan een vreemdeling zodanig belang evenmin ontlenen, omdat de vraag of hij niet rechtmatig in Nederland verblijft bij de beoordeling van het besluit over de ongewenstverklaring aan de orde kan worden gesteld. Daaraan wordt evenwel niet toegekomen, indien een ongewenstverklaring, naast voormelde gronden, tevens is gebaseerd op andere in artikel 67 van de Vw vermelde gronden en de ongewenstverklaring in zoverre stand houdt. Op deze wijze wordt enerzijds voorkomen dat een procedure omtrent een verblijfsvergunning leidt tot verblijf op de voet van artikel 8 van de Vw dat de desbetreffende vreemdeling ingevolge artikel 67, derde lid, van die wet niettemin geen rechtmatig verblijf geeft, zolang de ongewenstverklaring voortduurt en anderzijds gewaarborgd dat in rechte kan worden onderzocht of sprake is van rechtmatig verblijf, indien dat aan ongewenstverklaring in de weg staat.

2.15 Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning, is bij samenloop daarvan met een besluit, waarbij een vreemdeling ongewenst is verklaard, derhalve eerst aan de orde, indien laatstvermeld besluit wordt vernietigd of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven. Teneinde deze toetsing op dat moment mogelijk te maken, ook indien een besluit omtrent voormelde aanvraag of intrekking inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden, kan een vreemdeling verweerder alsdan verzoeken de intrekking van een verblijfsvergunning te heroverwegen, dan wel een nieuwe aanvraag om verlening of verlenging van een zodanige vergunning indienen, waarbij het algemeen rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter kan worden voorgelegd niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg staat.

2.16 Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren.

2.17 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

2.18 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 143,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het door eiser ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 143,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. ter Brugge, voorzitter, en mr. H. Gorter en mr. A. Woltjer, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. P. Bruins-Langedijk als griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak staat, voorzover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, Wet op de Raad van State geen hoger beroep open.