Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0775

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
09/9000096-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in de zaak van het meisje Mehak. Verdachte was de moeder van Mehak. Verdachte heeft Mehak gedood en veelvuldig en ernstig geweld tegen haar dochter gebruikt. Mehak is gedurende de laatste periode van haar korte leven mishandeld en affectief verwaarloosd. In plaats van de aandacht, verzorging en bescherming waar zij als menselijk wezen jegens haar ouders en andere volwassenen aanspraak kon maken, is zij veelvuldig geslagen, met zwaar lichamelijk letsel en uiteindelijk haar dood ten gevolg. Mehak heeft de laatste, zwartste periode van haar leven in haar kleine kamertje moeten doorbrengen. Ze kwam niet buiten. Geen van de verdachten heeft een beschrijving van haar persoonlijkheid met enige diepgang kunnen geven. Ze leek er niet (meer) toe te doen. Niemand heeft de laatste maanden ook maar enige belangstelling voor haar getoond of ook maar iets gedaan om haar lot te verlichten. Mehak zou behekst zijn geweest of een 'slechte' geest hebben gehad. Bij de ouders hebben daarnaast mogelijk nog andere motieven bijgedragen aan de verwording van de omgang met dit nog zeer jonge en volstrekt weerloze kind. Mehak had tegen verdachte en haar mededaders geen schijn van kans. De rechtbank gaat er bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte zoals gezegd vanuit dat verdachtes handelen (mede) is ingegeven door de destijds in verdachtes beleving genestelde gedachte dat er een 'spook', slechte ziel of 'bhut' in Mehak was. Ook de omstandigheden waaronder verdachte in Nederland heeft verbleven, weegt de rechtbank mee. Aannemelijk is dat verdachte onder steeds grotere sociale druk is komen te staan. Zij is jong gehuwd, was de moeder van een door haar schoonfamilie niet gewenst dochtertje en bevond zich -ondanks een behoorlijke opleiding- in Nederland in een situatie waarvan de rechtbank bij vonnis van heden heeft geoordeeld dat sprake was van uitbuiting. Ook werd zij beschouwd als de moeder van een kind waarin een kwade geest huisde en werd haar kind ook door anderen geslagen. Verdachte wilde graag terug naar India maar was zonder haar man, die in Nederland wilde blijven, niet welkom bij haar familie in India en werd zelf geslagen. Van eerder gewelddadig gedrag van verdachte is niet gebleken. Het onderzoek naar de geestvermogens heeft ook geen aanwijzingen opgeleverd voor een gestoorde agressiehuishouding. Op grond daarvan gaat de rechtbank er vanuit dat de escalatie van het door verdachte gepleegde geweld ten opzichte van Mehak is bevorderd door de genoemde specifieke context waarbinnen verdachte in Nederland heeft geleefd met haar dochter. Verdachte is voor zover bekend niet eerder in aanraking gekomen met politie en justitie. Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte haar kind heeft vermoord, maar ook heeft verloren en dat zij moet leven in het besef dat dit door haar toedoen is gebeurd. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 47, 57, 289, 303 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van feit 1 primair: moord en ten aanzien van feit 2 primair: medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad, begaan tegen haar kind. Gevangenisstraf van 8 jaar met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VONNIS)

parketnummers 09/9000096-06

's-Gravenhage, 14 december 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1] (moeder),

geboren te [plaats] (India) op [datum] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Overijssel' te Zwolle.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 mei 2006, 18 juli 2006, 3 oktober 2006, 21 december 2006, 12 maart 2007, 5 juni 2007, 18 juni 2007, 19 juni 2007, 6 september 2007, 26 november 2007, 27 november 2007 en 30 november 2007.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr A.R. Kellerman, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr L.M. Robert-Altimari heeft gevorderd dat verdachte terzake van het haar onder 1 primair en 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de aan het eind van het vonnis opgenomen telastlegging.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat een door [verdachte 1] in het huis van bewaring geschreven, op 9 maart 2006 door de rechter-commissaris in beslag genomen brief (1) voor hem bestemd was en derhalve niet in beslag genomen had mogen worden. De raadsman heeft op deze grond strafvermindering bepleit. Mede naar aanleiding van dit verweer heeft de rechtbank zich beraden over de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat in het verhoor van [verdachte 1] van 23 februari 2006 (2) waarin zij over dit stuk verklaarde, op de reden voor het opstellen daarvan verder niet is ingegaan. Bovenaan het stuk staat vermeld: 'Mr. Kellerman, my advocate' en de brief is ondertekend. Dit zou, gelet op de vertrouwelijkheid tussen verdachte en haar raadsman, voor de rechter-commissaris aanleiding hebben moeten zijn voor het stellen van vragen omtrent de bestemming van het stuk. Dit is niet gebeurd. Nu echter dit stuk in het Hindi en niet in het Engels is gesteld, tenminste veertien dagen na het schrijven nog niet was verzonden en [verdachte 1] -later ter terechtzitting daarnaar gevraagd- heeft verklaard dat dit voor haarzelf was (3) , kan achteraf worden vastgesteld dat kennelijk geen sprake was van een aan de raadsman gerichte brief. Verdachte is in zoverre dan ook niet in haar belangen geschaad, en er is dan ook geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring, noch voor het verbinden van enig ander gevolg aan dit verzuim.

De officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen.

Bewijsmotivering

Algemene inleiding

Het onderzoek door de rechtbank in de onderhavige zaak is op vele punten ernstig bemoeilijkt. Behalve deskundigenverklaringen ten aanzien van een gering aantal sporen, het bij Mehak geconstateerde letsel en haar overlijden en processen-verbaal omtrent de tijdstippen van telefoongesprekken en in beslag genomen voorwerpen, is er slechts bewijs voor wat er voor en op 28 januari 2006 is gebeurd in de vorm van verklaringen. Een belangrijk deel van de afgelegde verklaringen -naar hun aard al met enige terughoudendheid te beoordelen- is niet zonder meer betrouwbaar te noemen. Vrijwel alle betrokkenen die op de [adres 1] woonden hebben bij de politie en/of de rechter-commissaris tenminste gedeeltelijk onjuiste verklaringen afgelegd. Voor zover dit door de betrokkenen is erkend, zijn daarvoor allerlei uiteenlopende redenen aangevoerd, waaronder vrees voor het uitkomen van betrokkenheid bij illegaal verblijf in Nederland, voor geweld tegen familie in India, voor reputatieschade. Ook op punten waarop dit niet is erkend, is duidelijk dat er is gelogen, bijvoorbeeld over het geloof in geesten. Voorts is veelvuldig door dezelfde verdachte/getuige op dezelfde details wisselend verklaard en door [verdachte 1] zelfs over de persoon die Mehak zou hebben gedood. Naar de redenen daarvan kan de rechtbank slechts gissen; het tijdsverloop zal op de details mede van invloed zijn geweest, maar ook andere belangen kunnen daarbij een rol hebben gespeeld.

Voorts zijn de getuigen in India ondanks alle daartoe verrichte inspanningen niet gehoord. Met de raadslieden is de rechtbank van mening dat dit zeer te betreuren is.

De beoordeling wordt verder bemoeilijkt door de verschillen in taal en cultuur. Alle communicatie moest via tolken verlopen. Daar komt bij, dat [verdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] vragen lijken te beantwoorden zonder spontaan relevante achtergrondinformatie te geven. Wat niet specifiek gevraagd wordt, wordt ook niet verteld.

Door al deze omstandigheden heeft de rechtbank zich, ondanks de duur en omvang van het onderzoek, geen volledig beeld kunnen vormen van de feiten en de achtergronden daarvan.

De verdachten

[medeverdachte 2], [verdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] worden ervan verdacht een aandeel te hebben gehad in (zware) mishandeling van Mehak in de periode van 1 december 2004 tot en met 27 januari 2006 en in haar uiteindelijke dood op 28 januari 2006.

Mehak was de dochter van [medeverdachte 2] en [verdachte 1] (4). [medeverdachte 2] en [verdachte 1] zijn op [datum] 2002 getrouwd (5) . Zij hebben -na een eerdere verklaring van [verdachte 1] dat zij in [land 1] (6) woonden - verklaard dat zij in augustus 2004 met Mehak vanuit India naar Nederland gekomen en sindsdien hebben zij verbleven aan de [adres 1] bij een tante van [medeverdachte 2] -verdachte [medeverdachte 3]-, haar man [medeverdachte 5] en hun kinderen [kind 1 van medeverdachte 3 en 5] en [kind 2 van medeverdachte 3 en 5]. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij al zes jaar bij de familie [familie] inwoonde en daar in de huishouding werkte (7) .

Verdachte en haar echtgenoot hebben ontkend dat [verdachte 1], [medeverdachte 2] en Mehak in hun huis hebben gewoond; zij zouden in [land 1] wonen. [medeverdachte 5] heeft over [medeverdachte 4] verklaard dat zij af en toe bij hen woonde. [medeverdachte 3] heeft over [medeverdachte 4] verklaard dat zij ongeveer 6 jaar geleden bij hen is gekomen en dat zij haar hebben opgehaald. De laatste drie jaar komt zij regelmatig bij hen (8).

[medeverdachte 2] heeft steeds ontkend dat hij in [land 1] (9) heeft gewoond en [verdachte 1] heeft uiteindelijk ook verklaard dat zij van [medeverdachte 3] moesten zeggen dat zij in [land 1] woonden (10) . Zij zijn niet voor langere tijd in [land 1] zijn geweest en [medeverdachte 4] bevestigt dat (zie noot 3). Omgekeerd bevestigen [verdachte 1] en [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 4] al in de [adres 1] woonde toen zij daar in augustus 2004 kwamen (11) . De rechtbank laat daarom de verklaringen van verdachte en haar man in dit verband als onwaar buiten beschouwing. Ter zitting is door de raadslieden van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] ook toegelicht dat van tevoren was afgesproken dat iedereen zou zeggen dat [verdachte 1], [medeverdachte 2] en Mehak in [land 1] woonden om problemen in verband met hun illegaal verblijf hier te lande voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] te vermijden.

Gezien het feit dat vier van de vijf verdachten de achternaam [naam] hebben, zal de rechtbank de verdachten hierna met de voornaam aanduiden. Uit de stukken blijkt dat [medeverdachte 2] ook wel [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2] wordt genoemd. [medeverdachte 3] wordt ook wel tante, Didi of [medeverdachte 3] genoemd en [medeverdachte 5] ook wel oom of [medeverdachte 5].

Omdat de rol van iedere verdachte in de gebeurtenissen met betrekking tot Mehak alleen in samenhang met die van de anderen kan worden gezien, heeft de rechtbank ervoor gekozen in alle zaken dezelfde bewijsmotivering te geven.

Bij de niet eenvoudige taak te onderzoeken of het wettig en overtuigend bewijs van de telastgelegde feiten is geleverd, heeft de rechtbank zich een oordeel moeten vormen over de betrouwbaarheid van de door de verschillende verdachten afgelegde verklaringen, met name die van [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [verdachte 1], nu [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] iedere betrokkenheid ontkennen.

De rechtbank zal in het hierna volgende op haar overwegingen ter zake ingaan en de overige bewijsmiddelen bespreken die zij heeft gebezigd.

Ten aanzien van de feiten

Op zaterdag 28 januari 2006 om 20.10 uur werd in het Juliana Kinderziekenhuis te Den Haag de dood vastgesteld van Mehak, geboren op [datum] 2004. Het ziekenhuispersoneel is verteld dat Mehak van de trap is gevallen. Gelet op de uitgebreide letsels die geconstateerd werden, niet passend bij een val van de trap, is een onderzoek naar de oorzaak van haar overlijden ingesteld.

Oorzaak van overlijden

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar het letsel dat Mehak had bij overlijden, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van de patholoog dr. Kubat van 4 augustus 2006 (12) .

Dr. Kubat concludeert in haar rapport dat het overlijden van Mehak wordt verklaard op basis van zeer uitgebreide en ernstige letsels op het lichaam en van de inwendige organen, al dan niet in combinatie met smoren, en de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade.

Bij röntgenonderzoek zijn talrijke oude en recente botbreuken gebleken, onder andere aan de ribben beiderzijds (aan de rugzijde en zijwaarts), het linkerschouderblad, aan de onderarm links (met scheefstand passende bij genezing zonder behandeling) en aan de bovenarm rechts.

Er was sprake van ernstig letsel aan de borst- en buikorganen en een meerdere dagen oude beschadiging van één van de sensibele banen van het ruggenmerg (die de gevoelszin van de onderste helft van het lichaam verzorgt). De letsels zijn ontstaan door zeer heftig uitwendig mechanisch botsend en/of samendrukkend geweld op de betreffende lichaamsdelen.

Er was geen lucht meer in de longen van Mehak. Het aan de tong en mond geconstateerde letsel past bij uitwendige afsluiting van mond en neus (in het kader van smoren) en dientengevolge optredende verstikking. De aangetroffen kleine bloeduitstortingen in de spieren van de hals kunnen ontstaan zijn ten gevolge van geforceerde ademhalingsbewegingen die bij elke vorm van ademnood (en derhalve ook bij smoren) kunnen optreden.

De bij sectie gevonden letsels waren bij leven opgetreden, ernstig en zeer uitgebreid, vele malen uitgebreider dan letsels ten gevolge van een val van een trap. Gezien het voorkomen van oude en recente letsels is er tenminste twee maal heftig geweld tegen het slachtoffertje gebruikt.

Het is niet aan te geven in welke mate welk (recent) letsel een bijdrage heeft geleverd aan het overlijden. Het overlijden was het gevolg van het geheel aan letsels (mogelijk in combinatie met afsluiting van de mond en neusopening), de daardoor opgetreden verwikkelingen en weefselschade (13).

Aan een drietal ribbreuken heeft nader onderzoek plaatsgevonden teneinde de ouderdom van deze letsels te bepalen. Deze fracturen bleken 0-2 dagen oud dan wel 2-3 weken oud (14).

Ten aanzien van het letsel aan het ruggenmerg heeft dr. Kubat geconcludeerd dat dit het beste past bij een meerdere dagen bestaande beschadiging van de achterwortels van het ruggenmerg in de lumbale segmenten, meest waarschijnlijk op basis van trauma (15) . In haar briefrapport van 14 juli 2006 heeft dr Kubat ten aanzien van het letsel aan het ruggenmerg aangegeven dat de gevonden afwijkingen enkele dagen tot circa één week oud zijn (16).

Het mechanisme dat geleid heeft tot het enkele weken oude letsel is niet meer te reconstrueren. Over het mechanisme dat geleid heeft tot de recente huidbeschadigingen en onderhuidse bloeduitstortingen kan geen uitspraak worden gedaan. Voor het overige kan het letsel zijn ontstaan door slaan met een vlak, hard voorwerp, slaan met de handen en door het gooien of botsen tegen een vlak oppervlak, zoals een bed of een muur (17). Bij de rechter-commissaris heeft dr. Kubat verklaard dat de letsels het gevolg waren van uitwendig botsend of samendrukkend geweld op het hoofd en de romp. De ernstige inwendige letsels zouden kunnen zijn ontstaan door heftig slaan, schoppen of door met de knieën op het slachtoffer te gaan zitten (18), aldus de patholoog.

Ook dr. R. Bilo, foresisch geneeskundige, heeft het letsel beoordeeld en de bevindingen van het NFI onderschreven (19) .

Met uitzondering van de geconstateerde afwijkingen van het schouderblad vertoonden de niet recente botbreuken bij Mehak allen callusvorming. Omdat slechts drie ribfracturen zijn gedateerd, is het niet uitgesloten dat de niet-gedateerde fracturen ontstaan zijn op diverse tijdstippen van kort tot meer dan 3 weken (20) voorafgaand aan het overlijden .

In zijn verklaring bij de RC heeft dr. Bilo het voormelde verduidelijkt en aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat er fracturen zijn ouder dan twee of drie weken. Een aantal fracturen is zeer recent. Ten aanzien van de claviculafracturen en de standafwijking van de arm moet worden gezegd dat deze niet te dateren zijn. De breuken in de linkeronderarm vertoonden uitgebreide callusvorming. Callusvorming is bij kinderen zichtbaar vanaf 10 dagen na het ontstaan van de fractuur tot ongeveer drie maanden na het ontstaan van de fractuur (21).

Op grond van voormelde onderzoeksresultaten staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat Mehak op 28 januari 2006 opzettelijk ernstig letsel is toegebracht, welk letsel al dan niet in combinatie met verstikking tot haar dood heeft geleid. Ook is Mehak tenminste eenmaal eerder - een aantal weken voor haar overlijden- zwaar lichamelijk letsel toegebracht (talrijke botbreuken en beschadiging van een van de sensibele banen van het ruggenmerg). Op basis van de uitgebrachte rapportages zijn er onvoldoende aanwijzingen dat Mehak eerder dan drie maanden voor haar dood zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

De gebeurtenissen op zaterdag 28 januari 2006

Op 28 januari 2006 zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] samen met [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] en een vriendje [vriend], rond 12:00 uur met de auto naar een schaaktoernooi gegaan waaraan [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] en [vriend] zouden deelnemen (22) . Dit toernooi telde 7 rondes met tussendoor telkens een pauze (23) . Getuige [getuige A] heeft verklaard dat er iets later dan gepland, te weten om 12:55 uur is begonnen, maar dat de pauzes zijn ingekort zodat ze volgens schema zijn uitgekomen (24). Uit het uitslagenformulier (25) blijkt, dat [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] en [vriend] alle zeven wedstrijden hebben gespeeld. [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] heeft de eerste drie wedstrijden verloren, de vierde gelijk gespeeld en de laatste drie gewonnen. Getuige [getuige B], die schaakles gaf op de school van [vriend], heeft verklaard dat de vader van [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] om 16.30 of 16.45 uur kwam zeggen dat [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] wegging (26).

Getuige [getuige C] (de moeder van [vriend]) heeft verklaard, dat zij op een gegeven moment door [medeverdachte 3] of [medeverdachte 5] is gebeld met de mededeling dat de familie niet tot het einde van het toernooi wilde wachten. Haar werd gevraagd of [vriend] mocht blijven spelen bij [kind 2 van medeverdachte 3 en 5]. Zij vond dit goed en afgesproken werd dat [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] die avond met [vriend] en getuige mee zou gaan naar een kindervoorstelling (27) . Uit de gegevens van de mobiele telefoon van deze getuige en van die van verdachte [medeverdachte 5] blijkt, dat dit gesprek heeft plaatsgevonden om 16.10 uur (28). Getuige heeft haar zoon vervolgens om 19:00 uur opgehaald aan de [adres 1]. Daar bleek dat [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] niet mee mocht (29).

Uit de verklaring van de getuigen Keemink (30) en Lankhorst (31), respectievelijk kinderarts en arts-assistent kindergeneeskunde, blijkt, dat Mehak omstreeks 17:30 uur in het Juliana Kinderziekenhuis arriveerde.

Door alle verdachten is (uiteindelijk) verklaard dat vanaf ongeveer 12:15 uur in de woning Mehak, haar ouders, [medeverdachte 4] en [kind 1 van medeverdachte 3 en 5] aanwezig zijn geweest. [verdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben samen met Mehak tussen 14:00 en 14:30 uur korte tijd de woning aan de [adres 1] verlaten. Mehak droegen zij in een dekentje gewikkeld met zich mee. Dit is door buren gezien (32) en de verdachten [medeverdachte 4], [verdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (33) hebben dit bevestigd.

Alle verdachten hebben aanvankelijk verklaard, dat het letsel van Mehak is veroorzaakt door een val van de trap vanaf de eerste verdieping naar de begane grond (34).

De afgelegde verklaringen

De rechtbank zal thans eerst de door de verdachten afgelegde verklaringen bespreken. Vervolgens zal zij ingaan op de betrouwbaarheid van die verklaringen door deze te relateren aan elkaar en andere bewijsmiddelen, waarna conclusies ten aanzien van het bewijs van de telastgelegde feiten zullen worden getrokken. Bij de bespreking van de afgelegde verklaringen maakt de rechtbank onderscheid tussen de in 2006 en de in 2007 door de verschillende verdachten -ook als getuigen- afgelegde verklaringen.

Verklaringen afgelegd in 2006

[verdachte 1]

[verdachte 1] was aanvankelijk niet aanspreekbaar, waardoor zij eerst op 6 februari 2006 (35) kon worden gehoord. Op 23 februari 2006 heeft zij verteld dat zij haar dochtertje heeft doodgeslagen. Zij heeft uitvoerig uitgelegd dat haar dochter werd bezeten door een geest, die haar, [verdachte 1], seksueel benaderde. Op zaterdag 28 januari 2006 had verdachte besloten die geest dood te maken. Mehak heeft toen geen eten of drinken gekregen. Voordat zij met haar man en dochter buiten is geweest, heeft zij haar dochter klappen gegeven. Mehak heeft toen gehuild (36). Terug in huis heeft zij haar dochtertje teruggezet in de box in haar kamertje. Toen is zij naar haar dochter gegaan en heel erg boos geworden (37) . Op de vraag hoe zij Mehak heeft doodgemaakt heeft [verdachte 1] verklaard dat zij haar dochter met een sjaal heeft vastgebonden en heel erg met een houten (38) stok heeft geslagen tot er bijna geen geluid meer uit haar keel kwam. Vervolgens heeft zij Mehaks keel dichtgeknepen (39). Zij heeft meermalen verteld dat het echt haar plan was haar dochter te doden. Zij heeft haar uit de box getild en geschud en met al haar kracht geslagen (40). Mehak heeft heel erg geschreeuwd. Toen Mehak dood was, begreep verdachte meteen dat ze 'iets heel verkeerds had gedaan'.

[verdachte 1] verklaarde dat zij er niet altijd was voor haar kind. Zij en haar man zorgden wel voor haar, maar niet zoveel. De meeste tijd bracht Mehak in haar bed door, omdat verdachte haar niet voldoende tijd kon geven (41). Omdat 'die man altijd seks met haar kwam doen', ging zij haar kind slaan (42). Ze heeft haar ook een keer heel erg geslagen toen ze haar luier had opengemaakt (43).

Zij heeft aan [medeverdachte 3] verteld dat er een man uit Mehak kwam die met haar verkeerde daden verrichtte (44). Ze heeft dat ook aan de man van [medeverdachte 3] verteld (45). Tante heeft twee volgelingen, [volgeling 1] en [volgeling 2], erbij geroepen. Tante zei: als Mehak iemand in haar lichaam heeft, kunnen die vrouwen het vertellen. [volgeling 1] en [volgeling 2] zijn in de [adres 1] geweest. De vrouwen wisten toen ze kwamen dat er 'iemand' in huis was. 'Die werden bang en hadden ook het gevoel er is iets in haar lichaam.' Ze hadden Mehak toen niet eens gezien. Ze zijn niet naar haar dochtertje gegaan.[verdachte 1] ging haar dochter toen minder verzorgen. Ze was bang van haar (46). Haar man en zij, tante en oom hebben ook gebeden dat wat er in het lichaam van Mehak zat er uit moest komen. [verdachte 1] verklaarde ook dat het kind bijna nooit buiten kwam.

Op 24 februari 2006 (47) heeft [verdachte 1] voorts verteld dat ze Mehak geen eten ging geven, omdat ze bang voor haar was. Ze gaf alleen wat Mehak zelf kon eten. Ze maakte branta (een soort roti) en gaf haar dat in haar bed (48). Soms gaf zij ook melk. Mehak ging vaak huilen omdat ze honger had. Daarom heeft ze haar doodgemaakt. Alleen zij en haar man zorgden voor Mehak. [medeverdachte 4] heeft haar ook eten gegeven. [medeverdachte 3] ging vaker vragen waarom dat kind aan het huilen was. Dan antwoordde zij, dat ze haar net eten gegeven had en niet wist waarom ze huilde. Tante ging zeggen: 'Het is al een jaar dat het kind aan het huilen is (49) .'Als Mehak ging huilen, ging [verdachte 1] haar sussen. Ze had Mehak geleerd om niet meer te huilen door haar hand voor de mond van Mehak te houden en heel hard te slaan. Als Mehak overdag sliep, maakte verdachte haar wakker. Als ze in slaap zou vallen, kwam die man uit haar (50). Ze sloeg Mehak niet elke dag. Wanneer ze boos was, sloeg ze . [verdachte 1] vertelde dat ze Mehak veel geslagen heeft en dat zij 'haar hand kapot gemaakt' heeft. Op de vraag om voor te doen hoe dat ging, pakte [verdachte 1] de onderarm van de verhoorder en maakte een weggooigebaar. Ze tilde Mehak op en gooide of duwde haar tegen de muur of het bed. 'Het maakte me niet uit', aldus [verdachte 1]. Soms gooide [verdachte 1] Mehak tegen de muur en soms liet ze niet los maar bonkte het kind tegen de muur (52). [medeverdachte 2] kwam erachter dat zij Mehak sloeg doordat hij littekens van het slaan op haar gezicht zag. Zij heeft toen verteld dat zij Mehak had geslagen. [medeverdachte 2] was boos, aldus [verdachte 1].

In een in haar cel aangetroffen geschrift (53) heeft [verdachte 1] opgeschreven: 'Ik beken hierbij mijn schuld voor het vermoorden van mijn dochter. Mijn drift kreeg de overhand en ik pakte een stok en begon haar op de borst te slaan, waardoor haar ribben kapot gingen, maar ze ging maar niet dood.

In latere verhoren heeft verdachte weinig willen zeggen en zegt zij niets meer te weten. Zij ontkende door [medeverdachte 3] te zijn geslagen (54) . Op 19 april 2006 verklaarde [verdachte 1] dat er in haar kind geen spook of boze geest zat (55). Het is een leugen dat Mehak behekst (56) was . Zij heeft haar kind niet doodgemaakt.

[medeverdachte 4]

Verdachte [medeverdachte 4] heeft vlak voor zij naar India zou worden uitgezet de politie laten weten, dat zij een nadere verklaring wilde afleggen. Op 23 maart 2006 (57) heeft zij verklaard dat gezegd is dat het meisje behekst was. [volgeling 1] en [volgeling 2] kunnen alles vertellen over de beheksing. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] hebben thuis met [volgeling 1] en [volgeling 2] gesproken. [medeverdachte 4] verklaarde vaker gezien te hebben dat als [verdachte 1] Mehak sloeg, [medeverdachte 2] er naast stond (58). Als [medeverdachte 3] met [verdachte 1] over Mehak sprak, ging [verdachte 1] als het gesprek klaar was naar de kamer van Mehak en sloeg haar waardoor Mehak hard ging huilen (59) .

[medeverdachte 4] verklaarde dat zij Mehak op 28 januari 2006 tussen 13:00 en 14:00 uur heel erg had horen huilen. Vervolgens zijn [verdachte 1], [medeverdachte 2] en Mehak even naar buiten gegaan. Toen [verdachte 1] en [medeverdachte 2] terugkwamen heeft zij gezien dat Mehak in orde was. Maar daarna is Mehak heel erg geslagen (60). [medeverdachte 4] hoorde Mehak weer erg huilen en ging kijken. De deur van Mehaks kamertje stond ongeveer 60 centimeter open en [medeverdachte 4] zag verdachte [verdachte 1] Mehak met haar vuist op voorhoofd en wangen slaan. [verdachte 1] zei daarbij herhaaldelijk: 'Spook'. [medeverdachte 4] zag ook, dat [verdachte 1] Mehak met een stok sloeg. Zij heeft Mehak eerst heel hard horen huilen, daarna werd de stem van Mehak zwaarder (61).

[medeverdachte 4] stelt dat [verdachte 1] niet de echte dader is, maar degenen die [verdachte 1] hebben gezegd dat Mehak behekst is (62).

Op 28 maart 2006 (63) en 6 april 2006 (64) heeft verdachte [medeverdachte 4] het volgende verklaard.

Verdachte werkt al 6 jaar voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] in Nederland (65) . Zij heeft uitvoerig toegelicht dat zij heel bang voor hen is, omdat zij in India veel macht hebben en haar en haar familie grote problemen kunnen bezorgen. Zij werkte voor de familie als hulp in de huishouding en ontvangt daarvoor € 50 per maand, die zij naar huis stuurt voor de studie van haar broers (66). Omdat haar verblijfsvergunning niet geregeld kon worden, zouden [verdachte 1] en [medeverdachte 2] haar gaan vervangen. Zij moest ze inwerken.

Na de komst van [verdachte 1], [medeverdachte 2] en Mehak naar Nederland was er volgens verdachte [medeverdachte 4] aanvankelijk niets aan de hand, tot [verdachte 1] [medeverdachte 3] vertelde dat zij in India een slang had gedood. Vanaf die tijd is [medeverdachte 3] zich anders gaan gedragen. Toen dacht [medeverdachte 3] dat Mehak behekst was, dat er een spook of zoiets in haar lichaam was (67). De beheksing is ongeveer 6 maanden geleden gebeurd (68). Toen dit verhaal bekend werd, gingen ze Mehak alleen nog maar in haar kamer zetten (69). Als er in huis ook maar iets mis ging, bijvoorbeeld als [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] struikelde, zei [medeverdachte 3] dat het door Mehak kwam. Dan werd [verdachte 1] ook boos en ging ze Mehak slaan. Mehak mocht haar kamertje niet meer uit. [medeverdachte 3] heeft Mehak met de hand en met schoenen geslagen en ze ging ook gooien met Mehak alsof ze een pop was (70). Als er iets gebeurde in huis, zei [medeverdachte 3] tegen [verdachte 1]: het komt door jouw dochter dat het gebeurt. En daarna ging ze haar langzamerhand slaan. [medeverdachte 3] heeft Mehak ook geschopt. Als er in het huis ruzie was of iets gebeurde kreeg Mehak altijd de schuld. Dan werd ze vastgebonden en kreeg de hele dag geen eten of drinken. (71)

[verdachte 1] en [medeverdachte 3] bonden Mehak ook vast (72). [verdachte 1] hield eigenlijk heel veel van Mehak, maar ze begon ook te geloven dat Mehak behekst was en toen is ze haar gaan mishandelen, aldus [medeverdachte 4] (73) .

[medeverdachte 3] was volgens [medeverdachte 4] de baas in huis, [medeverdachte 5] had niets te vertellen. [medeverdachte 3] sloeg [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [verdachte 1] ook, met een stokje (74) . [medeverdachte 4] heeft er nooit iets van gemerkt dat Mehak behekst was. [medeverdachte 3] heeft dat gezegd, verder niemand. [medeverdachte 5] heeft altijd gezegd dat het verboden was om te slaan, maar hij was er wel eens bij (75). [medeverdachte 3] sloeg [medeverdachte 2] als hij iets fout deed en zei dan dat het de schuld van Mehak was. Dan werd [medeverdachte 2] ook boos op Mehak. [medeverdachte 2] heeft Mehak hooguit vier keer geslagen, en niet hard, want hij wilde haar niet slaan (76), maar [verdachte 1] wilde scoren bij de [familie ] en laten zien dat ze het goed deed. [medeverdachte 4] heeft [verdachte 1] een keer gezegd dat zij haar kind alleen maar sloeg vanwege [medeverdachte 3]. Toen is zij door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] mishandeld met een stok. (77) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] hebben twee belangrijke religieuze personen, [volgeling 1] en [volgeling 2], geraadpleegd over de beheksing en kregen, naar verdachte [medeverdachte 4] heeft gehoord, het voorstel een bidceremonie te doen. (78)

Dit ritueel is volgens [medeverdachte 4] ongeveer 2 maanden voor de dood van Mehak verricht in het pand aan de [adres 1], terwijl de familie op het Kuikdijnpark in een vakantiehuisje logeerde (79). Mehak is daar twee keer geweest, maar als er iets mis ging, moest ze weer weg (80).

Op 28 januari 2006 heeft [medeverdachte 4] [medeverdachte 3] 's morgens tegen [verdachte 1] horen zeggen dat Mehak vastgebonden moest worden, omdat [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] anders door het spook dat in haar zat de wedstrijden zou verliezen (81). Mehak mocht haar kamertje niet uit en niet te eten of te drinken krijgen, want als ze at en daardoor lachte kon [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] ook verliezen . 's Middags belde [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] op en gaf haar opdracht om tegen [verdachte 1] te zeggen dat Mehak moest worden vastgebonden en een paar klappen moest krijgen, want [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] had de eerste wedstrijd verloren (82) . De eerste keer dat [medeverdachte 3] belde, heeft [medeverdachte 4] de boodschap doorgegeven. [medeverdachte 2] wist ervan; hij was in de woonkamer en vroeg wat er aan de hand was. [medeverdachte 4] heeft het hem verteld (83). De tweede keer moest ze [verdachte 1] de telefoon geven. Toen zag ze dat Mehak op de grond lag en met sjaals was vastgebonden. Mehak werd heel klein gemaakt met haar benen omhoog gebonden om haar middel en haar armen over elkaar gevouwen aan de voorkant. [medeverdachte 4] weet niet wat er toen gezegd is. [verdachte 1] sloeg Mehak op haar voorhoofd en noemde haar een spook en een heks (84).

[medeverdachte 2] was aan het werk, hij kon niets doen. Tegen [medeverdachte 3] kon niemand op.

Tijdens het derde telefoontje droeg [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] op [verdachte 1], [medeverdachte 2] en Mehak het huis uit te sturen, want omdat Mehak binnen was, verloor [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] (85). Ze waren snel weer terug. Mehak was toen nog in orde. [verdachte 1] en Mehak zijn weer naar het kamertje gegaan en [medeverdachte 3] belde op om te zeggen dat Mehak weer vastgebonden moest worden (86). Dat heeft [medeverdachte 4] doorgegeven. Zij heeft gezien dat [verdachte 1] Mehak vastbond. Op verzoek van [verdachte 1] is zij een stok gaan halen -wat [medeverdachte 2] wist, omdat hij toen bij de deur van de woonkamer stond- (87), en ze zag dat [verdachte 1] daarmee op de armen van Mehak sloeg (88). Toen ging de deur dicht en [verdachte 1] hield de telefoon bij zich. [medeverdachte 4] heeft Mehak heel hard horen huilen. [medeverdachte 2] was bij [medeverdachte 4] en moet dat ook gehoord hebben. (89) Pas tegen 15.30 of 16:00 uur ging de deur weer open. Mehak was toen niet meer vastgebonden. Ze haalde heel moeilijk adem en haar ogen draaiden weg. [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 3] gebeld, die haar zei op de borstkas van Mehak te drukken. [verdachte 1] leek heel normaal en zei: 'Ze is al dood.' (90) Een kwartier later was [medeverdachte 3] al thuis. Ze ging zelf met Mehak bezig en heeft gevraagd om het ademhalingsapparaat. (91) Het was niet de bedoeling dat Mehak die dag dood zou gaan, maar waarschijnlijk is [verdachte 1] gewoon te ver gegaan, aldus [medeverdachte 4]. (92)

[medeverdachte 3] heeft gezegd dat er verteld moest worden dat Mehak van de trap was gevallen. (93)

Op 3 mei 2006 is [medeverdachte 4] opnieuw gehoord. Over het eerderbedoelde stokje verklaart zij nader dat het om een zweepje gaat. (94) Ze vertelde toen dat zij de stok pakte en dat ze wist waarvoor die gebruikt ging worden. Ze wist dat de opdracht van [medeverdachte 3] kwam, omdat [medeverdachte 3] net met [verdachte 1] had gesproken (95). Daarover doorgevraagd verklaart zij dat zij dit heeft afgeleid uit het feit dat [verdachte 1] kort daarvoor met [medeverdachte 3] had gesproken (96). Zij heeft de stok gehaald omdat [verdachte 1] dat had gevraagd. Mehak is daarvoor nooit met deze stok -een boomtak- geslagen. Meestal werd ze met een ander stokje geslagen. Dat lag in de kamer van Mehak (97). [medeverdachte 2] heeft op 28 januari 2006 niet gezegd dat er niet geslagen moest worden; dat deed hij nooit. Zelf heeft ze het ook niet gezegd. [medeverdachte 2] wist dat Mehak geslagen werd. Hij heeft dat heel vaak gezien. [medeverdachte 3] ging Mehak heel hard slaan. Zo hard dat er bloed uit haar mond kwam (98). Ze sloeg met de vuist en de vlakke hand.

Op 22 september 2006 heeft een reconstructie van de gebeurtenissen op 28 januari 2006 plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1] (99). Van alle verdachten heeft alleen [medeverdachte 4] daaraan meegewerkt en onder meer voorgedaan wat zij van het vastbinden van Mehak heeft gezien. [medeverdachte 4] verklaarde, dat [medeverdachte 3] haar gezegd had dat [verdachte 1] Mehak niets mocht geven en moest slaan. [medeverdachte 3] is hierna weggegaan. [verdachte 1] en Mehak waren op dat moment in de kleine kamer. Wat [medeverdachte 3] zei, heeft ze door de dichte deur doorgegeven aan [verdachte 1]. (100) Ze hoorde Mehak kort daarna hard huilen. Ze kon dit tot in de keuken horen. [medeverdachte 2] was in de woonkamer. [medeverdachte 3] belde vervolgens. [medeverdachte 2] nam op en gaf de telefoon aan haar. [medeverdachte 3] vroeg [medeverdachte 4] wat [verdachte 1] aan het doen was. [medeverdachte 4] vertelde dat [verdachte 1] Mehak aan het slaan was en dat ze haar hoorde huilen. Toen [medeverdachte 3] weer belde, nam [medeverdachte 4] zelf op. [medeverdachte 3] vroeg naar [verdachte 1]. Ze gaf de telefoon daarop aan [verdachte 1]. Ze hoorde [verdachte 1] 'ok, ok' zeggen. [medeverdachte 4] kreeg de telefoon terug en [medeverdachte 3] zei haar, dat ze [verdachte 1] had gezegd Mehak vast te binden en te slaan (101). [medeverdachte 4] hoorde toen vijf keer heel hard een geluid en huilen. [medeverdachte 4] ging de woonkamer in en gaf de telefoon aan [medeverdachte 2]. Korte tijd later ging de telefoon weer. [medeverdachte 2] nam op en gaf de telefoon door aan [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] gaf de telefoon aan [verdachte 1]. [medeverdachte 4] kreeg de telefoon terug en [medeverdachte 3] zei toen dat [verdachte 1], [medeverdachte 2] en Mehak naar buiten moesten. [medeverdachte 4] zei dit tegen [verdachte 1], riep [medeverdachte 2] en zei het ook tegen [medeverdachte 2] (102). [medeverdachte 4] stond nog met [medeverdachte 3] aan de telefoon en moest zeggen wanneer ze buiten waren. Korte tijd later waren [medeverdachte 2], [verdachte 1] en Mehak alweer terug. [verdachte 1] liep gelijk met Mehak naar de kamer van Mehak (103). [verdachte 1] zei dat [medeverdachte 3] had gezegd dat ze weer naar binnen moesten. De deur ging dicht. Daarna heeft ze [medeverdachte 4] geroepen en vroeg ze waar [medeverdachte 2] was. [medeverdachte 4] moest heel hard duwen om de deur open te maken en zag toen dat Mehak was vastgebonden en [verdachte 1] vroeg naar [medeverdachte 2]. [verdachte 1] zei tegen [medeverdachte 4]: stuur [medeverdachte 2] met een stok. [verdachte 1] zag dat ze alles helemaal vastgebonden had, voeten en handen. Mehak zag er heel slecht uit en toen vroeg [verdachte 1] [medeverdachte 2] een stok te halen. [medeverdachte 4] heeft voorgedaan hoe Mehak vast zat. [medeverdachte 2] heeft de stok gebracht. [verdachte 1] trok de stok uit de handen van [medeverdachte 2] en ging gelijk heel hard slaan. Echt hoog en dan hard slaan. Mehak huilde zachtjes. De telefoon was bij [medeverdachte 4] en volgens [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 3] waarschijnlijk gebeld en [verdachte 1] ging slaan. Toen heeft zij de telefoon aan [verdachte 1] gegeven want dat vroeg [medeverdachte 3]. en toen heeft [verdachte 1] heel hard geslagen op de rug van Mehak. Mehak ging niet huilen (104). Vervolgens heeft [medeverdachte 3] gebeld en gezegd dat [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] gewonnen had. [medeverdachte 4] heeft ok gezegd en [medeverdachte 3] zei: 'Geef de telefoon aan [verdachte 1]' en dat heeft [medeverdachte 4] gedaan. Ze heeft de deur dichtgedaan en is weggegaan. Toen [medeverdachte 4] wegging, werd er nog geslagen. [medeverdachte 2] heeft niets gezegd. Hij stond gewoon stil daar. [medeverdachte 4] heeft de telefoon aan [verdachte 1] gegeven en is weggegaan naar boven. De telefoon is nog vaak gegaan. Ze heeft Mehak nog twee of drie keer heel hard horen gillen en daarna kwam er geen geluid meer. Op een gegeven moment heeft [verdachte 1] haar geroepen.

[medeverdachte 4] heeft toen met [medeverdachte 3] aan de telefoon gesproken en ze moest van [medeverdachte 3] kijken of Mehak ademhaalde (105).

[medeverdachte 2]

Verdachte [medeverdachte 2] heeft een- en andermaal verklaard dat Mehak van de trap is gevallen. Nadat hij op 28 januari 2006 samen met [verdachte 1] en Mehak buiten was geweest, was [verdachte 1] bij Mehak. Hij was bezig met werkzaamheden en bidden. 's Avonds heeft hij gehoord dat er een ongeval had plaatsgevonden (106). Oud letsel heeft hij naar zijn zeggen niet gezien; Mehak was volgens hem volledig gezond (107).

[medeverdachte 5]

[medeverdachte 5] heeft als verdachte bij de politie verklaard dat Mehak actief en gezond was (108). Hij heeft nooit gemerkt dat [medeverdachte 2] haar sloeg. Wel heeft hij gehoord dat [verdachte 1] haar wel eens een klein tikje gaf, maar beslist geen harde klappen (109) . Mehak was een heel druk kind en in India viel ze vaak. Ze was daardoor niet zichtbaar gewond (110).

Het was die zaterdag een bijzondere dag vanwege de schaakwedstrijd van zijn zoon. Er was die ochtend en middag geen bijzondere reden om naar huis te bellen, behalve een zakelijk telefoontje dat hij verwachtte uit India over de aankoop van 'property'. [medeverdachte 5] kan zich niet herinneren naar huis gebeld te hebben die middag. Af en toe zag hij dat [medeverdachte 3] belde (111). Hij kan zich niet herinneren of [medeverdachte 3] tegen hem gezegd heeft waar al die gesprekken over gingen (112).

[medeverdachte 5] verklaarde verder dat hij 's morgens vroeg naar zijn werk ging en 's avonds laat thuiskwam. 'In het weekend werken wij ook of zijn we buitenshuis. Daarom heb ik geen aandacht aan [verdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] besteed (113) .'

Mehak huilde wel eens. Hij heeft daar niet op gelet. Haar ouders zijn daar verantwoordelijk voor, aldus [medeverdachte 5].

[medeverdachte 3]

Als verdachte bij de politie gehoord heeft [medeverdachte 3] gezegd dat zij nooit heeft gezien of gehoord dat [verdachte 1] en [medeverdachte 2] Mehak sloegen (114) . Mehak was een vrolijk, actief kind. Volgens [medeverdachte 3] was ze gezond, maar wel mager. [verdachte 1] heeft op 28 januari 2006 een keer of zes naar [medeverdachte 3] gebeld. [medeverdachte 3] hoorde op de achtergrond Mehak een beetje huilen (ze had medicijnen gekregen) en later brabbelen en het geluid van speelgoed. Om half twee, twee uur zei [verdachte 1] dat ze het kind even mee naar buiten nam om te spelen (115). [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] toen gebeld om te vragen wanneer ze weer naar binnen gingen, omdat zij een telefoontje uit India verwachtte. Verder heeft [verdachte 1] geïnformeerd naar het schaaktoernooi en is er over het eten gesproken (116).

Verklaringen afgelegd in 2007

[verdachte 1]

Op 23 april 2007 (117) en 25 mei 2007 (118) heeft [verdachte 1] als verdachte, evenals als getuige ter zitting in de zaken tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 18 en 19 juni 2007 (als processtuk gevoegd in de zaken tegen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]) (119) , een andere verklaring afgelegd omtrent de dood van haar dochter, erop neerkomende dat [medeverdachte 4] Mehak heeft doodgeslagen. Niet zijzelf maar [medeverdachte 4] was degene die in opdracht van verdachte [medeverdachte 3] Mehak heeft vastgebonden en geslagen met een stok. [verdachte 1] zou daarbij aanwezig zijn geweest en met haar rug naar [medeverdachte 4] toe kleding hebben gesorteerd (120). Voor het overige verklaarde zij in grote lijnen overeenkomstig de gang van zaken zoals verdachte [medeverdachte 4] die heeft beschreven.

[verdachte 1] verklaarde dat zij niet eerder heeft verteld dat [medeverdachte 4] haar dochter vermoord heeft, omdat [medeverdachte 3] gedreigd had haar familie in India uit te moorden (121). Ze legde nu deze verklaring af omdat ze haar schoonvader heeft gesproken en die heeft gezegd dat hij zal zorgen dat [medeverdachte 3] ervan langs krijgt mocht hen iets gebeuren (122).

[verdachte 1] verklaart dat zij haar kind eerder ook heeft geslagen. Iedereen sloeg Mehak, daarom had ze botbreuken. [verdachte 1] vertelde huilend dat niet zij, maar [medeverdachte 3] de arm van Mehak heeft gebroken (123). [verdachte 1] verklaarde dat er veel werk in huis was, dat zij haar kind daardoor niet meer kon verzorgen en het kind heel erg sloeg omdat het constant huilde. Ze had geen tijd om Mehak te verzorgen omdat ze telkens van alles in huis moest doen van [medeverdachte 3] (124).

Mehak huilde veel en [medeverdachte 3] houdt niet van kinderen die huilen. [medeverdachte 3] had haar op een dag gezegd dat ze deze zonde in haar huis had gebracht. Toen heeft zij [medeverdachte 3] verteld, dat ze in India heel vaak slangen dood had zien gaan. [verdachte 1] verklaarde dat [medeverdachte 3] als eerste Mehak in het bijzijn van [medeverdachte 4] in de kamer waar zij eerst woonde met de dozen, aan de arm heeft vastgehouden en tegen de muur heeft geslingerd (125). Op het moment dat zij [medeverdachte 3] vertelde dat zij heel veel slangen heeft zien doodgaan zei [medeverdachte 3] tegen haar dat haar dochtertje een vrouwelijke slang is die wraak wil nemen op haar (126). [verdachte 1] verklaarde dat ze [medeverdachte 3] dit in december 2005 heeft verteld. Vanaf toen is [medeverdachte 3] gaan denken dat in Mehak een slang was geïncarneerd. Toen heeft [medeverdachte 3] Mehak heel erg geslagen, haar beschuldigd en harde woorden tegen [verdachte 1] gezegd. Toen heeft [verdachte 1] gezegd dat zij terug wilde naar India en heeft [medeverdachte 3] haar heel erg geslagen. (127) Daarna werd Mehak iedere dag geslagen. Zijzelf, [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en meerdere keren ook haar man sloegen Mehak. Dat is begonnen in december 2004. Zij heeft haar kind altijd geslagen. [medeverdachte 3] dwong haar. [medeverdachte 4] zei een keer: 'Je slaat je kind om [medeverdachte 3] blij te maken'. Mehak kreeg van alle vervelende dingen de schuld (128) . Mehak kreeg niet op tijd eten (129) en alleen brood met water, maar wel medicijnen tegen de pijn (130). 'Toen [kind 1 van medeverdachte 3 en 5] een keer ruzie op school had, belde [medeverdachte 3] op en gaf Mehak de schuld.' [verdachte 1] vertelde dat zij Mehak toen geslagen heeft. Ook [medeverdachte 4] heeft Mehak toen geslagen. Toen [medeverdachte 3] bovenkwam, pakte ze het armpje van Mehak en draaide het om. Ze legde toen haar voet op de buik van Mehak en op de borst en ze schopte [verdachte 1] in haar baarmoeder (131). Ze heeft Mehak erg geslagen met haar handen. [medeverdachte 3] heeft de botten van Mehak gebroken. Mehak is heel erg geslagen vanaf het moment dat [D] naar India is gegaan (132). [medeverdachte 5] heeft Mehak ook geslagen. Zelfs haar man heeft haar kind geslagen.(133) . [medeverdachte 3] sloeg Mehak met een stok. Zij heeft Mehak met een snoer geslagen (134). Toen [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] de hardloopwedstrijd had, heeft [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] geslagen met een snoer. Daarna heeft zij Mehak met het snoer geslagen. Mehaks kleren moesten uit. Ze zijn naar Kijkduin gegaan om te kijken of de geest daar ook zou komen of in het andere huis zou blijven (135). [volgeling 1] en [volgeling 2] zijn niet op haar verzoek maar op initiatief van [medeverdachte 3] naar Mehak komen kijken (136). Zij wisten niet dat Mehak werd geslagen (137) . Dat verhaal van die man die uit Mehak kwam is een leugen. Dat moest ze van [medeverdachte 3] zeggen (138) . [medeverdachte 3] en zij stopten speelgoed in de mond van Mehak en hielden haar mond dicht, anders werd ze niet stil (140).

Mehak huilde niet zoveel. [verdachte 1] heeft eerst gezegd van wel, omdat dat haar zo is ingeprent, want [medeverdachte 3] ging schreeuwen als Mehak huilde tijdens het bidden (140). Mehak kon niet meer lopen toen [medeverdachte 3] haar voet op Mehaks buik had gezet, haar hand verdraaide en haar tegen de muur had geslagen. Mehak werd altijd vastgebonden als [medeverdachte 3] het huis verliet. Mehak mocht niet slapen omdat de geest [medeverdachte 3] dan zou achtervolgen (141).

[medeverdachte 2]

Op 21 mei 2007 (142) en ter zitting op 18 en 19 juni 2007 (143) heeft verdachte [medeverdachte 2] eveneens een uitgebreide verklaring afgelegd, waarbij hij heeft verteld dat [medeverdachte 4] en [verdachte 1] op 28 januari 2006 samen op de kamer van Mehak waren, dat hijzelf op verzoek van [medeverdachte 4] een knoop in de sjaal heeft gelegd waarmee zijn dochter was vastgebonden en dat hij de stok is komen brengen en een soort sambal waarmee [medeverdachte 4] probeerde Mehak bij te brengen. [medeverdachte 2] steltde, dat hij zijn dochter in haar gezicht en (met de stok) op haar rug heeft geslagen toen ze al buiten kennis was. [medeverdachte 4] vroeg hem: 'Wij zijn Mehak aan het slaan, waarom doe jij dat ook niet?' Het vastbinden en slaan van Mehak door [medeverdachte 4] heeft hij niet gezien.

[medeverdachte 2] zei dat hij eerder niet verklaard heeft omdat Mehak toch dood was en omdat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] in de problemen zouden komen als hij (de waarheid) zou vertellen (144). Hij verklaarde dat achter alles wat er gebeurd is, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] zitten. [medeverdachte 4] en [verdachte 1] gingen Mehak slaan in opdracht van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]. Zij waren bang voor [medeverdachte 3]. Er was iedere dag ruzie.

Toen hij en [verdachte 1] pas in Nederland waren, ging iedereen goed met Mehak om. Na drie of vier maanden werd dat anders. [medeverdachte 3] ging zich anders gedragen tegenover hem, [verdachte 1], Mehak en [medeverdachte 4] (145). Mehak werd ervan beschuldigd dat ze geen normaal kind was, dat door haar toedoen allerlei rare dingen gebeurden. Mehak is niet zodanig mishandeld dat ze er letsels aan over hield. [medeverdachte 2] heeft niet gezien wie geslagen heeft en hoe hard. (146) Hij wist wel dat het al een tijdje aan de gang was dat Mehak werd geslagen. (147) Het slaan van Mehak gebeurde vier of vijf maanden nadat zij in Nederland waren. [medeverdachte 5] sloeg Mehak niet, maar wist er van (148). [medeverdachte 5] zal het niet gezien hebben. Hij had niets te vertellen. (149) Mehak werd met de hand geslagen en met een soort lineaal. [medeverdachte 4] zat ook iedere keer nieuwe ideeën te verzinnen om Mehak te slaan. [medeverdachte 4] sloeg alleen in opdracht van [medeverdachte 3]. De tweede keer ging Mehak niet mee naar het Kijkduinpark omdat ze bezeten was. (150) [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 2] met een snoer geslagen.

Nadat Mehak mishandeld werd, kon ze niet meer staan.

Op 28 januari 2006 is er veel gebeld door [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] nam op en [medeverdachte 3] wilde steeds [medeverdachte 4] spreken. Dat was om te vragen wat Mehak aan het doen was. [medeverdachte 2] denkt dat Mehak geslagen is voor ze naar buiten zijn geweest (151). Hij vertelde dat het hoogstens ging om een klap geven, vastbinden. Het was niet de bedoeling om haar dood te maken. 'Gewoon een paar klappen geven, vastbinden daar zou het bij blijven. Gewoon normaal (152)'. [medeverdachte 2] wist alleen maar dat daar binnen Mehak met een stok werd geslagen, niet dat [medeverdachte 4] zo veel zou slaan (153).

[medeverdachte 5] en [medeverdachte 3]

De verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] zijn na hun invrijheidstelling naar India teruggereisd en hebben geen nadere verklaringen meer afgelegd. Wel is op de zittingen in hun zaken een videoboodschap van zeven minuten vertoond. Hierop ontkennen zij iedere betrokkenheid bij het mishandelen en de dood van Mehak.

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 4] is naar aanleiding van de door [verdachte 1] en [medeverdachte 2]h in 2007 afgelegde verklaringen opnieuw gehoord op 23 mei 2007. Zij heeft toen het volgende verklaard.

[medeverdachte 4] wist niet wanneer Mehak naar de kleine kamer verhuisd is. Vanaf toen kwam ze niet meer uit haar kamer omdat [medeverdachte 3] dacht dat ze behekst was (154) . [verdachte 1] gaf normaal gesproken het eten. Mehak heeft op 5 à 6 dagen helemaal geen eten gekregen, maar niet aaneengesloten. Soms zei [medeverdachte 3] tegen [verdachte 1] dat ze Mehak wel eten moest geven. Mehak kreeg brood, maar ook groente. (155) [medeverdachte 3] is helemaal veranderd toen [verdachte 1] en [medeverdachte 2] in het huis kwamen. De eerste keer zag [medeverdachte 4] [verdachte 1] Mehak slaan. [medeverdachte 3] heeft Mehak niet als eerste geslagen. Later wel. Een keer ging [medeverdachte 3] Mehak slaan en dat vond [medeverdachte 4] niet leuk. Toen heeft ze gezegd: 'Waarom sla je dat kind?' Toen werd [medeverdachte 5] boos en heeft hij [medeverdachte 4] geslagen. (156) [medeverdachte 4] verklaart gezien te hebben dat [medeverdachte 3] Mehak bij haar arm greep en tegen de muur sloeg. En [verdachte 1] heeft haar hoofd gebonkt op de vloer. [medeverdachte 3] schold Mehak ook uit. Er was toen verder niemand thuis. Mehak ging heel hard huilen. [verdachte 1] gaf Mehak klappen en [medeverdachte 3] ging schoppen. Er kwam bloed uit haar mond. [medeverdachte 3] schopte aan de zijkanten en tegen haar rug. [medeverdachte 3] heeft haar een keer vastgehouden en tegen de muur geslagen. Mehak had toen gezwollen lippen en blauwe plekken. (157) Mehak werd soms twee keer per week geslagen, soms een week niet. [verdachte 1] sloeg haar. [verdachte 1] heeft ook een keer met een stok geslagen. Mehak werd ook geschopt. Ze kon een keer amper meer praten. Dat was een maand voordat ze dood ging. (158) [verdachte 1] heeft dat ook gezien en verder niemand (159). Mehak kreeg vaak een paar klappen, maar ze is maar af en toe in elkaar geslagen. [medeverdachte 5] heeft wel tegen haar gezegd: 'Geef dat kind eten, straks gaat ze weer huilen' (160). Van [medeverdachte 2] weet ze niet of hij wist hoe het met Mehak ging. [verdachte 1] zorgde niet goed voor haar. Niemand had aandacht voor dat probleem. Ze wisten het wel. Ze kan zich niet herinneren dat Mehak vaker vastgebonden werd (161). [medeverdachte 2] heeft de stok op 28 januari 2006 aan [verdachte 1] gegeven.

[medeverdachte 5] heeft Mehak nooit geslagen (162). Het verhaal van [verdachte 1] dat [medeverdachte 4] gezegd zou hebben de kleren van Mehak uit te doen omdat ze anders niets voelde van het slaan, is niet waar.

De betrouwbaarheid van de verklaringen en overige bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen ten aanzien van de rol van de verdachten [medeverdachte 4], [verdachte 1] en [medeverdachte 2] op 28 januari 2006

De verklaringen van [verdachte 1] en [medeverdachte 4] over de manier waarop Mehak om het leven is gebracht komen in grote lijnen overeen (vastbinden, slaan met de vuist en slaan met een stok) en passen bij het door de patholoog geconstateerde letsel . (163)

Dr. Bilo heeft het letsel dat bij Mehak is geconstateerd, gerelateerd aan het door [verdachte 1] op 23 en 24 februari 2006 verklaarde (dichtknijpen van de keel) en de door [medeverdachte 4] tijdens de reconstructie afgelegde verklaring (de inbinding). Zowel de door de [verdachte 1] beschreven handelingen als de door [medeverdachte 4] beschreven handelingen als een combinatie van beide kunnen de bij Mehak geconstateerde afwijkingen hebben veroorzaakt. Voor de plausibiliteit van het verhaal van [medeverdachte 4] pleit in dit verband de aanwezigheid van verse fracturen op de costochondrale overgang. Ook de geconstateerde stuwing in de schaamstreek kan worden verklaard door de door [medeverdachte 4] beschreven inbinding van Mehak, aldus dr. Bilo (164).

Ook forensisch geneeskundige D. Botter heeft na onderzoek geconcludeerd dat wat [medeverdachte 4] tijdens de reconstructie op 22 september 2009 heeft verteld en laten zien zeer wel kan passen bij een toedracht van mishandeling die aanleiding is geweest voor het overlijden van Mehak. De beschreven geweldsinwerkingen en kneveling kunnen de bij sectie door dr. Kubat gedane bevindingen tot gevolg hebben (165).

Het geconstateerde letsel ondersteunt derhalve de verklaringen op het punt van de wijze waarop Mehak om het leven is gebracht. De verklaringen van [verdachte 1] en [medeverdachte 4] dat met een stok is geslagen, wordt ondersteund door het feit dat in de prullenbak in de keuken een stok is gevonden, waarop celmateriaal van Mehak is aangetroffen (166). [verdachte 1] (167)heeft over de stok waarmee geslagen zou zijn gezegd dat ze die in een vuilnisemmer heeft gezet.. [medeverdachte 4] heeft verteld dat zij de stok - een tak van een boom- waarmee Mehak werd geslagen in de keuken vond en in de prullenbak deed (168) . [verdachte 1] heeft de stok herkend als de stok waarmee geslagen is (169).

De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat met deze stok is geslagen. Daarbij kan in het midden blijven hoe de stok in de vuilnisbak terecht is gekomen

[medeverdachte 4] heeft aanvankelijk meermalen verklaard dat zij de hele middag aan het winkelen was. Zij is later anders gaan verklaren, toen zij dreigde te worden uitgezet naar India. Zij wil heel graag in Nederland blijven. De rechtbank heeft zich dan ook rekenschap gegeven van de mogelijkheid dat [medeverdachte 4] heeft gelogen en dat de verdachten [verdachte 1] en [medeverdachte 2] alsnog de waarheid zijn gaan vertellen. Als [medeverdachte 4] degene is die Mehak om het leven heeft gebracht, heeft zij er immers belang bij om de schuld op anderen af te schuiven. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

[medeverdachte 4] is vanaf maart 2006 tot heden bij haar verklaring gebleven dat [verdachte 1] Mehak heeft gedood. Haar eerste verklaringen daarover zijn uitvoerig, gedetailleerd en samenhangend en worden op vele punten bevestigd door ander bewijsmateriaal, waaronder getuigenverklaringen van derden omtrent het naar buiten gaan van [verdachte 1], [medeverdachte 2] en Mehak (170). Zij benoemde daarbij ook wat volgens haar de beweegredenen van haar medeverdachten waren om te handelen zoals ze hebben gedaan. Zo verklaarde zij bijvoorbeeld, dat [verdachte 1] heel veel van haar kind hield maar door [medeverdachte 3] in de beheksing van Mehak ging geloven en dat [medeverdachte 2] zijn kind eigenlijk niet wilde slaan.

[verdachte 1] heeft aanvankelijk ook meermalen gezegd dat zij degene is geweest die Mehak met een stok heeft geslagen op hoofd, armen, benen en ribben en haar de keel heeft dichtgeknepen en zij heeft dit in haar cel ook uit eigen beweging opgeschreven. Zij heeft net als [medeverdachte 4] gezegd dat Mehak was vastgebonden met een sjaal en dat zij Mehak sloeg omdat die werd bezeten door een geest. [verdachte 1] verklaarde ook dat zij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] heeft verteld van de man die uit Mehak kwam. Deze verklaring komt, onder andere door de herhalingen daarin, authentiek over; [verdachte 1] geeft ook blijk van groot verdriet, schuldbesef en een zekere verwarring. Ook [medeverdachte 2] heeft in zijn eerste verklaring op 7 februari 2006 verwezen naar geesten en desgevraagd verklaard dat hij denkt dat er een boze geest was in Mehak (171).

[medeverdachte 4] heeft op 2 februari 2006 ook verklaard dat [verdachte 1] met een T-shirt de lippen van Mehak aan het schoonmaken was. Dit heeft [verdachte 1] op 23 februari 2006 in zoverre bevestigd dat zij heeft verklaard dat er een klein beetje bloed uit de mond van Mehak kwam dat zij -[verdachte 1]- met een roze slabbetje heeft afgeveegd (172). In de woning is een roze slabbetje aangetroffen met bloed dat van Mehak bleek te zijn (173).

De recente verklaring van [verdachte 1] dat het verhaal van de man die uit Mehak kwam een grote leugen van haar is geweest, dat zij niet geloofde dat er een geest in haar kind was en dat [medeverdachte 3] haar in het ziekenhuis zou hebben gezegd dat als ze wat moest verklaren, ze moest zeggen dat er een geest in het kind zat (174), acht de rechtbank niet geloofwaardig. [verdachte 1] verklaarde drie vragen verder in datzelfde verhoor dat [medeverdachte 3], toen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] op bezoek waren in de gevangenis, haar een papiertje heeft laten zien waarop stond dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] niet wisten dat er een geest was in het kind. Dat moest [verdachte 1] van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] verklaren (175). [verdachte 1] heeft op 13 november 2007 (176) als getuige bij de rechtbank bevestigd dat [medeverdachte 3] een tekst op haar hand had geschreven en aan haar liet zien: 'Je moet vertellen dat er geen geest was in Mehak.' Dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] daadwerkelijk hebben getracht [verdachte 1] duidelijk te maken dat er nu juist niet over geesten of hekserij gesproken moest worden, blijkt uit het afgeluisterde gesprek in de auto tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] op weg naar [verdachte 1] in Zwolle (177) .

Uit de tapverslagen van de gesprekken tussen [verdachte 1] en [medeverdachte 2] in het kader van de tussen hen geldende belregeling, in het bijzonder het gesprek op 26 april 2007 (178), blijkt voorts dat zij met elkaar gesproken hebben over de door hen af te leggen verklaring. [verdachte 1] zegt haar man in genoemd gesprek, dat ze bij de politie is geweest en alles aan hen heeft verteld. Ze zegt dat ze nu de waarheid heeft verteld, namelijk dat [medeverdachte 4] alles had gedaan. Ze vroeg [medeverdachte 2] vervolgens wat hij zou gaan vertellen en vermeldde een aantal aspecten van haar eigen verklaring:

[verdachte 1]: 'Wat was er gebeurd die dag... vertel mij maar eens.'

[medeverdachte 2]: 'Hee?'

[verdachte 1]: 'Ik weet niet wat je gaat zeggen... Vertel dat eerst mij maar.'

[medeverdachte 2]: 'wat moet ik zeggen?'

[verdachte 1]: 'Jij was er wel... in de keuken... ik weet niet waar jij was.'

[medeverdachte 2]: 'Ja.'

[verdachte 1]: 'Ik was sinds 12 uur bij Mehak en om 2 uur kwam [medeverdachte 4] daar. Ik weet niet wat [medeverdachte 3] tegen haar zei. Ik weet niet hoe vaak [medeverdachte 3] haar gebeld heeft. Ik was daar binnen.'

[medeverdachte 2]; 'Ik weet ook niet wat ze zei.'

[verdachte 1]: 'En een keer heeft [medeverdachte 4] de telefoon aan mij gegeven en [medeverdachte 3] zei dat ik wel heel verdrietig zou zijn omdat Mehak vandaag geen eten en water had gekregen. Jij weet wel [medeverdachte 2], dat ze die dag niets had gegeten.'

[medeverdachte 2]: 'Ja, dat weet ik wel.'

[verdachte 1]: 'De politie heeft mij gevraagd: hoe heeft [medeverdachte 4] haar vastgebonden? Zij heeft mij niets verteld en liet mij ook niet zien hoe ze dat deed. Ik heb gezegd dat ik niet weet hoe ze haar vastbond. Op het eind toen de ogen van Mehak waren gedraaid, zei [medeverdachte 4] tegen mij dat ze moe was geworden en nu moest ik haar slaan. Ze had jou gevraagd om een stok te halen?'

[medeverdachte 2]: 'Ja.'

[verdachte 1]: 'Ik heb gezegd dat ik met die stok drie keer heb geslagen en toen heeft [medeverdachte 4] jou geroepen.'

[medeverdachte 2]: 'Ja.'

[verdachte 1]: 'Dat je snel moet komen. Toen zei je dat haar bloed gestold was.'

[medeverdachte 2]: 'Hmm. Oké, ik ga het met mijn advocaat bespreken.'

[verdachte 1]; 'Nu ben ik pas uitgerust (relaxed). (...)' 'Ik heb gezegd dat iedereen mijn kind gedood heeft... Er is niemand die mijn kind niet heeft geslagen. Ik heb haar geslagen en jij [medeverdachte 2]... jij hebt haar ook geslagen. [medeverdachte 3] heeft het ook gedaan en [medeverdachte 5] heeft haar ook geslagen.'

Deze conversatie is geheel overbodig in geval [verdachte 1] en [medeverdachte 2] (al of niet in overleg) hebben besloten om naar waarheid te gaan verklaren omtrent de gebeurtenissen op 28 januari 2006. [verdachte 1] lijkt in dit gesprek haar best te doen om haar man de nodige informatie te verschaffen, zodat ze samen een sluitend verhaal kunnen vertellen.

[medeverdachte 2] vroeg tijdens zijn verhoor van 21 mei 2007 ook aan de politie of zijn verklaring wel overeenkwam met die van zijn vrouw, omdat zij van haar advocaat had begrepen dat hun relazen identiek moesten zijn. [verdachte 1] heeft hem dit, zoals blijkt uit de tap van dit gesprek, verteld in een telefoongesprek van 10 mei 2007 (179).

De verklaringen van [verdachte 1] en [medeverdachte 2] over hoe een en ander zou zijn gegaan, komen ook niet overeen of worden -zoals op de zittingen van 18 en 19 juni 2007- telkens bijgesteld. Zo verklaarde [medeverdachte 2] bij de politie dat hij op verzoek van [medeverdachte 4] een knoop is komen leggen in de shawls, tussendoor peper/sambal is komen brengen en ook zelf nog met de stok heeft geslagen op verzoek van [medeverdachte 4]. [verdachte 1] heeft dat bij de politie allemaal niet vermeld. Eerst nadat [verdachte 1] op de terechtzitting van 18 en 19 juni 2007 de verklaring had gehoord die [medeverdachte 2] als getuige aflegde, verklaarde zij dat [medeverdachte 2] inderdaad op 28 januari 2006 Mehak heeft geslagen en dat zij zich nu ook herinnert dat hij sambal is komen brengen. De volgorde kan zij zich niet meer precies herinneren: 'U vraagt mij of mijn man nog een knoop is komen leggen. O ja. De tweede keer dat hij binnen kwam, kwam hij met de sambal en toen heeft hij de knoop gemaakt. Nee sorry, dat was daarvoor. De tweede keer kwam hij de knoop leggen. Ik herinnerde mij dit altijd al, maar heb het tot nu toe niet willen zeggen. U vraagt mij waarom dat is. Zomaar. U vraagt mij of ik het nu zeg omdat mijn man het zegt. Ja.' (180)

[verdachte 1] en [medeverdachte 2] waren er al ongeveer een jaar van op de hoogte dat [medeverdachte 4] voor vooral [verdachte 1] zeer belastende verklaringen heeft afgelegd. Al die tijd hebben zij geen aanleiding gezien hun eigen relazen aan te passen. Dat zij dit zoals zij zeggen hebben nagelaten vanwege bedreigingen van [medeverdachte 3] aan het adres van [verdachte 1] en hun uitleg dat zij als zij [medeverdachte 4] noemden, zij [medeverdachte 3] ook moesten noemen, overtuigen niet. Dit kan immers niet verklaren, waarom [verdachte 1] bij verschillende verhoren heeft gezegd zelf schuldig te zijn aan de dood van Mehak. Niets belette [verdachte 1] om te blijven bij haar aanvankelijke verklaring dat Mehak van de trap was gevallen, wanneer zij [medeverdachte 4] in verband met [medeverdachte 3] niet had willen noemen.

[verdachte 1] heeft toegelicht, dat haar moeder (in India) had gehoord dat zij, [verdachte 1], haar kindje had vermoord en dat haar schoonvader haar vroeg hoe dit zat. Toen heeft zij gezegd dat dit niet waar was en dat [medeverdachte 4] het had gedaan (181). Het behoud van de sympathie van haar familie en schoonfamilie, naar wie zij hoe dan ook op enig moment terug moet keren, kan voor [verdachte 1] een belangrijk motief zijn geweest om haar verklaring aan te passen. In het verhoor van 23 februari 2006 wilde verdachte aanvankelijk niet meer bevestigen dat zij Mehak met een stok had geslagen, omdat dat 'niet kon': haar ouders en schoonouders zouden haar gaan haten (182).

Een belangrijk punt waarover [medeverdachte 4] op enig moment onjuist moet hebben verklaard, is over wie de stok aan [verdachte 1] heeft aangegeven. Dit deel van haar verklaring ziet echter niet op de rol van [verdachte 1] zelf.

De raadsman van [verdachte 1] heeft nog aangevoerd, dat de verklaring van [medeverdachte 4] op essentiële onderdelen niet klopt, bijvoorbeeld met betrekking tot haar verhaal over een geboortehoroscoop van Mehak die op de computer van [medeverdachte 5] op kantoor zou staan. Er is inderdaad geen ander bewijsmiddel die de verklaring van [medeverdachte 4] op dit punt ondersteunt. Evenmin kan echter worden vastgesteld dat deze verklaring onjuist is; de horoscoop kan zijn verwijderd. De verklaring wordt in zoverre wel ondersteund dat uit onderzoek aan de computer wel is gebleken dat hij zich tamelijk intensief met astrologie bezighoudt.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het aangeven van de stok aan [verdachte 1] wel een belangrijk punt is waar [medeverdachte 4] op enig moment onjuist over moet hebben verklaard. Dit ziet echter niet op de rol van [verdachte 1] in de gebeurtenissen op 28 januari 2006.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaringen van [verdachte 1] en [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 4] de geweldshandelingen die tot de dood van Mehak hebben geleid heeft uitgevoerd, niet geloofwaardig. De rechtbank acht de bekentenis van [verdachte 1] ter zake en de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaring over het op 28 januari 2006 door [verdachte 1] op Mehak toegepaste geweld betrouwbaar en bezigt die tot het bewijs. De verklaringen ondersteunen elkaar en worden ondersteund door het aangetroffen letsel en het technisch bewijs met betrekking tot de in beslag genomen boomtak.

Voorts ten aanzien van de rol van verdachte [medeverdachte 4] op 28 januari 2006

[medeverdachte 4] heeft het door haar vanaf 23 maart 2006 verklaarde over de gang van zaken op 28 januari 2006 sindsdien in grote lijnen gehandhaafd. Zij is nog vele malen verhoord en heeft meegewerkt aan de reconstructie op 22 september 2006, waarbij zij onder meer heeft gedemonstreerd hoe Mehak was vastgebonden op 28 januari 2006. Over allerlei details, zoals tijdstippen waarop gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en hoe wijd de deur van Mehaks kamertje wanneer precies heeft opengestaan, verklaart zij wisselend. De rechtbank beschouwt dit als een gevolg van het tijdsverloop en dit tast naar haar oordeel de betrouwbaarheid van de kern van het betoog van [medeverdachte 4] niet aan.

Het meest significante verschil in de verklaringen van [medeverdachte 4] bij de reconstructie ten opzichte van daarvoor is dat zij inmiddels ontkent dat zij de stok voor [verdachte 1] heeft gehaald en nu zegt dat [medeverdachte 2] dat heeft gedaan op verzoek van [verdachte 1].

In haar verklaring van 6 april 2006 heeft [medeverdachte 4] zonder enig voorbehoud verteld dat zij het was die op verzoek van [verdachte 1] de stok is gaan halen. Vervolgens waarschuwden de verhorende verbalisanten haar dat zij met deze verklaring ook verdachte werd van medeplichtigheid aan de dood van Mehak en dat ze niet verplicht was tot antwoorden. Ze vroegen haar of ze dat begreep. Ze antwoordde: 'Dat kan ik begrijpen omdat ik de stok aan haar heb gegeven. Ik wist het wel, maar ik heb het nooit eerder gezegd. Ik was bang dat ik ook gestraft zou worden, maar naderhand heb ik gedacht als ik iets verkeerds heb gedaan is het wel rechtvaardig dat ik ook daarvoor gestraft zal worden (183) .' Tijdens het verhoor van 3 mei 2006 heeft [medeverdachte 4] opnieuw en uitvoerig toegelicht waarom zij die de stok heeft gehaald en dat ze wist dat Mehak met die stok geslagen zou worden (184).

Uit de zojuist genoemde verklaring die [medeverdachte 4] heeft afgelegd, valt af te leiden dat zij er van tevoren over heeft nagedacht of zij wel zou vertellen dat ze de stok had gehaald. Ze lichtte ook toe waarom ze het vervolgens heeft verteld en verklaarde in het volgende verhoor, enige dagen later, nog uitvoering over de gang van zaken.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte dit destijds alleen heeft verklaard omdat ze zich op dat moment zo schuldig voelde dat ze vond dat ze straf verdiende, zoals ze in het verhoor van 23 mei 2007 en op de zitting van 18/19 juni 2007 heeft gezegd (185).

Dat [medeverdachte 2] inmiddels heeft bevestigd dat hij de stok heeft gehaald kan daaraan niet afdoen. De rechtbank heeft hiervoor reeds gemotiveerd waarom zij de door hem in 2007 afgelegde verklaring op het punt van de persoon die het geweld heeft toegepast en de stok heeft aangegeven niet betrouwbaar acht. Aangenomen moet worden dat [medeverdachte 2] het aangeven van de stok door [medeverdachte 4] aan [verdachte 1] heeft veranderd in het aangeven van de stok door hem aan [medeverdachte 4].

De rechtbank gaat er voor de bewezenverklaring dan ook van uit dat [medeverdachte 4] de stok heeft gepakt. Dat er een stok is gepakt, wordt op zichzelf bevestigd door de verklaringen van [verdachte 1] en [medeverdachte 2].

De betrouwbaarheid van de verklaringen ten aanzien van de rol van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5].

[medeverdachte 4] is in haar verhoren gaandeweg belastender gaan verklaren over met name [medeverdachte 3].

Als reden voor het feit dat zij pas in maart 2006 een eerste verklaring heeft afgelegd over wat er echt zou hebben plaatsgevonden aan de [adres 1], heeft zij aangegeven dat zij onder grote druk stond van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5], dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] haar hebben verboden over hen te verklaren en dat de zaak voor haar nog niet afgelopen is, omdat de familie [familie] het haar in India heel moeilijk zal maken (186).

In een opgenomen gesprek van 6 februari 2006 zegt [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 4]: 'Wil je dat ik je bij de politie breng en daar achter laat ... en aan de politie zeggen .... Handel jullie dit zelf ... willen jullie haar opsluiten .. mishandelen of vrijlaten ... doe alles met haar wat jullie willen ... het maakt mij niets meer uit ... (...) Begrijp je wel [medeverdachte 4] ... en als het nog erger wordt ... dan laat ik je daar achter ... of je dood gaat en of je in leven blijft ... moet je zelf weten ... doe wat je zelf goed vindt ... het maakt mij niets meer uit ... ik breng je daar met al je spullen ... laat ik je daar achter ...met jou heb ik dan niets meer te maken ...luister je.' [medeverdachte 4] heeft over dit gesprek verklaard dat dit over de politie in India gaat (187).

Uit voormeld gesprek blijkt dat [medeverdachte 3] bedreigingen als door [medeverdachte 4] vermeld aan het adres van [medeverdachte 4] heeft gedaan en de rechtbank acht -los van de vraag of [medeverdachte 3] daadwerkelijk in staat is om hetgeen zij zegt te bewerkstelligen- de door [medeverdachte 4] gemelde angst om belastend over [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] te verklaren dan ook reëel.

De rechtbank vindt het feit dat [medeverdachte 4] aanvankelijk niets heeft verklaard over de telastgelegde feiten dan ook geen reden om die verklaringen onbetrouwbaar te achten.

(Steun-)bewijs

De verklaring van [medeverdachte 4] dat ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] op de hoogte waren van het verhaal dat in Mehak een boze geest zou huizen, wordt ondersteund door het ter zake door [verdachte 1] in haar verklaringen van 23 en 24 februari 2006 vertelde en ook door het hiervoor reeds aangehaalde tapgesprek van 3 april 2006. Uit dit gesprek blijkt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] aan [verdachte 1] bij hun bezoek aan de PI Zwolle wilden vertellen dat ze over het onderwerp 'geesten' moest zeggen: 'Het leek me zo, maar ik vergat het te vertellen.' Ze moest zeggen dat ze er [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] niets over had verteld, omdat ze dacht dat ze dan niet meer bij hen zou mogen blijven logeren. Verdachte [medeverdachte 3] heeft daartoe op haar hand geschreven: 'Niet over geesten en hekserij praten.' Zij zal dit [verdachte 1] tonen bij hun bezoek (188). Uit dit gesprek blijkt dat het hele onderwerp helemaal niet nieuw was voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]. Als dit wel het geval was geweest, dan had immers voor de hand gelegen dat zij [verdachte 1] gevraagd zouden hebben hoe het dan zat met die geest.

Tot slot hebben de twee pandits [volgeling 1] en [volgeling 2], die [verdachte 1] en [medeverdachte 4] in hun verklaringen noemden, beiden verklaard in september 2005 bij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] in hun woning te zijn geweest, waar [volgeling 1] met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] heeft gesproken (189).

De getuige [volgeling 1] ([volgeling 1]) heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 3] haar zei dat de huishoudster een kind had en dat de moeder wilde dat [volgeling 1] haar zou opzoeken, maar dat ze dat niet heeft gedaan. [medeverdachte 3] vertelde [volgeling 1] dat ze als ze dat meisje vereerde, geen goede respons kreeg en dat haar dochter jaloers was. [medeverdachte 3] wilde onder meer weten wat het kind in een vorig leven was geweest. De moeder van het kind heeft toen zij thee kwam brengen gevraagd het kind te zegenen. [medeverdachte 3] was erg bezorgd over het kind, verklaarde [volgeling 1] verder, maar de manier waarop zij haar zorgen uitte, beviel [volgeling 1] niet. [medeverdachte 3] bleef praten over slapen en rondlopen en vroeg steeds wat het kind in een vorig leven was geweest. [medeverdachte 3] zei dat het kind zich in het bed draaide als ze sliep. [volgeling 1] vond dat [medeverdachte 3] onlogische dingen zei. [medeverdachte 5] was erbij toen [medeverdachte 3] vertelde over haar zorgen, maar [medeverdachte 3] was degene die over het kind praatte (190).

Dat het verschijnsel van geesten die levenden lastig vallen en hen schade berokkenen (bhut) geen rariteit betreft met een zodanig onwaarschijnlijkheidsgehalte dat om die reden de verklaringen van [medeverdachte 4] als ongeloofwaardig van de hand zouden moeten worden gewezen, blijkt uit het rapport van dr. E. de Maaker en de verklaringen van de getuigen [getuige D] (191) , [getuige E] (192) , [getuige F] (193) en [getuige G] (194). Uit voormelde stukken blijkt voorts dat slaan en vastbinden van personen in het kader van bezetenheid voorkomt.

Dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] wisten dat Mehak werd geslagen blijkt voorts ook uit het opgenomen gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] in hun auto van 19 februari 2006 (195), waarin [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 5] zei: 'Het gebeurde toch wel ... dat ... zodra de dag begon .. dat zij mishandeld werd', waarop [medeverdachte 5] antwoordde: 'Hmm. Elke twee minuten hé'.

De rechtbank acht voorts voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig voor hetgeen [medeverdachte 4] heeft verklaard omtrent de betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij de gebeurtenissen op 28 januari 2006.

De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

In de eerste plaats wordt het door [medeverdachte 4] ten aanzien van telefoongesprekken die zouden hebben plaatsgevonden ondersteund door de opgevraagde gespreksgegevens. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] hebben bevestigd dat de betreffende mobiele telefoonnummers op 28 januari 2006 bij hen in gebruik waren. Uit de opgevraagde telefoongegevens blijkt, dat met deze nummers vele telefoontjes zijn gepleegd naar het vaste nummer van de woning [adres 1]. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij een groot aantal gesprekken heeft gevoerd met dit nummer. Zij heeft voorts bevestigd dat zij [medeverdachte 2] op de zilverkleurige Nokia heeft gebeld toen [medeverdachte 2] en [verdachte 1] met Mehak de woning hadden verlaten.

Het verloop van de schaakwedstrijden van [kind 2 van medeverdachte 3 en 5] zoals [medeverdachte 4] dat heeft geschetst in haar verklaring sluit voorts aan bij de uitslagen van de schaakwedstrijd. Wanneer de uitslagen van de schaakwedstrijd worden bezien in combinatie met de tijdstippen van de telefoontjes, levert dit geen aanwijzing op dat de verklaring van [medeverdachte 4] onjuist zou zijn.

Ook het gedrag van [medeverdachte 3] nadien, zoals daarvan onder meer blijkt uit gesprekken die [medeverdachte 3] met [verdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gevoerd aangaande de op 28 februari 2006 gepleegde telefoontjes, vormt een bevestiging voor de juistheid van de verklaringen van [medeverdachte 4] ter zake.

Op 24 april 2006 (196) heeft [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] gebeld vanuit het huis van bewaring en zij heeft tegen hem gezegd:

'Kijk, die dag toen dit gebeurd is. Dat er een paar keer werd gebeld toen wij naar de wedstrijd gingen?'

[medeverdachte 2]: 'Ja.'

[medeverdachte 3]: 'Die dag toen wij een deal zouden sluiten in India over een perceel... waarvoor wij zo veel hebben gebeld?'

[medeverdachte 2]: 'Ja...'

[medeverdachte 3].: 'Dat is ook niet doorgegaan... Daar hebben wij zo veel verlies geleden. Het perceel hebben wij niet kunnen kopen. Daarover hebben ze ons ook verdacht waarom wij zo veel belden... ik heb hun alles verteld maar toch willen ze ons niet geloven. Je moet hun wel vertellen wat ik jou gezegd had als je een telefoontje uit India zou krijgen... wat je moest zeggen dat het over een perceel gebeld zou worden, en daarom heb ik zoveel gebeld.'

Op 3 april 2006 (197) heeft [medeverdachte 3] blijkens een tap tegen [verdachte 1] in het huis van bewaring iets soortgelijks gezegd:

'Het is zo gegaan (volgt een beschrijving van de ochtend van 28 januari 2006). Na ons vertrek hebben wij elkaar nog gebeld omdat...'

[verdachte 1]: 'Hmm...'

[medeverdachte 3]: 'Je weet toch dat er uit India gebeld zou worden over percelen.'

[verdachte 1]: 'Hmm.'

[medeverdachte 3]: 'Daarover hebben wij toch gesproken?'

[verdachte 1]: 'Hmm.'

[medeverdachte 3]: 'Dat wij percelen zouden kopen?'

[verdachte 1]: 'Hmm.'

[medeverdachte 3]: Over de percelen is niets van terecht gekomen. En je had mij over eten gevraagd, weet je nog?'

[verdachte 1]: 'Ja, dat klopt. Ik had het over eten.'

[medeverdachte 3]: 'Ja... dat was het enige waarover wij gesproken hadden. Op het laatst is er een telefoontje gekomen dat zij gevallen is... daarna kon je mij niet vertellen hoe erg het was.'

[verdachte 1]: 'Ik kon het niet vertellen.'

[medeverdachte 3] lijkt in voormelde gesprekken [medeverdachte 2] en [verdachte 1] te instrueren over hetgeen zij omtrent de inhoud van de op 28 januari 2006 door haar met de huislijn gepleegde telefoontjes moeten vertellen bij de politie. Uit het uitvoerige politieonderzoek ter zake is voorts geen enkele bevestiging gevonden voor een telefoontje uit India op de betreffende dag.

De rechtbank leidt uit het gedrag van [medeverdachte 3] na de dood van Mehak af, dat zij heeft geprobeerd de betreffende door haar gepleegde telefoontjes in een onschuldig daglicht te stellen. Ook dit ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 4] dat Mehak (ook) volgens [medeverdachte 3] behekst was en dat de telefoontjes gingen over het slaan en vastbinden van Mehak in verband met de geest die (ook) volgens [medeverdachte 3] in haar zat.

Voorts is gebleken dat de familie [familie] in 2005 meermalen een of twee huisjes op het Kijkduinpark heeft gehuurd op tijdstippen die passen bij hetgeen [medeverdachte 4] daarover heeft verklaard (198) .

Tot slot hebben [verdachte 1] en [medeverdachte 2] in 2007 verklaringen afgelegd die de verklaring van [medeverdachte 4] op een groot aantal punten bevestigen. Gezien het overige steunbewijs acht de rechtbank de verklaringen van [verdachte 1] en [medeverdachte 2] in zoverre wel betrouwbaar. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat zij in het dossier geen aanwijzingen heeft gevonden dat [verdachte 1] en [medeverdachte 2] hun verklaringen op andere punten dan ten aanzien van wie Mehak zou hebben geslagen en vastgebonden op 28 januari 2006 onderling op elkaar hebben afgestemd.

De rechtbank komt op grond van het voormelde tot de conclusie dat de hiervoor aangehaalde verklaringen van [medeverdachte 4] betrouwbaar kunnen worden geacht en dat deze tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte 1] en [medeverdachte 2] gezien het tijdsverloop, en gezien het feit dat deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de rol van [medeverdachte 4] op 28 januari 2006 onjuist zijn, onvoldoende betrouwbaar om te kunnen dienen tot het bewijs van feiten, gepleegd door medeverdachten, die niet ook uit de verklaringen van [medeverdachte 4] en/of andere bewijsmiddelen blijken. Dit betekent onder meer, dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat [medeverdachte 4] Mehak geslagen zou hebben en dat zij [verdachte 1] en [medeverdachte 2] zou hebben moeten slaan en daadwerkelijk heeft geslagen.

Ten aanzien van het verdachte onder 1 telastgelegde

Op grond van de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen (199) acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar dochtertje op 28 januari 2006 heeft geslagen, haar heeft vastgebonden, haar vervolgens met haar vuist en een stok heeft geslagen en haar keel heeft dichtgeknepen.

Verdachte heeft een- en andermaal verklaard, dat zij die ochtend al van plan was haar dochtertje te doden. Ze heeft verteld dat ze wist dat iedereen naar het schaken toe zou gaan en toen al had gevoeld dat ze Mehak dood zou maken. 'Ik kon die dag maar aan één ding denken: 'Maak haar dood, maak haar dood.' 'Elke keer kwam er maar één gedachte in mij: vandaag ga ik haar helemaal doodmaken.' 'Ze (Mehak) moest buiten elke keer lachen als ze naar me keek, maar ik was al vastberaden op die dag dat ik haar dood ga maken (200).'

Uit de aangehaalde passages blijkt niet alleen dat de opzet van de verdachte was gericht op de dood van haar kind, maar ook de voorbedachte raad. Zij heeft ruim de tijd gehad om op haar schreden terug te keren. Zij heeft haar kind echter mishandeld tot de dood erop volgde.

De rechtbank acht verdachte [verdachte 1] dan ook schuldig aan moord op haar dochtertje.

Ten aanzien van het verdachte onder 2 telastgelegde

De rechtbank overweegt dat uit de afgelegde verklaringen volgt dat verdachte gedurende een lange periode haar dochter heeft mishandeld.

Op grond van het geconstateerde letsel staat vast dat Mehak een aantal weken voor haar overlijden zwaar is mishandeld. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat Mehak ongeveer een maand voor haar dood zo ernstig is mishandeld door [verdachte 1] en [medeverdachte 3] dat het leek of ze dood ging. (201) Bij die gelegenheid zou [medeverdachte 3] Mehak bij haar arm hebben gegrepen en haar tegen de muur hebben geslagen. [verdachte 1] zou daarbij de beide handjes van Mehak boven het hoofd van Mehak hebben vastgehouden en haar zo hebben geslagen. Ook schopte [medeverdachte 3] Mehak heel hard en bonkte [verdachte 1] Mehak met haar hoofd tegen de vloer. Mehak moest ook naar voren bukken en dan werd zij heel hard in haar rug geslagen en ook op haar rug geschopt. Ze werd zo bont en blauw geslagen dat er zelfs bloed uit haar mond kwam. Zij hield er ook blauwe plekken aan over. Even eerder in deze zelfde verklaring heeft [medeverdachte 4] gezegd dat er in haar bijzijn nooit iets ergs is gebeurd. (202) Ze zegt daarbij dat het één keer gebeurd is dat [medeverdachte 3] dat kind ging slaan en dat zij dat niet leuk vond. Als verbalisanten haar confronteren met de verklaring van [verdachte 1] op dit punt (203) ('[medeverdachte 3] heeft Mehak aan de arm vastgehouden en tegen de muur geslingerd'), zegt zij dat dat klopt, maar dat zij daar niet bij was. Zij heeft het vanuit de keuken gezien, terwijl [verdachte 1] en [medeverdachte 3] in de kamer waren. [verdachte 1] zegt hierover dat zij toen in de keuken was, terwijl [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in de kamer waren. Toen zij binnenkwam zag zij dat Mehak blauw was en haar hemd was gescheurd. [medeverdachte 3] had een armpje van Mehak vast en slingerde haar in het bijzijn van [verdachte 1]; 'ik was erbij op dat moment', zegt zij letterlijk. Dit zou al ongeveer een maand na haar komst in de [adres 1] hebben plaatsgevonden. Even later in deze zelfde verklaring zegt [verdachte 1] op een opmerking dat dan toch de arm uit kom gaat: 'Dat weet ik niet. Op dat moment was er niets gebeurd met haar.' Vervolgens vragen de verhoorders hoe het kan dat Mehak helemaal blauw was en haar shirt gescheurd. [verdachte 1] zegt daarop: 'Ik weet het niet, ik was in de keuken.'

De onderhavige verklaringen van [medeverdachte 4] en [verdachte 1] zijn dus innerlijk tegenstrijdig en komen bovendien op belangrijke punten, bijvoorbeeld wanneer en waar dit gebeurd zou zijn, niet met elkaar overeen of zijn zelfs met elkaar in tegenspraak, zodat zij elkaar naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen ondersteunen. Ook de verklaring van [verdachte 1] dat [medeverdachte 3] met haar voet op de buik van Mehak is gaan staan (204) wordt niet bevestigd door een andere verklaring. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting (205) ververklaard dat hij dit van [verdachte 1] heeft gehoord, maar zelf niet heeft gezien; voor zover hij weet is Mehak ook niet bij een armpje vastgepakt en tegen de muur geslagen.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat zij op grond van de verklaringen het letsel onvoldoende concreet aan verdachten en incidenten kan verbinden, met uitzondering van de breuk in de onderarm. Aan de hand van de bewijsmiddelen is niet vast te stellen wie wat nu precies heeft gedaan op het gebied van zware mishandeling.

[verdachte 1] heeft aanvankelijk verklaard Mehak ernstig te hebben mishandeld en haar armpje te hebben gebroken. (206) Inmiddels verklaart zij dat [medeverdachte 3] dit heeft gedaan. De rechtbank acht het terugkomen van [verdachte 1] op haar gedetailleerde eerdere verklaring dat zij het letsel aan de linkeronderarm van Mehak heeft toegebracht niet geloofwaardig. Het kan zijn dat zij dit samen met een ander heeft gedaan, maar ook daarvoor is onvoldoende bewijs voorhanden.

De rechtbank acht op grond van het letsel en de aanvankelijke verklaring van [verdachte 1] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze zware mishandeling heeft begaan. Het onderdeel tezamen en in vereniging acht zij niet bewezen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat verdachte blijkens de bewijsmiddelen Mehak ook op eigen initiatief mishandelde.

Met betrekking tot het vastbinden van Mehak is onvoldoende wettig bewijs voorhanden dat dit op zichzelf of in combinatie met andere handelingen tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid.

Nu de onderhavige zware mishandeling heeft plaatsgevonden in het kader van stelselmatige mishandeling (mede) in verband met een veronderstelde bezetenheid over een langere periode, welke mishandelingen ook regelmatig eerst plaatsvonden na opdracht van een derde, en er voorts geen aanwijzingen zijn dat enig handelen van verdachte in dezen het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, moet worden geoordeeld dat verdachte telkens gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van haar handelen en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven, zodat sprake is van voorbedachte raad, ook ten aanzien van de bewezenverklaarde zware mishandeling.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals weergegeven in de hieronder vermelde bewezenverklaring:

Feit 1

zij op 28 januari 2006 te 's-Gravenhage met voorbedachten rade haar dochter, genaamd Mehak [...], (geboren [datum] 2004) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte telkens met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met shawls de armen en benen van die Mehak op de borstkas van die Mehak gebonden en

- de keel van die Mehak dichtgeknepen en

- op enige wijze de ademhaling bij/van die Mehak belemmerd en

- meermalen met een stok op het lichaam van die Mehak geslagen en

- meermalen (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand op/tegen het hoofd en elders op het lichaam van die Mehak geslagen en gestompt,

tengevolge waarvan die Mehak [...] is overleden;

Feit 2

zij op tijdstippen in de periode van 1 december 2004 tot en met 27 januari 2006 te

's-Gravenhage, aan haar dochter (te weten Mehak [...], geboren op [datum] 2004), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (te weten een botbreuk aan de linker onderarm (met blijvende scheefstand), heeft toegebracht, door toen aldaar opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg

die Mehak bij haar arm(en) vast te pakken en vervolgens het lichaam van die Mehak in de lucht rond te slingeren of (daarbij) tegen een muur aan te slaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

Psychische overmacht

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte is namens verdachte betoogd dat zij verkeerde in een situatie van psychische overmacht. De raadsman heeft verwezen naar jurisprudentie, waarbij steeds sprake was van een uitermate bedreigende thuissituatie, waarin zowel verdachte als gezinsleden lange tijd zijn blootgesteld aan fysiek en mentaal geweld. In dit geval komt verdachte uit India en is Hindoe. Zij was een bediende in een situatie waarin standsverschillen een grote rol spelen. Ze was illegaal en werd als slaaf gebruikt in een land waar zij nooit echt gewoond heeft. Zij is volkomen afhankelijk van haar man en heeft voor ieder wissewasje zijn toestemming nodig. Zij is uitgehuwelijkt en heeft een dochter gekregen. Haar schoonfamilie had liever gehad dat het een zoon was geweest. Onder deze omstandigheden is zij vermoedelijk vatbaarder geweest voor de gekte van [medeverdachte 3]. Zelfs [medeverdachte 4] heeft gezegd, dat verdachte niet de ware dader was, maar dat dat degenen waren die [verdachte 1] ervan overtuigden dat Mehak behekst was.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] [...] hebben veel macht in India en hebben verdachte gedreigd met het uitmoorden van haar familie als zij haar dochter niet zou mishandelen. Hoe groot de druk die werd uitgeoefend was, blijkt wel uit het feit dat drie onafhankelijke, volwassen mensen betrokken zijn geweest bij het mishandelen van een klein kind. Zij werden alle drie zelf mishandeld wanneer zij niet deden wat hen gezegd werd, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden en dit redelijkerwijs ook niet van hem of haar kon worden gevergd. De verweten gedraging moet in het licht van de bijzondere (psychisch belastende) omstandigheden waarin de gedraging door de verdachte is gepleegd, verontschuldigbaar zijn.

In de eerste plaats werd in de door de raadsman genoemde gevallen waarin een beroep op psychische overmacht tot nu toe in de rechtspraak is gehonoreerd, door betrokkene een einde gemaakt aan terreur door gewelddadig optreden tegen degene die die terreur op betrokkene uitoefende. In deze zaak is het slachtoffer een weerloos kind van een jaar en tien maanden oud, dat volledig van verdachte en haar man afhankelijk was en gedurende langere tijd is mishandeld. Dit is een wezenlijk verschil.

In dit verband is in de tweede plaats van belang dat zowel volgens haar eigen verklaring als die van [medeverdachte 4] verdachte nauwelijks aanmoediging nodig had om haar kind te slaan. Dit wijst eerder op een innerlijke drang die verdachte heeft gehad ten tijde van de bewezenverklaarde feiten dan op een drang die van buiten kwam. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat ook verdachte dacht dat er in Mehak een boze geest zat. Een innerlijke drang is mogelijk van invloed op de toerekeningsvatbaarheid, maar kan zonder bijkomende omstandigheden geen psychische overmacht opleveren.

Toch acht de rechtbank aannemelijk dat er in dit geval ook sprake is geweest van druk van buitenaf. In het rapport van dr. de Maaker is aangegeven dat in geval van bezetenheid van een baby de moeder daarop aangekeken zal worden, aangezien zij wordt gezien als degene die de baby de familie van haar man heeft binnengebracht. Als derden de baby beschuldigen van bezetenheid en zij er niet in slaagt die beschuldiging te weerleggen of te relativeren, komt de moeder onder zware druk te staan om iets tegen de bezetenheid van haar kind te ondernemen. De rechtbank acht dit op zichzelf aannemelijk, maar is van oordeel dat in dit concrete geval van dergelijke zware druk vanuit de familie niet is gebleken: alleen [medeverdachte 3] zei dat Mehak geslagen moest worden, [medeverdachte 5] heeft gezegd dat slaan niet goed was. Dat verdachte Mehak moest slaan, omdat [medeverdachte 3] had gedreigd anders haar familie in India te laten uitmoorden, is niet annemelijk geworden.

Verdachte heeft nog verklaard dat zij, toen duidelijk werd dat zij niet naar India terugkon en zij vanwege het uiten van deze wens was geslagen, zich bij de situatie -naar de rechtbank begrijpt: de zeggenschap van [medeverdachte 3], inclusief de mishandelingen van Mehak- heeft neergelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kon, gezien het grote belang van het lichamelijk en geestelijk welzijn van Mehak, redelijkerwijs van verdachte gevergd worden dat zij naar een alternatief zou hebben gezocht. Er waren andere mogelijkheden dan terugkeer naar India. Zij had ervoor kunnen kiezen haar kind niet te slaan en anderen te beletten te slaan; zij liep dan wel het risico zelf een pak slaag te krijgen, maar had dit risico in het belang van haar kind moeten nemen. Nog beter had zij steun kunnen zoeken bij haar man en [medeverdachte 4] of in het uiterste geval met haar kind kunnen weglopen. Niet blijkt dat verdachte hier zelfs maar over heeft nagedacht, terwijl dit onder de omstandigheden van haar mocht worden verwacht.

De rechtbank is zich ervan bewust dat dit oordeel mede berust op een keuze voor het toepassen van Nederlandse maatstaven, terwijl verdachte van Indiase afkomst is en ook in een overwegend Indiase setting leefde, hetgeen kennelijk een naar westerse maatstaven

onbegrijpelijke lijdzaamheid meebrengt. Omdat de gebeurtenissen toch in Nederland hebben plaatsgevonden, kiest de rechtbank ervoor de norm die strekt tot bescherming van de gezondheid en het leven van een klein kind door de moeder boven het belang van de moeder bij voorkoming van sociale uitsluiting te stellen, en aldus die lijdzaamheid niet als voor verdachte onvermijdelijk te accepteren.

Toerekeningsvatbaarheid

Naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte is onderzoek gedaan door het Pieter Baan Centrum. In 2006 is verdachte geobserveerd en onderzocht in het Pieter Baan Centrum en in 2007 heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden na de door verdachte in april en mei 2007 afgelegde verklaringen.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben in hun rapport van 27 oktober 2006 aangegeven een vrouw met dissociatieve en depressieve kenmerken te hebben gezien. Vanwege de gebrekkige medewerking van verdachte - verdachte heeft niets over haar dochter en het haar telastgelegde willen vertellen - kon een en ander niet nader geduid worden. Bij verdachte zijn geen aanwijzingen gevonden voor structureel aanwezige psychiatrische problematiek of een persoonlijkheidsstoornis. De mogelijkheid dat er een situationeel en/of cultureel bepaald psychiatrisch toestandsbeeld was tijdens het telastgelegde feit van 28 januari 2006 hebben de psycholoog en de psychiater door gebrek aan coöperatie van verdachte niet aannemelijk kunnen maken, noch uit kunnen sluiten. Bij gebreke van een vaststelbare (psychische) stoornis wordt verdachte voor het telastgelegde feit - indien bewezen - toerekeningsvatbaar geacht (207).

De deskundigen gaven in hun rapport van 14 november 2007 aan dat het ook bij het aanvullend onderzoek moeilijk bleek om zicht te krijgen op de emotionele belevingen van verdachte in de aanloop tot het telastgelegde. Ook bij dit aanvullend onderzoek werden geen aanwijzingen gevonden voor een psychotische of andere psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis.

De rechtbank herkent de waarneming van de deskundigen omtrent het niet tonen van haar belevingswereld door verdachte. Gedurende vrijwel het gehele onderzoek ter terechtzitting -met uitzondering van haar uitvaringen tegen [medeverdachte 4] en haar laatste woord- maakte verdachte een afgesloten, emotieloze indruk. Bij een vraag daarover heeft zij verklaard dat zij er voor kiest haar gevoelens niet met anderen te delen. Haar verdriet is haar verdriet, dat kan een ander niet voelen en dan heeft het ook geen zin erover te praten, aldus verdachte.

De deskundigen hebben de mogelijkheid onder ogen gezien dat verdachte en haar man in de specifieke familiecontext, gegeven de culturele invloeden, en gegeven hun positie in een vreemd land waarvan ze de taal niet spreken, een (zeer) ondergeschikte, afhankelijke positie innamen, die mede van invloed is geweest op hun reacties en gedrag. Ook binnen een dergelijk scenario waarin verdachte op grond van culturele invloeden de facto een afhankelijke positie innam en mogelijk (volkomen) klem zat, geldt dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychische stoornis die het vermogen van verdachte om keuzes te maken, (morele) afwegingen te maken, innerlijk overleg te plegen, de consequenties van haar handelen te overzien en te kiezen voor maatschappelijk acceptabele gedragsalternatieven, heeft aangetast, aldus de psycholoog en de psychiater. Het aanvullend onderzoek leidde dan ook niet tot andersluidende conclusies. Het telastgelegde - indien bewezen - kan verdachte bij afwezigheid van aantoonbare pathologische beperkingen van de wilsvrijheid volledig worden toegerekend (208).

Verdachte ontkent in haar laatste verklaringen te geloven in geesten en doet haar eerste verklaringen ter zake af als een leugen. De rechtbank acht deze eerdere verklaringen echter toch betrouwbaar. Gezien de bevindingen van het Pieter Baan Centrum, het tijdsverloop en de ontkenning van verdachte op dit punt, acht de rechtbank een nader onderzoek naar de mogelijke invloed daarvan op de wilsvrijheid van verdachte thans niet zinvol meer. Hoewel de informatie omtrent de persoon van verdachte beperkt is gebleven, is de rechtbank op de door de deskundigen genoemde gronden met hen van oordeel dat de feiten verdachte, bij gebreke van aanwijzingen dat verdachte ten tijde van het telastgelegde ontoerekeningsvatbaar zou zijn geweest, volledig kunnen worden toegerekend.

De verdachte is dus strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

De op te leggen straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Mehak [...], geboren op [datum] 2004, is gedurende de laatste periode van haar korte leven mishandeld en affectief verwaarloosd. In plaats van de aandacht, verzorging en bescherming waar zij als menselijk wezen jegens haar ouders en andere volwassenen aanspraak kon maken, is zij veelvuldig geslagen, met zwaar lichamelijk letsel en uiteindelijk haar dood ten gevolg.

Mehak heeft de laatste, zwartste periode van haar leven in haar kleine kamertje moeten doorbrengen. Ze kwam niet buiten. Geen van de verdachten heeft een beschrijving van haar persoonlijkheid met enige diepgang kunnen geven. Ze leek er niet (meer) toe te doen. Niemand heeft de laatste maanden ook maar enige belangstelling voor haar getoond of ook maar iets gedaan om haar lot te verlichten.

Mehak zou behekst zijn geweest of een 'slechte' geest hebben gehad. Bij de ouders hebben daarnaast mogelijk nog andere motieven bijgedragen aan de verwording van de omgang met dit nog zeer jonge en volstrekt weerloze kind. Mehak had tegen verdachte en haar mededaders geen schijn van kans.

De feiten hebben de maatschappij ernstig geschokt. Het leed dat dit kind is aangedaan en de eenzaamheid die haar in de laatste periode van haar leven ten deel is gevallen, is onmogelijk in straf uit te drukken.

Verdachte was de moeder van Mehak. Op ouders rust een bijzondere zorgplicht, waarbij van hen verwacht mag worden dat zij zich in het belang van hun kind offers getroosten wanneer dat nodig is. Juist op de vader en moeder moet een kind kunnen rekenen. Mehak is echter door haar ouders volkomen in de steek gelaten. Verdachte heeft Mehak gedood en de overigens bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden in het kader van aan 28 januari 2006 voorafgaand veelvuldig en ernstig geweld tegen haar dochter. Het betreft hier zeer ernstige feiten die naar hun aard een lange onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigen. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank naast de ernst van de feiten de volgende omstandigheden meegewogen.

De rechtbank gaat er bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte zoals gezegd vanuit dat verdachtes handelen (mede) is ingegeven door de destijds in verdachtes beleving genestelde gedachte dat er een 'spook', slechte ziel of 'bhut' in Mehak was. Ook de omstandigheden waaronder verdachte in Nederland heeft verbleven, weegt de rechtbank mee. Aannemelijk is dat verdachte onder steeds grotere sociale druk is komen te staan. Zij is jong gehuwd, was de moeder van een door haar schoonfamilie niet gewenst dochtertje en bevond zich -ondanks een behoorlijke opleiding- in Nederland in een situatie waarvan de rechtbank bij vonnis van heden heeft geoordeeld dat sprake was van uitbuiting. Ook werd zij door [medeverdachte 3] beschouwd als de moeder van een kind waarin een kwade geest huisde en werd haar kind ook door anderen geslagen. Verdachte wilde graag terug naar India maar was zonder haar man, die in Nederland wilde blijven, niet welkom bij haar familie in India en werd zelf geslagen.

Van eerder gewelddadig gedrag van verdachte is niet gebleken. Het onderzoek naar de geestvermogens heeft ook geen aanwijzingen opgeleverd voor een gestoorde agressiehuishouding (209). Op grond daarvan gaat de rechtbank er vanuit dat de escalatie van het door verdachte gepleegde geweld ten opzichte van Mehak is bevorderd door de genoemde specifieke context waarbinnen verdachte in Nederland heeft geleefd met haar dochter.

Verdachte is voor zover bekend niet eerder in aanraking gekomen met politie en justitie.

Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte haar kind heeft vermoord, maar ook heeft verloren en dat zij moet leven in het besef dat dit door haar toedoen is gebeurd.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 57, 289, 303 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

moord;

ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad, begaan tegen haar kind;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 29 januari 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 31 januari 2006;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Verkleij, voorzitter,

Eisses en Wapenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Van de Vrede, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2007.

Gewijzigde telastlegging.

Feit 1

zij op of omstreeks 28 januari 2006 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, al dan niet met

voorbedachten rade, haar dochter genaamd Mehak [...], (geboren [datum] 2004)

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s)

meermalen, althans eenmaal (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans (telkens) opzettelijk,

- met één of meer shawls en/of doeken en/of lappen (tezamen) de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op de borstkas van die Mehak om en/of (vast)gebonden en/of

- die Mehak (met kracht) bij haar keel beetgepakt en/of in de keel van die Mehak geknepen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- een /de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak dichtgehouden en/of gekepen, althans de mond van die Mehak gesnoerd en/of

- op enige wijze de ademhaling bij / van die Mehak belemmerd en/of

- met één of meer stok(ken), althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak geslagen en/of gestompt,

tengevolge waarvan die Mehak [...] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 28 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, aan haar dochter genaamd Mehak [...] (geboren [datum] 2004), (telkens) opzettelijk en met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel (te weten talrijke botbreuken: aan de ribben aan de rugzijde en/of zijwaarts, aan een sleutelbeen en/of een schouderblad en/of aan een bovenarm en/of uitgebreide bloeduitstortingen op het hartzakje en/of kneuzingen van het longweefsel en/of kneuzing van de rechterzijde van het hart en/of kneuzing van de wortel van de lever en/of kneuzing van de maag en/of vochtophoping in de hersenen en/of herseninklemming, heeft/hebben toegebracht, door die Mehak toen aldaar meermalen, althans eenmaal, telkens tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- met één of meer shawls en/of doeken en/of lappen (tezamen) de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op de borstkas van die Mehak om en/of (vast)te binden en/of

- die Mehak (met kracht) bij haar keel beet te pakken en/of in de keel van die Mehak te knijpen en/of de keel van die Mehak vast te knijpen en/of dicht te knijpen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- een /de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak te houden en/of de mond en/of neus van die Mehak dicht te houden en/of te knijpen, althans de mond van die Mehak te snoeren en/of

- op enige wijze de ademhaling bij / van die Mehak te belemmeren en/of

- met één of meer stok(ken), althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak te slaan en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak te slaan en/of te stompen,

terwijl het feit de dood van die Mehak [...] tengevolge heeft gehad;

art 304 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 1 en lid 2Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op 28 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk en telkens met voorbedachte rade haar dochter genaamd Mehak [...] (geboren [datum] 2004),

- met één of meer shawls en/of doeken en/of lappen (tezamen) de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op de borstkas van die Mehak heeft om en/of (vast)gebonden en/of

- die Mehak (met kracht) bij haar keel heeft beetgepakt en/of in de keel van die Mehak heeft geknepen en/of de keel van die Mehak heeft vastgeknepen en/of dichtgeknepen en/of de keel van die Mehak vastgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- een /de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak heeft gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak heeft dichtgehouden en/of gekepen, althans de mond van die Mehak heeft gesnoerd en/of

- op enige wijze de ademhaling bij / van die Mehak heeft belemmerd en/of

- met één of meer stok(ken), althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl het feit de dood van die Mehak [...] tengevolge heeft gehad;

art 301 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 2

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2004

tot en met 27 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen of een

ander, althans alleen, aan haar dochter (te weten Mehak [...], geboren op [datum] 2004), (telkens) opzettelijk en (telkens) met voorbedachten rade, althans (telkens) opzettelijk, zwaar lichamelijk

letsel (te weten vele oude botbreuken aan: talrijke ribben aan de rugzijde en zijwaarts, het linker schouderblad, aan de linker onderarm (met blijvende scheefstand) en aan rechter bovenarm en/of een beschadiging van één van de sensibele banen van het ruggenmerg en/of haemorrghagische necrose van vrijwel de gehele achterwand van (een deel van) het hart), heeft/hebben toegebracht, door toen aldaar meermalen, althans eenmaal, telkens, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans telkens opzettelijk,

- met één of meer shawls en/of doeken de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak om en/of (vast) te binden en/of

- een/ de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak te houden en/of de mond en/of neus van die Mehak dicht te knijpen, althans de mond van die Mehak te snoeren en/of

- speelgoed, althans een of meer hard(e) voorwerp(en) in de mond van die Mehak te stoppen en/of te proppen en/of

- op enige wijze de ademhaling bij / van die Mehak te belemmeren en/of

- met één of meer stok(ken) en/of snoeren, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak te slaan en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak te slaan en/of te stompen en/of

- met het volle gewicht (met een/de voet(en)) op de buik en/of borst, althans het lichaam van die Mehak te staan en/of

- (met kracht) een arm van die Mehak vast te pakken en deze arm vervolgens met kracht om te draaien, althans te breken en/of

- die Mehak bij haar armen vast te pakken en vervolgens het lichaam van die Mehak in de lucht rond te slingeren en/of daarbij dit lichaam van die Mehak tegen een muur aan te slaan en/of

- het lichaam van die Mehak door elkaar te schudden en/of

- het hoofd van die Mehak vast te pakken en/of (vervolgens) met dat hoofd tegen een muur, althans tegen een hard voorwerp, te slaan en/of te bonken en/of

- die Mehak geen, althans onvoldoende eten en/of drinken te geven en/of toe te dienen en/of

- die Mehak wakker te houden, althans te voorkomen dat die Mehak in slaap zou vallen en/of

- die Mehak (aldus) lichamelijk uit te putten en/of te verzwakken;

art 304 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2004

tot en met 27 januari 2006 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan haar dochter (te weten Mehak [...], geboren op [datum] 2004),zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, (telkens) opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans (telkens) opzettelijk

- met één of meer shawls en/of doeken de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op zeer strakke wijze (op de borstkas van die Mehak) en/of aan een babybox en/of bed om en/of (vast) heeft gebonden en/of

- de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak heeft gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak heeft dichtgeknepen, althans de mond van die Mehak heeft gesnoerd en/of

- speelgoed, althans een of meer hard(e) voorwerp(en) in de mond van die Mehak heeft gestopt en/of gepropt en/of

- op enige wijze de ademhaling bij die Mehak heeft belemmerd en/of

- met één of meer stok(ken) en/of snoeren, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde hand(en)) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of gestompt en/of

- met het volle gewicht met een/de voet(en) op de buik en/of borst, althans het lichaam van die Mehak is gaan staan en/of

- (met kracht) een arm van die Mehak heeft vastgepakt en deze arm vervolgens met kracht heeft omgedraaid, althans heeft gebroken en/of

- die Mehak bij haar armen heeft vast gepakt en vervolgens het lichaam van die Mehak in de lucht heeft rondgeslingerd en/of daarbij dit lichaam van die Mehak tegen een muur aan heeft geslagen en/of

- het lichaam van die Mehak door elkaar heeft geschud en/of

- het hoofd van die Mehak heeft vastgepakt en/of tegen een muur, althans tegen een hard voorwerp heeft geslagen en/of gebonkt en/of

- die Mehak geen, althans onvoldoende eten en/of drinken heeft gegeven en/of heeft toegediend en/of

- die Mehak wakker heeft gehouden, althans heeft voorkomen dat die Mehak in slaap zou vallen en/of

- die Mehak aldus lichamelijk heeft uitgeput en/of verzwakt;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2004

tot en met 27 januari 2006 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen of een

ander, althans alleen, aan haar dochter (te weten Mehak [...], geboren op [datum] 2004), (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade, althans (telkens) opzettelijk

- met één of meer shawls de arm(en) en/of be(e)n(en) van die Mehak op zeer strakke wijze (op de borstkas van die Mehak) en/of aan een babybox en/of bed om en/of (vast) heeft gebonden en/of

- de hand(en) op de mond en/of neus van die Mehak heeft gehouden en/of de mond en/of neus van die Mehak heeft dichtgeknepen, althans de mond van die Mehak heeft gesnoerd en/of

- speelgoed, althans een of meer hard(e) voorwerp(en) in de mond van die Mehak heeft gestopt en/of gepropt en/of

- op enige wijze de ademhaling bij die Mehak heeft belemmerd en/of

- met één of meer stok(ken) en/of snoeren, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of de rug en/of de borst en/of de armen en/of de handen, althans het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of

- (met grote kracht) met de (tot vuist gebalde hand(en)) in/op/tegen de buik en/of het hoofd en/of elders op het lichaam van die Mehak heeft geslagen en/of gestompt en/of

- met het volle gewicht met een/de voet(en) op de buik en/of borst, althans het lichaam van die Mehak is gaan staan en/of

- (met kracht) een arm van die Mehak heeft vastgepakt en deze arm vervolgens met kracht heeft omgedraaid, althans heeft gebroken en/of

- die Mehak bij haar armen heeft vast gepakt en vervolgens het lichaam van die Mehak in de lucht heeft rondgeslingerd en/of daarbij dit lichaam van die Mehak tegen een muur aan heeft geslagen en/of

- het lichaam van die Mehak door elkaar heeft geschud en/of

- het hoofd van die Mehak heeft vastgepakt en/of tegen een muur, althans tegen een hard voorwerp heeft geslagen en/of gebonkt en/of

- die Mehak geen, althans onvoldoende eten en/of drinken heeft gegeven en/of heeft toegediend en/of

- die Mehak wakker heeft gehouden, althans heeft voorkomen dat die Mehak in slaap zou vallen en/of

- die Mehak aldus lichamelijk heeft uitgeput en/of verzwakt;

tengevolge waarvan die Mehak [...] (telkens) zwaar lichamelijk letsel (te weten vele oude botbreuken aan: talrijke ribben aan de rugzijde en zijwaarts, het linker schouderblad, aan de linker onderarm (met blijvende scheefstand) en aan rechter bovenarm en/of een beschadiging van één van de sensibele banen van het ruggenmerg en/of haemorrghagische necrose van vrijwel de gehele achterwand van een deel van het hart), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 301 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht

(1) proces-verbaal AH blz. 81-84 (origineel), blz. 85 vertaling

(2) Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] d.d. 23 februari 2006, verdachtendossier [verdachte 1], blz. 75

(3)proces-verbaal van terechtzitting [verdachte 1] d.d. 18/19 juni 2006, blz. 3

(4) Deskundigenrapport NFI d.d. 1 maart 2006, Bijlage F behorende bij proces-verbaal nr. 1509-2006-336 (blz. 90-94).

(5) Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] d.d. 6 februari 2006, verdachtendossier [verdachte 1] blz. 21

(6) Idem, blz. 24, 30-31

(7) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] d.d. 28 maart 2006, OPV/G, blz. 208; idem van [verdachte 1] d.d. 23 februari 2006, Verdachtendossier [verdachte 1], blz. 53; verklaring [medeverdachte 2], proces-verbaal [medeverdachte 2] terechtzitting 18/19 juni 2007, blz. 2.

(8) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 5] d.d. 29 januari 2006, verdachtendossier [medeverdachte 5], blz. 15-16, en d.d. 20 maart 2006, blz. 66; proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 28 januari 2006, verdachtendossier [medeverdachte 3], blz. 15, d.d. 30 januari 2006, blz. 24

(9) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 2 maart 2006, verdachtendossier [medeverdachte 2] blz. 125

(10) Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] d.d. 23 april 2007, verdachtendossier [verdachte 1] blz. 232

(11) idem blz. 236, proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 21 mei 2007, verdachtendossier [medeverdachte 2] blz. 190

(12) Deskundigenrapport, pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, NFI-zaaknummer 2006.01.27.045 d.d. 4 augustus 2006.

(13) Deskundigenrapport, pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, NFI-zaaknummer 2006.01.27.045 d.d. 4 augustus 2006, p. 9-10.

(14) Rapport van forensisch antropologisch onderzoek d.d. 2 maart 2006 van prof. dr. G.J.R. Maat en R.R.R. Gerretsen.

(15) Deskundigenrapport van neuropathologisch onderzoek, NFI-zaaknummer 2006.01.27.045 d.d. 20 juli 2006.

(16) Briefrapport dr. Kubat d.d. 14 juli 2006, p. 1.

(17) Briefrapport dr. Kubat d.d. 14 juli 2006, p. 2-3.

(18) RC-getuigenverhoor d.d. 12 december 2006, verklaring getuige B. Kubat, pt. 27.

(19) Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006.

(20) Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006, p. XII-9.

(21) RC-getuigenverhoor d.d. 11 januari 2007, verklaring getuige R.A.C. Bilo, pt. 28 en 44; zie ook: Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006, schema op p. XII-9.

(22) Verdachtenverklaringen [medeverdachte 4], [verdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C], moeder van [vriend], OPV/G, blz. 100-104.

(23) Schema gevoegd als bijlage bij proces-verbaal van verhoor van getuige [A], 0/OPV/G, blz. 316

(24) Proces-verbaal van verhoor van getuige [A], 0/OPV/G, blz. 314.

(25) OPV/G, blz. 311.

(26) Proces-verbaal van verhoor van getuige [B] 0/OPV/G, blz. 312-313

(27) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C], 0/OPV/G, blz. 433-435 op blz. 434.

(28) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2006 met bijlagen, OPV/AH, blz. 250-255

(29) Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C], OPV/G, blz. 100-104 op 102.

(30) Proces-verbaal van verhoor van getuige Keemink, OPV/G, blz. 12-15 op blz. 12.

31) Proces-verbaal van verhoor van getuige Lankhorst, OPV/G, blz. 48-50 op blz. 49.

(32) Processen-verbaal van verhoor van de getuigen [H] en [I], 0/OPV/G, blz. 7-8 respectievelijk blz. 21-23 en proces-verbaal van verhoor getuige [J], OPV/G, blz. 9-11.

(33) Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] als getuige d.d. 23 februari 2006, OPV/G, blz. 202, Proces-verbaal van verhoor van [verdachte 1] d.d. 23 april 2007, Verdachtedossier [verdachte 1], blz. 230, Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 7 februari 2006, Verdachtendossier [medeverdachte 2], blz. 36. Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3], Verdachtendossier [medeverdachte 3], blz. 25.

(34) Proces-verbaal van verhoor van [verdachte 1] d.d. 6 februari 2006, Verdachtendossier [verdachte 1], blz. 19-49 op blz. 40; Processen-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 4] d.d. 2 februari 2006, OPV/G, blz. 37-42 op blz.40, d.d. 16 februari 2006, OPV/G, blz. 131-146 op 138, d.d. 9 maart 2006 OPV/G blz. 181-186 op blz. 183.

(35) Proces-verbaal van verhoor van [verdachte 1], d.d. 23 februari 2006, Verdachtendossier [verdachte 1], blz. 52-85.

(36) Idem, blz. 73-74

(37) Idem, blz. 76.

(38) Idem, blz. 66.

(39) Idem, blz. 62-63.

(40) Idem, blz. 76.

(41) Idem, blz. 58.

(42) Idem, blz. 61.

(43) Idem, blz. 73.

(44) Idem, blz. 63.

(45) Idem, blz. 68.

(46) Idem, blz. 64.

(47) Proces-verbaal van verhoor van [verdachte 1], d.d. 24 februari 2006, Verdachtendossier [verdachte 1], blz. 86-124.

(48) Idem, blz. 98.

(49) Idem, blz. 99.

(50) Idem, blz. 100.

(51) Idem, blz. 101.

(52) Idem, blz. 104.

(53) Ambtshandelingen blz. 80-84, vertaling blz. 85

(54) Proces-verbaal van verhoor van [verdachte 1] d.d. 31 maart 2006, Verdachtendossier blz. 170.

(55) Proces-verbaal van verhoor van [verdachte 1] d.d. 19 april 2006, Verdachtendossier, blz. 190 en 221.

(56) Idem, blz. 190.

(57) Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 4], OPV/G, blz. 198-205.

(58) Idem, blz. 199.

(59) Idem, blz. 201.

(60) Idem, blz. 202.

(61) Idem, blz. 203.

(62) Idem, blz. 201.

(63) Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 4], OPV/G, blz. 206-239.

(64) Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 4], OPV/G, blz. 265-304.

(65) Proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 4], d.d. 28 maart 2006, OPV/G, blz. 208.

(66) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] als getuige d.d. 28 maart 2006, OPV/G blz. 210.

(67) Idem, blz. 215.

(68) Idem, blz. 219.

(69) Idem, blz. 215.

(70) Idem, blz. 211.

(71) Idem, blz. 212.

(72) Idem, blz. 215.

(73) Idem, blz. 214.

(74) Idem, blz. 216.

(75) Idem, blz. 213.

(76) Idem, blz. 217, 218

(77) Idem, blz. 218

(78) Idem, blz. 219

(79) Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2006, OPV/G, blz. 265-304 op blz. 274.

(80) Idem, blz. 273

(81) Idem, blz. 275-276

(82) Idem, blz. 277

(83) Idem, blz. 279-280

(84) Idem, blz. 278

(85) Idem, blz. 282

(86) Idem, blz. 284

(87) Idem, blz. 285

(88) Idem, blz. 284

(89) Idem, blz. 285-286

(90) Idem, blz. 287

(91) Idem, blz. 288

(92) Proces-verbaal 28 maart 2006, blz 223

(93) Proces-verbaal 6 april 2006, blz. 290

(94) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] d.d. 3 mei 2006, verdachtendossier [medeverdachte 4] blz. 22

(95) Idem, blz. 30

(96) Idem, blz.

(97) Idem, blz. 31

(98) Idem, blz. 33

(99) Proces-verbaal van bevindingen, PL 1509/2006/336, Algemeen dossier 8 OPV, blz 493-511

(100) Idem, blz. 496

(101) Idem, blz. 499

(102) Idem, blz. 502

(103) Idem, blz. 503

(104) Idem, blz. 505

(105) Idem, blz. 506

(106) Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 7 februari 2006, Verdachtendossier [medeverdachte 2], blz. 37-38.

(107) Verdachtendossier [medeverdachte 2], blz 18-146

(108) Verdachtendossier [medeverdachte 5], blz 16

(109) Verdachtendossier [medeverdachte 5], blz 21

(110) Verdachtendossier [medeverdachte 5], blz 24

(111) Verdachtendossier [medeverdachte 5], blz 61

(112) Verdachtendossier [medeverdachte 5], blz 64.

(113) Verdachtendossier [medeverdachte 5], blz 69

(114) Verdachtendossier [medeverdachte 3], blz 22

(115) Verdachtendossier [medeverdachte 3], blz 24-25

(116) Verdachtendossier [medeverdachte 3], blz 29-30

(117) Verdachtendossier [verdachte 1], blz 227-265

(118) Verdachtendossier [verdachte 1], blz 266-296

(119) Processen-verbaal van de zitting van 18-19 juni 2007 betreffende [verdachte 1] (blz. 2), [medeverdachte 2] (blz. 23) en [medeverdachte 4]

(120) Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] d.d. 23 april 2007, blz. 258

(121) Idem, blz. 229

(122) Idem, blz. 234

(123) Idem, blz. 233

(124) Idem, blz. 237

(125) Idem, blz. 239

(126) Idem, blz. 240

(127) Idem, blz. 241

(128) Idem, blz. 242

(129) Idem, blz. 236

(130) Idem, blz. 243

(131) Idem, blz. 244

(132) Idem, blz. 246

(133) Idem, blz. 247

(134) Idem, blz. 248

(135) Idem, blz. 251

(136) Idem, blz. 253

(137) Zie noot 117

(138) Zie noot 118

(139) Idem, blz. 263

(140) Idem, blz. 277

(141) Idem, blz. 281

(142) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 21 mei 2007, verdachtendossier [medeverdachte 2], blz 179-228

(143) Processen-verbaal van de zitting van 18-19 juni 2007 betreffende [medeverdachte 2], blz. 7 e.v.

(144) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 21 mei 2007, blz. 186

(145) Idem, blz. 197

(146) Idem, blz. 203

(147) Idem, blz. 199

(148) Idem, blz. 210

(149) Idem, blz. 202

(150) Idem, blz. 207

(151) Idem, blz. 217

(152) Idem, blz. 221

(153) Idem, blz. 222

(154) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] 23 mei 2007, blz. 45

(155) Idem, blz. 47

(156) Idem, blz. 51

(157) Idem, blz. 55

(158) Idem, blz. 56

(159) Idem, blz. 57

(160) Idem, blz. 58

(161) Idem, blz. 60

(162) Idem, blz. 63

(163) zie noot 4

(164) Forensisch Pediatrisch Dossier nr. 2006-018, Forum Educatief december 2006, p. IX-20.

(165) Briefrapport d.d. 9 februari 2007 van D. Botter, forensisch geneeskundige, NFI zaaknr 2006.01.27.045, p. 8.

(166) NFI 29-6-06

(167) Verdachtendossier [verdachte 1] blz 66

(168) Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 4] d.d. 3 mei 2006, Verdachtendossier [medeverdachte 4], blz. 32.

(169) Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] dd. 25-5-07, blz. 292

(170) Proces-verbaal van verhoor van de getuigen [H en I] (Getuigen I, blz. 7-8 respectievelijk 22) en [J] (Getuigen I, blz.10)

(171) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] d.d. 7 februari 2007, Verdachtendossier [medeverdachte 2], blz 30

(172) Verdachtendossier [verdachte 1] blz 84

(173) NFI 29-6-06

(174) Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] 23 april 2007, blz. 253

(175) Idem, blz. 254

(176) Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte 1], 13 november 2007

(177) TGO 06-020/5/OPV/Bijlage O, blz 19-23 op blz. 22-23.

(178) Proces-verbaal van bevindingen, PL 1509/2006/336 TGO 06-020, blz 519-523

(179) Proces-verbaal van bevindingen, PL 1509/2006/336 TGO 06-020, , blz 524-525

(180) Processen-verbaal ter terechtzitting 18 en 19 juni 2007 [medeverdachte 2], getuigenverhoor [verdachte 1], blz. 25

(181) Proces-verbaal getuigenverhoor [verdachte 1], 18-6-07

(182) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 1], Verdachtendossier [verdachte 1], blz. 78.

(183) Getuigen I, verhoor [medeverdachte 4] blz 284

(184) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4], Verdachtendossier [medeverdachte 4], blz. 30-32.

(185) Verdachtendossier [medeverdachte 4], blz 70; proces-verbaal van terechtzitting [medeverdachte 4] d.d. 18/19 juni 2007, blz. 6

(186) Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 23 maart 2006, op p. 30 en p. 201; zie ook bijvoorbeeld de verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2006 op p. 271.

(187) Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2006, OPV/G, blz. 295-296.

(188) OVC, blz 19-23

(189) Proces-verbaal van verhoor van getuige videoconferentie van getuige [volgeling 2] d.d. 26 april 2007 onder 13 en 14 en getuigenverklaring [volgeling 1] d.d. 9 mei 2006, OPV/G, blz. 422-426 en OPV/AH, blz. 218-232. .

(190) Getuigenverklaring [volgeling 1] d.d. 9 mei 2006, OPV/G, blz. 422-426 en OPV/AH, blz. 218-232.

(191) Proces-verbaal van verhoor van getuige [D] d.d. 24 mei 2006, OPV/G, blz. 399-403.

(192) Proces-verbaal van verhoor van getuige [E] d.d. 31 mei 2006, OPV/G, blz. 407-409.

(193) Proces-verbaal van verhoor van getuige [F] d.d. 30 mei 2006, OPV/G, blz. 410-412.

(194) Proces-verbaal van verhoor van getuige [G] d.d. 20 mei 2006, OPV/G, blz. 385-391.

(195) Bijlage O, OVC-gesprek nr. 1361, OPV/0 p. 13.

(196) Bijlage T, tapgesprekken, 4/OPV/T, blz 5

(197) Bijlage T, tapgesprekken, 4/OPV/T, blz 28

(198) Proces-verbaal van bevindingen nr. PL1509/2006/336 d.d. 21 maart 2006 met bijlagen, OPV/AH, blz 106-111.

(199) Zie tekst en vindplaats sectierapport bij en onder noot 12; tekst en vindplaatsen bij noten 35 tot en met 40 uit proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] d.d. 23 februari 2006; tekst en vindplaatsen bij noten 60 en 61 uit proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] d.d. 23 maart 2006; tekst en vindplaatsen bij noten 84, 88 en 89 uit proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] d.d. 6 april 2006

(200) Verdachtendossier [verdachte 1], blz 72-76

(201) Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] 23 mei 2007, verdachtendossier [medeverdachte 4], blz. 53

(202) Idem, blz. 52

(203) Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] d.d. 23-4-07, verdachtendossier [verdachte 1], blz. 239

(204) Idem, blz. 244

(205) proces-verbaal terechtzitting 18/19 juni 2007 [medeverdachte 2], blz. 2

(206) Dit zou in [land 1] hebben plaatsgevonden, maar later is [verdachte 1] gaan verklaren dat zij niet in [land 1] zijn geweest. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit in de [adres 1] heeft plaatsgevonden.

(207) Pieter Baan Centrum, rapportage Pro Justitia nr. 9319 d.d. 27 oktober 2006, p. 32-35.

(208) Pieter Baan Centrum, rapportage Pro Justitia nr. 9683 d.d. 14 november 2007, p. 10-14.

(209) Pieter Baan Centrum, rapportage Pro Justitia nr. 9319 d.d. 27 oktober 2006, p. 32.