Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0646

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/24918, 07/24915
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning regulier / arbeid in loondienst / besluit 1/80 / langdurig verblijf in het buitenland

Verzoekers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel arbeid in loondienst op grond van het Turkse associatieverdrag is afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers huidige werkzaamheden niet als legale arbeid in de zin van besluit 1/80 zijn aan te merken, nu geen sprake is van een onomstreden verblijfsrecht. Verzoeker kan evenmin een verblijfsrecht ontlenen aan artikel 7 Besluit 1/80. Blijkens de overwegingen 45 tot en met 49 van het Ergat-arrest (JV 2000/139) is een verblijfsrecht dat ontleend wordt aan Besluit 1/80 niet onbeperkt. Het gezinslid dat Nederland gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat, verliest in beginsel de rechtspositie die hij op grond van artikel 7 Besluit 1/80 had verworven. Verzoeker heeft niet weersproken dat hij van november 1994 tot januari 2000 buiten Nederland verbleef. Hoewel het moeten vervullen van een militaire dienstplicht in Turkije een gegronden reden in eerdergenoemde zin zou kunnen zijn, is daarmee door verzoeker geen gegronde reden gegeven voor de omstandigheid dat hij zes jaar in Turkije heeft verbleven. Gelet hierop heeft verweerder terecht geoordeeld dat het op grond van artikel 7 Besluit 1/80 verworven verblijfsrecht door het langdurige verblijf in het buitenland verloren is gegaan. Ondanks het voorgaande is het beroep gegrond. Het standpunt van verweerder dat verzoeker in bezwaar niet heeft weersproken dat zijn verblijfsrecht als gevolg van het langdurige verblijf in het buitenland is vervallen, is immers onjuist. Bepaald wordt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers:

AWB 07 / 24918 (voorlopige voorziening)

AWB 07 / 24915 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2007

in de zaak van:

[Verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1972, van Turkse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. A. Neermawatie Nandoe, advocaat te Wassenaar,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 28 maart 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid in loondienst op grond van het Turks Associatieverdrag’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 18 mei 2006 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 12 juni 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 23 mei 2007 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 15 juni 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft eveneens op 15 juni 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 24 september 2007. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 In Besluit 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 tussen de EEG en Turkije (Besluit 1/80) is uit hoofde van de Associatieovereekomst tussen de EEG en Turkije van 12 september 1963, nadere regelgeving neergelegd. In artikel 6 van Besluit 1/80 is onder meer bepaald dat de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht heeft op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft.

2.5 Ingevolge artikel 7, eerste alinea, van Besluit 1/80 hebben gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen, het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste drie jaar aldaar legaal wonen, en vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze, wanneer zij sedert tenminste vijf jaar aldaar legaal wonen.

2.6 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker is Nederland voor de eerste maal in 1973 ingereisd en heeft alhier rechtmatig verbleven tot 1986, waarna hij met zijn ouders is teruggekeerd naar Turkije. Op 18 september 1987 is verzoeker opnieuw Nederland ingereisd. Hij heeft op 21 november 1988 een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend met als doel ‘hervestiging’. Verzoeker is een verblijfsvergunning verleend op humanitaire gronden van 21 november 1988 tot 21 november 1989. Vervolgens is hij van 29 januari 1993 tot 14 februari 1994 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning.

Verzoeker heeft op 15 september 2003 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’. Bij besluit van 22 juli 2004 is deze aanvraag afgewezen. Op 11 augustus 2004 heeft verzoeker hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 13 april 2005 is dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Met ingang van 1 maart 2006 heeft verzoeker een vast dienstverband bij Euro Job Center te Den Haag.

2.7 Verweerder heeft zich, samengevat, op de volgende standpunten gesteld. Verzoeker heeft voor een periode van vijf jaar, te weten van november 1994 tot januari 2000, waarvan bijna twee jaar voor het vervullen van militaire dienstplicht, buiten het grondgebied van Nederland verbleven. Dientengevolge zijn eventueel op grond van het Besluit 1/80 opgebouwde rechten verloren gegaan. In bezwaar heeft verzoeker niet weersproken dat de rechten als gevolg van het langdurig buitenlands verblijf zijn vervallen. Het feit dat is aangevoerd dat verzoeker sinds zijn komst in Nederland zou hebben gewerkt, en ook nog voor een periode van één jaar werk heeft, maakt dit niet anders. Verzoeker heeft sinds 1994 geen verblijfsvergunning meer gehad, zodat hij sinds deze datum niet meer legaal hier te lande verblijft en derhalve ook geen legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit 1/80 kan verrichten. Op grond van artikel 7:3, onder b, Awb is afgezien van het horen van verzoeker.

2.8 Hiertegen heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Verzoeker dient in het bezit gesteld te worden van de gevraagde verblijfsvergunning. Hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 van Besluit 1/80. Blijkens de overgelegde arbeidsverklaring van 22 september 1992 hoeft verzoeker niet in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning. Thans verricht hij arbeid in een stabiele en niet-voorlopige situatie, zodat deze werkzaamheden zijn aan te merken als ‘legale arbeid’ als bedoeld in artikel 6 van het Besluit 1/80.

Ten onrechte heeft verweerder gesteld dat hij geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80. Daartoe verwijst verzoeker naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) inzake Ergat van 16 maart 2000 (JV 2000/139) en Kadiman van 17 april 1997 (RV 1997/87). Uit deze jurisprudentie blijkt, aldus verzoeker, dat de lidstaat na de periode van drie respectievelijk vijf jaar aan het verblijf van een gezinslid van een Turkse werknemer geen voorwaarden meer mag verbinden en het gezinslid aan dit verblijf een onvoorwaardelijk recht op de toegang ontleent en een daarmee samenhangend verblijfsrecht. Ten onrechte heeft verweerder zich in het besluit van 23 mei 2007 op het standpunt gesteld dat de stelling van verweerder dat opgebouwde rechten zijn komen te vervallen als gevolg van het langdurig verblijf in het buitenland, niet is weersproken. Ter zitting heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat verzoeker ten onrechte niet op het bezwaar is gehoord.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.9 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoeker verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 6 van het Besluit 1/80. Voor de beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld of verzoeker behoort tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80.

2.10 Volgens vaste jurisprudentie van het HvJEG, de voorzieningenrechter verwijst in dat verband naar de uitspraak van 26 november 1998 in de zaak Birden (JV 1999/1) en de uitspraak van 20 september 1990 in de zaak Sevince (NJ 1992/75), vooronderstelt het legale karakter van de arbeid een stabiele en niet voorlopige situatie op de arbeidsmarkt en, daarmee, het bestaan van een niet omstreden verblijfsrecht.

Hoewel verzoeker in de onder rechtsoverweging 2.6 genoemde tijdvakken in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning staat niet ter discussie dat hij thans niet beschikt over een verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning. Gelet hierop is geen sprake van een onomstreden verblijfsrecht als bedoeld in voornoemde arresten. Dat verzoeker thans rechtmatig verblijf heeft in het kader van onderhavige procedure leidt niet tot een ander oordeel, nu uit het voornoemd Sevince-arrest volgt dat arbeid verricht hangende de procedure tegen een afwijzende beslissing niet als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit kan worden aangemerkt. Dat aan verzoeker op 22 september 1992 namens het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorzieningen een verklaring is afgegeven inhoudende dat de vergunningsplicht van de Wet arbeid buitenlandse werknemers niet op verzoeker van toepassing is, leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat die verklaring op zichzelf geen onomstreden verblijfsrecht teweeg brengt.

2.11 De door verzoeker voor zijn huidige werkgever verrichte arbeid is derhalve niet als legale arbeid in de zin van Besluit 1/80 aan te merken. Daaruit volgt dat verzoeker aan die arbeid geen verblijfsrecht op grond van artikel 6 Besluit 1/80 kan ontlenen.

2.12 Vervolgens dient te worden beoordeeld of verzoeker een verblijfsrecht kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 7 van Besluit 1/80.

2.13 Uit de door verzoeker aangehaalde rechtsoverwegingen 40 en 41 van voornoemd Ergat-arrest blijkt dat een Turkse onderdaan na vijf jaar legaal wonen in het kader van gezinshereniging met de Turkse werknemer aan Besluit 1/80 rechtstreeks een individueel onvoorwaardelijk recht op toegang tot de arbeidsmarkt ontleent en een daarmee samenhangend verblijfsrecht. Blijkens de rechtsoverwegingen 45 tot en met 49 is dit recht van verblijf echter niet onbeperkt. Het gezinslid dat toestemming heeft gekregen zich bij een Turkse werknemer in een lidstaat te voegen, maar het grondgebied gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat, verliest in beginsel de rechtspositie die hij op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80 had verworven. Verweerder heeft de overwegingen van dit arrest verwerkt in paragraaf B11/3.5 Vreemdelingencirculaire 2000.

2.14 Verzoeker heeft niet weersproken de stelling van verweerder dat hij van november 1994 tot januari 2000 buiten het grondgebied van Nederland heeft verbleven. Bij de toelichting op zijn aanvraag heeft verzoeker vermeld dat hij in 1994 met vakantie naar Turkije is gegaan en aldaar door de autoriteiten verplicht is gesteld zijn militaire dienstplicht te vervullen. Verweerder heeft vervolgens in de beslissing in primo onweersproken gesteld dat de militaire dienstplicht in Turkije slechts 18 maanden voor soldaten en 16 maanden voor officieren duurt.

2.15 De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel het moeten vervullen van de dienstplicht in beginsel een gegronde reden in bovengenoemde zin zou kunnen zijn, daarmee door verzoeker geen gegronde reden is gegeven voor de omstandigheid dat hij vanaf 1994 tot 2000 in Turkije heeft verbleven. Gelet hierop heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat het eventuele verblijfrecht dat verzoeker voor zijn vertrek in 1994 op grond van artikel 7 Besluit 1/80 had, door het langdurige vertrek van verzoeker naar het buitenland thans verloren is gegaan.

2.16 Derhalve kan verzoeker thans evenmin een verblijfsrecht ontlenen aan het bepaalde in artikel 7 Besluit 1/80.

2.17 Met betrekking tot de ter zitting namens verzoeker aangevoerde grond dat hij ten onrechte niet is gehoord op het bezwaar, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker deze beroepsgrond niet eerder had kunnen aanvoeren. De voorzieningenrechter zal deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling betrekken. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 augustus 2005 (200503842/1) en 30 september 2005 (200504634/1, JV 2005, 440).

2.18 Ondanks al het vorenoverwogene ziet de voorzieningenrechter aanleiding het beroep gegrond te verklaren. Hiervoor is het volgende redengevend. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker in bezwaar niet heeft weersproken dat de rechten als gevolg van het langdurig verblijf in het buitenland zijn vervallen. Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit standpunt van verweerder onjuist is, nu in het aanvullend bezwaarschrift van 18 augustus 2006 is aangevoerd dat verweerder zich in de beslissing in primo ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 Besluit 1/80 en door verzoeker naar voren is gebracht dat hij verblijfsrecht heeft op grond van het feit dat hij meer dan tien jaren rechtmatig verblijf heeft gehad in het kader van gezinshereniging. Die grieven kan de voorzieningenrechter niet anders begrijpen dan dat verzoeker hiermee het door verweerder in de beslissing in primo betrokken standpunt ter zake van het vervallen van verzoekers verblijfsrechten heeft willen weerleggen.

2.19 Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen op grond van artikel 7:12 Awb nu dit besluit berust op een ondeugdelijke motivering.

2.20 De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu op grond van het voorgaande de conclusie niet anders kan zijn dan dat verzoeker geen verblijfsrecht kan ontlenen aan Besluit 1/80.

2.21 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.22 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en met toepassing van artikel 8:75, derde lid, Awb zal de rechtspersoon worden aangewezen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het verzoek om voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1; er is geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van dat verzoek ter zitting).

2.23 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, respectievelijk 8:82, vierde lid, Awb zal de Staat der Nederlanden worden aangewezen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- in verband met het beroep en ad € 322,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoeker te voldoen;

3.6 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad tweemaal € 143,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 3 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.