Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0637

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/7035 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de 7 dagen dat de kantoren van het CWI zijn gesloten. Voorts geeft eiser aan niet op de hoogte te zijn geweest van de verplichting de inschrijving bij het CWI te verlengen. Eiser is over de hier in geding zijnde periode verschillende malen bij het CWI geweest, bij geen van deze bezoeken is eiser gewezen op de verplichting tot tijdige verlenging.

Nu eiser bewust zijn inschrijving bij het CWI niet tijdig heeft verlengd wordt niet toegekomen aan de toets of de bemiddelingskansen van eiser zijn verkleind door het niet ingeschreven staan.

Verweerder heeft op juiste gronden een maatregel opgelegd inhoudende een korting op zijn WW-uitkering van 20% gedurende 332 dagen.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/7035 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 28 april 2006 heeft verweerder eiser met ingang van 10 mei 2005 een maatregel opgelegd bestaande uit een korting op zijn uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) van 20% gedurende 332 dagen, omdat hij zijn inschrijving bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) niet tijdig heeft verlengd.

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 augustus 2006, ingekomen bij de rechtbank op 23 augustus 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 28 juni 2007 ter zitting behandeld.

Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts

Motivering

Eiser ontvangt sinds 10 mei 2005 een loongerelateerde WW-uitkering. Blijkens de rapportage van de re-integratiecoach van 20 april 2006 heeft eiser zijn inschrijving bij het CWI niet tijdig verlengd. Verweerder heeft eiser vervolgens een maatregel opgelegd inhoudende een korting op zijn WW-uitkering van 20% gedurende 332 dagen.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser over de periode van 10 mei 2005 tot 6 april 2006 niet ingeschreven heeft gestaan bij het CWI.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de 7 dagen dat de kantoren van het CWI zijn gesloten. Voorts geeft eiser aan niet op de hoogte te zijn geweest van de verplichting de inschrijving bij het CWI te verlengen. Eiser is over de hier in geding zijnde periode verschillende malen bij het CWI geweest, bij geen van deze bezoeken is eiser gewezen op de verplichting tot tijdige verlenging. Verweerder heeft niet onderzocht of in het geval van eiser volstaan kon worden met een waarschuwing. Evenmin is gekeken of sprake was van verminderde verwijtbaarheid, eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 mei 2005 LJN: AT6750.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW is de werknemer verplicht zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen.

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW wordt de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien de werknemer een verplichting die hem op grond van artikel 26 is opgelegd, niet nakomt.

Ingevolge het vierde lid van dat artikel wordt de maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden en wordt van het opleggen van een maatregel afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge het zesde lid van dat artikel kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

Krachtens het achtste lid van dat artikel heeft verweerder hieromtrent nadere regels in het Maatregelenbesluit UWV van 9 augustus 2004, Stcrt. 2004, 163, vastgesteld. De verplichting zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen is op grond van de bijlage van het Maatregelenbesluit UWV, zoals dat geldt vanaf 28 augustus 2004, een verplichting van de eerste categorie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c van het Maatregelenbesluit UWV bedraagt de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet nakomen van een verplichting opgenomen in de eerste categorie van de WW 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien het gestelde tijdstip met meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden, tenzij wordt volstaan met een waarschuwing. Ingevolge artikel 3, tweede lid van het Maatregelenbesluit UWV bedraagt de hoogte van de maatregel 10% indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft.

Ingevolge artikel 3, sub c, van de bij het Besluit waarschuwing (Stcrt. 1999, 76), behorende bijlage wordt afgezien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een waarschuwing, mits het gestelde tijdstip met niet meer dan 14 kalenderdagen is overschreden.

Allereerst constateert de rechtbank dat eiser in de periode hier in geding niet ingeschreven stond als werkzoekende bij het CWI en dat verweerder derhalve in beginsel verplicht was de uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren. De rechtbank overweegt hiertoe dat het niet ingeschreven zijn voor de toepassing van de WW als verwijtbaar gedrag moet worden aangemerkt. Hetgeen eiser heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Voorts stelt de rechtbank vast dat gelet op het gestelde in het Besluit Waarschuwing, verweerder niet kon volstaan met het geven van een waarschuwing nu eiser meer dan 14 dagen, namelijk 332 dagen, niet ingeschreven heeft gestaan bij het CWI.

De stelling van eiser dat hij niet op de hoogte was van de verplichting zich in te schrijven bij het CWI en domweg vergeten was zijn inschrijving tijdig te verlengen volgt de rechtbank niet. In het geval van eiser is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het eenvoudigweg vergeten te verlengen, maar van het bewust onjuist invullen van de werkbriefjes. Op ieder werkbriefje vult eiser een wisselende datum in tot wanneer hij geregistreerd is bij het CWI. Zo zou eiser blijkens het eerste werkbriefje (gedingstuk B2.19) ingeschreven staan tot 10 oktober 2005. Later vult eiser de datum in van 12 december 2005, een maand later blijkt zijn inschrijving weer tot 1 december 2005 geldig te zijn, dan weer 12 december 2005 en vervolgens 5 december 2005. Hieruit blijkt dat eiser bewust gegevens fout invult en dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake zou zijn van een misverstand. Overigens is eiser blijkens de gedingstukken over de periode van 1 oktober 2003 tot 9 mei 2004 ook werkloos geweest. Van eiser kan dan ook worden verwacht dat hij in voldoende mate op de hoogte was van zijn rechten en plichten ingevolge de WW. Voor zover er bij eiser vragen waren, had het op de weg van eiser gelegen hierover duidelijkheid te krijgen. De door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB (LJN AT6750) heeft betrekking op een andere situatie en is daarmee geen onderbouwing van eisers standpunt.

Nu eiser bewust zijn inschrijving bij het CWI niet tijdig heeft verlengd wordt niet meer toegekomen aan de toets of de bemiddelingskansen van eiser zijn verkleind door het niet ingeschreven staan.

Verweerder heeft op juiste gronden een maatregel opgelegd inhoudende een korting op zijn WW-uitkering van 20% gedurende 332 dagen.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S. Verheijen en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier S.V. de Bart-van der Vegte.