Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0621

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/6054 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Eiser exploiteert een computerservicebureau in de vorm van een eenmanszaak. In het jaar 2003 heeft eiser in het kader van zijn onderneming onder andere royalty's uit Japan ontvangen. De Algemene wet inzake rijksbelastingen behelst de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting kan navorderen.

Er is geen sprake van te goeder trouw. De formulieren zijn rechtens correct ingevuld. Toch moest er bij eiseres duidelijk zijn geweest dat het te grote verschil dat de aanslag onjuist was vastgesteld.

De de rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/726
FutD 2008-0290

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht,

enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6054 IB/PVV

Uitspraakdatum: 8 augustus 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z.],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P.],

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € [bedrag] en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.033. In de navorderingsaanslag is de bij de definitieve aanslag in aanmerking genomen aftrek elders belast ten bedrage van € [bedrag] verminderd tot € [bedrag].

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 juni 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 4 juli 2006, ontvangen bij de rechtbank op 5 juli 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2007 te 's-Gravenhage.

1.6. Eiser is daar in persoon verschenen, evenals zijn [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigden].

1.7. Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.8. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiser.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Eiser exploiteert een computerservicebureau in de vorm van een eenmanszaak. In het jaar 2003 heeft eiser in het kader van zijn onderneming onder andere royalty's uit Japan ontvangen ten bedrage van € [bedrag].

2.2. Op grond van het eerste en tweede lid van artikel 13 van de Overeenkomst tussen de regering van Japan en de regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het Verdrag) mogen de royalty's afkomstig uit Japan en betaald aan een inwoner van Nederland in Nederland worden belast, waarbij ook Japan overeenkomstig de wetgeving van Japan over de royalty's mag heffen. De in Japan geheven belasting mag echter 10 percent van het bruto-bedrag van de royalty's niet overschrijden.

2.3. Overeenkomstig artikel 24, lid 2, sub c, van het Verdrag, verleent Nederland voor de uit Japan ontvangen royalty's een vermindering op de Nederlandse belasting. Het bedrag van deze vermindering is gelijk aan het bedrag van de Japanse belasting. De vermindering overschrijdt echter niet dat deel van de Nederlandse belasting, zoals deze berekend is vóór het verlenen van de vermindering dat aan bedoelde bestanddelen van het inkomen kan worden toegerekend.

2.4. Eiser heeft op 17 september 2004 aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2003 gedaan, waarbij hij in verband met zijn uit Japan ontvangen royalty's overeenkomstig het Verdrag een aftrek elders belast van € [bedrag] in aanmerking heeft genomen.

2.5. Aan eiser is met dagtekening 24 november 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2003 opgelegd. Bij de vaststelling van die aanslag is ter zake van de ontvangen royalty's een aftrek elders belast van € [bedrag] in aanmerking genomen, zijnde het bedrag van de Nederlandse belasting, zoals deze berekend is vóór het verlenen van de vermindering, dat aan de royalty's kan worden toegerekend.

2.6. Met dagtekening 9 februari 2006 is aan eiser een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2003 opgelegd, waarbij de aftrek elders belast werd teruggebracht tot € [bedrag], zijnde de in Japan volgens het Verdrag geheven belasting van 10% van de royalty's.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of er sprake is van een schrijf- of tikfout of een daarmee gelijk te stellen vergissing die navordering rechtvaardigt.

3.2. Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend.

3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag.

3.4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen behelst de hoofdregel dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting kan navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die hoofdregel: een feit dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2. Het staat vast dat eiser een juiste aangifte heeft gedaan. Ook staat vast dat eiser niet te kwader trouw heeft gehandeld en dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met het feit dat de aftrek elders belast € [bedrag] had moeten bedragen.

4.3. Indien echter een aanslag te laag is vastgesteld, niet als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van verweerder in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van verweerder in het recht, maar als gevolg van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat verweerder wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd, zoals bijvoorbeeld een schrijf-, reken-, overname-, of intoetsfout, en het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt - waarbij niet van belang is of tevens kenbaar was waarin de fout bestond -, is overeenkomstig de hoofdregel navordering toegestaan. Op aan het aanslagbiljet te ontlenen vertrouwen kan een belastingplichtige zich in een dergelijk geval niet met vrucht beroepen (Hoge Raad 8 augustus 2003, nr. 37 570, BNB 2003/345).

4.4. Door eiser is gesteld dat de aangifte door een ongeschoolde medewerker is ingevoerd in het systeem. Na de invoering van de gegevens werd door het geautomatiseerde systeem een uitworpformulier aangemaakt met de melding dat een aantal posten, waaronder inkomsten (box 1) uit het buitenland, vanwege een fout moet worden beoordeeld door een geschoolde medewerker, hetgeen ook is geschied. De fout bij de inkomsten (box 1) uit het buitenland zou volgens de door die geschoolde medewerker op het uitworpformulier handgeschreven aantekening de noemer van de breuk - bedoeld wordt de breuk waarmee berekend wordt het deel van de totale Nederlandse belasting dat aan de royalty's kan worden toegerekend - van de berekening van de voorkoming dubbele belasting betreffen. De behandelende medewerker heeft ten tijde van de aanslagregeling op het uitworpformulier tevens aangegeven dat ter zake van € [bedrag] uit Japan maximaal 10% van het bedrag aan aftrek elders belast in aanmerking mag worden genomen. Bij de uitgevoerde controle heeft die medewerker eerst het bedrag van aftrek elders belast in de aangifte zelf gecontroleerd en geconstateerd dat de aangifte het juiste bedrag vermeldde. Bij het doorlopen van de schermen van de aanslag in de computer heeft de medewerker de noemer van de breuk gecontroleerd en ongewijzigd gelaten. Uit de uitkomst van de breuk blijkt dat de noemer het juiste bedrag vermeldde. Hierna is de oplettendheid van de behandelende medewerker volgens verweerder afgenomen, want bij de definitieve uitkomst van de berekening van de voorkoming dubbele belasting is over het hoofd gezien dat de uitkomst van de breuk niet werd beperkt tot 10% van het totale bedrag aan royalty's, zoals, volgens de aantekeningen op het uitworpformulier, wel de bedoeling was.

4.5. De rechtbank acht aannemelijk dat de aanslagregeling is geschied op de wijze zoals opgenomen onder 4.4. Zij acht ook aannemelijk dat de aantekening op het uitworpfomulier, dat maximaal 10% van het bedrag uit Japan in aanmerking kan worden genomen, daarop is geplaatst ten tijde van de aanslagregeling begin september 2005. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat door de behandelend medewerker van verweerder ten aanzien van het maximale in aanmerking te nemen bedrag aftrek elders belast een rechtens juiste conclusie is getrokken en dat het onjuiste bedrag, welk aan aftrek elders belast uiteindelijk in aanmerking is genomen, niet het gevolg is van een onjuist inzicht van die behandelend ambtenaar in de feiten of in het recht, maar het gevolg is van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat die ambtenaar wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd.

4.6. De rechtbank is tevens van oordeel dat het eiser redelijkerwijs kenbaar is geweest dat bij de totstandkoming van de primitieve aanslag een fout was gemaakt. Uit het als bijlage bij het beroepschrift gevoegde fiscale rapport blijkt dat de hoogte van de uit de aangifte voortvloeiende belastingschuld is berekend. Gelet op het grote verschil tussen de aldus berekende belasting en het bedrag dat bij de primitieve aanslag als te betalen belasting is vastgesteld moet het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat die aanslag in zoverre onjuist was vastgesteld.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Vink, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.