Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0614

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/8362 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaasnslag IB/PVV, sprake van nieuw feit, verweerder mocht uitgaan van aangifte, dat in 1995 en 1997 een compromis is gesloten met verweerder brengt niet met zich dat de aanslagregelaar in 2001 redelijkerwijs bekend heeft hoeven zijn met de overdracht van de economische eigendom. In privé betaalde hypotheekrente voor bedrijfspand niet aftrekbaar als negatieve inkomsten uit terbeschikkingstellingsregeling, economische eigendom kan niet worden aangemerkt als een genotsrecht als bedoeld in art. 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, Wet IB 2001, voorbehouden juridische eigendom wordt niet ter beschikking gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0287

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht,

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/8362 IB/PVV

Uitspraakdatum: 25 juli 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

kantoor te [P.],

verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 21 augustus 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.753 (aanslagnummer [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2007.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Eiser is 100% aandeelhouder en directeur van [A.] B.V. (hierna: de BV). De BV is de economische eigenaar van het bedrijfspand aan de [a-straat] 6 te [P.] (hierna: het pand). Eiser is de juridische eigenaar van dat pand en heeft ter financiering daarvan een hypothecaire lening afgesloten. Eiser heeft voor het jaar 2001 aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.468. Hij heeft hierbij rekening gehouden met de betaalde hypotheekrente ter zake van het pand ten bedrage van € 14.285. Die rente heeft eiser in mindering gebracht op zijn belastbare inkomen als negatieve inkomsten uit ter beschikking gesteld vermogen.

2.2. Aan eiser is overeenkomstig de aangifte en zonder nader onderzoek met dagtekening 18 juli 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2001 opgelegd. Naar aanleiding van het bij de BV in augustus 2004 gehouden deelonderzoek is aan eiser met dagtekening 10 september 2004 de navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 35.753, waarbij de in aftrek gebrachte hypotheekrente werd gecorrigeerd.

2.3. Na daartegen ingediend bezwaar heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd.

2.4. Voor de rechtbank is in geschil of verweerder terecht de navorderingsaanslag heeft opgelegd. In dat kader houdt partijen verdeeld of er sprake is van een nieuw feit en, indien er sprake is van een nieuw feit, of de betaalde hypotheekrente op grond van artikel 3.92 lid 2, onderdeel a, ten derde, van de Wet IB 2001 aftrekbaar is in box 1 als negatieve inkomsten uit terbeschikkingstellingsregeling. Indien de betaalde hypotheekrente niet aftrekbaar is op grond van dat artikel, houdt de partijen verdeeld of de hypotheekrente alsnog in box 1 als negatieve inkomsten uit terbeschikkingstellingsregeling in aftrek kan worden gebracht op grond van het vertrouwensbeginsel.

2.5. Eiser stelt dat het voor het opleggen van een navorderingsaanslag vereiste nieuwe feit ontbreekt. Dat eiser slechts de juridische eigenaar van het pand is, was de belastingdienst reeds in het jaar 1995 bekend. De overdracht van een gedeelte van de economische eigendom vormde toen een deel van een fiscaal compromis tussen eiser en verweerder. In 1997 is ter uitvoering van het gesloten compromis de resterende economische eigendom overgedragen aan de vennootschap. In dat jaar is tussen eiser en verweerder ook contact geweest over de overdracht. Indien er wel sprake is van een nieuw feit, dan voert eiser aan dat de betaalde hypotheekrente op grond van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde van de Wet IB 2001 aftrekbaar is in box 1 als negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen. Naar lezing van de rechtbank bepleit eiser vervolgens dat in het geval dat de betaalde rente niet onder deze regeling valt de aanslag desondanks ten onrechte is opgelegd, omdat bij eiser door verweerder in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de betaalde hypotheekrente in box 1 aftrekbaar was.

2.6. Verweerder voert aan dat er wel sprake is van een nieuw feit, namelijk van het bij de BV in augustus 2004 gehouden deelonderzoek ontdekte feit dat eiser slechts de juridische eigenaar van het pand is. Het door eiser genoemde compromis waaruit de overdracht van de economische eigendom zou blijken is niet meer aanwezig in het archief van verweerder. Verweerder bepleit vervolgens dat de betaalde hypotheekrente niet onder de toepassing van de terbeschikkingsstellingsregeling valt en wijst ook eisers beroep op het vertrouwensbeginsel af.

2.7. Op grond van artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is navordering van te weinig geheven belasting slechts toegestaan in de gevallen waarin enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte te laag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwade trouw is.

2.8. De rechtbank acht aannemelijk dat verweerder ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag niet bekend was met het feit dat de economische eigendom van het pand reeds in de jaren 1995 en 1997 is overgedragen en is van oordeel dat verweerder met dit feit ook niet redelijkerwijs bekend had moeten zijn.

2.9. Gesteld noch gebleken is dat eiser bij zijn aangifte het hiervoor genoemde fiscale compromis of andere gegevens heeft meegestuurd waaruit zou blijken dat eiser slechts de juridische eigenaar van het pand was. Gezien dit gegeven en het feit dat de aangifte een betrouwbare en verzorgde indruk maakte is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen twijfel hoefde te koesteren met betrekking tot de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente in box 1 en derhalve niet gehouden was nader onderzoek op dat punt in te stellen. Daaraan doet niet af dat eiser in zijn verzoek om een aanpassing van de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2001 de betaalde hypotheekrente “middels de meesleepregeling” in aftrek heeft gebracht in box 1. Uit dat verzoek valt, naar het oordeel van de rechtbank, niet af te leiden dat eiser slechts de juridische eigenaar van het pand was.

2.10. Dat verweerder reeds in het kader van het sluiten en uitvoeren van het fiscale compromis in de jaren 1995 en 1997 op de hoogte was van de overdracht van de economische eigendom leidt er, naar het oordeel van de rechtbank, niet toe dat de aanslagregelaar in het jaar 2001 bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met de overdracht en staat aan navordering in het jaar 2001 niet in de weg. Nu de aangifte een verzorgde indruk maakte en verweerder geen twijfel hoefde te koesteren met de betrekking tot de juistheid van de aangifte, was de verweerder bij het vaststellen van de aanslag 2001 niet verplicht dossiers uit voorgaande jaren te raadplegen op zoek naar wellicht relevante informatie met betrekking tot de aftrekbaarheid van de betaalde rente in box 1.

2.11. Met betrekking tot de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente onder de terbeschikkingstellingsregeling overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, van de Wet IB 2001 wordt met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen gelijkgesteld het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat aan de vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft ter beschikking wordt gesteld.

2.12. De rechtbank is van oordeel dat de economische eigendom niet kan worden aangemerkt als een genotsrecht als in vorenbedoelde zin en dat het voormelde artikel niet ziet op een situatie als de onderhavige. Eiser heeft slechts de juridische eigendom van het pand. Hij heeft zichzelf dit recht uitdrukkelijk voorbehouden bij de overdacht van de economische eigendom. Naar het oordeel van de rechtbank is ervan geen sprake dat eiser de juridische eigendom op enige wijze ter beschikking heeft gesteld van de BV. Dat ter zake van de juridische eigendom wel sprake zou zijn van enige vorm van terbeschikkingstelling, vindt geen steun in de gedingstukken en is ook anderszins niet gebleken of aannemelijk geworden. De betaalde hypotheekrente kan derhalve op grond van de wettelijke bepalingen niet in mindering worden gebracht op het belastbaar inkomen in box 1 als negatief resultaat uit inkomsten ter beschikking gesteld vermogen.

2.13. Met betrekking tot het beroep van eiseres op gewekt vertrouwen overweegt de rechtbank dat de in het kader van het verzoek om voorlopige teruggaaf met verweerder gevoerde correspondentie en het telefonisch onderhoud met een administratief medewerker van verweerder onvoldoende zijn voor het oordeel dat verweerder een uitdrukkelijk standpunt met betrekking tot aftrek van de betaalde hypotheekrente in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling heeft ingenomen waaraan eiser zijn vertrouwen zou kunnen ontlenen. Uit de door partijen overgelegde correspondentie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verweerder de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling inhoudelijk heeft beoordeeld. Uit die correspondentie blijkt veeleer dat verweerder slechts de door eiser voorgestelde wijziging van de reeds verleende teruggaaf heeft uitgevoerd. De rechtbank acht aannemelijk dat dit niet meer dan een administratieve handeling is geweest zonder nadere beoordeling of onderzoek.

2.14. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in verband met de vaststelling van de voorlopige teruggaaf 2001 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van verweerder, waarbij een standpunt met betrekking tot de aftrekbaarheid van de rente is ingenomen. Met betrekking tot het contact in verband met de voorlopige teruggaaf 2002 overweegt de rechtbank dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat de betreffende medewerker van de belastingdienst slechts bevoegd was algemene mededelingen omtrent de vaststelling van de voorlopige teruggaaf te doen en niet beschikte over inhoudelijke kennis van de terbeschikkingstellingsregeling. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat deze medewerker toezeggingen heeft gedaan omtrent de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling.

2.15. Tenslotte oordeelt de rechtbank dat tevens het volgen van de ingediende aangifte bij het opleggen van de definitieve aanslag bij eiser geen in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat verweerder ten aanzien van de betaalde hypotheekrente het uitdrukkelijke standpunt heeft ingenomen dat deze in box 1 als negatieve inkomsten uit terbeschikkingstelling in aftrek kan worden gebracht. Niet gesteld of gebleken is dat in het kader van de vaststelling van deze aanslag onderzoek is gedaan naar de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente in box 1.

2.16. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder terecht de correctie van de betaalde hypotheekrente aangebracht en is het beroep ongegrond verklaard.

2.17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 25 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Bandell-Hauptová, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.