Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0110

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/17853
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reguliere aanvraag / verschijnen in persoon / artikel 3.102 Vb 2000 / motivering

Eiseres heeft een aanvraag regulier onder de beperking “het volgen van studie” ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat eiseres niet heeft voldaan aan het verzoek van verweerder om in persoon te verschijnen. In de beschikking in primo is dit de dragende overweging geweest.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat niet langer in geschil is dat de verplichting om in persoon te verschijnen niet volgt uit artikel 3.102 Vb 2000.

Nu verweerder voor de motivering van de beschikking op bezwaar slechts heeft verwezen naar de overwegingen uit de beschikking in primo en de dragende overweging van die beschikking komt te vervallen, dient het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank wegens een motiveringsgebrek te worden vernietigd. De omstandigheid dat eiseres in haar aanvraag zelf heeft verzocht om te worden opgeroepen voor het doen van een aanvraag, maakt vorenstaande niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: AWB 07/17853 BEPTDN S6

uitspraak: 6 december 2007

inzake:

[...],

geboren op [...],

verblijvende te [...],

van Kameroense nationaliteit,

IND dossiernummer: 0312.03.0278,

V-nummer: 270.290.4720,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.P.H. Thissen, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. Gaal - de Groot, werkzaam bij de IND.

Procesverloop

Op 27 januari 2006 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000), onder de beperking “het volgen van studie”, ingediend.

Bij beschikking van 21 maart 2006 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen. Bij bezwaarschrift van 11 april 2006 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

Bij beschikking van 28 maart 2007, heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 april 2007 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 oktober 2007. Eiseres is daarbij niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Standpunten van partijen

Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat de aanvraag volgens verweerder een onvolledige aanvraag betreft. Verweerder heeft overwogen dat op 27 januari 2006 door dan wel namens eiseres een schriftelijke aanvraag is ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Gelet op het bepaalde in artikel 3.102, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) dient de aanvraag in persoon te worden ingediend. Daarom is eiseres, via haar gemachtigde, bij brief van 27 februari 2006 verzocht om op 20 maart 2006 om 11.00 uur in persoon te verschijnen bij de IND te Rijswijk om haar aanvraag te completeren. Omdat eiseres zonder opgaaf van reden niet is verschenen, heeft geen identificatie van eiseres kunnen plaatsvinden. Naar de mening van verweerder is, nog afgezien van het antwoord op de vraag of de benodigde bescheiden zijn overgelegd, de conclusie gerechtvaardigd dat er sprake is van een onvolledige aanvraag. Verweerder is om die reden(en) van mening dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld en dat het bezwaar terecht en op goede gronden ongegrond is verklaard.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag ten onrechte niet in behandeling heeft genomen, omdat verweerder ten onrechte stelt dat het verplicht is dat de aanvraag in persoon wordt ingediend. De verwijzing van verweerder daartoe naar artikel 3.102 van het Vreemdelingbesluit 200 (Vb 2000) mist naar de mening van eiseres fundering. Volgens eiseres tracht verweerder de indruk te wekken dat bij Algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling besloten is dat reguliere aanvragen in persoon moeten worden ingediend. Naar de mening van eiseres is dit laatste niet waar en is de materiële wetgever, onder verwijzing naar aantekening 1 bij artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), daartoe niet bevoegd. Voorts heeft eiseres nog verwezen naar een uitspraak van 3 mei 2007, van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, waarin volgens eiseres is overwogen dat de door verweerder aangehaalde artikelen geen verbod op het schriftelijk indienen van aanvragen kan worden afgeleid. Naar de mening van eiseres komt de bestreden beschikking om die reden(en) voor vernietiging in aanmerking.

Beoordeling van het beroep

Gelet op de portefeuilleverdeling, zoals vastgesteld tijdens de constituerende vergadering van 22 februari 2007 van het op diezelfde dag beëdigde kabinet, is de Staatssecretaris van Justitie verantwoordelijk gesteld voor het beleidsterrein Vreemdelingenzaken. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode van 14 december 2006 tot 22 februari 2007 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de Minister van Justitie, en voor wat betreft de periode tot 14 december 2006, de (voormalige) Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Koninklijk Besluit van 14 december 2006,

nr. 06.004621, Scrt. 2006, 247) De handelingen en besluiten van voornoemde Ministers dienen rechtens te worden toegerekend aan de Staatssecretaris van Justitie.

Ingevolge artikel 4:1 Awb wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Ingevolge artikel 4:2, eerste lid, Awb wordt de aanvraag ondertekend en bevat deze ten minste de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. Ingevolge het tweede lid van dit artikel verschaft de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb kan het bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

Uit artikel 14, eerste lid en onder a, Vw 2000 volgt dat Onze Minister bevoegd is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 23 Vw 2000 wordt – voor zover hier van belang – de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, Awb, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a en b, Vw 2000 worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag alsmede de gegevens die de vreemdeling in persoon moet verstrekken.

Op grond van artikel 3.102, eerste lid, Vb 2000 legt de vreemdeling – voor zover hier van belang – bij de in persoon ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening.

Blijkens artikel 3.102, tweede lid, Vb 2000 legt de vreemdeling bij de niet in persoon ingediende aanvraag afschriften over van de in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden en overlegt hij op verzoek van Onze Minister de originelen.

De rechtbank stelt vast dat de motivering van het bestreden besluit van 28 maart 2007 feitelijk een verwijzing is naar de overwegingen van de beschikking van 21 maart 2006 en de mededeling dat deze overwegingen worden overgenomen en als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Verweerder heeft daarbij tevens overwogen dat de in bezwaar aangevoerde gronden niet tot een ander oordeel leiden dan verwoord in de beschikking van 21 maart 2006.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder in de initiële beschikking van 21 maart 2006 heeft overwogen dat de door eiseres gedane aanvraag, gelet op het bepaalde in artikel 3.102 Vb 2000, in persoon moet worden ingediend. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat, nu eiseres zonder opgaaf van redenen niet heeft voldaan aan de oproep om op 20 maart 2006 om 11.00 uur in persoon te verschijnen om haar aanvraag te completeren, de aanvraag terecht niet in behandeling is genomen. De rechtbank is – anders dan verweerder in zijn beschikking van 21 maart 2006 heeft overwogen – van oordeel dat noch uit artikel 4:2 Awb, noch uit artikel 3.102 Vb 2000 opgemaakt kan worden dat een aanvraag, zoals in onderhavig geval, in persoon moet worden ingediend. Ter zitting heeft verweerder verklaard dit standpunt ook niet langer te handhaven.

Gelet op het feit dat niet langer in geschil is dat deze verplichting niet voortvloeit uit artikel 3.102 Vb 2000, is de rechtbank van oordeel dat deze dragende overweging van eerder genoemde beschikking niet langer stand kan houden. Naar het oordeel van de rechtbank dient als gevolg van het wegvallen van deze overweging het bestreden besluit te worden vernietigd in verband met een motiveringsgebrek. De omstandigheid dat eiseres zelf heeft verzocht om te worden opgeroepen voor het doen van een aanvraag, maakt vorenstaande niet anders.

De rechtbank is voorts van oordeel dat - anders dan namens verweerder ter zitting is betoogd – de omstandigheid dat eiseres ook andere bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag niet heeft overgelegd, niet tot een ander oordeel kan leiden. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de tekst “Nog afgezien van de vraag of de benodigde bescheiden zijn overgelegd, is de conclusie gerechtvaardigd dat er thans sprake is van een onvolledige aanvraag” moet worden afgeleid dat dit een ten overvloede overweging is en dat dit niet een dragende overweging is geweest voor het niet in behandeling nemen van de aanvraag.

Het beroep is derhalve gegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad € 143,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,00 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2007 in tegenwoordigheid van A.P. Kuiters als griffier.

Afschrift verzonden: