Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0106

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/31079
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / contra-expertise / voldoende aanknopingspunten voor twijfel

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de contra-expertise voldoende aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse. De contra-expert draagt gegevens aan waaruit blijkt dat eiser een goede kennis van het Swahili heeft en dat zijn kennis van het Kirundi, hoewel deze minimaal is, en de invloed van het Frans in zijn spraak zijn stelling dat hij uit Burundi afkomstig is ondersteunen. (…) Verweerder beperkt zich in zijn reactie tot het onvoldoende gemotiveerd in twijfel trekken van de deskundigheid van de contra-expert en gaat niet gemotiveerd in op hetgeen de contra-expert heeft aangevoerd over de bijzonderheid van het gebied rond Nyanza-Lac waar eiser stelt vandaan te komen, waar de talen Kirundi, Frans en Swahili worden gesproken en deze talen elkaar beïnvloeden, hetgeen waarneembaar is in eisers spraak. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: AWB 06/31079 BEPTDN S6

uitspraak: 13 april 2007

inzake:

[vreemdeling]

geboren op [geboortedatum],

verblijvende te Oude Pekela,

van gesteld Burundische nationaliteit,

IND dossiernummer: [dossiernummer],

V-nummer: [V-nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. T.H.G. Schuringa, advocaat te Groningen,

tegen:

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND))

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman, werkzaam bij de IND.

Procesverloop

Op 2 augustus 2003 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Bij beschikking van 31 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 26 juni 2006 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 26 juli 2006. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Bij brief van 20 oktober 2006 heeft eiser een aanvullend stuk ingediend. Verweerder heeft bij brief van 29 november 2006 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft bij brieven van 19 december 2006 en 6 maart 2007 aanvullende stukken ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 maart 2007. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Standpunten van partijen

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Hij is afkomstig uit [woonplaats] in Burundi. Hij heeft zijn land van herkomst verlaten, omdat hij, nadat hij had gezien dat overal in huis bloed lag en alles overhoop was gehaald, van een vriend van zijn vader had vernomen dat zijn ouders door onbekenden waren gedood. Deze mensen waren op zoek naar eiser, omdat zij hem wilden rekruteren voor hun leger. De vriend van eisers vader raadde hem aan het land te verlaten.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daartoe artikel 31 tweede lid, aanhef en onder f , Vw 2000 aan eiser tegengeworpen in verband met het ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten. In verband met twijfel aan de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit heeft verweerder een taalanalyse laten uitvoeren, waaruit naar voren is gekomen dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Burundi. Daarnaast heeft eiser verklaard Swahili te spreken en een klein beetje Kirundi, terwijl Kirundi de gebruikelijke taal is in Burundi. Bovendien heeft eiser een aantal verklaringen over zijn woonomgeving afgelegd die niet overeenkomen met de algemene informatie hieromtrent. Gelet op vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is en dat eiser geen aanspraken op een verblijfsvergunning kan ontlenen aan artikel 29 Vw 2000.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan hem tegenwerpt. Zo heeft eiser er door de paniek als gevolg van de gebeurtenissen niet aan gedacht zijn identiteitskaart mee te nemen. Dit valt eiser niet te verwijten. Bovendien zou een meegebrachte identiteitskaart hem niets hebben geholpen, omdat gebleken is dat identiteitskaarten uit Burundi niet kunnen worden onderzocht op authenticiteit wegens het ontbreken van referentiemateriaal. Voorts handhaaft eiser de kritiek op de door verweerder uitgevoerde taalanalyse en de deskundigheid van de taalanalist “KIN 2”. Uit het door eiser overgelegde rapport contra-expertise blijkt – in tegenstelling tot de door verweerder uitgevoerde taalanalyse – dat eiser zeer waarschijnlijk afkomstig is uit Burundi. Eiser is van mening dat ten onrechte is overwogen dat hij niet uit Burundi afkomstig is en dat hij ten onrechte niet wordt toegelaten op één der gronden genoemd in artikel 29 Vw 2000. Het bestreden besluit ontbeert een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep

Gelet op het Koninklijk Besluit van 22 februari 2007 (nr. 07.000660, Scrt. 2007, 41), en gelet op de portefeuilleverdeling, zoals vastgesteld tijdens de constituerende vergadering van 22 februari 2007 van het op diezelfde dag beëdigde kabinet, is de Staatssecretaris van Justitie verantwoordelijk gesteld voor het beleidsterrein Vreemdelingenzaken. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode van 14 december 2006 tot 22 februari 2007 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de Minister van Justitie, en voor wat betreft de periode tot 14 december 2006, de (voormalige) Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Koninklijk Besluit van 14 december 2006 (nr. 06.004621, Scrt. 2006, 247) De handelingen en besluiten van voornoemde Ministers dienen rechtens te worden toegerekend aan de Staatsecretaris van Justitie.

De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkens het bestreden besluit de aanvraag van eiser heeft afgewezen met toepassing van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, wegens ongeloofwaardigheid van de door eiser afgelegde verklaringen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voor de beoordeling van de vraag of verweerder de verklaringen van eiser in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, verwijst de rechtbank naar de hoofdstukken C1/3.2.2 en C1/3.3.4. van de Vc 2000. Ingevolge dit beleid pleegt verweerder het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien echter één van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000 opgesomde omstandigheden zich voordoet, mogen, om alsnog van de geloofwaardigheid van het asielrelaas uit te gaan, in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Tevens komt bij de toepassing van dit beleid in een concreet geval verweerder beoordelingsruimte toe, aldus de AbRS bij uitspraak van 27 januari 2003 (JV 2003/103).

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn of haar aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van die aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem of haar is toe te rekenen. Blijkens het bestreden besluit werpt verweerder eiser het ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten tegen. Verweerder volgt eisers verklaringen voor het ontbreken van deze documenten niet, nu uit een taalanalyse, die verweerder in verband met twijfel aan eisers herkomst heeft laten uitvoeren, naar voren is gekomen dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Burundi. Eiser heeft ter nadere onderbouwing van zijn verklaringen echter een rapport contra-expertise van 16 oktober 2006 overgelegd, opgesteld door [naam] van de universiteit van Illionois in opdracht van de Taalstudio. Deze contra-expert concludeert dat eiser “most probably” afkomstig is uit Burundi. De rechtbank overweegt dat het rapport van de contra-expert, in tegenstelling tot het rapport taalanalyse van verweerder, uitgebreid, inzichtelijk en transparant is en begrijpelijk voor een niet-linguïst. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de contra-expertise voldoende aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse. De contra-expert draagt gegevens aan waaruit blijkt dat eiser een goede kennis van het Swahili heeft en dat zijn kennis van het Kirundi, hoewel deze minimaal is, en de invloed van het Frans in zijn spraak zijn stelling dat hij uit Burundi afkomstig is ondersteunen. Verweerder heeft naar aanleiding van de contra-expertise zijn Bureau Land & Taal een reactie laten geven en onder verwijzing naar deze reactie zijn standpunt inzake de geloofwaardigheid van eisers afkomst gehandhaafd. De rechtbank is echter van oordeel dat deze reactie de twijfel aan de juistheid van de taalanalyse, zoals ook verwoord in de reactie van 1 maart 2007 van de Taalstudio en de contra-expert, niet wegneemt. Verweerder beperkt zich in zijn reactie tot het onvoldoende gemotiveerd in twijfel trekken van de deskundigheid van de contra-expert en gaat niet gemotiveerd in op hetgeen de contra-expert heeft aangevoerd over de bijzonderheid van het gebied rond [woonplaats] waar eiser stelt vandaan te komen, waar de talen Kirundi, Frans en Swahili worden gesproken en deze talen elkaar beïnvloeden, hetgeen waarneembaar is in eisers spraak.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet op basis van de uitkomst van de taalanalyse kunnen stellen dat eiser geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat hij geen identiteits- en nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook niet in redelijkheid kunnen concluderen dat het ontbreken van documenten toegerekend kan worden aan eiser en daarmee afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas.

In verband met het voorgaande dienen ook de door verweerder als ongeloofwaardig beschouwde verklaringen van eiser omtrent zijn woonomgeving in een ander toetsingskader te worden beoordeeld, waardoor verweerders standpunt dat eisers asielrelaas een positieve overtuigingskracht ontbeert geen stand kan houden.

Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van eiser € 644,= (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtsper¬soon die deze kosten moet vergoeden aan eiser.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak

overwogene;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 644,=, te voldoen aan eiser.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. Hofstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2007, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. ten Hoopen als griffier.

Afschrift verzonden: