Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9846

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/5075 WIVD
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening in beveiliging. Ter zake van het niet tijdig nemen van een beslissing op verzoeksters bezwaar tegen het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Medegedeeld is dat haar Personnel Security Clearance (PSC), op NATO SECRET niveau, wordt ingetrokken.

Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 07/5075 WIVD

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoekster],

[woonplaats], Duitsland,

ter zake van het niet tijdig nemen van een beslissing op verzoeksters bezwaar van 9 maart 2007 tegen het besluit van 26 februari 2007, verzonden op 28 februari 2007, van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder, waarbij verzoekster is medegedeeld dat haar Personnel Security Clearance (PSC), op NATO SECRET niveau, wordt ingetrokken.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Bij uitspraak van 20 april 2007 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster ter zake van het besluit van 26 februari 2007 toegewezen in dier voege dat de voorlopige voorziening wordt getroffen dat de beslissing op het bezwaar van 9 maart 2007 wordt genomen binnen de in artikel 7:10 van de Awb bepaalde beslistermijn (AWB 07/2178 WIVD).

2. Bij uitspraak van 4 juli 2007 heeft deze rechtbank het beroep van verzoekster ter zake van het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar van 9 maart 2007 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat, nu de beslistermijn eindigt op 9 juli 2007, van overschrijding van de beslistermijn geen sprake is (AWB 07/4628 WIVD).

3.1 Bij brief van 11 juli 2007 heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank ter zake van het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van

9 maart 2007 (AWB 07/5078 WIVD). Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

3.2 Bij besluit van 11 juli 2007, verzonden op 16 juli 2007, heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

3.3 De rechtbank heeft het beroep ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 11 juli 2007.

4.1 Bij brief van 17 juli 2007 heeft verzoekster in reactie op het besluit van

11 juli 2007 de voorzieningenrechter medegedeeld dat over een periode van vijf, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen aantal dagen, een dwangsom van € 500,-- is verbeurd. Voorts verzoekt verzoekster tot vergoeding van de gemaakte proceskosten, waaronder de kosten van rechtsbijstand en de verschuldigde griffierechten.

4.2 Op 20 juli 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster de griffier desgevraagd telefonisch medegedeeld dat met de brief van 17 juli 2007 is beoogd tot uitdrukking te brengen dat thans een uitspraak van de voorzieningenrechter wordt gewenst met betrekking tot het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 9 maart 2007 en niet met betrekking tot de beslissing op bezwaar van 11 juli 2007.

II. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken en overweegt als volgt.

2.1 In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Met deze bepaling is beoogd belanghebbenden een procedureel middel in handen te geven om een nalatig bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Indien hangende het bezwaar of beroep alsnog een reëel besluit wordt genomen, is dit doel verwezenlijkt en heeft betrokkene geen processueel belang meer bij vernietiging van het in artikel 6:2, onder b, van de Awb bedoelde besluit.

Zulk een belang kan evenmin zijn gelegen in het verkrijgen van een proceskostenveroordeling of een last tot vergoeding van het griffierecht.

2.2 Voor zover verzoekster heeft beoogd aan te geven dat sprake is van een voortgezet processueel belang dat is gelegen in het verkrijgen van een uitspraak, waarin een dwangsom verbeurd wordt verklaard, wordt overwogen als volgt. De rechtbank noch de voorzieningenrechter heeft een uitspraak gedaan waarbij verweerder is opgedragen om binnen een bepaalde termijn te beslissen op het bezwaar van verzoekerster onder het verbeuren van een dwangsom bij niet-naleving van de uitspraak. Verzoekster kan derhalve geen aanspraak maken op een dwangsom.

3. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb is kennelijk ongegrond en komt mitsdien niet voor inwilliging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. G.P. Kleijn, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier, A.J. Faasse-van Rossum.