Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9836

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
05/3591(253987)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening van een perceel weiland in gebruik tbv het houden en fokken van paarden.

Vervroegde onteigeningsprocedure uitgesproken ten name en ten behoeve van de Provincie.

De Provincie zal een definitief vast te stellen schadeloosstelling, vermeerderd met de vergoeding van renteschade, vanaf heden tot de dag der algehele voldoening de wettelijke rente dienen te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ILB/II

rolnummer 05/3591(253987)

25 juli 2007

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak van:

De Provincie Zuid-Holland,

zetelende te 's-Gravenhage,

eiseres,

procureur: mr. E.J. Storm,

tegen

[gedaagde], wonende te [woonplaats]

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen,

en tegen

[interveniënt], wonende te [woonplaats],

procureur: mr. R.S. Meijer,

advocaat: mr. L.J. den Hollander.

Partijen worden hierna genoemd 'de Provincie', '[gedaagde]', '[interveniënt]'.

De rechtbank heeft kennis genomen van de processtukken en hetgeen is verhandeld ter zitting van 2 oktober 2006 en van 11 juni 2007.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Bij vonnis van 15 februari 2006 heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken ten name en ten behoeve van de Provincie van een perceelsgedeelte van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie E, nummer [1], zoals nader in dat vonnis omschreven.

2. Bij voormeld vonnis is het voorschot op de de schadeloosstelling voor [gedaagde] als eigenares bepaald op € 58.055,00 en voor [interveniënt] als pachter op € 46.755,90.

3. Het vonnis houdende vervroegde onteigening is op 4 april 2006 ingeschreven in de openbare registers.

4. De vervroegde opneming door de deskundigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 54a juncto 54j lid 1 van de Onteigeningswet heeft plaatsgevonden op 8 september 2005. De deskundigen hebben hun rapport op 11 september 2006 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

5. Bij proces-verbaal van de zitting van 2 oktober 2006 is de deskundigen verzocht een aanvullend rapport uit te brengen ten aanzien van de schade van [interveniënt]. Dit nadere rapport is op 9 mei 2007 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

6. Het onteigende betreft blijkens het deskundigenrapport een gedeelte van een perceel weiland, dat is gelegen tussen de [a-straat] en de [b-straat], totaal groot 01.27.30 hectare, waarvan is onteigend 00.66.35 hectare. Het onteigende is in gebruik bij [interveniënt] ten behoeve van zijn bedrijfsactiviteiten, bestaande uit het houden, fokken en africhten van paarden. Op het onteigende bevindt zich een trainingsmolen. Op het ernaast gelegen perceel bevinden zich een woning, paardenstal en buitenbak, welke door [interveniënt] worden gehuurd van [A.], echtgenoot van [gedaagde]. Door de onteigening ontstaat er een overblijvend perceelsgedeelte ter grootte van 00.60.95 hectare.

7. De in het vonnis van 15 februari 2006 genoemde hypotheekhouder is niet in de procedure tussengekomen. Het verzoek van [A.] als interveniënt te mogen tussenkomen is in het vonnis van 15 februari 2006 afgewezen.

8. De deskundigen hebben in hun rapporten de schadeloosstelling als volgt begroot:

[gedaagde]

A. de waarde € 46.445,00

B. de waardevermindering van het overblijvende nihil

C. de bijkomende schaden € 2.350,00

D. de belastingschade nihil

E. de renteschade P.M.

Totaal € 48.795,00

[interveniënt]

A. vermogensschade nihil

B. inkomensschade € 279.062,80

C. belastingschade P.M.

D. renteschade P.M.

Totaal € 279.062,80

9. Deze begroting is, behoudens hetgeen hierna wordt besproken, niet bestreden.

DE SCHADE VAN [gedaagde]

DE WAARDE

10. De deskundigen hebben vastgesteld dat op de peildatum het bestemmingsplan 'Zevenhuizen Landelijk Gebied' gold, ingevolge waarvan op het onteigende de bestemming 'agrarische doeleinden' rust. Op grond van artikel 11 lid 1 sub a van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor land- en tuinbouw op open grond. Op 21 september 2004 is door de gemeenteraad van Zevenhuizen-Moerkapelle het bestemmingsplan 'Omleidingsweg N219' vastgesteld. De huidige N219 gaat direct ten zuiden van de A12 door de kern Zevenhuizen en veroorzaakt leefbaarheids- en verkeersveiligheidsproblemen. Een nieuw bestemmingplan voor de Omleidingsweg en aangrenzende gronden was nodig. Uit de toelichting bij het bestemmingplan blijkt dat het Rijk, de Provincie, de stadsregio Rotterdam en de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle midden jaren '90 in het VINEX-uitvoeringsconvenant hebben afgesproken dat de Omleidingsweg de oplossing voor de verkeersdruk moest worden. Het tracé voor de Omleidingsweg is grotendeels gelegen op het grondgebied van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle. De aansluiting ervan op de A12 is deels gelegen op grondgebied van de gemeente Waddinxveen. De situering is vastgelegd in een Uitvoeringsovereenkomst Omleidingsweg N 219, gesloten op 24 september 2004 tussen de Staat, de Provincie, de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, de gemeente Waddinxveen en ProRail. Het bestemmingsplan 'Omleidingsweg N219' is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid Holland. De onteigende gronden krijgen door het plan de bestemming 'verkeersdoeleinden'. Het goedkeuringsbesluit is bij uitspraak van 28 juni 2006 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd, op de grond dat gedeputeerde staten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het plan voldoet aan de eisen van het Besluit Luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan is derhalve nog niet onherroepelijk.

11. De deskundigen gaan bij de waardebepaling van het onteigende uit van de agrarische waarde. De invloed van het werk waarvoor wordt onteigend moet worden geëlimineerd. Bij de vaststelling van de schadeloosstelling moet wel rekening worden gehouden met de bestemming zoals die naar verwachting zal worden vastgesteld, tenzij vaststaat dat de gemeente bij de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan geen andere keus had dan zich aan te sluiten bij een door het Rijk of provincie ontwikkeld plan waarbij aan de percelen reeds een bepaalde bestemming is toegedacht. De deskundigen verwijzen in dit verband naar de arresten Staat/Matser (HR 22 november 1978, NJO 1979/1) en Staat/Markus (HR 18 juni 1980, NJO 1980/7).

12. De deskundigen hebben onderzocht of kan worden vastgesteld dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle geen enkele invloed heeft gehad op de tracékeuze voor de N279 en de aansluiting op de A12. Zij hebben het volgende vastgesteld. Het initiatief tot verlegging/omlegging van de weg is door de Gemeente Zevenhuizen op 13 oktober 1988 genomen door opdrachtverlening aan Heidemij Adviesbureau BV tot een tracé-studie. Uit de rapportage van Heidemij kwamen drie mogelijke tracés (met varianten) naar voren. De gemeente bleef zich bezighouden met de omlegging. In 1990 bleek dat, alvorens de gemeente haar plannen verder kon ontwikkelen, er eerst rapportage inzake het 'Project A12' van Rijkswaterstaat moest komen, dat een verbetering van de capaciteit van de A12 inhield. De gemeente was nog steeds een voorstander van een omleidingsweg, maar beschouwde de totstandkoming ervan als een complexe aangelegenheid, waarbij meerdere partijen betrokken zijn. Op 29 mei 1998 verscheen de 'Startnotitie ten behoeve van de Milieueffectrapportage en de herziening van het bestemmingsplan in de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle', die ten doel had oplossingen voor de verkeersoverlast van de N219 in Zevenhuizen in beeld te brengen.

13. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan 'Omleidingsweg N219/A12' hebben de deskundigen afgeleid dat de definitieve richtlijnen voor de MER zijn vastgesteld door de gemeenteraad van Zevenhuizen-Moerkapelle en dat bij het opstellen van het bestemmingsplan 'Omleidingsweg N219/A12' de MER als leidraad heeft gediend. De gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle is partij bij de Uitvoeringsovereenkomst Omleidingsweg N219 van 24 september 2004 en bij de Overeenkomst inzake de vervanging van de onderdoorgang in de Bredeweg onder de A12. Volgens de deskundigen volgt uit het bovenstaande dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle te zien is als initiatiefnemer voor de omleggingsweg. In dit kader is het niet relevant welke overheidsinstantie heeft betaald voor welk gedeelte van de weg. De keuze van het beoogde tracé is mede tot stand gekomen door toedoen van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle. Van een dwangbestemming is dan ook geen sprake. Bij de vaststelling van de schadeloosstelling moet derhalve rekening worden gehouden met de bestemming 'verkeersdoeleinden'. Deze bestemming heeft een waardedrukkend effect, reden waarom de deskundigen terugvallen op het bestaande agrarische gebruik. Van een complex, dat wil zeggen van als één geheel in exploitatie te brengen zaken, is huns inziens geen sprake. Gelet op de omstandigheid dat in de omgeving van het onteigende sprake is van schaarste aan landbouwgrond, zullen agrariërs – volgens de deskundigen – vanwege het fiscaal zwaarwegende argument om binnen drie jaar te herinvesteren sneller geneigd zijn (onder tijdsdruk) een enigszins hogere prijs te betalen voor de grond. Een eventueel op het onteigende rustend voorkeursrecht heeft naar het oordeel van de deskundigen geen prijsverhogend effect. Gelet hierop, en mede aan de hand van recente agrarische transacties voor vergelijkbare grond in de omgeving, hebben de deskundigen de waarde van het onteigende geschat op een agrarische grondprijs van € 8,50 per m2, te verminderen met een bedrag van € 1,50 per m2 wegens de verpachte staat, aldus op € 7,00 per m², aldus op € 46.445,00.

14. De Provincie heeft bezwaar tegen de door de deskundigen gehanteerde opslag van € 1,50 per m², boven de aanvankelijk gehanteerde prijs van € 7,00 per m² in onverpachte staat, in verband met de vermeende bereidheid van agrariërs in de omgeving van het onteigende om in verband met de herinvesteringstermijn van drie jaar een enigszins hogere prijs te betalen. Voorts is de Provincie niet duidelijk welke vergelijkingstransacties de deskundigen hebben gehanteerd. De transactie van begin 2006 tussen [A.] en [B.] terzake een vrije grondprijs van € 8,50 per m² is volgens haar niet representatief, omdat deze tot stand is gekomen tussen twee bij de onteigening betrokkenen. In de grondpraktijk is gebruikelijk dat de waarde van verpachte grond wordt gesteld op circa 50% van de waarde van vrije grond. De Provincie kan zich vinden in de door de deskundigen toegepaste korting van 17% in verband met de relatief korte resterende duur van het pachtcontract (tot 2014), maar stelt dat de waarde dan op € 5,80 per m² moet worden gesteld, aldus op € 38.483,00.

15. [gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat de waarde van het perceel € 22,50 per m² bedraagt. Zij baseert dit bedrag op de prijzen die voor soortgelijke objecten, gelegen in de nabijheid van het onteigende, zijn betaald, waarin een verwachtingswaarde voor woningbouw is verdisconteerd. [gedaagde] voert aan dat geen betekenis meer toekomt aan de bestemming 'verkeersdoeleinden', nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 28 juni 2006 het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan, waarin deze bestemming was opgenomen, heeft vernietigd. [Gedaagde] voert voorts aan dat sprake is van rechtsongelijkheid, nu de deskundigen ten aanzien van het Waddinxveense deel van de onteigening hebben gerapporteerd dat daar wél sprake is van een dwangbestemming. De argumenten van de deskundigen laten onverlet dat de Provincie Zuid-Holland de uiteindelijke keuze voor het tracé heeft gemaakt. De Omleidingsweg N219 is een belangrijk onderdeel van het provinciaal verkeersplan en de Provincie heeft een groot belang bij een spoedige ontwikkeling van het tracé. Ook acht [gedaagde] sprake van rechtsongelijkheid omdat van alle mogelijke tracés nu juist het onderhavige is gekozen.

16. Subsidiair stelt [gedaagde] dat, uitgaande van een agrarische waarde, rekening moet worden gehouden met het op het onteigende rustende voorkeursrecht. De gemeente heeft zich bij de vestiging van het voorkeursrecht laten leiden door de 'Nota Ruimte' en de 'Interregionale Structuurvisie voor de Zuidplaspolder', waarbij de Zuidplaspolder is aangewezen als gebied waarin plannen voor wonen, werken, recreatie, groen, water, infrastructuur en glastuinbouw wordt ontwikkeld. De percelen van [gedaagde] zijn gelegen in het genoemde gebied. Uit deze plannen volgt dat de betrokken overheden het gebied willen ontdoen van het agrarische karakter en een invulling willen geven die aansluit bij de intensieve functies in de omliggende gemeenten. Het vestigen van het voorkeursrecht kan niet anders worden uitgelegd dan dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle met de betreffende grond plannen heeft gehad. Deze planologische ontwikkelingen brengen mee dat de percelen van [gedaagde] moeten worden beschouwd als onderdeel van een complex in de zin van artikel 40d lid 2 Ow. De percelen ontlenen aan deze positie een hogere waarde, die tenminste op € 10,00 per m² zou moeten worden gesteld.

17. De rechtbank volgt de deskundigen in hun oordeel dat bij de waardering van de grondwaarde moet worden uitgegaan van de agrarische waarde. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een dwangbestemming. Niet gezegd kan worden dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle zich geheel heeft moeten richten naar de plannen van de Provincie ten aanzien van het tracé van de omleidingsweg N219. Het gegeven dat het goedkeuringsbesluit van het door de gemeenteraad van Zevenhuizen-Moerkapelle vastgestelde bestemmingsplan, waarin aan de percelen een verkeersbestemming is toegekend, is vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is niet van belang, nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat van een ander tracé dan het onderhavige moet worden uitgegaan. Naar verwachting zullen gedeputeerde staten op korte termijn een nieuw besluit nemen, waarin de gebrekkige motivering inzake de normen van luchtkwaliteit zal worden hersteld. De tracévaststelling zal, zo is van de zijde van de Provincie ter zitting meegedeeld, naar het zich laat aanzien ongewijzigd blijven. Van 'gedeeltelijk wegmatseren', zoals [gedaagde] bepleit, kan dan ook geen sprake zijn.

18. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel baat [gedaagde] niet. De feiten in de aangehaalde onteigeningsprocedure zijn niet gelijk aan die in de onderhavige situatie. Het gegeven dat nu juist het perceel van [gedaagde] is aangewezen als ondergrond voor de Omleidingsweg en niet de percelen van anderen, vormt op zichzelf geen schadepost die in het kader van een onteigeningsprocedure voor vergoeding in aanmerking komt. De tracékeuze dient aan de orde te worden gesteld bij de besluitvorming rondom de wegaanleg, bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

19. De rechtbank volgt de deskundigen in hun oordeel dat de agrarische waarde is te stellen op € 8,50 per m² (onverpacht) en € 7,00 per m²(verpacht). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is geen sprake van een verwachtingswaarde tot € 22,50 per m², noch tot € 10,00 per m², zoals door [gedaagde] is bepleit. Het onteigende maakt geen onderdeel uit van een complex van als één geheel in exploitatie te brengen onroerende zaken. De deskundigen hebben terecht waarde gehecht - zij het geen beslissende - aan de prijs, gehanteerd in de door [gedaagde] genoemde transactie tussen [A.] en [B.]. De deskundigen hebben naar aanleiding van de door de Provincie genoemde transacties betoogd dat zij bij de waardering zijn uitgegaan van de prijs tot stand gekomen bij een veronderstelde verkoop in het vrije economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelend koper. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de schaarste aan agrarische grond ter plaatse een enigszins prijsverhogend effect heeft, dat kan worden begroot op € 1,50 per m². De rechtbank zal, de deskundigen volgend, de waarde van het onteigende bepalen op € 7,00 per m², dus op € 46.445,00 in totaal.

DE WAARDEVERMINDERING VAN HET OVERBLIJVENDE

20. De deskundigen hebben gerapporteerd dat het overblijvende perceelsgedeelte kan worden samengevoegd met het naastgelegen perceel, dat eigendom is van [A.], echtgenoot van [gedaagde], en dat met de zich daarop bevindende hoeve, met uitzondering van één bedrijfsgebouw, is verhuurd aan [interveniënt]. Er is dan geen sprake van een waardevermindering, aangezien het overblijvende zijn hoogste waarde heeft als onderdeel van de hoeve. De hoeve zelf ondergaat geen waardevermindering, daar de onttrekking van een deel van de naastgelegen grond geen invloed heeft op de huurinkomsten van de hoeve.

21. Ter zitting van 11 juni 2007 is de rechtbank gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het overblijvende perceelsgedeelte E [1] geen waardevermindering ondergaat, mits dit wordt samengevoegd met het naastgelegen perceel E [2] door demping van de tussenliggende sloot. De Provincie heeft zich bereid verklaard de sloot volledig te dempen. Daardoor ontstaat een goed te exploiteren, bewerkbaar geheel. Dit houdt in dat geen schade in de vorm van waardevermindering van het overblijvende wordt geleden. [Gedaagde] heeft dit aanvullende aanbod aanvaard. Aldus zal worden beslist.

DE BIJKOMENDE SCHADEN

22. De deskundigen hebben de bijkomende schaden voor [gedaagde] als volgt begroot.

inkomensschade

Inkomensschade doet zich volgens de deskundigen niet voor, nu [interveniënt] zal blijven pachten, omdat hij de pachtovereenkomst niet kan opzeggen zonder instemming van [gedaagde].

aanpassingskosten

- aanpassingskosten pachtcontract € 350,00

- aanpassingskosten drainage, onder aftrek nieuw-voor-oud € 2.000,00

Totaal € 2.350,00

23. Dit bedrag is door partijen niet bestreden. De rechtbank zal de schadeloosstelling dienovereenkomstig vaststellen.

DE SCHADE VAN [interveniënt]

24. Bij de berekening van de schadeloosstelling zijn de deskundigen uitgegaan van liquidatie van het bedrijf van [interveniënt]. Dit uitgangspunt is door partijen niet bestreden.

DE INKOMENSSCHADE

25. De deskundigen hebben de inkomensschade als volgt begroot:

paardenhouderij en -africhting

De deskundigen hebben in hun rapport van 9 mei 2007, berekend dat de inkomstenderving vanaf de peildatum tot de afloop van de pachtovereenkomst op 1 januari 2014 afgerond € 30.455,00 per jaar bedraagt.

paardenfokkerij

De jaarlijkse derving van inkomsten uit de paardenfokkerij hebben de deskundigen geschat op

€ 16.830,00.

vrijkomende arbeid

De deskundigen hebben gerapporteerd dat zij verwachten dat [interveniënt]] na beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten nog wel een inkomen zal verwerven (inkomen uit werkzaamheden bij maneges en dergelijke). Het bruto-minimumloon bedroeg op de peildatum € 1.272,60 per maand. Rekening houdend met een gemiddelde inflatiecorrectie van 1% per jaar wordt uitgegaan van € 1.325,00 per maand, aldus (uitgaande van 8% vakantiegeld) € 17.172,00 per jaar (in plaats van € 15.900,00). Het hanteren van het bruto-minimumloon geeft een indicatie met betrekking tot de restverdiencapaciteit van [interveniënt] tot 1 januari 2014, rekening houdend met de omstandigheid dat hij nog steeds de beschikking heeft over de boerderij met paardenboxen en weiland. Dit houdt echter niet in dat hij in loondienst zou gaan werken, zodat de deskundigen het niet noodzakelijk hebben geacht hierbij rekening te houden met AOW, daar [interveniënt] ook – de onteigening weggedacht – andere inkomsten naast zijn AOW zou hebben gehad.

26. De Provincie stelt dat de verdiencapaciteit van [interveniënt] hoger ligt dan het minimumloon. Ook zou rekening moeten worden gehouden met door mevrouw [interveniënt] te verdienen inkomen, omdat zij ook meewerkt in het huidige bedrijf.

27. [interveniënt] betwist dat hij nog inkomen uit het houden van paarden ter plaatse kan verwerven, alleen al, omdat dit te gevaarlijk is in verband met de nabijheid van de aan te leggen weg. Voorts meent hij dat zijn resterende verdiencapaciteit te hoog is gesteld en dat met de periode vanaf 2012, wanneer hij 65 jaar oud zal zijn, geen rekening mag worden gehouden.

28. De rechtbank volgt dit betoog niet. De rechtbank acht het wel aannemelijk dat [interveniënt] tot de afloop van de pachtovereenkomst op 1 januari 2014 nog loonvormende arbeid zal kunnen verrichten, waarbij niet beslissend is of dit arbeid in loondienst of in zelfstandig bedrijf. Voor een afzonderlijke post vrijkomende arbeid voor mevrouw [interveniënt]] is geen plaats, omdat moet worden uitgegaan van de bestaande situatie, waarin [interveniënt] geen eigen inkomen heeft. Gezien de leeftijd van [interveniënt] acht de rechtbank het redelijk uit te gaan van een verdiencapaciteit ter hoogte van 50% van het bruto-minimumloon, zoals dat door de deskundigen is berekend. De rechtbank zal, in afwijking van het advies van de deskundigen op dit punt, het bedrag aan vrijkomende arbeid stellen op € 8.586,00 per jaar. De totale inkomensderving per jaar bedraagt dus € 30.455,00 + 16.830,00 = € 47.285,00 minus € 8.586,00 = € 38.699,00.

zwaarder drukkende lasten

29. [interveniënt] zal, zo stellen de deskundigen, gedurende de periode vanaf de peildatum tot 1 januari 2014 de pachtsom voor het overblijvende dienen blijven te voldoen op basis van de pacht-overeenkomst. Voorts zal hij als redelijk handelend pachter op basis van de huurovereenkomst in de boerderij aan de [a-straat] 13 blijven wonen en de huurpenningen vanaf de peildatum tot 1 januari 2014 moeten blijven voldoen. De jaarlijkse huurprijs voor het bedrijfspand bedroeg op de peildatum € 11.388,00 per jaar. Vermeerderd met de vaste lasten voor het bedrijfsgedeelte ter hoogte van € 3.000,00 per jaar bedragen de totale vaste lasten per jaar € 14.388,00 per jaar.

30. De Provincie stelt dat het deel van de huurprijs dat aan de woning wordt toegerekend, moet worden verhoogd, hetgeen leidt tot een verlaging van de post zwaarder drukkende lasten.

31. De rechtbank volgt dit betoog niet. De deskundigen zijn terecht uitgegaan van de huisvestingskosten, zoals die in de jaarrekeningen zijn verantwoord. De jaarlijkse inkomensschade is op grond van het voorgaande te stellen op € 53.087,00 per jaar. Hierop moet in mindering worden gebracht de rente uit vrijkomend kapitaal.

vrijkomend kapitaal

32. Als vrijkomend kapitaal hebben de deskundigen aangemerkt de taxatiewaarde van de door [interveniënt] verkochte fokpaarden, die zij hebben gesteld op € 53.250,00. De jaarlijkse rente uit vrijkomend kapitaal stellen zij op € 2.662,50, uitgaande van een rente van 5%.

33. [interveniënt] maakt bezwaar tegen het gehanteerde rentepercentage. Hij meent dat niet meer dan 3% zou moeten worden aangehouden.

34. De deskundigen hebben toegelicht dat het percentage verband houdt met het feit dat het om levende have gaat, een risicivolle belegging met een daaraan gekoppeld hoog rentepercentage. De omstandigheid dat [interveniënt] in het verleden in paarden heeft geïnvesteerd betekent echter niet dat hij dit ook zal doen na de liquidatie van zijn bedrijf.

35. De rechtbank is van oordeel dat het veeleer in de rede ligt uit te gaan van het op de peildatum gebruikelijke percentage voor spaar- of deposito-rente van 3%. De rente uit vrijkomend kapitaal bedraagt, hiervan uitgaande, € 1.597,50 per jaar. De totale inkomensschade per jaar zal daarom worden gesteld op € 51.489,50.

36. De rechtbank acht de door de deskundigen gehanteerde kapitalisatiefactor van 6,67 juist. Zoals hiervoor is overwogen is terecht uitgegaan van bedrijfsbeëindiging, de onteigening weggedacht, per 1 januari 2014. Dit betekent dat de totale inkomensschade (gekapitaliseerd) € 343.434,97 bedraagt.

DE BELASTINGSCHADE

37. De deskundigen verwachten niet dat [gedaagde] en [interveniënt] Haasteren als gevolg van de onteigening belastingschade zullen lijden. Voor het geval dit anders mocht zijn heeft de Provincie aangeboden de belastingschade te vergoeden, zoals vastgesteld door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam. [Gedaagde] en [interveniënt] hebben dit aanbod aanvaard. Aldus zal worden beslist.

DE RENTESCHADE

38. De deskundigen hebben in hun rapport gesteld dat de mogelijke renteschade, die [interveniënt] lijdt als gevolg van het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat, is te stellen op 3% per jaar vanaf de datum van inschrijving van het onteigeningsvonnis (4 april 2006) tot heden. Nu zulks door partijen niet is weersproken en het rentepercentage de rechtbank juist voorkomt, zal aldus worden beslist. Het bedrag, waarover de rente wordt berekend, moet na afloop van een jaar worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente (HR 11 juli 2003, NJ 2004/236).

39. De Provincie zal voorts op de voet van artikel 55 lid 3 Ow aan [interveniënt] over het verschil tussen het voorschot op en de definitief vast te stellen schadeloosstelling, vermeerderd met de vergoeding van renteschade, vanaf heden tot de dag der algehele voldoening de wettelijke rente dienen te vergoeden.

VOORTS

40. Niet is gebleken dat de deskundigen overigens verkeerde uitgangspunten hebben gehanteerd of bepaalde relevante factoren over het hoofd hebben gezien. De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen, met inachtneming van het hiervoor overwogene, over en maakt dit tot het hare. Zij zal de schadeloosstelling voor [gedaagde] en [interveniënt] dienovereenkomstig vaststellen.

41. De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen bedragen volgens hun opgave in totaal

€ 55.826,01 (inclusief B.T.W.). Tegen de hoogte van deze kosten heeft de Provincie geen bezwaar gemaakt. De Provincie zal als de onteigenende partij worden veroordeeld tot vergoeding van deze kosten.

42. [Gedaagde] heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van de volgende kosten:

- kosten rechtsbijstand:

- kosten advocaat (mr. Linssen: € 11.473,19 + € 1.821,46) € 13.294,65

- kosten procureur € 2.394,00

- cassatieadvies De Brauw Blackstone Westbroek € 374,85

- kosten partij-deskundige (Van Hoven & Oomen) € 3.421,25

- kosten partij-deskundige (Alfa accountants) € 875,15

Totaal € 20.359,90

43 .De Provincie heeft in de eerste plaats bezwaar tegen het vergoeden van het cassatie-advies van De Brauw Blackstone Westbroek, nu er geen cassatie is ingesteld naar aanleiding van dat advies en er overigens ook geen reden is aan te nemen dat een cassatieberoep kans van slagen zou hebben gehad. Voorts kan de Provincie zich niet vinden in de hoogte van de factuur van Van Hoven & Oomen, nu het door de heer Van Hoven gehanteerde uurtarief relatief hoog is (€ 175,00 per uur) in verhouding tot de door de heer Meeuwsen van datzelfde kantoor gehanteerde uurtarief van € 108,00. Ook de door hem in rekening gebrachte uren (45) acht de Provincie niet redelijk.

44. De rechtbank acht de gevorderde kosten ter zake van het door De Brauw Blackstone Westbroek uitgebrachte cassatie-advies niet in redelijkheid gemaakt. Deze kosten zouden, voor het geval een cassatie-procedure zou zijn gevolgd, in die procedure voor toewijzing in aanmerking hebben kunnen komen. Wat betreft de kosten van de partij-deskundige Van Hoven & Oomen is de rechtbank van oordeel dat deze in redelijkheid zijn gemaakt en van een redelijke omvang zijn. Deze kosten komen dus voor vergoeding in aanmerking. De overige kosten, te weten € 13.294,65 terzake van kosten rechtsbijstand, en € 4.296,40 terzake van kosten partij-deskundigen, komen als zijnde in redelijkheid gemaakt en van een redelijke omvang voor vergoeding in aanmerking.

45. Ook [interveniënt] maakt aanspraak op vergoeding van de kosten van juridische en deskundige bijstand, als volgt:

-kosten rechtsbijstand € 16.055,16

-kosten Adviesbureau R.H.J. van Pelt € 5.444,25

-kosten Meeús Rentmeesters BV € 4.466,74

Totaal € 25.966,15

45. De Provincie acht het aantal door Van Pelt bestede uren te groot en het uurtarief te hoog. De werkzaamheden gemoeid met het opstellen van de genormaliseerde winst- en verliesrekeningen houden geen verband met de onteigening, zo wordt gesteld.

46. De rechtbank stelt vast dat bedoelde rekeningen op verzoek van de deskundigen zijn gemaakt met het oog op de onderhavige procedure, omdat behoefte bestond aan een nadere berekening van de bedrijfsresultaten. De hiermee gemoeide kosten zijn dus een rechtstreeks gevolg van de onteigening. Nu de kosten naar het oordeel van de rechtbank ook overigens redelijk zijn, zal de Provincie worden opgedragen deze te vergoeden. De kosten voor de partij-deskundige Meeús zijn, anders dan de Provincie meent, eveneens in redelijkheid gemaakt. Ook dit bedrag zal door de Provincie moeten worden vergoed.

47. De Provincie zal als de onteigenende partij worden veroordeeld in de overige kosten van de procedure, te weten het door [gedaagde] en [interveniënt] terzake verschuldigde griffierecht.

48. Tenslotte zal een nieuws-/advertentieblad worden aangewezen overeenkomstig het in de Onteigeningswet bepaalde.

BESLISSING

De rechtbank:

I stelt de schadeloosstelling voor [gedaagde] vast op € 48.795,00;

II veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de Provincie van een bedrag (zijnde het haar reeds toegekende voorschot op de schadeloosstelling van € 58.055,00 minus de schadeloosstelling) van € 9.260,00;

III verstaat dat de Provincie haar aanbod tot demping van de sloot tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie E, nummers [1] en [2], gestand doet;

IV stelt de schadeloosstelling voor [interveniënt] vast op € 343.434,97, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van € 46.755,00, alsmede op een samengestelde rente van 3% per jaar over

€ 296.679,97 (zijnde de schadeloosstelling minus het voorschot) vanaf 4 april 2006 tot heden;

V veroordeelt de Provincie tot betaling aan [interveniënt] van voormeld bedrag van € 296.679,97, vermeerderd met de hiervoor sub IV genoemde rente, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening;

V veroordeelt de Provincie tot vergoeding van eventuele zich voor [gedaagde] en [interveniënt] als gevolg van de onteigening voordoende belastingschade, vast te stellen door SAOZ te Rotterdam;

VI veroordeelt de Provincie in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, welke tot op heden € 55.826,01 (inclusief B.T.W.) bedragen;

VII veroordeelt de Provincie tot betaling aan [gedaagde] van de door haar gemaakte kosten van rechts- en deskundige bijstand tot een bedrag van € 19.985,05;

VIII veroordeelt de Provincie tot betaling aan [interveniënt] van de door hem gemaakte kosten van rechts- en deskundige bijstand tot een bedrag van € 15.966,15;

IX veroordeelt de Provincie in de overige kosten van de procedure, welke tot hiertoe aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 1.075,00 en aan de zijde van [interveniënt] op € 1.135,00 ter zake van griffierecht;

X wijst het 'Holland/Silhouet' en het 'Hart van Holland' aan als nieuws- en advertentieblad, waarin de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal plaatsen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Huijgens, Dedel-van Walbeek en Kroft en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.