Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9765

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
11-12-2007
Zaaknummer
FA RK 06-7594 279230
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding; vernieting van convenant verzocht op grond van ontbreken van wilsovereenstemming, misbruik van omstandigheden of dwaling en/of strijd met wettelijke maatstaven. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

rekestnummer: FA RK 06-7594

zaaknummer: 279230

datum beschikking: 10 december 2007

BESCHIKKING op het op 24 januari 2007 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. A.A.M. Ruys-van Essen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [land A],

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat: mr. P.T. Verburg te Zwolle.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het nader zelfstandig verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling;

- het aanvullend verzoekschrift zijdens de vrouw;

- de brief (met bijlagen) d.d. 10 oktober 2007 van de zijde van de vrouw.

De minderjarige [minderjarige], geboren op [datum] 1992 te [plaats], [land A], heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.

Op 22 oktober 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank, tezamen met het verzoek tot vaststelling van voorlopige voorzieningen met zaak- en rekestnummer 279142 - FA RK 06-7584, behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar procureur en de man met zijn advocaat. Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd. Door de procureur van de man is tevens een bijlage bij de pleitnota overlegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief (met bijlagen) d.d. 24 oktober 2007 van de zijde van de man;

- de brief (met bijlagen) d.d. 1 november 2007 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 1 november 2007 van de zijde van de vrouw.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vernietiging van het door partijen getekende convenant;

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 4.166,- per maand, althans een bedrag als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:

- echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- primair: afwijzing van het verzoek tot vernietiging van het convenant;

- subsidiair: het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de alimentatie op een bedrag van € 4.166,- per maand af te wijzen en deze alimentatie vast te stellen conform artikel 1.1. van het echtscheidingsconvenant;

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn;

- vaststelling van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals in de artikelen 8 tot en met 14 van het door partijen ondertekende convenant is vastgelegd,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen.

Zij verzoekt de rechtbank:

- te bepalen dat de verblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;

- de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als door de vrouw verzocht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Bij nader zelfstandig verzoek verzoekt de man de rechtbank:

- vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige die inhoudt dat zij, zolang de man in het buitenland verblijft, de langere schoolvakanties (vanaf ongeveer twee weken) bij hem door zal brengen, althans een regeling vast te stellen welke partijen in goed overleg met de minderjarige zullen afspreken.

Bij nader aanvullend verzoekschrift verzoekt de vrouw:

- de partnerbijdrage en de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vast te stellen op € 5.532,- bruto per maand respectievelijk € 1.120,- per maand.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [datum] 1988 in de gemeente [gemeente A] met elkander gehuwd. Zij hebben één thans nog minderjarig kind, die thans bij de vrouw in Nederland woont.

De echtscheiding

Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe en is krachtens het bepaalde in artikel 1, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is erkend en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

De verblijfplaats van en de omgang met de minderjarige

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en het verzoek tot vaststelling van de verblijfplaats van de minderjarige.

De verblijfplaats

Blijkens de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting zijn partijen het er inmiddels over eens dat de verblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet.

De omgang

De man heeft verzocht om vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige die inhoudt dat zij, zolang de man in het buitenland verblijft, de langere vakanties (vanaf circa twee weken) bij de man doorbrengt. Ter terechtzitting heeft hij aangegeven [minderjarige] ook graag willen te zien wanneer hij in Nederland is, hetgeen tot op heden steeds moeilijk bleek omdat er dan al plannen waren gemaakt door de vrouw voor haar en [minderjarige], welke niet meer gewijzigd konden worden. Bovendien beschikt hij niet over het telefoonnummer van de vrouw en heeft [minderjarige] geen mobiele telefoon waarop hij haar zelf zou kunnen bellen, hetgeen het maken van afspraken compliceert.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgang, gezien de leeftijd van [minderjarige], in overleg met [minderjarige] vastgesteld kan worden, met dien verstande dat de vrouw niet wil dat de omgang in [land A] plaatsvindt. Zij geeft daarvoor allereerst als reden dat de politieke situatie in [land A] zeer instabiel is. Daarnaast geeft zij als reden dat de biologische familie, die inmiddels door de man is ingelicht omtrent de identiteit van [minderjarige] en de echtscheiding, volgens de aldaar geldende wetgeving hun kind kunnen opeisen bij de adoptiefouders. De vrouw vreest dat dit zal gebeuren wanneer [minderjarige] haar vader in [land A] bezoekt. De vrouw heeft er geen bezwaar tegen wanneer de man [minderjarige] wil bezoeken als hij in Nederland is, maar wil dan wel tijdig vernemen wanneer hij komt, zodat zij daar rekening mee kan houden.

De vrouw heeft zich bij brief d.d. 1 november 2007 nader op het standpunt gesteld dat er niet langer sprake is van een zogenaamd terugvorderingsrecht op grond waarvan [minderjarige] door haar biologische familie zou kunnen worden opgeëist. Hiervan uitgaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de omgang tussen de man en [minderjarige] te beperken tot contacten in Nederland.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vaststellen waarbij [minderjarige] de helft van alle vakanties bij de man in [land A] mag doorbrengen, zo zij dat wenst. Daarnaast is de man gerechtigd tot omgang met [minderjarige] wanneer hij in Nederland verblijft, onder de voorwaarde dat hij de vrouw en [minderjarige] van zijn bezoek uiterlijk vier weken van te voren op de hoogte stelt en dat de afspraken omtrent de omgang in overleg met [minderjarige] worden gemaakt. De rechtbank zal beslissen als na te melden.

De kinderalimentatie

De vrouw heeft om vaststelling van een kinderbijdrage verzocht van € 1.120,- per maand.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt de bijdrage vast te stellen op een bedrag van € 775,- per maand.

De rechtbank overweegt als volgt.

Behoefte

Tussen partijen is de hoogte van de behoefte van de minderjarige in geschil. Partijen zijn het er blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting over eens dat voor de vaststelling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen een netto gezinsinkomen van maximaal € 5.000,- dient te worden gehanteerd, doch de vrouw is, anders dan de man, van oordeel dat de schoolkosten van € 5.000 per jaar als behoefteverhogend moeten worden aangemerkt.

Overigens is de door de vrouw genoemde verdeling, waaruit zou blijken dat hij 91% van de kosten van de minderjarige zou moeten dragen, door de man betwist.

De rechtbank neemt voor het bepalen van de behoefte van de minderjarige conform de standpunten van partijen in aanmerking een netto gezinsinkomen van € 5.000,- per maand en bepaalt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige aan de hand van de tabel eigen aandeel bijdrage kosten van kinderen uit het Tremarapport derhalve op € 770,- per maand.

Ten aanzien van de vraag of dit bedrag verhoogd moet worden in verband met de kosten met betrekking tot de school van [minderjarige] overweegt de rechtbank als volgt. Partijen twisten over de noodzaak voor [minderjarige] om naar deze specifieke school (internationale school) te gaan. De man is van mening dat het beter voor [minderjarige] zou zijn wanneer zij naar een gewone Nederlandse school zou gaan en heeft om die reden ook aangegeven aan de vrouw dat hij niet bereid is om deze kosten te betalen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het maken van kosten voor de internationale school noodzakelijk is, zodat zij geen aanleiding ziet de behoefte die is becijferd aan de hand van de tabel eigen aandeel bijdrage kosten van kinderen te verhogen met de kosten voor de internationale school.

Nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij thans een bijdrage voor [minderjarige] betaalt van € 775,- per maand en heeft verzocht de kinderbijdrage op dit bedrag te bepalen, behoeven de vraag welk aandeel ieder der ouders in de kosten van [minderjarige] hebben en de draagkracht van de man geen bespreking meer. De rechtbank zal de kinderbijdrage derhalve vaststellen op € 775,- per maand, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

Vernietiging van het convenant

Nu de Nederlandse rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vernietiging van het convenant, nu dit verzoek te beschouwen is als een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechtbank zal hierop Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Ter terechtzitting heeft de vrouw desgevraagd haar verzoek gewijzigd in die zin dat het convenant wordt vernietigd ten aanzien van de partneralimentatie en de afspraken omtrent de pensioenrechten en dat het voor het overige in stand kan blijven.

De vrouw legt aan haar verzoek tot vernietiging van het convenant het volgende ten grondslag. Partijen hebben geruime tijd onderhandeld over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een door partijen op 24 juni 2006 ondertekend convenant, dat zonder enige juridische bijstand tot stand is gekomen. Hoewel de vrouw het niet eens was met de in het convenant opgenomen bepaling ten aanzien van de partneralimentatie, heeft de vrouw het convenant ondertekend omdat zij zich onder druk gezet voelde. Ze betoogt te hebben getekend om er zeker van te zijn dat de gelden op de Zwitserse bankrekening, welke alleen op naam van de man stond, voor haar veilig gesteld zouden worden, nu de man dreigde dat de ten behoeve van haar afgegeven machtiging op deze rekening ingetrokken zou worden en hij niet zou instemmen met toedeling van de tegoeden aan haar. Daarbij komt dat de man had aangegeven het visum van de vrouw niet langer te laten verlengen, zodat zij onder tijdsdruk de handtekening onder het convenant heeft geplaatst. Na ondertekening heeft de vrouw aan de man medegedeeld dat zij de bepaling inzake de partneralimentatie na haar terugkeer in Nederland door een advocaat zou laten doorrekenen.

De vernietigbaarheid en/of nietigheid van het convenant baseert de vrouw, onder verwijzing naar HR 25 oktober 1996, NJ 1997, 68, op de volgende gronden:

1. primair: er ontbreekt wilsovereenstemming omtrent de bepalingen van het convenant (art. 3:33-3:35 jo. 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW));

2. subsidiair: het echtscheidingsconvenant is door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen (art. 3:44 BW)

3. meer subsidiair: het echtscheidingsconvenant is onder invloed van dwaling tot stand gekomen (art. 6:228 BW).

Zij stelt dat de man genoegzaam op de hoogte was van haar standpunt ten aanzien van de alimentatie en dat hij er redelijkerwijs niet vanuit heeft mogen gaan dat de wil van de vrouw ertoe strekte akkoord te gaan met de alimentatie zoals in het convenant opgenomen. Dat deel van het convenant is naar het oordeel van de vrouw derhalve nietig van rechtswege.

De vrouw verzoekt voorts om vernietiging van het convenant, nu het evident is dat de hoogte van de in het convenant vastgestelde partneralimentatie in strijd is met de wettelijke normen en dat deze niet voldoet aan de behoefte van de vrouw.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft betwist dat het tussen partijen gesloten convenant nietig of vernietigbaar is.

Ten aanzien van de door de vrouw aangevoerde gronden voert de man het navolgende verweer.

De vrouw heeft zijns inziens op geen enkele manier bewezen of zelfs maar aannemelijk gemaakt dat er geen wilsovereenstemming was toen zij het convenant ondertekende en evenmin dat er sprake was van misbruik van omstandigheden of dwaling. Het convenant is tot stand gekomen na onderhandelingen, waarbij beide partijen concessies hebben gedaan. Zo heeft de man meermalen aan de vrouw laten weten het niet eens te zijn met de in het convenant opgenomen taxatiewaardes, maar is hij daar uiteindelijk toch mee akkoord gegaan. Het convenant moet derhalve beschouwd worden als een compromis en als zodanig heeft de man het convenant ook opgevat. De man is er vanuit gegaan dat ook de vrouw dit zo opvatte. De man heeft de vrouw niet de toestemming willen onthouden om de gelden op de Zwitserse bankrekening aan haar toe te bedelen. De man had daar in beginsel geen bezwaar tegen, maar heeft daar inderdaad niet mee ingestemd vóórdat partijen het eens waren over alle financiële gevolgen van de echtscheiding en vóórdat het convenant was ondertekend.

De man betwist voorts de stelling van de vrouw dat zij niet op de hoogte zou zijn geweest van haar rechten (hetgeen zij heeft gesteld in het kader van de in het convenant opgenomen regeling ten aanzien van de pensioenrechten). Uit de concept-convenanten blijkt namelijk dat de vrouw uitvoerig aantekeningen heeft gemaakt en zij had ook contact (of kon dat krijgen) met een (internet)advocaat. Partijen beschikten over een uitgebreide handleiding met verwijzingen naar uitleg over alimentatie en pensioenen en uit de door de vrouw gemaakte aantekeningen blijkt volgens de man dat zij zich heel gedegen bezig heeft gehouden met de totstandkoming van het convenant.

De man voert verweer tegen de stelling van de vrouw dat het convenant vernietigd moet worden omdat de hoogte van de alimentatie in strijd zou zijn met de wettelijke normen en niet zou voldoen aan de behoefte van de vrouw, nu dit geen gronden betreffen voor de vernietiging van een overeenkomst. De man acht de vrouw gehouden aan de afspraken gemaakt in het convenant, nu zij geen beroep heeft gedaan op een wijziging van omstandigheden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ontbreken van wilsovereenstemming

Uit artikel 3:33 BW volgt dat voor het bestaan van een overeenkomst in beginsel noodzakelijk is dat er een op een rechtsgevolg gerichte wil is, die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

Op de voet van artikel 3:35 BW dient te worden nagegaan of (in casu) de man naar aanleiding van verklaringen of gedragingen van de vrouw onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze erop kon vertrouwen dat het de bedoeling van de vrouw was in te stemmen met de inhoud van het convenant voor wat betreft de daarin opgenomen bepalingen aangaande de alimentatie en pensioenafwikkeling. Of anders gezegd: had de man moeten begrijpen dat de vrouw, ondanks het feit dat ze een handtekening onder het opgestelde convenant plaatste, eigenlijk niet instemde met de inhoud ervan?

De rechtbank is van oordeel dat deze laatste vraag ontkennend beantwoord moet worden. Vaststaat dat de vrouw het convenant heeft ondertekend. Hoewel de vrouw tijdens de onderhandelingen heeft aangegeven het niet eens te zijn met de in het convenant opgenomen alimentatie, heeft zij uiteindelijk blijk gegeven van instemming met de in het convenant opgenomen bepalingen door haar handtekening te plaatsen. De mededeling van de vrouw 'dat zij de alimentatie zou laten doorrekenen door een advocaat' doet daaraan niet af, nu partijen gedurende twee maanden hebben onderhandeld en ook de man van zijn kant concessies heeft gedaan door het convenant te ondertekenen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de man mocht begrijpen dat de vrouw akkoord ging met het in het convenant opgenomen compromis en volgt de vrouw niet in haar stelling dat er bij het tot stand komen van het convenant geen sprake was van wilsovereenstemming.

Misbruik van omstandigheden

Blijkens artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door (...) misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.

Uit lid 4 van voornoemd artikel blijkt dat van misbruik van omstandigheden sprake is, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

Bij het beoordelen van de vraag of (een van de) zich de in artikel 3:44 BW genoemde bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. Uit de verklaringen van de vrouw is gebleken dat zij degene was die (in overleg met de man) via internet een advocaat heeft benaderd ter opstelling van het (door beide partijen gewenste) echtscheidingsconvenant. Partijen hebben voorts gedurende circa twee maanden onderhandeld over de inhoud van het convenant, in welke periode drie concepten zijn opgesteld, waarbij aan beide partijen duidelijk is geworden dat de vrouw het niet eens was met de alimentatieregeling en dat de man het niet eens was met de taxaties van het chalet in [gemeente B] en het appartement in [gemeente A]. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw haar opmerkingen steeds aantekende op de concepten, waarbij zij tevens verbeteringen aanbracht. De vrouw heeft desgevraagd verklaard geen alimentatieberekening te hebben laten opstellen door de ingeschakelde internetadvocaat, maar dat er tussen partijen wel is gesproken over de hoogte van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. De man heeft ter terechtzitting bevestigd tegen de vrouw te hebben gezegd dat het alles of niets was: de vrouw zou toegang krijgen tot het saldo van de Zwitserse bankrekening als zij het convenant zou ondertekenen. Als zij het convenant niet zou willen ondertekenen zou hij hiervoor zijn toestemming onthouden. Als toelichting op deze gang van zaken heeft hij gesteld dat hij van mening was dat het convenant een compromis behelsde waarin beide partijen water bij de wijn hadden moeten doen. Indien en voor zover de vrouw de alimentatie in Nederland zou laten doorrekenen en zij daarop andere afspraken had willen maken omtrent de alimentatie, was hij voornemens alsdan de taxaties van het chalet in [gemeente B] en het appartement in [gemeente A], waarmee hij het niet eens was, weer aan de orde te stellen, zodat wat hem betreft dan het gehele convenant, derhalve alle daarin gemaakte afspraken, opengebroken zou worden. Tot slot heeft de vrouw ter zitting desgevraagd verklaard dat zij ten tijde van het ondertekenen van het convenant op 24 juni 2006 beschikte over een visum om naar Nederland te vliegen dat geldig was tot 31 juli 2006.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat de man een grote psychische druk op haar uitoefende om de overeenkomst, midden in de nacht, te ondertekenen, acht de rechtbank deze stelling niet aannemelijk. Hoewel de man heeft bevestigd te hebben gezegd de machtiging voor de Zwitserse bankrekening te zullen intrekken indien de vrouw het convenant niet zou ondertekenen, acht de rechtbank dit niet een zo onaanvaardbare druk op de vrouw dat sprake is van misbruik van omstandigheden. De vrouw was bovendien op de hoogte van het bestaan van deze rekening en had, indien zij de vrees had geen toegang meer te kunnen krijgen tot het saldo van de rekening, al of niet via de reeds benaderde advocaat, advies kunnen inwinnen omtrent het veiligstellen van het saldo van deze rekening. De man heeft ter zitting gesteld dat hij er geen enkel bezwaar tegen had dat de vrouw deze tegoeden toebedeeld zou krijgen en dat partijen daar al duidelijke afspraken over hadden gemaakt.

Aan de stelling van de vrouw dat de man zou hebben gedreigd haar visum niet te laten verlengen waardoor zij het land zou moeten verlaten zonder middelen van bestaan gaat de rechtbank voorbij, nu deze stelling feitelijke grondslag mist nu gebleken is dat haar visum nog geldig was tot 31 juli 2006. Er was naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen noodzaak voor de vrouw om het convenant om twee uur 's nachts te ondertekenen.

Ten aanzien van de vraag of er in het onderhavige geval sprake is van misbruik van omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 25 juni 2007 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (LJN: BA9017) hanteert de rechtbank hieromtrent het volgende uitgangspunt. Voor een beroep op misbruik van omstandigheden is vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de omstandigheden waarin het slachtoffer zich bevindt en het sluiten van de overeenkomst.

Van de omstandigheden waarin een partij verkeert, moet door de wederpartij misbruik zijn gemaakt. Misbruik is aanwezig indien de wederpartij, de benarde positie of de geestelijke afhankelijkheid van de ander kennende, de overeenkomst sluit, hoewel hij of zij wegens de voor hem of haar kenbare nadelen die voor de ander uit de overeenkomst voortvloeien, van het sluiten van de overeenkomst dan wel van het bedingen van bepaalde condities daarin, had behoren af te zien.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat er sprake is (geweest) van geestelijk overwicht of geestelijke afhankelijkheid, te meer nu duidelijk is geworden dat de vrouw degene was die contact opnam en onderhield met de internetadvocaat en het de rechtbank niet is gebleken dat de man hierin een dwingende of overheersend sturende rol speelde. Uit de stellingen en overgelegde stukken is evenmin gebleken dat er sprake is geweest van causaal verband tussen de omstandigheden waarin de vrouw zich bevond en het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de onderhandelingen omtrent de inhoud van convenant twee maanden hebben geduurd waarbij het de vrouw vrij heeft gestaan nadere informatie in te winnen over de alimentatie (hetgeen zij heeft nagelaten) en waarbij is gebleken dat zij haar op- en aanmerkingen duidelijk kenbaar heeft kunnen maken. Zij heeft ruim de tijd gehad om na te denken over de inhoud van het convenant, hetwelk zij uiteindelijk ook heeft ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van misbruik van omstandigheden en zij zal het beroep van de vrouw daarop dan ook passeren.

Dwaling

De vrouw heeft geen feiten gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat zij heeft gedwaald omtrent de alimentatieregeling die was opgenomen in het convenant, zodat de rechtbank deze stelling niet kan beoordelen en derhalve daaraan voorbijgaat.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat voorbij dient te worden gegaan aan zowel de primaire als de subsidiaire en meer subsidiaire stelling van de vrouw zodat het verzoek tot vernietiging van het convenant op deze gronden wordt afgewezen.

Strijd met de wettelijke maatstaven

De vrouw heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat het convenant vernietigd moet worden nu het evident is dat de hoogte van de in het convenant vastgestelde partneralimentatie in strijd is met de wettelijke normen en dat deze niet voldoet aan de behoefte van de vrouw. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

De rechtbank is, met de man, van oordeel dat een beroep op strijd met de wettelijke maatstaven geen grond is voor vernietiging van het convenant. Echter de rechtbank zal de rechtsgrond ambtshalve aanvullen in die zin dat zij het beroep van de vrouw begrijpt als een verzoek tot wijziging van de overeenkomst op grond van de stelling dat deze is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (met als grondslag artikel 1:401 lid 5 BW).

Vooropgesteld moet worden dat van een wijziging van een overeenkomst betreffende levensonderhoud op de in artikel 1:401 lid 5 BW opgenomen grond dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, slechts sprake kan zijn, indien partijen bij de bepaling van de onderhoudsbijdrage zich wel de op wettelijke maatstaven hebben willen richten, doch als gevolg van een onjuist inzicht in de maatstaven of omdat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens, tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe de toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Met andere woorden: in het geval van een onbewuste afwijking van de wettelijke maatstaven is een wijziging van de overeengekomen bijdrage op grond van artikel 1:401 lid 5 BW slechts mogelijk indien die bijdrage in een evidente wanverhouding staat tot het resultaat van toepassing van de wettelijke maatstaven.

Ten aanzien van een bewuste afwijking geldt dat voor toepassing van artikel 1:401 lid 5 BW geen ruimte is.

Uit hetgeen ter zitting en uit de stukken naar voren is gekomen kan de rechtbank niet afleiden dat feiten zijn gesteld of aannemelijk gemaakt die leiden tot de conclusie dat bij partijen sprake is geweest van een onbewuste afwijking van de wettelijke maatstaven.

Voor zover de vrouw heeft verzocht het convenant te wijzigen wordt dit verzoek derhalve afgewezen.

Vaststelling partneralimentatie

Nu de man in het onderhavige geding is verschenen en hij geen beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank, zal de rechtbank zich bevoegd verklaren van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

De rechtbank zal hierop Nederlands recht als zijnde haar interne recht toepassen.

Nu in het convenant, dat zoals hiervoor overwogen en beslist in stand zal blijven, al een regeling met betrekking tot partneralimentatie is getroffen, bestaat er geen rechtsgrond voor het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partnerbijdrage. Het verzoek zal worden afgewezen.

De afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

De echtgenoten hebben ten tijde van de huwelijkssluiting hun vermogensrechtelijke verhouding geregeld door aanwijzing van het Nederlandse recht als het op hun vermogensrechtelijke verhouding van toepassing zijnde recht. Het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten wordt derhalve beheerst door Nederlands recht.

Ter terechtzitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden, welke inhoudt dat de afwikkeling tussen partijen zal plaatsvinden zoals vastgesteld in het convenant, waarbij de vrouw een bedrag van € 5.000, - aan de man betaalt, een en ander tegen finale kwijting. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 1988 in de gemeente [gemeente A];

bepaalt dat de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [datum] 1992 te [plaats], [land A],

de gewone verblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige bij de man zal zijn:

- de helft van alle vakanties bij de man in [land A];

- tijdens verblijf van de man in Nederland gedurende een nader tussen de man en zijn dochter af te spreken tijdsduur, waarbij hij de vrouw en [minderjarige] uiterlijk vier weken van te voren van zijn bezoek op de hoogte stelt,

een en ander steeds in nader overleg met [minderjarige] en verklaart deze omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw, die de minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 775,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden aan de man tegen finale kwijting € 5.000,- zal betalen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Don, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Miezenbeek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2007.