Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9718

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
KG 07/1365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het gaat in dit kort geding om de vraag of de Staat verplicht moet worden de betrokken minderjarige in kwestie onmiddellijk, althans op korte termijn, te plaatsen in de aangewezen behandelinstelling. Bij de beoordeling is allereerst van belang dat, hoe ongewenst het ook moge zijn dat jeugdigen als gevolg van de beperkte capaciteit in de justitiële jeugdinrichtingen aanzienlijke tijd op behandeling moeten wachten, op de Staat geen wettelijke plicht rust om de betrokkene in kwestie binnen een bepaalde termijn in een behandelinstelling te plaatsen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig handelt door niet tot onmiddellijke plaatsing over te gaan. Voor zover hierop al rechtstreeks een beroep zou kunnen worden gedaan is naar voorlopig oordeel evenmin sprake van schending van artikel 3 van het IVRK. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 7 december 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/1365 van:

1. [eiseres sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

handelend voor zichzelf en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun dochter [dochter eisers],

procureur mr. E.R. Schenkhuizen,

advocaat mr. F.J. Koningsveld te Breda,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

hierna ook: de Staat,

procureur mr. F.W. Bleichrodt.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 november 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij beschikkingen van 20 augustus 2007 heeft de kinderrechter te [plaats A] [dochter eisers] (hierna: [dochter eisers]) voorlopig onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg [...] (hierna: Jeugdzorg), voor de duur van drie maanden, alsmede een machtiging verleend tot plaatsing van [dochter eisers] in een justitiële jeugdinrichting voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De kinderrechter had deze uitspraken op 19 augustus 2007 reeds telefonisch gedaan.

1.2. Met ingang van 22 augustus 2007 is [dochter eisers] door de selectiefunctionaris individuele jeugdzaken van het Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: de selectiefunctionaris) met voorrang geselecteerd voor de forensische observatie- en begeleidingsafdeling (FOBA) van [inrichting 1] te [plaats B] (hierna: [inrichting 1]). Op deze datum is [dochter eisers] daadwerkelijk naar [inrichting 1] overgebracht. Vanaf 19 oktober 2007 had zij in een politiecel verbleven.

1.3. Bij beschikkingen van 30 augustus 2007 heeft de kinderrechter te [plaats A] [dochter eisers] onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, voor de duur van een jaar, alsmede een machtiging verleend tot plaatsing van [dochter eisers] in een justitiële jeugdinrichting, eveneens voor de duur van een jaar. Hierbij is bepaald dat deze machtiging van kracht blijft indien en voor zover binnen vier weken een indicatiebesluit wordt afgegeven dat strekt tot uithuisplaatsing van [dochter eisers] in dezelfde categorie.

1.4. Het op 13 september 2007 door Jeugdzorg genomen indicatiebesluit strekt er onder meer toe dat [dochter eisers] wordt opgevangen in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting. In het indicatiebesluit is ook vermeld dat uit nader onderzoek zal moeten blijken of behandeling nodig is en waar deze behandeling zich op zal moeten richten. Voorts is in het indicatiebesluit geadviseerd dat [dochter eisers] wordt geplaatst in [inrichting 1], [X].

1.5. Op 17 oktober 2007 heeft Jeugdzorg het indicatiebesluit als bedoeld in de artikelen 5 t/m 7 van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) genomen. Dit besluit strekt er onder meer toe dat [dochter eisers] behandeld zal worden in een normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting en dat de [inrichting 2] te [plaats C] (hierna: [inrichting 2]) een persoonlijkheidsonderzoek zal verrichten.

1.6. [inrichting 1] heeft op 19 oktober 2007 geadviseerd [dochter eisers] aan te melden voor behandeling op een normaal beveiligde afdeling in de [inrichting 3] te [plaats C] (hierna: [inrichting 3]). Verder heeft [inrichting 1] geadviseerd [dochter eisers] in afwachting hiervan op een van de behandelgroepen in [inrichting 1] te plaatsen.

1.7. Op 23 oktober 2007 heeft de selectiefunctionaris besloten [dochter eisers] met ingang van 22 oktober 2007 te plaatsen in [inrichting 1], [X], op een normaal beveiligde opvangafdeling.

1.8. In het rapport van 9 november 2007 van [inrichting 2] is onder meer geadviseerd op korte termijn te beginnen met EMDR, een kortdurende behandelmethode die zich richt op het verwerken van traumatische ervaringen.

1.9. Een memo van de staf van [inrichting 1] van 28 november 2007 luidt, voor zover relevant, als volgt:

'(...) Uit het persoonlijkheidsonderzoek (...) en uit observaties en mentorgesprekken (...) komt naar voren dat [dochter eisers] ernstige lijdensdruk ervaart als gevolg van doorgemaakte trauma's. Een van de adviezen uit het persoonlijkheidsonderzoek is op korte termijn te starten met een behandelmodule traumaverwerking om een poststraumatische stressstoornis te voorkomen. De verwachting is dat [dochter eisers] nog 2,5 tot 3 maanden, de lengte van de wachttijd tot plaatsing binnen de '[inrichting 3]', op '[Y]' zal verblijven.

In het stafoverleg op 28 november 2007 is derhalve besloten [dochter eisers] in aanmerking te laten komen van een EMDR behandeling, gericht op traumaverwerking. De kennismaking van de therapeute met [dochter eisers], als start van de behandeling, zal plaatsvinden in week 49 (3-7 december). (...)'

1.10. De selectiefunctionaris heeft [dochter eisers] op 9 november 2007 geselecteerd voor behandeling in [inrichting 3] en haar met terugwerkende kracht tot 19 oktober 2007 op de wachtlijst geplaatst. Er staan nog drie meisjes boven haar op de wachtlijst.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - de Staat, op straffe van een dwangsom, te bevelen [dochter eisers] binnen twee dagen na dit vonnis te plaatsen in [inrichting 3].

2.2. Hiertoe voeren eisers - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig en in strijd met de Wjz en het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) omdat [dochter eisers] maandenlang moet wachten op een behandelplek in [inrichting 3]. Gelet op de ernst van de problematiek is het van groot belang dat zij zo snel mogelijk daadwerkelijk behandeld wordt.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Het gaat in dit kort geding om de vraag of de Staat verplicht moet worden [dochter eisers] onmiddellijk, althans op korte termijn, te plaatsen in de aangewezen behandelinstelling, [inrichting 3].

3.2. Bij de beoordeling is allereerst van belang dat, hoe ongewenst het ook moge zijn dat jeugdigen als [dochter eisers] als gevolg van de beperkte capaciteit in de justitiële jeugdinrichtingen aanzienlijke tijd op behandeling moeten wachten, op de Staat geen wettelijke plicht rust om [dochter eisers] binnen een bepaalde termijn in een behandelinstelling te plaatsen. Artikel 11a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) voorziet weliswaar in een aanspraak op plaatsing in een justitiële jeugdinrichting, maar de inwerkingtreding van dit artikel is uitgesteld tot 2010 (zie het Besluit van 5 december 2006, Stb. 2006, 640, in samenhang met artikel 112 lid 2 Wjz). Blijkens de toelichting op dit besluit is het aantal beschikbare plaatsen de laatste jaren weliswaar fors gegroeid, maar is het in het licht van de prognoses over de stijgende behoefte nog niet verantwoord om een aanspraak op plaatsing te garanderen. Het is in beginsel niet aan de rechter om in deze politieke besluitvorming in te grijpen. Terughoudendheid is temeer op zijn plaats nu een bevel tot onmiddellijke plaatsing ook gevolgen heeft voor jeugdigen die al langer op de wachtlijst staan. Niettemin is het denkbaar dat in een concreet geval sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de Staat onrechtmatig handelt door niet tot onmiddellijke plaatsing over te gaan. Van zodanige omstandigheden is in dit geval echter niet gebleken.

3.3. Uitgangspunt is dat [dochter eisers] binnen twee tot drie maanden in [inrichting 3] kan worden opgenomen. Voldoende aannemelijk is dat, nu [dochter eisers] in [inrichting 1] een EMDR-therapie zal ondergaan, de resterende tijd in [inrichting 1] een zeker nut zal hebben. Aan de opmerking van [dochter eisers] ter zitting dat zij van klasgenoten heeft vernomen dat ook voor deze therapie een lange wachttijd bestaat en zij dus voorlopig niet behandeld zal worden komt, gelet op het onder 2.9 genoemde memo, onvoldoende gewicht toe. In dit memo staat immers dat, in navolging van het advies om op korte termijn met EMDR te starten, besloten is [dochter eisers] voor EMDR in aanmerking te laten komen en verder dat als start van die behandeling de kennismaking met de therapeute zal plaatsvinden in de week van 3-7 december. Ook wordt in het memo de hiervoor genoemde verwachte verblijftijd in [inrichting 1] gememoreerd, zodat het voor de hand ligt dat de staf van [inrichting 1] er vanuit gaat dat de - kortdurende - EMDR-therapie in elk geval kan worden afgerond voordat [dochter eisers] in [inrichting 3] wordt geplaatst.

Verder wordt in aanmerking genomen dat de Staat gemotiveerd heeft gesteld dat ook de drie meisjes die vóór [dochter eisers] op de wachtlijst staan een groot belang hebben bij spoedige plaatsing in [inrichting 3]. Tot slot is de tijd dat [dochter eisers] naar verwachting op plaatsing in [inrichting 3] moet wachten, hoe ongewenst het voor betrokkenen ook is, naar voorlopig oordeel niet zo buitensporig lang dat [dochter eisers] onmiddellijk dient te worden geplaatst. Dat geldt, gelet op alle benodigde onderzoeken, evenmin voor de tijd dat [dochter eisers] heeft moeten wachten op het indicatiebesluit van 17 oktober 2007, op grond waarvan [dochter eisers] kon worden aangemeld voor een plaats in [inrichting 3]. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat de wachttijd langer zal zijn dan thans aangegeven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat over het geheel genomen voldoende voortvarend te werk is gegaan.

3.4. De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig handelt door niet tot onmiddellijke plaatsing over te gaan. Voor zover hierop al rechtstreeks een beroep zou kunnen worden gedaan is naar voorlopig oordeel evenmin sprake van schending van artikel 3 van het IVRK.

3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.G.M. van Rens en uitgesproken ter openbare zitting van 7 december 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

SV