Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9369

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/62946
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd / beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn

Eiser is afkomstig uit Irak en heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, nu op grond van de situatie ten tijde van de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verweerder geen categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irakeze asielzoekers geïndiceerd hoefde te achten, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de grond waarop de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, is komen te vervallen.

Voorts is geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser ten tijde van de verleende verblijfsvergunning niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vreemdelingenwet (Vw).

Ten slotte dient te worden beoordeeld of eiser op het moment van het bestreden besluit in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 29 Vw. Eiser komt een direct beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn van de Raad betreffende minimumnormen voor erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of personen die anderszins internationale bescherming behoeven (de Definitierichtlijn) toe. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 25 januari 2007 (AWB 06/51459). Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit niet ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser een Turkmeen is afkomstig uit Kirkuk. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit geen overwegingen gewijd aan de stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar Kirkuk het risico loopt op ernstige schade, te weten een individuele bedreiging van het leven van een burgers als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De enkele omstandigheid dat eisers relaas ten aanzien van de problemen met de Fadaie Saddam door verweerder ongeloofwaardig wordt geacht, is onvoldoende om te oordelen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Kirkuk een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 62946

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 augustus 2007

in de zaak van:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1976, van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. van Andel, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 26 januari 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 6 december 2006 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 6 december 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 34 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw, van de vreemdeling die, direct voorafgaand aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren, rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, Vw slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 Vw, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 Vw voordoet.

2.3 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw worden ingetrokken indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 Vw, is komen te vervallen.

2.4 Bij het besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw wordt voorts beoordeeld of de vreemdeling ten tijde van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking kwam voor verblijf op een van de andere gronden van artikel 29 Vw.

2.5 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft bij besluit van 10 juni 2003 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw ontvangen, geldig van 16 maart 2003 tot 16 maart 2006. Uit onderzoek van verweerder is voorts op 8 augustus 2006 gebleken dat eiser op 8 december 2002 Duitsland is ingereisd en hij daar een asielaanvraag heeft ingediend. Op 12 maart 2003 is eiser in Duitsland met onbekende bestemming vertrokken.

2.6 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag van 16 maart 2003 het volgende aangevoerd. Eiser is Turkmeen en afkomstig uit Kirkuk. Op 6 november 2002 werd eiser benaderd door de plaatselijke leider. Eiser moest zich melden bij het partijbureau. Eiser werd daar door twee onbekende mannen gevraagd zijn trouw aan de overheid te bewijzen door lid te worden van een paramilitaire organisatie (Fadaie Saddam). Eiser is daarom uit zijn dorp weggevlucht naar een vriend. Deze heeft hem naar een klein huisje in Taze gebracht. Eiser heeft daar enkele maanden verbleven. Eiser hoorde daar dat ze naar hem op zoek waren en dat zijn vader was gearresteerd. Zijn vader is na een maand weer vrijgelaten, maar zijn ouderlijk huis werd regelmatig binnen gevallen. Eiser besloot daarom naar Nederland te vluchten. Op 14 februari 2003 heeft hij Irak verlaten.

2.7 Verweerder heeft – samengevat en voor zover van belang – in het bestreden besluit het volgende overwogen. De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is niet ingewilligd, aangezien het categoriaal beschermingsbeleid voor Irak inmiddels is beëindigd. Voorts bestonden er ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning geen andere gronden als genoemd in artikel 29 Vw om aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Eiser komt ook op grond van de huidige situatie niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder a, b, c of d, Vw.

2.8 Eiser heeft in beroep – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte niet aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. Eiser kwam op het moment dat de vergunning voor bepaalde tijd aan hem is verleend tevens in aanmerking voor een verblijfsvergunning op een van de overige gronden van artikel 29 Vw. Voorts dateert het bestreden besluit van zeven maanden na de datum van het laatste algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken inzake Irak. De veiligheidssituatie in Irak is sindsdien verslechterd. Eiser wijst in dit verband op diverse informatie van onder andere Amnesty International, VluchtelingenWerk en de Center for Strategic and International Studies (CSIS). Op 20 december 2006 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen om wederom een beleid van categoriale bescherming in te stellen voor Centraal-Irak. In de twee weken tussen het bestreden besluit en het aannemen van de motie is de situatie in Irak niet opeens verslechterd. Eiser kwam derhalve op het moment van het bestreden besluit in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Ten slotte doet eiser een beroep op artikel 15c van de Richtlijn van de Raad betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven van 29 april 2004, 2004/83/EG (de Definitierichtlijn).

De rechtbank overweegt als volgt.

2.9 Allereerst dient te worden beoordeeld of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de grond waarop de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, te weten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, is komen te vervallen.

2.10 In het bestreden besluit is toepassing gegeven aan het beleid dat is neergelegd in de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 20 januari 2006 (TK 2005-2006, 19 637, nr. 1003) en zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2006/10, waarin het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak is beëindigd.

2.11 Voormelde brief is op 1 februari 2006 voorwerp geweest van een algemeen overleg tussen de minister en de Tweede Kamer. Op 7 februari 2006 is tijdens het debat naar aanleiding van voormeld algemeen overleg een motie ingediend met het verzoek de heroverweging die in Duitsland plaatsvindt ten aanzien van Iraakse asielzoekers niet doorslaggevend te laten zijn en het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Irak, gelet op de aanhoudende zorgwekkende veiligheidssituatie in grote delen van dat land, te handhaven (TK 2005-2006, 19 637, nr. 1008). Tijdens de stemmingen op 14 februari 2006 is de motie verworpen (Handelingen TK 2005-2006, nr. 49, p. 3245).

2.12 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in een uitspraak van 8 november 2001 (kenmerk: 200104464/1) is voor de beoordeling van de vraag of verweerder een categoriaal beschermingsbeleid achterwege kan laten, bepalend dat verweerder een ruime beleidsvrijheid heeft. De verantwoording over het gebruik van de bevoegdheid tot het al dan niet geven van tijdelijke bescherming dient primair te geschieden ten overstaan van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De rechtbank kan een dergelijk besluit niet anders dan terughoudend toetsen. Te meer nu het hier de afschaffing van een eerder gevoerd categoriaal beschermingsbeleid betreft.

2.13 Voorts heeft de Afdeling in een uitspraak van 3 juli 2006 (kenmerk: 200602792/1) geoordeeld dat de beslissing van de minister om ten aanzien van Centraal-Irakezen niet langer een categoriaal beschermingsbeleid te voeren, de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.14 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder, nu op grond van de situatie ten tijde van de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verweerder geen categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Iraakse asielzoekers geïndiceerd hoefde te achten, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de grond waarop de verblijfsvergunning asiel voor bepaald tijd is verleend, is komen te vervallen.

2.15 Vervolgens dient te worden beoordeeld of eiser ten tijde van de verleende vergunning in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw. Indien voorgaande vraag bevestigend moet worden beantwoord, zou eiser immers alsnog gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf (deze termijn volgt uit het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire, nummer 2004/54) hebben gehad. Voorts zou de grond voor verlening dan nog niet zijn komen te vervallen zodat eiser derhalve recht zou hebben op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

2.16 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.17 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.18 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.19 Verweerder heeft in C14/3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. In C14/3 Vc heeft verweerder het volgende toetsingskader opgenomen:

Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.20 Eiser heeft geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd. Verweerder heeft het ontbreken van deze documenten in redelijkheid aan eiser kunnen toerekenen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.21 Eiser heeft in zijn eerste gehoor verklaard dat hij in het bezit is geweest van een identiteitskaart, nationaliteitsverklaring en militair boekje. Eiser heeft in het nader gehoor van 16 april 2003 verklaard dat hij zijn identiteitsbewijs en nationaliteitsverklaring niet heeft meegenomen omdat hij deze heeft ingeleverd bij de gemeente in Kirkuk in verband met een inschrijving voor werk. Ook heeft eiser verklaard dat zijn militaire boekje door de Fedaie Saddam was ingenomen. Voorgaande verklaringen heeft verweerder in redelijkheid onvoldoende kunnen achten. In het nader gehoor van 4 december 2006 heeft eiser namelijk verklaard dat hij in zijn eerdere verklaringen heeft gelogen en dat hij zijn nationaliteitsverklaring en militaire boekje bij zijn asielaanvraag in Duitsland heeft overgelegd en dat hij deze documenten in Duitsland heeft achtergelaten. Verweerder heeft op grond van deze tegenstrijdige verklaringen het ontbreken van voornoemde documenten toerekenbaar kunnen achten. Verweerder heeft die omstandigheid dus in het nadeel van eiser bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van het asielrelaas kunnen betrekken.

2.22 Met toepassing van de in C14/3 Vc weergegeven maatstaf heeft verweerder in redelijkheid kunnen vaststellen dat de feiten die eiser in het asielrelaas naar voren heeft gebracht ongeloofwaardig zijn.

2.23 Verweerder heeft in het bestreden besluit het relaas van eiser, dat plaatsvond in Irak tussen 6 november 2002 en 14 februari 2003, ongeloofwaardig geacht omdat inmiddels is vastgesteld dat eiser van 8 december 2002 tot 11 februari 2003 in Duitsland heeft verbleven en hij daar een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft vervolgens verklaard dat de problemen in Irak op een andere datum hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft deze verklaring in redelijkheid onvoldoende kunnen achten om te oordelen dat in het relaas van eiser geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen.

2.24 Verweerder hoefde derhalve niet uit te gaan van de juistheid van de verklaringen van eiser over zijn asielrelaas. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser ten tijde van de verleende verblijfsvergunning in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw.

2.25 Ten slotte dient te worden beoordeeld of eiser op het moment van het bestreden besluit in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, Vw.

2.26 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Eiser is een Turkmeen afkomstig uit Kirkuk. In het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van april 2006 en het rapport van het CSIS van september 2006 wordt aangegeven dat het geweld niet alleen in Bagdad, maar ook in Kirkuk toeneemt en dat het conflict in Kirkuk intenser wordt. Er zijn spanningen tussen Koerden, Turkmenen en Assyriërs. De Iraakse overheid is niet in staat hiertegen bescherming te bieden. Als Turkmeen loopt eiser het risico slachtoffer te worden in het conflict.

2.27 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn op de volgende standpunten gesteld. De verblijfsvergunning die onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw wordt verleend, valt niet onder de reikwijdte van de Definitierichtlijn. Voorts bevat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een individuele beschermingsgrond, waarbij eiser aannemelijk moet maken dat in zijn individuele geval sprake is van een reëel risico op de daar genoemde ernstige schade. Dit komt overeen met de toetsing die thans wordt verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Eiser is hierin niet geslaagd aangezien zijn asielrelaas ongeloofwaardig is.

2.28 Blijkens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming, het bestaan van ernstige schade, zijnde ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.29 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJEG) kunnen particulieren in alle gevallen waarin de bepalingen van een Definitierichtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, zich voor de nationale rechter op die bepalingen beroepen tegenover een lidstaat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de Definitierichtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan.

2.30 De rechtbank stelt vast dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voldoende concreet en duidelijk is en derhalve naar zijn aard direct toepasbaar is en dat de omzettingstermijn van de Definitierichtlijn op 10 oktober 2006 is verstreken. De minister heeft verzuimd de Definitierichtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten. De rechtbank verwijst voorts in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 25 januari 2007 (AWB 06/51459), waarin het voorgaande eveneens is vastgesteld. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam achtte vooralsnog de conclusie gerechtvaardigd dat met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn sprake is van een beschermingsgrond die niet, althans niet zonder nadere implementatie in de nationale regelgeving, onder de b-grond van artikel 29 Vw valt te brengen. Het voorgaande betekent dat de Staat gehouden is de Definitierichtlijn te implementeren, hetgeen tot op heden niet is gebeurd. De rechtbank volgt deze uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. Eiser komt derhalve een direct beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn toe.

2.31 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder door in het bestreden besluit de beschermingsgrond ex artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn te brengen onder de b-grond van artikel 29 van de Vw, te weten dat de vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijk of vernederende behandeling of bestraffing, zonder de Definitierichtlijn nader te implementeren in de Nederlandse wetgeving, ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een onjuiste toets heeft aangelegd.

2.32 De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder in het bestreden besluit niet ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser een Turkmeen is afkomstig uit Kirkuk. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit geen overwegingen gewijd aan de stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar Kirkuk het risico loopt op ernstige schade, te weten een individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De enkele omstandigheid dat eisers relaas ten aanzien van de hem gestelde problemen met de Fadaie Saddam door verweerder ongeloofwaardig wordt geacht, is onvoldoende om te oordelen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Kirkuk een reëel risico loopt op ernstige schade, in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.33 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb.

2.34 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.35 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan eiser;

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, en op 27 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.