Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9358

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-09-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
KG 07/1053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Als pitbull aangemerkte hond. De Staat wordt geboden om zijn medewerking te verlenen aan een door eiser te bekostigen röntgenonderzoek naar de vraag of zich in het lichaam van de hond al dan niet een chip bevindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 17 september 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/1053 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats], België,

eiser,

procureur mr. W. Sluiter,

advocaat mr. C.P. Timmers te Middelharnis,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. A.Th.M. ten Broeke.

Partijen worden hierna ook '[eiser]' en 'de Staat' genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1. [Eiser] heeft de Staat doen dagvaarden tegen de zitting van 3 september 2007. Op die zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht. Vervolgens is bepaald dat:

- de Staat zich uiterlijk op 5 september 2007 nader schriftelijk dient uit te laten over (1) de gang van zaken bij de identificatie van de hierna onder 2.5 nader te noemen hond met behulp van een zogeheten chiplezer en (2) een door [eiser] gedaan aanbod inzake het dragen van de kosten van bewaring van deze hond;

- de advocaat van [eiser] vervolgens uiterlijk op 6 september 2007 dient te reageren;

- op 13 september 2007 vonnis wordt gewezen.

1.2. In dit verband heeft de procureur van de Staat desgevraagd toegezegd dat de onderhavige hond in leven zal blijven zolang in dit kort geding nog geen vonnis is gewezen.

1.3. Op 5 september 2007 is ter griffie van deze rechtbank een fax met bijlagen binnengekomen van de procureur van de Staat. Op 6 september 2007 is een fax met bijlagen binnengekomen van de advocaat van [eiser]. Het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 september 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. [Eiser] heeft in of omstreeks het jaar 2001 een uit Hongarije afkomstige hond gekocht. Deze hond is in Nederland voorzien van een chip.

2.2. In november of december 2002 is deze hond strafrechtelijk in beslag genomen.

2.3. Bij vonnis van 22 juli 2003 heeft de politierechter te Rotterdam [eiser] vrijgesproken van, kort gezegd, het voorhanden hebben van een hond van het Pit-bull-Terriër-type als bedoeld in Bijlage 1 bij de Regeling agressieve dieren (hierna ook 'een pitbull') en de teruggave bevolen van deze hond aan [eiser].

2.4. Bij arrest van 17 december 2003 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage het vonnis van de politierechter bevestigd. Dit arrest is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

2.5. Op 13 november 2006 is een aan [eiser] toebehorende en hierna '[A]' te noemen hond in beslag genomen.

2.6. Op 17 november 2006 is namens [eiser] schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de inbeslagname van [A] en om teruggave van [A] verzocht.

2.7. Op 20 november 2006 is [A] geschouwd door de heer [B], ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit. In zijn proces-verbaal van 22 november 2006 deelt [B] mee dat de door hem gebruikte chiplezer aangeeft dat in [A] geen chip is aangebracht en dat hij gezien heeft dat [A] geen tatoeage heeft. Tevens concludeert hij dat [A] moet worden aangemerkt als een pitbull.

2.8. Op 23 november 2006 is [A] onderzocht door de he[C], een door voornoemd ministerie aangewezen deskundige "Regeling agressieve dieren". [C] stelt vast dat [A] niet is voorzien van een chip of tatoeëring en komt tot de conclusie dat [A] tot de pitbulls gerekend moet worden.

2.9. Eveneens op 23 november 2006 heeft de officier van justitie afwijzend beslist op het verzoek tot teruggave van [A]. Tegen die beslissing is namens [eiser] op 7 december 2006 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam.

2.10. Op 29 november 2006 is [A] op verzoek van de Staat onderzocht door drs. [D], dierenarts te [P]. Drs. [D] constateert, kort gezegd, dat er in de oren van [A] geen enkele tatoeage of litteken te zien is en dat er zijns inziens ook nooit een tatoeage aanwezig is geweest in de oren van [A].

2.11. Bij vonnis van 25 januari 2007 heeft de politierechter te Rotterdam [eiser] veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, wegens, kort gezegd, bedreiging van een derde en het voorhanden hebben van een pitbull, alsmede [A] aan het verkeer onttrokken verklaard. Daartoe heeft de politierechter onder meer het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden op grond van het ne bis in idem beginsel. Het Gerechtshof te 's Gravenhage heeft volgens de raadsman van verdachte immers op 17 december 2003 al een uitspraak gedaan over deze hond en dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Bij deze uitspraak is verdachte vrijgesproken van het voorhanden hebben van een hond van het pitbulltype.

De politierechter verwerpt dit beroep.

Vooropgesteld moet worden dat al niet is komen vast te staan dat het in casu om dezelfde hond gaat. Door de raadsman van verdachte is als productie V een expertiserapport overgelegd, dat volgens de raadsman van verdachte de op 4 december 2002 onder verdachte inbeslaggenomen hond betreft, waarop de uitspraak van het gerechtshof ziet. Dit rapport betreft evenwel een hond die was voorzien van een chip met nummer [nummer]. Uit de bewijsmiddelen volgt reeds dat de in de onderhavige procedure inbeslaggenomen hond geen chip heeft. Reeds daarom kan niet worden aangenomen dat het dezelfde hond betreft.

Evenwel, ook indien de hond reeds eerder inbeslaggenomen en teruggeven zou zijn brengt dat nog niet mee dat de officier van justitie niet in zijn vervolging ontvangen kan worden. Het voorhanden hebben van een verboden dier betreft immers een voortdurend delict, zodat geen sprake is van een tweede vervolging voor hetzélfde delict. Het verweer wordt derhalve verworpen."

2.12. [Eiser] heeft tegen het vonnis van 25 januari 2007 hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij zijn hiervoor genoemde klaagschrift ingetrokken en op 16 februari 2007 een nieuw klaagschrift bij het gerechtshof 's-Gravenhage ingediend.

2.13. Bij arrest van 28 augustus 2007 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage het vonnis van 25 januari 2007 vernietigd en opnieuw rechtdoende (wederom) [eiser] veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur, zonodig te vervangen door 30 dagen hechtenis, en [A] aan het verkeer onttrokken verklaard. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde op grond van het ne bis in idem beginsel. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft volgens de raadsman van de verdachte immers op 17 december 2003 al een uitspraak gedaan over onderhavige hond en dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. [..] Tevens heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat hond is voorzien van een chip, op grond waarvan kan worden aangetoond dat de in de onderhavige zaak in beslag genomen hond dezelfde is, als waarover het hof eerder heeft geoordeeld.

Het hof verwerpt dit verweer op de navolgende gronden. Gelet op het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de onderhavige hond dezelfde hond is als waarover dit gerechtshof op 17 december 2003 een beslissing heeft genomen.

Desgevraagd heeft de raadsman ter terechtzitting verklaard dat zijn stellingen ten aanzien van chip en tatoeage, zoals in zijn pleitnota neergelegd, niet verifieerbaar zijn en anders dan door de raadsman betoogd, blijkt uit de rapporten van [[C] en [B]] dat de hond niet is voorzien van een chip of tatoeëring. Nu niet aannemelijk is geworden dat het hier om dezelfde hond gaat, komt het hof niet toe aan het toetsen van het ne bis in idem beginsel.

[..]

Afwijzing van een verzoek om contra-expertise

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de hond, anders dan tot op heden drie maal gerapporteerd, in belangrijke mate niét voldoet aan de karakteristieken zoals vermeld in bijlage I van de Regeling agressieve dieren. Hij heeft verzocht om een contra-expertise door de heer [E], kynoloog en als FCI keurmeester verbonden aan de Raad van Beheer op kynologisch gebied in Nederland en de heer [F], kynoloog, keurmeester en voorzitter van de Animal Research Foundation Europe.

Desgevraagd door de voorzitter kon de raadsman niet aangeven aan welke karakteristieken van bovengenoemde bijlage de hond niet voldoet.

Gelet op dit volledig gebrek aan onderbouwing van verdachtes standpunt en de reeds door drie deskundigen uitgebrachte rapportages acht het hof een contra-expertise [..] redelijkerwijs niet noodzakelijk [..]."

2.14. Bij beschikking van eveneens 28 augustus 2007 heeft (de raadkamer van) het gerechtshof 's-Gravenhage het klaagschrift van 16 februari 2007 ongegrond verklaard.

2.15. Op of omstreeks 30 augustus 2007 heeft de advocaat-generaal in het ressortsparket 's-Gravenhage machtiging verleend om [A] te laten inslapen.

2.16. Op 3 september 2007 is namens [eiser] beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 28 augustus 2007.

2.17. Een door [B] op 4 september 2007 opgesteld "aanvullend proces-verbaal" vermeldt dat [B] tijdens het onderzoek van [A] diens "halsstreek, schouderstreek, rugstreek en flankstreek" heeft afgezocht met een chiplezer en dat hij toen geen chip heeft aangetroffen. Verder vermeldt dit document onder meer dat [B] op 3 september 2007 een telefoongesprek heeft gevoerd met de heer [G], patholoog anatoom bij de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht en dat deze persoon onder meer heeft verklaard dat, kort gezegd, indien een chip zich al verplaatst in een hondenlichaam die verplaatsing hooguit enkele centimeters zal bedragen in een geheel hondenleven.

2.18. In een kennelijk abusievelijk op 5 september 2005 gedateerde brief heeft de heer [H], commercieel directeur van [bedrijf], producent van chips en chiplezers als de onderhavige, onder meer het volgende meegedeeld aan de advocaat van [eiser]:

"Het afzakken van een chip is een veel voorkomend verschijnsel. Meestal is dat zeer beperkt. In uitzonderingsgevallen komt het echter voor dat de chip afzakt tot aan het kniegewricht of in theorie zelfs lager, hoewel mij concreet geen gevallen bekend zijn. [..] Indien een chip niet gedetecteerd wordt, kan deze defect zijn. [..] Een defecte chip geeft op een röntgenfoto een bijzonder duidelijk beeld. Indien een defecte chip operatief wordt verwijderd kan de chip nog altijd uitgelezen worden in een gespecialiseerd laboratorium."

2.19. In drie aan de advocaat van [eiser] gerichte verklaringen van verschillende dierenartsen wordt meegedeeld dat chips zich kunnen verplaatsen in een hondenlichaam en dat zij met behulp van röntgenstralen terug te vinden zijn. In twee van die verklaringen wordt tevens meegedeeld dat chips als deze defect kunnen raken.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

a. de Staat te veroordelen om de heren [E] en [F] toe te laten tot een contra-expertise van [A], op straffe van een dwangsom;

b. de Staat te verbieden om [A] te vernietigen hangende het tegen het arrest van 28 augustus 2007 ingestelde beroep in cassatie.

3.2. Daartoe voert [eiser] - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan.

[A] is geen pitbull en hij is wel degelijk de hond die is bedoeld in het vonnis van 22 juli 2003. [eiser] wenst in cassatie onder meer aan de orde stellen dat de rechtbank en het gerechtshof in hun respectieve beslissingen van 25 januari 2007 en 28 augustus 2007 ten onrechte zijn verzoek om een contra-expertise hebben gepasseerd.

De heren [E] en [F] zullen kunnen vaststellen dat [A] geen pitbull is, maar een (niet illegale) rashond. Daarnaast heeft [F] [A] ook geschouwd in 2003, zodat hij zal kunnen vaststellen dat het nog steeds om dezelfde hond gaat. [A] heeft zeer markante kenmerken. Hij is blind aan een oog. Bovendien is in [A] bij zijn aankomst in Nederland door een dierenarts een chip aangebracht. Deze chip zit nog steeds in hem en deze chip moet terug te vinden zijn. Dat de door de Staat ingeschakelde deskundigen die chip niet hebben aangetroffen maakt dat niet anders, omdat de chip vermoedelijk is gaan zweven of (zoals de advocaat van [eiser] in zijn fax van 6 september 2007 heeft gesteld) kapot is gegaan. Verder komen er uit de politiek geluiden dat honden niet meer alleen aan de hand van Bijlage 1 bij de Regeling agressieve dieren zouden moeten worden getoetst, maar dat er ook een zogeheten mag-test zou moeten plaatsvinden. [eiser] is bereid om de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen.

Wanneer vast komt te staan dat [A] dezelfde hond is als de hond die is bedoeld in het vonnis van 22 juli 2003, dan staat ook vast dat het openbaar ministerie in 2006 en 2007 geen recht meer had om [eiser] strafrechtelijk te vervolgen voor het bezit van [A]. Wiens strafzaak eenmaal definitief is afgedaan, mag ter zake van hetzelfde gebeuren immers niet nogmaals in rechte worden betrokken. Verder heeft [eiser] recht op een contra-expertise gelet op het beginsel van "equality of arms" dat is neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). [A] is weliswaar onderzocht door drie deskundigen, maar dezen zijn alle drie in dienst van de Staat.

Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft in zijn arrest van 28 augustus 2007 geoordeeld dat het op dat moment om een andere hond ging dan de hond in zijn arrest van 17 december 2003, maar dat oordeel is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van hetgeen de advocaat van [eiser] op de betreffende zitting naar voren heeft gebracht. Op die zitting heeft de advocaat van [eiser] meegedeeld dat, kort gezegd, [A] niet is voorzien van een aan een stamboom gekoppelde chip, maar van een door de dierenarts ter identificatie ingebrachte chip. Het gerechtshof is dan ook ten onrechte ervan uitgegaan dat [A] niet aan de hand van een chip geïdentificeerd zou kunnen worden.

Daarnaast heeft het hof gesteld dat [eiser] zijn standpunt dat [A] geen pitbull is onvoldoende heeft onderbouwd, maar [eiser] ook niet de gelegenheid geboden om dat standpunt te onderbouwen. [A] bevindt zich nu immers op een geheime locatie en alleen de door de Staat ingeschakelde deskundigen hebben de gelegenheid gehad om [A] te onderzoeken.

[A] dient in ieder geval in leven te worden gehouden totdat de Hoge Raad zal hebben beslist op het door [eiser] ingestelde beroep in cassatie. [eiser] is bereid om de kosten van het verblijf voor zijn rekening te nemen. Ook uit het oogpunt van dierenwelzijn bestaat er geen aanleiding om [A] te laten inslapen. [A] verblijft inmiddels ruim een half jaar in een kennel van de dienst LASER en is daar inmiddels gewend geraakt.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Wat betreft de hiervoor onder 3.1 sub a weergegeven vordering heeft de Staat primair aangevoerd dat de beslissing tot het houden van een contra-expertise als door [eiser] gevorderd - indien de officier van justitie niet tot medewerking bereid is - voorbehouden is aan de strafrechter. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft bij zijn arrest van 28 augustus 2007 het verzoek van [eiser] tot het houden van een dergelijke contra-expertise verworpen. [Eiser] kan van dat oordeel niet bij de voorzieningenrechter in beroep komen. Dat zou in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. [eiser] dient de contra-expertise in de cassatieprocedure aan de orde te stellen. In dit kort geding dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in deze vordering.

4.2. Subsidiair heeft de Staat wat betreft de onder 3.1 sub a weergegeven vordering, samengevat, aangevoerd dat (1) de rechter in kort geding zich volgens vaste rechtspraak terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van vervolgingsbeslissingen van de officier van justitie, (2) ook het hof gemotiveerd heeft geoordeeld dat een contra-expertise redelijkerwijs niet noodzakelijk is, (3) er geen algemeen recht op tegenonderzoek bestaat, (4) [eiser] niet heeft toegelicht welk nut een contra-expertise nog zou kunnen hebben, (5) ook de politierechter te Rotterdam en het hof geen geloof hebben gehecht aan de stelling van [eiser] dat [A] dezelfde hond is als de hond waarover in 2003 is geoordeeld en (6) de Staat bezwaar heeft tegen het toelaten van [F] als deskundige.

4.3. Bij de beoordeling van de onderhavige vordering moet het uitgangspunt zijn dat het niet verenigbaar is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken dat een veroordeelde de gelegenheid zou hebben om door het tegen de Staat instellen van een vordering op grond van onrechtmatige daad de juistheid van een beslissing van de strafrechter, dan wel de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die beslissing heeft geleid, tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de burgerlijke rechter te laten toetsen. Onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan er naar voorlopig oordeel echter reden zijn om van dit uitgangspunt af te wijken.

4.4. Voor zover [eiser] thans wenst te laten onderzoeken of [A] al dan niet moet worden aangemerkt als een pitbull, oftewel een hond van het Pit-bull-Terriër-type als bedoeld in Bijlage 1 bij de Regeling agressieve dieren, zijn er in dit kort geding naar voorlopig oordeel onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden om een uitzondering op voornoemd uitgangspunt te rechtvaardigen. In zoverre heeft de Staat dan ook terecht aangevoerd dat [eiser] de door hem gewenste contra-expertise in de cassatieprocedure aan de orde dient te stellen. [eiser] dient daarom in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard in de onder 3.1 sub a weergegeven vordering.

4.5. Voor zover [eiser] thans op eigen kosten nader onderzoek wil laten uitvoeren naar de vraag of zich in het lichaam van [A] al dan niet een chip bevindt, bestaat er naar voorlopig oordeel echter wèl voldoende aanleiding om een uitzondering op voornoemd uitgangspunt te rechtvaardigen. Hierbij wegen met name de volgende omstandigheden mee.

a. Het hof heeft in zijn arrest van 28 augustus 2007 weliswaar geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat "het hier om dezelfde hond gaat", maar dat oordeel is blijkbaar gebaseerd op het uitgangspunt dat (met name) de stelling dat zich in [A] een chip zou bevinden, niet verifieerbaar is. Dat feitelijke uitgangspunt is naar voorlopig oordeel echter onmiskenbaar onjuist. Met behulp van (met name) röntgenapparatuur kan immers wel degelijk worden geverifieerd of zich in [A] al dan niet een chip bevindt.

b. Hoewel de door de Staat ingeschakelde deskundigen geen chip hebben aangetroffen, kan voorshands niet met zekerheid worden uitgesloten dat zich in [A] toch een chip bevindt, al was het alleen maar omdat het in de rede ligt dat ook chips als deze defect kunnen raken, mede gelet op de hiervoor geciteerde verklaring van [H]. Kennelijk is alleen gezocht naar een functionerende chip.

c. De Staat wenst [A] thans te laten inslapen. Mede nu [eiser] en zijn kinderen voorshands erg gehecht lijken te zijn aan [A], moet dit worden gezien als een zeer ingrijpende maatregel. Bovendien is deze maatregel onomkeerbaar.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn onder 3.1 sub a weergegeven vordering voor zover die er toe strekt om te laten onderzoeken of [A] al dan niet moet worden aangemerkt als een pitbull en dat deze vordering, op de wijze als hierna vermeld, zal worden toegewezen voor zover die ertoe strekt om de Staat te gebieden toe te staan dat [eiser] op eigen kosten röntgenonderzoek zal laten uitvoeren naar de vraag of zich in het lichaam van [A] al dan niet een chip bevindt. Mede gelet op de bezwaren die de Staat heeft geuit tegen het toelaten van [F] als deskundige, zal bepaald worden dat dit onderzoek dient te worden uitgevoerd door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen dierenarts. Daarbij zal het de Staat verboden worden om [A] te laten inslapen voordat (1) uit dit onderzoek gebleken zal zijn dat zich in [A] géén chip bevindt, of (2) in dit kort geding een eindvonnis zal zijn gewezen. In afwachting van dit onderzoek zal de zaak pro forma worden aangehouden tot zaterdag 6 oktober 2007. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn hiervoor onder 3.1 sub a weergegeven vordering voor zover hij wenst te laten onderzoeken of [A] al dan niet moet worden aangemerkt als een pitbull;

gebiedt de Staat om zijn medewerking te verlenen aan een door [eiser] te bekostigen röntgenonderzoek naar de vraag of zich in het lichaam van [A] al dan niet een chip bevindt, welk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen dierenarts;

verbiedt de Staat om [A] te laten inslapen voordat (1) uit dit onderzoek gebleken zal zijn dat zich in [A] géén chip bevindt, of (2) in dit kort geding een eindvonnis zal zijn gewezen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van de zaak in afwachting van dit onderzoek pro forma aan tot zaterdag 6 oktober 2007;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

jwo