Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9343

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/15278
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum verblijfsvergunning

Eiseres heeft een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning bij haar partner. Eiseres was al eerder in het bezit geweest van een verblijfsvergunning, maar had niet tijdig om verlenging gevraagd, waardoor haar werd tegengeworpen dat zij niet in het bezit was van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Na beëindiging van de eerdere procedure heeft eiseres op 9 juni 2006 een nieuwe aanvraag gedaan. Deze aanvraag is ingewilligd en aan eiseres is een verblijfsvergunning verstrekt met ingangsdatum 15 december 2006. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit 19 november 2006 moet zijn. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning, nu zij wil dat de vergunning wordt verleend met ingangsdatum 9 juni 2006. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 26, eerste lid Vreemdelingenwet 2000 blijkt dat de aanvraag wordt verleend met ingang van de datum dat de vreemdeling heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning is voldaan. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om bij haar aanvraag alle noodzakelijke bescheiden die noodzakelijk zijn voor de aanvraag te overleggen. Eiseres heeft niet de op het aanvraagformulier vermelde bewijsstukken meegezonden bij haar aanvraag. Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken toe te zenden, wat zij op 19 november 2006 heeft gedaan. Derhalve had verweerder de verblijfsvergunning met ingang van die datum moeten verlenen, maar niet met ingang van datum aanvraag. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 07/15278

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 juli 2007

in de zaak van:

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1979, van Chinese nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg, advocaat te ’s- Gravenhage,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 9 juni 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 september 2006 afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit op 11 september 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 14 maart 2007 gegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 8 april 2007 beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een vereiste van de aanvraag dat de aanvrager alle gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In artikel 3.102 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is dit uitgewerkt en -voor zover hier van belang- bepaald dat de vreemdeling bij de aanvraag de gegevens en bescheiden, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (Vw), overlegt.

2.3 Ingevolge artikel 26, eerste lid, Vw wordt de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

2.4 Ingevolge artikel 3.13 Vb wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming verleend indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 Vb genoemde voorwaarden. Artikel 3.18 Vb heeft betrekking op het mvv-vereiste. Artikel 3.22 Vb heeft betrekking op het middelenvereiste.

2.5 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres is bij besluit van 28 augustus 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]’. Deze is meerdere malen verlengd, uiteindelijk tot 20 juni 2003. Vervolgens heeft eiseres op 17 maart 2004- niet tijdig- om verlenging gevraagd waarna van haar werd verlangd terug te keren naar China om aldaar een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan te vragen. Deze verlengingsaanvraag is afgewezen en de procedure is beëindigd door ongegrondverklaring van het beroep bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) van 16 maart 2006. Bij brieven van 7 april 2006 en 2 mei 2006 heeft eiseres de toenmalige Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie verzocht met gebruikmaking van haar discretionaire bevoegdheid eiseres alsnog een verblijfsvergunning te verstrekken. Bij aanvraag van 9 juni 2006 heeft eiseres deze aanvraag aangevuld. Verweerder heeft in het besluit op bezwaar van 14 maart 2007 aan eiseres alsnog een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]’ met ingang van 15 december 2006 geldig tot 9 juni 2008 afgegeven. Eiseres heeft beroep ingesteld nu zij het niet eens is met de ingangsdatum van deze afgegeven vergunning.

2.6 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat aan eiseres niet langer het ontbreken van het mvv-vereiste wordt tegengeworpen. Uit het bestreden besluit blijkt dat eiseres op 15 december 2006 aan alle voorwaarden voldaan heeft door het overleggen van alle gevraagde stukken omtrent de financiële middelen van de echtgenoot van eiseres. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier blijkt dat de gevraagde financiële stukken reeds bij brief van 19 november 2006 zijn toegezonden en dat om die reden vanaf deze datum de verblijfsvergunning verstrekt had kunnen worden.

2.7 Eiseres voert aan dat de verblijfsvergunning verleend had dienen te worden met ingang van 9 juni 2006, de datum van de aanvraag. De bezwaarfase van deze procedure en de voorafgaande procedure hadden betrekking op het mvv-vereiste. Eiseres heeft aangevoerd dat niet eerder in de bezwaarfase is gesproken over de solvabiliteit van de hoofdpersoon en niet is gevraagd naar de financiële stukken. Verweerder heeft de grondslag van het bezwaarschrift verlaten door te toetsen aan het middelenvereiste. Eiseres heeft bij de eerdere aanvraag in 2004 ook financiële stukken overgelegd, waardoor niet getwijfeld behoefde te worden aan de solvabiliteit van de hoofdpersoon.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het besluit in primo op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd eerst wordt getoetst of aan het mvv-vereiste wordt voldaan. Aangezien eiseres niet voldeed aan het mvv-vereiste was een toetsing aan het middelenvereiste niet aan de orde.

2.9 In de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2004 (200405661/1) heeft de Afdeling overwogen dat voor de betekenis van artikel 26, eerste lid, Vw de tekst van dat artikel als uitgangspunt dient te worden genomen.

2.10 Uit het dossier blijkt niet dat bij de aanvraag van 9 juni 2006 de financiële bescheiden zijn overgelegd welke noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Eiseres voert aan dat verweerder eerder melding had moeten maken van de ontbrekende stukken. Echter, op het door verweerder vastgestelde aanvraagformulier, model M35-A, wordt aangegeven welke stukken noodzakelijk zijn. Op pagina 8 behorende bij het formulier wordt vermeld dat bewijsstukken omtrent inkomen noodzakelijk zijn en bijgevoegd dienen te worden. Uit de bijlage ‘bewijsstukken inkomen’ behorend bij model M35-A, blijkt dat, als de partner zelfstandig ondernemer is, hij een door een erkend administrateur ingevulde en ondertekende verklaring en een uittreksel van de Kamer van Koophandel dient over te leggen. Verweerder heeft eiseres bij brief van 8 november 2006 laten weten welke stukken ontbraken en verzocht om de ontbrekende stukken. Bij brief van 19 november 2006 heeft eiseres aan dit verzoek voldaan.

2.11 De rechtbank is derhalve van oordeel dat uitgaande van artikel 26, eerste lid, Vw aan de voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning is voldaan op 19 november 2006.

2.12 Gezien het vooroverwogene luidt de conclusie van de rechtbank dat het voor eigen rekening en risico van eiseres komt dat zij eerst op 19 november 2006 de noodzakelijke financiële gegevens heeft overgelegd.

2.13 Er is geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de verblijfsvergunning had moeten verlenen met ingangdatum 9 juni 2006.

2.14 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.15 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, en op 9 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.