Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9330

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/21394
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mvv / gezondheidssituatie

In geschil is of verzoekster in aanmerking komt voor de vrijstelling van het vereiste om een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) aan te vragen op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich, op basis van het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), op het standpunt dat verzoekster kan reizen. In het advies van het BMA wordt aangegeven dat voor verzoekster reizen mogelijk wordt geacht als vlak voor vertrek een beoordeling plaats zal vinden. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder zich dient te richten naar de gezondheidssituatie van verzoekster zoals die ten tijde van het te nemen bestreden besluit was. Op grond van de conclusie van het BMA, dat verzoekster ten tijde van het bestreden besluit niet in staat was om te reizen, heeft verweerder niet kunnen concluderen dat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 17, eerste lid, onder c, Vw. Het bestreden besluit berust om die reden niet op een deugdelijke motivering.

Voorlopige voorziening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 07/21394

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2007

in de zaak van:

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1962,

verzoekster,

mede namens haar minderjarige kinderen:

[kind 1],

geboren op [geboortedatum] 1990,

[kind 2] ,

geboren op [geboortedatum] 1992,

[kind 3] ,

geboren [geboortedatum] 1997,

allen van Sri Lankaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekster heeft op 12 januari 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘medische behandeling’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 16 mei 2007 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 22 mei 2007 bezwaar gemaakt.

1.2 Verzoekster heeft op 22 mei 2007 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

1.3 De rechtbank heeft met inachtneming van artikel 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat behandeling ter zitting achterwege kan blijven en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hierbij komt ook aan de orde de vraag of het bestreden besluit al dan niet rechtmatig is.

2.2 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.3 Ingevolge artikel 17, eerste lid, onder c, Vw wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv indien het gelet op de gezondheidssituatie van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet in het bezit is van een geldige mvv. Blijkens het rapport van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 20 april 2007 is verzoekster niet in staat te reizen, maar wordt reizen wel mogelijk geacht indien vlak voor vertrek een beoordeling plaats zal vinden en zij dan in staat wordt geacht te reizen. Om die reden wordt niet voldaan aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw en wordt aan verzoekster het mvv-vereiste tegengeworpen. Voorts zijn geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3.71, vierde lid, Vb.

2.5 Verzoekster heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat het BMA heeft geconcludeerd dat verzoekster niet kan reizen en dat zij om die reden vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste. Dat in de toekomst bij daadwerkelijk vertrek wellicht zal blijken dat verzoekster wel kan reizen is thans onvoldoende grond voor afwijzing.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verweerder zich bij de beoordeling of verzoekster in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, te richten naar de gezondheidssituatie van verzoekster zoals die is ten tijde van het nemen van het besluit omtrent vrijstelling. Nu verzoekster volgens het BMA-advies ten tijde van het bestreden besluit niet in staat was te reizen, heeft verweerder niet kunnen concluderen dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17 eerste lid, aanhef en onder c, Vw en verzoekster niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op deze grond.

2.7 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en op basis van het het BMA-advies zoals dat thans is uitgebracht, zal het besluit niet in stand kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening zal dan ook worden toegewezen als hierna bepaald.

2.8 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

2.9 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder verzoekster uit te zetten totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 322,- te betalen aan verzoekster;

3.3 draagt de Staat der Nederlanden op € 143,- te betalen aan verzoekster als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en op 31 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.