Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9308

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/58947
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4 Definitierichtlijn / geen rechtstreekse werking

Eiseres heeft een beroep gedaan op artikel 4 van de Richtlijn van de Raad betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven van 29 april 2004, 2004/83/EG (de Definitierichtlijn). Verweerder meent dat dit beroep niet kan slagen nu het Nederlandse beleid inzake de toelating van asielzoekers (in hoofdlijnen) reeds voldoet aan de Definitierichtlijn. De rechtbank concludeert dat artikel 4 van de Definitierichtlijn niet voldoende nauwkeurig is om er rechtstreekse werking aan toe te kennen. De rechtbank heeft verschillende taalversies van de tekst van artikel 4, eerste lid, Definitierichtlijn naast elkaar gelegd en komt tot de conclusie dat deze onduidelijkheid scheppen en nadere uitwerking behoeven. Ook bevat de tekst van artikel 4, vijfde lid, Definitierichtlijn zoveel vage normen dat deze evenmin rechtstreeks toepasbaar zijn. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het Nederlands nationale recht uit te leggen conform bedoelde bepalingen. De rechtbank acht het de taak van de nationale wetgever om aan de in die bepalingen van de Definitierichtlijn vervatte minimumnormen nadere invulling te geven. Vervolgens toetst de rechtbank aan het nationale recht en concludeert dat verweerder artikel 31, tweede lid, onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) heeft kunnen betrekken bij de beoordeling en in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06/58947

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 juli 2007

in de zaak van:

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1980, van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in een Opvanglocatie,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Zaandam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 28 november 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 2 december 2006 afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit op 3 december 2006 beroep ingesteld.

1.2 Eiseres heeft op 3 december 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij uitspraak van 19 december 2006 (AWB 06/58950) door de voorlopige voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats toegewezen.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) genoemde gronden.

2.3 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.4 Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Eiseres is na het overlijden van haar ouders, rond haar tiende levensjaar, samen met haar broers en zus meegenomen door een vriendin van haar ouders, genaamd [vriendin]. [vriendin] heeft eiseres laten werken in haar restaurant. De broers en zus zijn op een gegeven moment elders naar toe gebracht. Eiseres werd door [vriendin] mishandeld en heeft hier verschillende littekens aan over gehouden. Ze had geen vrijheid en kwam niet buiten. Ze is op een gegeven moment in contact gekomen met een man, [naam]. Deze man had medelijden met eiseres en heeft haar geholpen om naar Nederland te gaan.

2.5 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig acht nu daar geen positieve overtuigingskracht van uitgaat. Bij zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft verweerder betrokken dat eiseres toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van haar identiteit en nationaliteit. Verweerder is van mening dat het beroep van eiseres op de Richtlijn van de Raad betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven van 29 april 2004, 2004/83/EG (de Definitierichtlijn) niet kan slagen nu het Nederlandse beleid inzake de toelating van asielzoekers (in hoofdlijnen) reeds voldoet aan de Definitierichtlijn.

2.6 Eiseres heeft hier, verkort weergegeven, het volgende tegen ingebracht.

Ingevolge artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) was verweerder gehouden om bij de voorbereiding van het bestreden besluit relevante informatie te vergaren. Gelet ook op de extreme leefomstandigheden van eiseres komt hierbij betekenis toe aan het bepaalde in artikel 4 Definitierichtlijn en dan met name de samenwerkingsverplichting die daarin is opgenomen. Aan die verplichting heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet voldaan.

Het asielrelaas is wel geloofwaardig en bij de beoordeling daarvan heeft verweerder ten onrechte betrokken dat eiseres geen documenten heeft overgelegd ter staving van haar identiteit en nationaliteit. Gezien haar leefomstandigheden en gebrek aan opleiding kan eiseres niet worden toegerekend dat zij nimmer die documenten heeft aangevraagd, waarbij niet zonder betekenis is dat er in Nigeria geen identificatieplicht bestaat. Haar vertrek uit Nigeria kon eiseres niet voorzien en is door een derde geregeld, zodat niet van haar verwacht kan worden dat zij een paspoort had aangevraagd voordat zij haar land van herkomst verliet. De kosten voor het aanvragen van een dergelijk document had eiseres ook niet kunnen dragen.

Eiseres heeft gesteld in aanmerking te komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, dan wel c, Vw. Ook heeft zij zich beroepen op artikel 4 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 De rechtbank zal allereerst beoordelen of eiseres zich kan beroepen op de door haar ingeroepen bepalingen van artikel 4 van de Definitierichtlijn.

2.8 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover een lidstaat op bepalingen van een richtlijn beroepen in alle gevallen wanneer de lidstaat hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan en die bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.

2.9 De rechtbank stelt vast dat er ten tijde van het bestreden besluit nog geen aanpassingen van de Vw en/of het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) hebben plaatsgevonden ter implementatie van de Definitierichtlijn, terwijl de implementatietermijn van die richtlijn reeds op 10 oktober 2006 is verstreken. Verweerder heeft derhalve verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten.

2.10 Artikel 4 van de Definitierichtlijn luidt - voor zover ingeroepen - als volgt.

1.(.....) De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere asielverzoeken, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.

(…)

5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, of er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en

e) vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat voormelde bepalingen van artikel 4 Definitierichtlijn weliswaar onvoorwaardelijk zijn, maar niet voldoende nauwkeurig om er rechtstreekse werking aan toe te kennen. Voor dat oordeel is het volgende redengevend.

2.12 De bepalingen uit de richtlijn zijn bedoeld als minimumnormen. De ingeroepen bepalingen van artikel 4 Definitierichtlijn bevatten (procedurele) normen ten aanzien van het verstrekken door de vreemdeling en het vergaren door de lidstaat van gegevens die de asielaanvraag staven, alsmede de beoordeling van die gegevens.

2.13 Onvoldoende duidelijk is waartoe het bepaalde in de tweede volzin van artikel 4, eerste lid, Definitierichtlijn de lidstaat en de vreemdeling verplichten. Daarbij wijst de rechtbank in de eerste plaats op het verschil in bewoordingen tussen de verschillende Europese taalversies van deze volzin.

2.14 In de Engelse versie van de Definitierichtlijn staat: “In co-operation with the applicant it is the duty of the Member State to assess the relevant elements of the application”.

In de Franse tekst staat: “il appartient á l’État membre d’évaluer, en coopération avec le demandeur, les éléments pertinents de la demande”.

In de Duitse tekst wordt vermeld: “Es ist Pflicht des Mitgliedstaats, unter Mitwirkung des Antragstellers die für den Antrag Maßgeblichen Anhaltspunkte zu prüfen”.

In de Spaanse tekst staat: “Los Estados miembros tendrán el deber de valorar, con la cooperación del solicitante, los elementos pertinentes de la solicitud”.

2.15 Ofschoon uit alle voormelde taalversies spreekt dat de lidstaat verplicht is om de relevante elementen van de asielaanvraag te beoordelen, is onduidelijk of dat dient te gebeuren in samenwerking met de verzoeker of dat de verzoeker gehouden is daaraan zijn medewerking te verlenen. Zowel de Franse, Spaanse als de Duitse tekst wijzen in de richting van de laatste interpretatie, terwijl zowel de Nederlandse als Engelse tekst meer in de richting van de eerste interpretatie wijzen. Daar komt bij dat uit geen van de vermelde taalversies voldoende duidelijk naar voren komt waartoe de samenwerking bij de beoordeling van de relevante elementen dan wel de verplichting tot medewerking daaraan de lidstaat dan wel de verzoeker precies verplicht. Naar het oordeel van de rechtbank, behoeft artikel 4, eerste lid, tweede volzin, Definitierichtlijn nadere uitwerking alvorens die bepaling rechtstreeks toepasbaar is.

2.16 Artikel 4, vijfde lid, Definitierichtlijn bevat bepalingen die zien op de bewijslastverdeling tussen lidstaat en verzoeker. Ten aanzien van dit artikellid merkt de rechtbank allereerst op dat de Nederlandse vertaling zodanig afwijkt van de vertalingen in alle andere hierboven genoemde talen, dat de rechtbank bij de bespreking uit gaat van de overige taalversies. Vertaald naar het Nederlands wordt in de aanhef van artikel 4, vijfde lid, Definitierichtlijn bepaald dat wanneer de lidstaten het beginsel toepassen volgens welke het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven en de vreemdeling niet alle aspecten van zijn verklaringen met documenten of ander bewijs kan staven er dan onder bepaalde voorwaarden geen verdere bevestiging van die aspecten nodig is. De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 4, vijfde lid, a tot en met e, Definitierichtlijn genoemde voorwaarden onvoldoende nauwkeurig zijn om aan het bepaalde in dit artikellid van de Definitierichtlijn rechtstreekse werking toe te kennen. De in de voorwaarden gebezigde termen als ‘oprechte inspanning’, ‘bevredigende verklaring’, ‘zo spoedig mogelijk’ en ‘in grote lijnen’ zijn onvoldoende concreet en behoeven nadere uitwerking alvorens het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, Definitierichtlijn rechtstreeks toepasbaar is.

2.17 Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de ingeroepen bepalingen van artikel 4 Definitierichtlijn nadere uitwerking behoeven alvorens de in die bepalingen vervatte normen rechtstreeks toepasbaar zijn, ziet de rechtbank evenmin mogelijkheid om het Nederlands nationale recht uit te leggen conform bedoelde bepalingen. De rechtbank acht het de taak van de nationale wetgever om aan de in die bepalingen van de Definitierichtlijn vervatte minimumnormen nadere invulling te geven.

2.18 Vervolgens zal de rechtbank bezien of het bestreden besluit, beoordeeld naar nationaal recht, stand kan houden.

2.19 In het licht van de ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw op de vreemdeling rustende verplichting om aannemelijk te maken dat zijn of haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond vormen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

2.20 Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw tegengeworpen.

2.21 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.22 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan haar is toe te rekenen dat zij bij haar aanvraag geen documenten heeft overgelegd ter staving van haar identiteit en nationaliteit. Daarbij is van belang dat niet gesteld is en uit het relaas van eiseres ook niet blijkt dat zij zich ten tijde van haar vertrek in een acute vluchtsituatie bevond. Gelet op haar leeftijd ten tijde van haar vertrek, 26 jaar, mocht van eiseres worden verwacht dat zij, alvorens te vluchten, het belang van het aanvragen en meenemen van documenten ter staving van haar identiteit en nationaliteit in zou zien. Dat eiseres dergelijke documenten in haar land van herkomst niet nodig had maakt dat niet anders. De stellingen van eiseres dat haar reis door een derde is geregeld en dat zij het aanvragen van documenten niet kon betalen, kunnen, gelet op de op de vreemdeling rustende verantwoordelijkheid zijn of haar aanvraag met zoveel mogelijk documenten te staven, niet leiden tot een ander oordeel. Verweerder heeft derhalve de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw bij het onderzoek naar de aanvraag van eiseres kunnen betrekken.

2.23 Indien sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw mogen op grond van C1/3.2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan - om nog geloofwaardig geacht te worden - een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.24 Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van het asielrelaas van eiseres geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Voor dat oordeel is redengevend dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiseres vage en summiere verklaringen heeft afgelegd omtrent de dood van haar ouders en haar leefomgeving en dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent haar werk op de markt en of zij nu wel of niet in het bezit was van een sleutel van het restaurant waarin zij zou hebben gewerkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder bij de beoordeling van de verklaringen van eiseres haar gestelde achtergrond en leefomstandigheden in ogenschouw heeft genomen. Die omstandigheden heeft verweerder een onvoldoende verklaring voor de genoemde vage, summiere dan wel tegenstrijdigheden geachte verklaringen kunnen vinden. Dat eiseres in de correcties en aanvullingen op het gelijktijdig met het voornemen toegezonden rapport van het nader gehoor haar verklaringen op sommige onderdelen enigszins heeft bijgesteld leidt niet tot een ander oordeel.

2.25 Uit het voorgaande volgt dat verweerder het asielrelaas met toepassing van de in Vc C1/3.2.3 neergelegde maatstaf ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Derhalve heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b dan wel c, Vw.

2.26 Nu verweerder het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig heeft kunnen achten, kan ook het beroep van eiseres op artikel 4 EVRM, op grond van welke bepaling niemand in slavernij of in dienstbaarheid mag worden gehouden, niet slagen.

2.27 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.28 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, en mrs. M.C.C. van de Schepop en O.L.H.W.I. Korte, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart als griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.