Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9291

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/971
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Individueel ambtsbericht Syrië / ondoorzichtigheid veiligheidsdiensten

Eiser is een Koerd uit Syrië en heeft verklaard in Syrië opgepakt geweest te zijn vanwege contacten met een lid van de Koerdische Democratische Eenheidspartij (Yeketi partij), de dorpsleraar, en vanwege andere activiteiten voor deze partij. In het bestreden besluit wordt aangegeven dat het asielrelaas niet aannemelijk wordt bevonden nu uit het individuele ambtsbericht blijkt dat niet kan worden bevestigd dat eiser wordt gezocht in Syrië en evenmin dat de dorpsleraar is opgepakt of wordt gezocht. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat op grond van de conclusies van het individuele ambtsbericht niet gezegd kan worden dat hij niet wordt gezocht. Verder meent eiser dat de conclusies van het individuele ambtsbericht onvoldoende duidelijk zijn, omdat er een uitgebreid netwerk van veiligheidsdiensten bestaat en verwijst naar het algemene ambtsbericht van augustus 2006 betreffende Syrië, waarin wordt vermeld dat de onderlinge verhoudingen tussen de deels overlappende en controlerende veiligheidsdiensten veelal ondoorzichtig zijn. De rechtbank heeft de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht opgevraagd en deze, met toestemming van partijen, betrokken bij de beoordeling. Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder erkend dat bij dergelijke onderzoeken wordt aangesloten bij opsporingslijsten en gemachtigde van verweerder geeft toe dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat eiser niet wordt gezocht, maar dat deze informatie gezien moet worden als een sterke aanwijzing. Gezien deze nuancering van de zijde van verweerder is de rechtbank van oordeel dat het individuele ambtsbericht op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is. Temeer daar op basis van de conclusie dat eiser en de dorpsleraar niet werden gezocht, verder onderzoek door het ministerie van Buitenlandse zaken achterwege is gelaten. Het had op de weg van verweerder gelegen om bij onzekerheid over de stelling dat eiser niet wordt gezocht, antwoord op de overige vragen aan het ministerie van Buitenlandse zaken voorgelegde vragen te verkrijgen. Verweerder heeft verder het standpunt ingenomen dat eiser over onvoldoende kennis van de Yeketi partij beschikt. Eiser heeft dit getracht te weerleggen door brieven van de Europese afdeling van de partij zelf te overleggen ter onderbouwing van zijn betrokkenheid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze brieven niet afkomstig zijn uit objectieve bron. De rechtbank overweegt dat nu deze brieven (onbetwist) afkomstig zijn van de partij zelf niet valt in te zien waarom de Europese Afdeling van de Yeketi partij en de zich in Europa bevindende vertegenwoordigers, welke namens de partij spreken, niet als objectieve bron beschouwd kunnen worden.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06/971

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 mei 2007

in de zaak van:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1978, van Syrische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. J.A. Younge, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. de Jongh, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 23 juni 2000 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning als vluchteling c.q. wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 26 juni 2000 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 6 juli 2000 gegrond verklaard door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats.

1.2 Op 6 maart 2002 is door de Minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht (kenmerk DPV/AM-743) uitgebracht (hierna te noemen: het individuele ambtsbericht). Eiser heeft bij brief van 25 april 2002 gereageerd op dit individuele ambtsbericht.

1.3 Vervolgens heeft verweerder de aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en opnieuw afgewezen bij besluit van 2 juli 2002. Eiser heeft tegen het besluit op 29 juli 2002 beroep ingesteld.

1.4 Bij uitspraak van 19 mei 2005 heeft de rechtbank te ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, het beroep gegrond verklaard. Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 december 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 19 mei 2005 vernietigd. De zaak is terugverwezen naar de rechtbank.

1.5 De rechtbank heeft het beroep opnieuw ter zitting behandeld op 28 maart 2006, waarna de zaak is geschorst. De rechtbank heeft aanleiding gezien de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht op te vragen. Bij brief van 13 april 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de onderliggende stukken aan deze rechtbank toegezonden en aangegeven dat er gewichtige redenen zijn die rechtvaardigen dat kennisname van bepaalde gedeelten in de onderliggende stukken tot de rechtbank beperkt dient te blijven.

1.6 Bij uitspraak van 28 september 2006 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats, in een andere samenstelling, bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank conform artikel 8:29, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak doet.

1.7 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.3 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.4 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is Koerdisch en afkomstig uit Syrië. Eiser is in contact gekomen met een lid van de Koerdische Democratische Eenheidspartij (Yeketi partij). Dit lid, genaamd [dorpsleraar], is een dorpsleraar en is door de Syrische autoriteiten opgepakt vanwege zijn activiteiten voor de Yeketi partij. Een week na de arrestatie van deze dorpsleraar is eiser opgepakt en vastgehouden, waarbij hij is gemarteld. Hij werd na twee weken onder voorwaarden vrijgelaten. Op 21 maart 2000 heeft eiser als ordedienstmedewerker gefungeerd op een Nawruz feest in het dorp [dorpsnaam]. Daarmee heeft hij opnieuw de aandacht van de autoriteiten op zich gevestigd. Toen de autoriteiten twee dagen later bij hem aan huis kwamen, eiser was niet thuis, is hij naar Damascus vertrokken en heeft hij vervolgens het land verlaten.

2.5 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit- voor zover van belang en samengevat- op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op één van de gronden als genoemd in artikel 29 Vw. Daarbij heeft verweerder mede betrokken dat eiser toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en reisroute. Eiser heeft zijn asielrelaas niet aannemelijk gemaakt. Hierbij zijn tevens de conclusies uit het individuele ambtsbericht betrokken.

2.6 Eiser heeft zich –samengevat en voor zover relevant- op het standpunt gesteld dat de conclusies uit het individuele ambtsbericht niet deugdelijk zijn en niet gebaseerd zijn op de juiste gegevens. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de algemene mensenrechten- en veiligheidssituatie in Syrië.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarbij is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij zijn identiteitskaart in Libanon aan de reisagent heeft afgegeven. Verder heeft hij verklaard dat hij in de tijd dat hij onder was gedoken in Damascus nog bezoek heeft gehad van zijn achterneef. Verweerder heeft op goede gronden kunnen overwegen dat deze achterneef voor eiser documenten van huis had kunnen meenemen. Verweerder heeft deze omstandigheden in het nadeel van eiser bij het onderzoek van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over het asielrelaas kunnen betrekken.

2.9 Indien sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.10 In het bestreden besluit wordt aangegeven dat het asielrelaas niet aannemelijk wordt bevonden nu uit het individuele ambtsbericht blijkt dat niet kan worden bevestigd dat eiser wordt gezocht in Syrië en evenmin dat Mohammad Shegmous is opgepakt of wordt gezocht.

2.11 Eiser heeft hiertegen ingebracht dat niet gezegd kan worden dat hij niet wordt gezocht. Het is niet duidelijk waar deze conclusie op is gebaseerd. Zo is niet duidelijk of op landelijk niveau of op lokaal niveau is onderzocht en waaruit blijkt dat deze informatie door lokale veiligheidsbeambten prijs gegeven wordt. Eiser verwijst naar het algemene ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Syrië van augustus 2006 waarin op pagina 19 vermeld wordt dat er een uitgebreid netwerk van veiligheidsdiensten bestaat in Syrië. Verder wordt vermeld dat “De in 1963 afgekondigde Wet op de Noodtoestand biedt de veiligheidsdiensten een basis om buiten enige justitiële of parlementaire controle om te kunnen opereren. De onderlinge verhoudingen tussen de deels overlappende en controlerende veiligheidsdiensten zijn veelal ondoorzichtig. Geen van de veiligheidsdiensten heeft volledige toegang tot informatie over andere veiligheidsdiensten of over de identiteit van medewerkers van andere veiligheidsdiensten. De veiligheidsdiensten opereren onafhankelijk van elkaar en zijn vrijwel geheel onafhankelijk van ministers, zodat deze laatsten geen werkelijke invloed op hen kunnen uitoefenen”.

2.12 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, zoals in het individuele ambtsbericht wordt verwoord, uit onderzoek is gebleken dat eiser niet wordt gezocht door de Syrische autoriteiten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat in het algemeen bij een dergelijk onderzoek aansluiting wordt gezocht bij opsporingslijsten. Op het argument van eiser, dat er te veel verschillende veiligheidsdiensten zijn om tot een dergelijke conclusie te kunnen komen, geeft verweerder aan dat inderdaad niet met zekerheid kan worden gezegd dat eiser niet wordt gezocht, maar dat dit gezien moet worden als een sterke aanwijzing. De rechtbank concludeert hieruit dat, in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit als vaststaand gegeven wordt aangenomen, verweerder thans overweegt dat de conclusies uit het individuele ambtsbericht geen vast gegeven zijn.

2.13 Gezien deze nuancering van de zijde van verweerder is de rechtbank van oordeel dat het individuele ambtsbericht op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is. Te meer nu op basis van de conclusie dat eiser en [dorpsleraar] niet worden gezocht verder onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken achterwege is gelaten. Het had op de weg van verweerder gelegen om bij onzekerheid over de stelling dat eiser niet wordt gezocht, antwoord op de overige aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken gestelde vragen te krijgen.

2.14 Verder overweegt de rechtbank dat in het individuele ambtsbericht wordt vermeld dat “het niet voor de hand ligt dat iemand die niet bekend staat als prominent Yeketilid in

de problemen zou raken en vervolgd wordt door de Syrische autoriteiten, omdat hij toevallig op een Nawruz feest aanwezig was”. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier terecht tegen in heeft gebracht dat deze aanwezigheid niet toevallig was, maar dat eiser, zoals hij heeft verklaard op pagina 3, 9 en 10 van zijn nader gehoor van 24 juni 2000, door een lid van de Yeketi partij is gevraagd om een functie te vervullen op het genoemde feest.

2.15 De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde conclusies uit het individuele ambtsbericht derhalve feitelijke grondslag missen.

2.16 Verweerder heeft in het bestreden besluit verder overwogen dat het asielrelaas eveneens ongeloofwaardig wordt bevonden omdat eiser niet over voldoende kennis beschikt van de Yeketi partij. Voor wat betreft de brieven die zijn overgelegd afkomstig van de heer [naam], vertegenwoordiger van de Yeketi partij te Denemarken overweegt verweerder dat deze niet zijn te beschouwen als zijnde afkomstig uit een objectieve bron en dat aan deze stukken geen waarde kan worden gehecht. Verweerder overweegt hetzelfde voor de op 18 januari 2005 in beroep overgelegde brief van de Yeketi partij waarin de betrokkenheid van eiser bij de partij wordt bevestigd.

2.17 De rechtbank overweegt dat deze brief is aan te merken als een onderbouwing van een reeds eerder ingenomen standpunt en derhalve bij de beoordeling kan worden betrokken, hetgeen overigens ook niet in geschil is.

2.18 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet de bovengenoemde brieven buiten beschouwing heeft kunnen laten om reden dat deze stukken niet afkomstig zijn uit een objectieve verifieerbare bron. De rechtbank overweegt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarop deze conclusie is gebaseerd. Redengevend hiervoor is dat de brieven (onbetwist) afkomstig zijn van de partij zelf en dat niet valt in te zien waarom de Europese Afdeling van de Yeketi partij en de zich in Europa bevindende vertegenwoordigers, welke namens de partij spreken, niet als objectief beschouwd kunnen worden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan niet aannemelijk is dat de vertegenwoordigers van de Yeketi partij in Europa niet zouden weten wat er in Syrië gebeurt en waarom verklaringen, zoals van eiser, niet zouden worden geverifieerd door deze vertegenwoordigers.

2.19 De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen stellen dat het gehele asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

2.20 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 Awb.

2.21 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.22 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem,

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, en op 21 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.