Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8768

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
28-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/27288
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening / ongewenstverklaring / procesbelang / artikel 1 (F) Vluchtelingenverdrag / artikel 3 en 8 EVRM

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/27288

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2007

inzake

[Verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1950,

nationaliteit Afghaanse,

verblijvende te Zoetermeer,

verzoeker,

gemachtigde mr. A.C.J. Letmaath,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M. van der Lubbe.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft verweerder verzoekers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) ingetrokken en daarbij verzoeker tevens ongewenst verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker, voor wat betreft de ongewenstverklaring, bezwaar gemaakt.

Op 26 februari 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank, wegens het aan het besluit tot ongewenstverklaring onthouden van schorsende werking, verzocht om hangende de beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 2 oktober 2007, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoeker belang heeft bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat verzoeker hierbij geen belang heeft, nu de ongewenstverklaring voortduurt en verzoeker geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang de ongewenstverklaring niet is ingetrokken, vernietigd of is opgeheven. Nu de verzochte voorlopige voorziening er niet toe kan leiden dat het besluit tot ongewenstverklaring wordt ingetrokken of vernietigd, dan wel dat de ongewenstverklaring wordt opgeheven, dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen, aldus verweerder.

3. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel procesbelang heeft, nu het besluit tot ongewenstverklaring geen schorsende werking heeft. Zijn verzoek strekt ertoe te bepalen dat verzoeker de beslissing op het bezwaarschrift in Nederland mag afwachten en verweerder wordt verboden verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist, dan wel te bepalen dat het besluit tot ongewenstverklaring wordt geschorst tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist en meer subsidiair te bepalen dat het besluit tot ongewenstverklaring wordt geschorst tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist, doch uitsluitend wat betreft de strafrechtelijke gevolgen van dat besluit.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2007 op grond van het bepaalde in artikel 6:16 van de Awb geen schorsende werking heeft, zodat verzoeker op grond van het bestreden besluit uit Nederland kan worden verwijderd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu verzoeker een beroep heeft gedaan op de artikelen 3 en 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), verzoeker procesbelang heeft bij beoordeling van zijn verzoek dat hij niet uit Nederland mag worden verwijderd tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Het verzoek kan derhalve worden ontvangen.

5. Verweerder heeft blijkens het thans bestreden besluit, waarin het voornemen van 7 juli 2006 als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, aan de ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, artikel 1(F) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (hierna: het Verdrag) ten grondslag gelegd. Verweerder heeft voorts geen aanleiding gezien gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, zoals genoemd in artikel 4:84 van de Awb. Uit het voornemen van 7 juli 2006 blijkt dat daarin tevens de overwegingen uit het eerdere voornemen van 28 oktober 2003 en het vernietigde besluit van 28 april 2004 opnieuw zijn betrokken. Bij uitspraak van deze rechtbank d.d. 20 april 2005 is het besluit van 28 april 2004 vernietigd omdat verweerder geen onderzoek had verricht naar het risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer van verzoeker naar Afghanistan. Verweerder heeft hieraan uitvoering gegeven en verzoeker in verband hiermee gehoord op 7 juni 2006. Verweerder meent dat verzoeker geen geslaagd beroep kan doen op de artikelen 3 en 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Derhalve bestaan er geen beletselen verzoeker uit Nederland te verwijderen.

6. Verzoeker kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte ongewenst is verklaard, omdat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Voorts meent verzoeker dat hij op grond van artikel 3 van het EVRM niet terug kan keren naar Afghanistan en dat hij in staat gesteld moet worden om in Nederland, op grond van artikel 8 van het EVRM, met zijn alhier verblijvende echtgenote en kinderen, zijn gezinsleven uit te oefenen.

7. Nu de aard van het verzoek er toe strekt te bepalen dat verzoeker niet uit Nederland mag worden verwijderd, dient te worden beoordeeld of het bezwaar met betrekking tot de artikelen 3 en 8 van het EVRM een redelijke kans van slagen heeft. Nu de aard en inhoud van de hiertegen aangevoerde grieven onlosmakelijk verbonden zijn met de conclusie van verweerder dat artikel 1(F) van het Verdrag op verzoeker van toepassing is, en het daaraan verbonden gevolg dat hij ongewenst wordt verklaard, zal de voorzieningenrechter dit bij haar voorlopig oordeel betrekken.

Met betrekking tot de ongewenstverklaring

8. Het wettelijk kader is als volgt.

9. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

10. Verweerders beleid ter zake is opgenomen in paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Dit beleid houdt in – voor zover thans van belang – dat een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst kan worden verklaard, bijvoorbeeld de vreemdeling van wie het verblijf is beëindigd op grond van artikel 1(F) van het Verdrag. Hierbij is bepaald dat bij de toepassing van artikel 67 van de Vw 2000 de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

11. In artikel 1(F) van het Verdrag is bepaald dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten, welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

12. Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 acht verweerder het zijn taak om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Verdrag valt. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag, past verweerder de "personal and knowing participation test" toe. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf of de betreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is, kan betrokkene artikel 1(F) van het Verdrag worden tegengeworpen.

13. Verweerder heeft zijn conclusie dat artikel 1(F) van het verdrag op verzoeker van toepassing is, gebaseerd op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van 29 februari 2000 (kenmerk DPC/AM-663896) (hierna: het ambtsbericht). Hieruit blijkt dat het ondenkbaar was dat iemand die werkzaam was bij de Afghaanse veiligheidsdienst ten tijde van het communistische bewind, ongeacht het niveau waarop hij werkzaam was, niet op de hoogte was van de grove schendingen van de mensenrechten die plaatsvonden en dat vanaf de rang van onderofficier iedereen actief heeft deelgenomen aan de mensenrechtenschendingen. Verweerder heeft zich bij zijn besluit tevens gebaseerd op een naar aanleiding van het ambtsbericht geschreven brief van 3 april 2000 van de toenmalige staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer (TK 19 637, nr. 520). Deze heeft naar aanleiding van genoemd ambtsbericht geconcludeerd dat aan een onderofficier of officier van de KhaD/WAD die asiel aanvraagt in Nederland voortaan in de regel 1(F) van het Verdrag zal worden tegengeworpen.

14. De stelling van verzoeker dat Nederland een dergelijk beleid waarbij aan alle (onder)officieren van de KhaD/WAD artikel 1(F) van het Verdrag wordt tegengeworpen niet hoeft te voeren leidt niet tot een ander oordeel, nu verweerder hiervoor de wettelijke bevoegdheid heeft. De stelling van verzoeker dat Duitsland een dergelijk beleid niet voert kan niet tot het door verzoeker gewenste resultaat leiden.

15. De voorzieningenrechter ziet zich derhalve thans gesteld voor de vraag of verweerder terecht op grond van de “personal and knowing participation” verzoeker artikel 1(F) van het Verdrag heeft tegengeworpen.

16. Van 'knowing participation' is onder meer sprake indien betrokkene werkzaam was voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan dat op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag heeft gepleegd in de periode dat betrokkene daar werkzaam was.

17. Onder 'personal participation' wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van het misdrijf, maar ook het door betrokkene direct faciliteren hiervan, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate tot het misdrijf heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf te voorkomen.

18. Verzoeker heeft verklaard dat hij van 1985 tot 1992 werkzaam is geweest bij het Ministerie van staatsveiligheid, sectie [...] van het directoraat [...] in het [...]-complex. Volgens verzoeker vielen de salarissen, de boekhouding en de bestellingen van de secties van het Directoraat [...] onder zijn verantwoordelijkheid en hij had ook de verantwoordelijkheid voor de financiën van de andere afdelingen. Verzoeker heeft verder verklaard dat hij een normale kantoorbaan had en dat hij nimmer activiteiten voor de Khad heeft verricht die tegenstrijdig waren met de Rechten van de Mens. Verzoeker heeft bij het nader gehoor op 21 augustus 1997 verklaard dat hij in deze functie tweemaal is bevorderd in rang, namelijk in 1988 tot luitenant-kolonel en op 19 augustus 1991 tot kolonel bij het Ministerie van Staatsveiligheid. Verder heeft verzoeker tijdens dit verhoor verklaard dat hij na de machtsovername door Mujahedin in maart 1992 zijn werkzaamheden als hoofd van de afdeling Financiën van de directie [...] heeft voortgezet. In augustus 1992 is verzoeker gestopt met zijn werkzaamheden toen hij vernam dat een arrestatie op handen was.

19. Volgens verweerder zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat verzoeker zich in Afghanistan, als officier bij de voormalige Afghaanse veiligheidsdienst KhADimat-e Atal’at-e Dowlati (hierna KhAD) en Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (hierna WAD), schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag. Uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 blijkt van het meedogenloze karakter van KhAD/WAD en het grootschalige karakter van de door deze dienst gepleegde mensenrechtenschendingen. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat alle (onder)officieren van de KhaD/WAD actief hebben deelgenomen aan mensenrechtenschendingen, te weten onder meer marteling en buitengerechtelijke executies. Gelet op de verklaringen van verzoeker omtrent de periode waarin hij werkzaamheden heeft verricht voor de KhaD/WAD en de rang die verzoeker, na promoties, vervulde, dient volgens verweerder uit de gegevens uit het ambtsbericht te worden geconcludeerd dat verzoeker behoort tot de daarin beschreven categorie van officieren van de KhaD/WAD, hetgeen impliceert dat verzoeker op concrete wijze betrokken is geweest bij, en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor, de door de KhaD/WAD begane schendingen van de mensenrechten. De enkele stelling van verzoeker dat hij van deze misdrijven geen weet heeft gehad en zijn ontkenning dat hij persoonlijk heeft deelgenomen aan de misdrijven, acht verweerder dan ook niet geloofwaardig.

20. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker heeft erkend dat hij bij de KhaD/WAD de rang van (onder)officier heeft vervuld, nu hij bij deze organisatie werkzaam is geweest als luitenant-kolonel en als kolonel. Gelet hierop heeft verweerder zich op grond van het ambtsbericht terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker op concrete wijze betrokken is geweest bij, en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor de, door de KhaD/WAD, begane schendingen van de mensenrechten.

21. De stelling van verzoeker dat de conclusies van het ambtsbericht van 29 februari 2000 niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de ongewenstverklaring kunnen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dienen ambtsberichten aangemerkt te worden als deskundigenberichten, waarbij dient te worden uitgegaan van de juistheid en de volledigheid daarvan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om daaraan te twijfelen. Meer in het bijzonder met betrekking tot het ambtsbericht van 29 februari 2000 heeft de Afdeling in haar uitspraken van 30 november 2004 (JV 2005,49) en laatstelijk nog in de uitspraak van 31 maart 2006 (LJN: AW1755, 200509861/1) geoordeeld dat de onderliggende stukken de inhoud van het ambtsbericht van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten in Afghanistan kunnen dragen.

22. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het ambtsbericht van 29 februari 2000 onjuist is, een drietal stukken overgelegd, te weten: een brief van Amnesty International d.d. 9 maart 2004, een rapport van 6 maart 2006 voor het Crisis States Research Centre van dr. Giustozzi en een brief d.d. 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer in Nederland.

23. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met deze informatie onvoldoende heeft geconcretiseerd dat sprake is van aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000. Met betrekking tot de brief van Amnesty International d.d. 9 maart 2004 en het voornoemde rapport van dr. Giustozzi heeft de Afdeling reeds in voormelde uitspraken van 30 november 2004 en 31 maart 2006 bepaald dat deze stukken geen concrete aanknopingspunten vormen voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd met betrekking tot de inhoud van de brief van de voorzitter van het Afghaanse parlement medegedeeld van mening te zijn dat ook hierin niet een dergelijk aanknopingspunt is gelegen. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt. In deze brief wordt verklaard dat de “low ranking Afghan former military officers” niet betrokken zijn geweest bij mensenrechtenschendingen. Voorts staat hierin vermeld dat het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken inaccurate informatie heeft ontvangen afkomstig van Pakistaanse en Taliban bronnen. Nog daargelaten dat niet duidelijk is op welke bronnen deze conclusies steunen, kan van verzoeker niet gezegd worden dat hij heeft behoord tot de groep officieren waarop kennelijk in deze brief wordt gedoeld, gelet op de door verzoeker beklede hoge militaire positie. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder uitgaande van de juistheid en volledigheid van het betreffende ambtsbericht de inhoud daarvan aan het thans bestreden besluit ten grondslag kon leggen.

24. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd te onderbouwen dat hij, zoals hij stelt, een significante uitzondering is op de conclusie uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 dat alle (onder)officieren van de toenmalige KhaD/WAD verantwoordelijk zijn geweest voor ernstige mensenrechtenschendingen, op grond waarvan verweerder had dienen af te wijken van het beleid, zoals verwoord in voornoemde brief aan de Tweede Kamer van 3 april 2000.

25. Hiertoe heeft verzoeker ten eerste gesteld dat hij niet behoort tot de groep (onder)officieren zoals bedoeld in het ambtsbericht. Zo heeft hij zich nimmer schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Volgens verzoeker blijkt dit mede uit het feit dat hij in Afghanistan geen crimineel verleden heeft en nimmer veroordeeld is geweest. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker verklaringen overgelegd van Zalmei Aziz, de Afghaanse staatssecretaris van Politieke Zaken d.d. 18 september 2006 en van A.S. Walizada, Afghaanse consul generaal in Nederland d.d. 22 september 2006, die deze stelling bevestigen. Ook in Nederland wordt hij niet vervolgd voor de beweerde mensenrechtenschendingen. Verzoeker stelt uitsluitend administratieve werkzaamheden te hebben verricht. Volgens verzoeker heeft verweerder ten onrechte uit zijn promoties de conclusie getrokken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schendingen van de mensenrechten. Zijn promoties hebben uitsluitend op periodieke basis plaatsgevonden en niet naar aanleiding van verzoekers loyaliteit naar de KhaD/WAD. Verzoeker heeft ten tweede gesteld dat hij een significante uitzondering is, nu hij onder dwang werkzaamheden is gaan verrichten voor de KhaD/WAD. Gelet hierop zijn volgens verzoeker de conclusies uit het ambtsbericht niet op hem van toepassing.

26. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat hetgeen verzoeker in dit verband heeft aangevoerd geen significante uitzondering oplevert. Gelet op het ambtsbericht zijn immers alle (onder)officieren van de toenmalige KhaD/WAD verantwoordelijk geweest voor ernstige mensenrechtenschendingen. Verzoekers enkele stelling dat hij zich aan deze ernstige misdrijven niet schuldig heeft gemaakt, is hiervoor onvoldoende. Ook het gegeven dat verzoeker in Afghanistan en in Nederland niet strafrechtelijk wordt vervolgd noch is veroordeeld doet niet af aan het bovenstaande. Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 11 en 12 kan artikel 1(F) van het Verdrag aan een vreemdeling worden tegengeworpen indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan het schenden van mensenrechten. Dit is een ander criterium dan het strafrechtelijke criterium. De door verzoeker overgelegde verklaringen van de staatssecretaris Politieke Zaken en de Afghaanse consul geven evenmin reden om aan te nemen dat verzoeker een significante uitzondering vormt, nu uit de betreffende verklaringen enkel blijkt, in zeer algemene bewoordingen, dat er voor een crimineel verleden van verzoeker tijdens de uitoefening van zijn functie in Afghanistan geen enkel bewijs voorhanden is.

Tevens is in de stelling van verzoeker dat hij onder dwang werkzaamheden is gaan verrichten voor KhaD/WAD naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen uitzonderingsgrond gelegen. Immers, vaststaat dat verzoeker gedurende zeven jaren werkzaam is geweest voor de KhaD/WAD, gedurende welke periode hij tweemaal in rang is bevorderd. Blijkens verzoekers verklaring heeft hij zelfs na de machtsovername door Mujahedin in maart 1992 zijn werkzaamheden gedurende vijf maanden voortgezet, totdat hij vernam dat een arrestatie op handen was. Pas daarna is verzoeker gestopt met zijn werkzaamheden. Zelfs indien juist is dat verzoeker in aanvang onder dwang is gaan werken voor de KhaD/WAD, kan uit de lange duur en het verloop van verzoekers carrière als voormeld naar dezerzijds oordeel worden afgeleid dat verzoeker zich niet heeft willen onttrekken aan zijn werkzaamheden. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, had verweerder dan ook geen reden hoeven te zien om te concluderen dat verzoeker een uitzondering heeft gevormd op wat binnen de organisatie gebruikelijk was.

27. Gelet op het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel gekomen dat verweerders conclusie, dat ten aanzien van verzoeker sprake is geweest van “personal and knowing participation”, de rechterlijke toets kan doorstaan. Verweerder heeft dan ook terecht artikel 1(F) van het Verdrag aan verzoeker tegengeworpen en in redelijkheid op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 verzoeker ongewenst kunnen verklaren.

Met betrekking tot artikel 3 EVRM

28. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending als bedoeld in artikel 3 EVRM. Onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 februari 2006 (hierna: algemeen ambtsbericht van 10 februari 2006) stelt verzoeker dat hij als ex-communist een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM door de autoriteiten, maar vooral ook door de bevolking. Verzoekers broer is gedood op een moment dat ze verzoeker niet hebben kunnen traceren.

29. Ingevolge artikel 3 van het EVRM, artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (hierna: Anti-Folterverdrag) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat verzoeker bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

30. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de algehele situatie in Afghanistan niet zodanig is dat alle uit dat land afkomstige ex-communistische vreemdelingen dan wel vreemdelingen die met het communisme geassocieerd worden zonder meer een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. In het algemeen ambtsbericht van 10 februari 2006, dat hierbij van belang is, staat vermeld dat de positie van ex-communisten en personen die met het communisme worden geassocieerd nog niet geheel duidelijk is. Verder wordt in dit ambtsbericht vermeld dat, hoewel ex-communisten van de zijde van de overgangsregering niet te vrezen hebben, zij mogelijk toch een risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen als zij geen bescherming genieten van invloedrijke facties of stammen. De mate waarin zij risico lopen, hangt af van verschillende factoren, zoals de mate waarin zij met de communistische ideologie worden geïdentificeerd, de rang of positie die zij ten tijde van het communistische regime hebben bekleed en de banden die familieleden met communisten onderhielden. Het algemeen ambtsbericht van februari 2006 noemt verschillende groepen die mogelijk risico lopen bij terugkeer indien zij geen banden onderhouden met de huidige invloedrijke islamitische en politieke partijen of stammen, bijvoorbeeld personen die een hoge rang of positie hebben bekleed binnen de DVPA. Zij lopen alleen risico indien zij bij gewapende facties als ex-communist bekend staan. Voorts noemt voormeld ambtsbericht dat sommige leden van de KhaD/WAD mogelijk dit risico lopen van de zijde van de autoriteiten (met uitzondering van de regering) maar meer zelfs van de zijde van de bevolking (familie van slachtoffers) aangezien zij worden geïdentificeerd met de mensenrechtenschendingen gedurende het communistisch regime. Op grond hiervan kan niet de conclusie worden getrokken dat het enkele feit dat een uit Afghanistan afkomstige vreemdeling, die heeft gewerkt bij de Khad/WAD of lid is geweest van de DVPA risico loopt op een verboden behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

31. Het is dan ook aan verzoeker op grond van met name het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 30 oktober 1991, (RV 1991,19) om aannemelijk te maken dat als gevolg van concrete hem persoonlijk betreffende omstandigheden verwijdering een schending oplevert van artikel 3 EVRM. Verwijdering is slechts dan onrechtmatig indien moet worden aangenomen dat er substantial grounds zijn om te veronderstellen dat sprake is van een sprake is een real risk voor een behandeling die door artikel 3 EVRM wordt verboden. De enkele mogelijkheid dat verzoeker in een dergelijke situatie kan komen is in dit verband onvoldoende.

32. De voorzieningenrechter is tot het voorlopig oordeel gekomen dat, met inachtneming van de in het ambtsbericht genoemde risicofactoren, verzoekers beroep op artikel 3 EVRM niet kan slagen. Verzoeker heeft slechts in algemene bewoordingen verklaard over de eventuele problemen die hij, indien hij terugkeert, in Afghanistan vreest te zullen ondervinden van de zijde van de autoriteiten alsook van de bevolking, omdat hij werkzaam is geweest voor de KhaD/WAD en omdat hij lid is geweest van de DPVA. Met betrekking tot de werkzaamheden verricht voor de KhaD/WAD is verzoeker er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd om concrete feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan aannemelijk is dat juist hij risico loopt op een verboden behandeling. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn standpunt volstaan met te verwijzen naar het algemeen ambtsbericht van februari 2006. Eveneens is verzoeker er niet in geslaagd met betrekking tot zijn lidmaatschap van de DVPA dergelijke feiten en omstandigheden aan te dragen. Blijkens zijn verklaringen bij het aanvullend nader gehoor van 7 juni 2005 heeft verzoeker als lid van de DVPA zorg gedragen voor de lay-out van publicaties die aan het prikbord binnen de directoraat logistiek werden gehangen. Verzoeker heeft verklaard dat men nooit kan weten of de leveranciers en contractanten, die deze publicaties op het prikbord kunnen hebben zien hangen, mensen van Mujaheddin waren. Gelet hierop zal men bij verzoekers terugkeer zeggen dat hij op deze wijze zijn antipathie jegens hen heeft verklaard, aldus verzoeker. Deze, overigens speculatieve, verklaringen zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om aannemelijk te maken dat zijn positie binnen de DVPA zo belangrijk is zijn geweest dat hij thans bij terugkeer naar Afghanistan gevaar loopt te worden onderworpen aan een verboden behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

33. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter tot het voorlopig van oordeel gekomen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een verboden behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Het beroep van verzoeker op dit artikel faalt dan ook.

Met betrekking tot 8 EVRM

34. In artikel 8 van het EVRM is bepaald dat eenieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven (“family life”). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

35. In dit verband stelt de voorzieningenrechter allereerst vast dat niet in geschil is dat sprake is van gezinsleven tussen verzoeker en zijn echtgenote, [echtgenote], alsmede hun zes kinderen [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1982, [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1983, [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1984, [kind 4], geboren op [geboortedatum] 1986, [kind 5], geboren op [geboortedatum] 1988 en [kind 6], geboren op [geboortedatum] 1992.

Aangezien het bestreden besluit strekt tot ongewenstverklaring van verzoeker, waarmee hem de mogelijkheid van (zelfs) kort verblijf hier te lande en daarmee de mogelijkheid tot het uitoefenen van familie- of gezinsleven met zijn echtgenote en kinderen wordt ontnomen, is er sprake van inmenging in het recht op respect voor dit familie- of gezinsleven. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of die inmenging, gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM gerechtvaardigd is. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de Nederlandse Staat een “certain margin of appreciation” toekomt. Aan de hand van de ‘guiding principles’ uit het Boultif-arrest van het Europese hof voor de Rechten van de Mens van 2 augustus 2001, AB 2001,341 moet worden bezien of de inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van verzoeker proportioneel is in relatie tot de openbare orde. Daarbij moet in elk geval worden vastgesteld of sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

36. Op grond van jurisprudentie van het EHRM dient een op het betreffende geval toegespitste belangenafweging plaats aan de hand van een aantal richtlijnen plaats te vinden. Deze punten zien, in de belangenafweging, onder meer op:

- de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf;

- de duur van het verblijf in het land van uitzetting;

- de tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan;

- het gedrag van de vreemdeling in die periode;

- de nationaliteit van de betrokken gezinsleden;

- de gezinssituatie van de vreemdeling;

- andere factoren die uitdrukking geven aan de mate van effectiviteit van het huwelijk;

- de vraag of de echtgenote op de hoogte was van het strafbare feit op het moment dat het gezinsleven werd aangevangen;

- de aanwezigheid van kinderen, geboren tijdens het huwelijk, en hun leeftijd;

- de ernst van de moeilijkheden die zijn te verwachten voor de echtgenote in het land van herkomst.

Deze richtlijnen zijn ondergebracht in twee groepen: de richtlijnen die betrekking hebben op de vreemdeling en de aard en de ernst van de begane misdrijven, en de richtlijnen die betrekking hebben op zijn familieleden en de problemen die zij zullen ondervinden in het land van herkomst van de vreemdeling. Deze twee groepen worden tegen elkaar afgewogen: hoe zwaarder het misdrijf dat de vreemdeling heeft begaan, of hoe vaker hij een misdrijf heeft begaan, des te eerder tot het oordeel kan worden gekomen dat in de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en zijn gezin onvoldoende tegenwicht wordt gevonden voor het gevaar voor de openbare orde dat de vreemdeling vormt.

37. In het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat, met inachtneming van de ‘guiding principles’ uit het voormelde arrest inzake Boultif, na een belangenafweging in dit geval meer gewicht kan worden toegekend aan het algemeen belang dan aan het persoonlijk belang van verzoeker. Hierbij heeft verweerder zwaar laten wegen dat aan verzoeker artikel 1(F) van het Verdrag is tegengeworpen. De toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Verdrag leidt volgens verweerder tot het oordeel dat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde. De handelingen waarvoor verzoeker verantwoordelijk kan worden gehouden, zouden ook naar Nederlands recht zware misdrijven opleveren. Verweerder acht bovenstaande aantijging dusdanig ernstig dat het belang van de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker bij een ongestoord familie- of gezinsleven hier ten lande.

38. Ten aanzien van de ernst van de moeilijkheden die zijn te verwachten voor de echtgenote en de kinderen in het land van herkomst stelt verweerder dat niet op voorhand sprake is van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

Hierbij heeft verweerder enerzijds in aanmerking genomen de mate waarin verzoeker, zijn echtgenote en hun kinderen in de Nederlandse samenleving geworteld zijn en anderzijds hun banden met Afghanistan.

39. Met betrekking tot de banden met de Nederlandse samenleving heeft verweerder met het volgende rekening gehouden. Verzoeker verblijft sinds 1997 in Nederland en zijn echtgenote en hun kinderen sinds 1998. Twee van de kinderen, [kind 2] en [kind 4], hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit, terwijl de overige kinderen en de echtgenote hier ten lande verblijven op grond van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De kinderen werken dan wel studeren in Nederland. [kind1], [kind3], [kind 4] en [kind 2] voorzien in hun eigen levensonderhoud en wonen zelfstandig. Zij zijn evenals [kind 5] inmiddels meerderjarig. Voorts is gebleken dat [kind 2] is gehuwd en een kind heeft. [Kind 6], die als enige nog minderjarig is woont thuis bij verzoeker en zijn echtgenote.

40. Met betrekking tot hun banden met Afghanistan heeft verweerder het volgende in aanmerking genomen. Verzoeker, zijn echtgenote en hun zes kinderen zijn allen in Afghanistan geboren en getogen. Zij spreken de taal en zijn bekend met de Afghaanse samenleving. Zowel verzoeker als zijn echtgenote alsmede vier van zijn kinderen, [kind 6], [kind 5], [kind 1] en [kind 3], hebben de Afghaanse nationaliteit.

41. Verweerder heeft zich – samengevat - vervolgens op het standpunt gesteld dat zijn echtgenote en kinderen verzoeker kunnen volgen naar Afghanistan om aldaar hun familie- en gezinsleven uit te oefenen. Ten aanzien van Banafshah en Breshna, die inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben, stelt verweerder zich op het standpunt dat ook voor hen geen belemmeringen bestaan terug te keren naar Afghanistan indien zij hun gezinsleven met verzoeker willen voortzetten, nu zij, gelet op de duur van de periode die zij gezien hun leeftijd voor hun komst naar Nederland hebben doorgebracht in Afghanistan, geacht worden banden met Afghanistan te hebben. Dat aan verzoeker geen verblijf wordt toegestaan, betekent niet dat de Nederlandse overheid aan de echtgenote en de kinderen het recht ontzegt hier ten lande te verblijven. Indien de echtgenote en de kinderen besluiten verzoeker niet volgen naar Afghanistan, dan is dit hun eigen keuze, aldus verweerder. Hierbij wordt opgemerkt dat de kinderen, op [kind 6] na, meerderjarig zijn en zich ook zonder verzoeker in Nederland moeten kunnen handhaven. [kind 6] kan volgens verweerder eventueel, indien de echtgenote ervoor kiest om verzoeker te volgen naar Afghanistan, onder de hoede van de oudste kinderen in Nederland verblijven.

42. Verzoeker heeft naar aanleiding van verweerders standpunt aangaande de belangenafweging aangevoerd dat deze gelet op de in het voormelde arrest Boultif bedoelde ‘guiding principles’, niet juist heeft plaatsgevonden, althans onvolledig is geweest en dat door verweerder niet met alle relevante aspecten op een juiste wijze rekening is gehouden. Ten onrechte heeft verweerder geen rekening gehouden met het feit dat verzoeker inmiddels lange tijd in Nederland woont, de Nederlandse taal spreekt en geen contact heeft met personen in Afghanistan. Zijn hele maatschappelijke leven speelt zich af in Nederland. Daarbij komt dat verzoeker op een leeftijd is waarop het niet gemakkelijk is een nieuw bestaan in Afghanistan kan opbouwen. Daarbij heeft verzoeker erop gewezen dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle gezinsleden, nu verweerder de familieband tussen verzoeker en zijn kleinkind en schoonzoon niet heeft meegewogen. Verder heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de leeftijd van de kinderen, nu een deel meerderjarig is en niet gebonden is aan de opvatting van hun vader. De stelling van verweerder dat het jongste kind, [kind 6] eventueel zonder zijn ouders bij zijn meerderjarige broer of zus kan wonen is volgens verzoeker in strijd met de wettelijke verplichtingen van onder meer het Burgerlijk Wetboek.

43. Naar het voorlopig oordeel van de voorlopige voorzieningenrechter kunnen de door verzoeker aangedragen grieven niet slagen. Het argument dat verzoeker op zijn leeftijd niet gemakkelijk een nieuw bestaan kan opbouwen, kan in de onderhavige beoordeling geen rol spelen. Niet weersproken is dat er voor verzoeker, dan wel voor zijn familie geen objectieve belemmeringen bestaan om terug te keren naar Afghanistan. Hoewel gezegd moet worden dat verzoeker en zijn echtgenote en kinderen in belangrijke mate in de Nederlandse samenleving zijn geworteld geldt evenzeer dat zij allen banden hebben met Afghanistan, nu zij daar zijn geboren, tot 1997, respectievelijk 1998 hebben gewoond, de taal spreken en bekend zijn met de Afghaanse samenleving. Dit laatste is evenmin door verzoeker betwist. Anders dan verzoeker stelt, heeft verweerder zich niet op het standpunt gesteld dat het minderjarige kind van verzoeker zonder zijn ouders in Nederland moet achterblijven. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven dat dit kind zijn ouders kan volgen naar Afghanistan en slechts indien de echtgenote er voor kiest haar man te volgen, de mogelijkheid bestaat dat het jongste kind onder de hoede van de oudste (meerderjarige) kinderen in Nederland kan blijven.

Verzoeker heeft terecht er op gewezen dat verweerder geen overwegingen heeft gewijd aan zijn band met zijn kleinkind en schoonzoon. Verweerder zal dit aspect alsnog dienen te betrekken in de te nemen beslissing op bezwaar. In dit motiveringsgebrek ziet de voorzieningenrechter evenwel onvoldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen.

44. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het voorgaande dat verweerder in redelijkheid het algemeen belang van openbare orde heeft kunnen laten prevaleren boven het persoonlijk belang van verzoeker om hier ten lande zijn familie- en gezinsleven uit te oefenen.

45. Derhalve is inmenging op het recht van verzoeker op respect voor zijn familie- en gezinsleven gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM gerechtvaardigd. De ongewenstverklaring levert dan ook geen schending op van artikel 8 EVRM, zodat het beroep van verzoeker op dit artikel faalt.

46. Gelet op al het vorengaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft.

47. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

48. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

49. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van L.M.P. Giezenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2007.