Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8476

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/1361 VORHEF en AWB 07/1362 VORHEF
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verontreinigingsheffing. Volgtijdig gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2235
Belastingblad 2008/169

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 07/1361 VORHEF en AWB 07/1362 VORHEF

Uitspraakdatum: 5 september 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap [te P], verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 31 januari 2007 op de bezwaren van eiser tegen de aan eiser opgelegde voorlopige aanslagen verontreinigingsheffing voor de jaren 2005 en 2006.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2007.

Namens partijen is niemand verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 4 juni 2007 aan eiser op het adres [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TNT Post is gebleken dat de brief op 6 juni 2007 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Verweerder is bij brief van 4 juni 2007 uitgenodigd om op 22 augustus 2007 ter zitting te verschijnen. Eerst bij fax van 21 augustus 2007 heeft verweerder om uitstel van de zitting verzocht in verband met privé-omstandigheden. De rechtbank heeft bij fax van 21 augustus 2007 het uitstelverzoek afgewezen wegens de late toezending van het verzoek, het feit dat verweerder de door hem aangevoerde privé-omstandigheden niet nader heeft toegelicht alsmede het feit dat het Hoogheemraadschap [te P] over een grote organisatie beschikt, zodat niet valt in te zien waarom verweerder niet voor vervanging kon zorgen. Daarbij heeft de rechtbank tevens nog in aanmerking genomen dat verweerder reeds meerdere keren in andere zaken ook vlak voor de zitting heeft bericht niet ter zitting te kunnen verschijnen. Verweerder had dan ook maatregelen kunnen treffen om voor vervanging te zorgen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2. Gronden

2.1. Eiser is vanaf [datum] 2005 eigenaar van de onroerende zaak [a straat 1] (hierna: de onroerende zaak). Eiser verhuurt in de onroerende zaak verschillende kamers voor bewoning. Op de kamers zelf zijn geen sanitaire of keukenvoorzieningen aanwezig.

2.2. De onderhavige aanslagen zijn aan eiser opgelegd als gebruiker van een bedrijfsruimte. De aanslagen zijn opgelegd naar een heffingsgrondslag van 6,0 vervuilingseenheden. Na bezwaar zijn de aanslagen, gelet op het waterverbruik over de periode 27 januari 2005 tot en met 28 januari 2006 van 116 m³, verminderd tot op 3 vervuilingseenheden.

2.3. In geschil is of de aanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd.

2.4. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte als gebruiker is aangemerkt, aangezien hij de onroerende zaak verhuurt.

2.5. Onder woonruimte in de zin van artikel 17, onderdeel c, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wet) - en het daarmee overeenstemmende begrip woonruimte in de zin van artikel 1, onderdeel f, van de voor de jaren 2005 en 2006 van toepassing zijnde verordeningen verontreinigingsheffing van het Hoogheemraadschap [te P] (hierna: de verordeningen) - kan worden begrepen een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. Onder bedrijfsruimte in de zin van artikel 17, onderdeel d, van de Wet kan worden begrepen een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte.

2.6. Nu de huurders niet ieder afzonderlijk over wezenlijke voorzieningen van een woonruimte zoals een keuken en/of sanitaire voorzieningen beschikken, kunnen de verhuurde kamers van de onroerende zaak niet worden aangemerkt om als een afzonderlijk geheel in woongelegenheid te voorzien. De onroerende zaak is derhalve terecht als een bedrijfsruimte aangemerkt.

2.7. Ingevolge artikel 18, derde lid, onderdeel a, van de Wet en het daarmee overeenkomende artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de verordeningen kan degene die het gebruik heeft van een bedrijfsruimte aan een verontreinigingsheffing worden onderworpen. Uit artikel 18, vierde lid, onderdeel c, van de Wet en artikel 3, derde lid, onderdeel c, van de verordeningen volgt dat degene, die een bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt, voor de verontreinigingsheffing als gebruiker wordt aangemerkt. Onder 'volgtijdig gebruik' dient te worden verstaan kortstondige verhuur van een onroerende zaak aan wisselende gebruikers. Hieronder valt bijvoorbeeld ook, zoals hier het geval is, de verhuur van kamers aan wisselende huurders. Gelet op vorengenoemde artikelen is eiser dan ook terecht in de heffing betrokken.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen ongegrond.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 5 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T. van Rij, in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.