Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8289

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
288610 / HA ZA 07-1753
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident en voegingsincident.

Bevoegdheidsincident: EVEX van toepassing. In beginsel Zwitsers gerecht bevoegd. Echter: geldige forumkeuze voor Haagse rechtbank en geen sprake van een consumentenovereenkomst.

Voegingsincident toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 288610 / HA ZA 07-1753

Vonnis in het bevoegdheidsincident en in het voegingsincident van 31 oktober 2007

in de zaak van

mr. [curator]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de stichting

STICHTING DERDENGELDEN SBC,

de curator kantoorhoudende te Leiden,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het bevoegdheidsincident,

eiser in het voegingsincident,

procureur mr. P.J. van Rijn,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [G.], Frankrijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het voegingsincident,

procureur mr. J.P. Heering,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [B.], Zwitserland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het bevoegdheidsincident,

verweerder in het voegingsincident,

procureur mr. L.M. Bruins.

Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 april 2007, met producties;

- de incidentele conclusie tot voeging wegens connexiteit ex artikel 222 Rv aan de zijde van de curator;

- de conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid aan de zijde van [gedaagde 2];

- de conclusie van antwoord in het incident tot (internationale) onbevoegdverklaring aan de zijde van de curator;

- de conclusie van antwoord in het voegingsincident aan de zijde van [gedaagde 2], met productie;

- de conclusie van antwoord in het voegingsincident aan de zijde van [gedaagde 1].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de beide incidenten.

2. Vordering en grondslag in de hoofdzaak

2.1. De curator vordert - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] zal veroordelen om aan de curator EUR 61.563,15 te betalen en [gedaagde 2] zal veroordelen om aan de curator EUR 227.648,70 te betalen, beide bedragen vermeerderd met rente en kosten en - voor zover nodig - het beroep van de curator op de faillissementspauliana zal aanvaarden en de betalingen, waarvan terugbetaling wordt gevorderd, vernietigt.

2.2. Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt de curator - kort gezegd - dat Sierteelt Bemiddelingscentrum B.V. (hierna: SBC) tot de aan haar verleende surseance van betaling heeft bemiddeld bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen kopers en verkopers van onder meer bloembollen. Op deze overeenkomsten is een reglement van SBC van toepassing (hierna: het Reglement). De Stichting Derdengelden SBC (hierna: de Stichting) verzorgde de financiële afwikkeling van deze overeenkomsten. SBC en, namens haar, de Stichting fungeerden als tussenpersonen. De Stichting inde aldus koopsommen van kopers, die na ontvangst daarvan werden doorbetaald aan verkopers. Vanaf eind oktober 2003 heeft de Stichting koopsommen betaald aan verkopers van partijen bloembollen waarvoor de kopers nog niet hadden betaald en ook nu nog niet hebben betaald. Thans vordert de curator deze door de Stichting aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaalde bedragen als onverschuldigd betaald terug. De curator beroept zich tevens op artikel 42 e.v. Faillissementswet, op basis waarvan een curator de bevoegdheid heeft onder bepaalde omstandigheden rechtshandelingen van de failliet te vernietigen. De curator acht deze rechtbank krachtens het in het Reglement opgenomen forumkeuzebeding althans krachtens artikel 106 Rv bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

3. De beoordeling in het bevoegdheidsincident

3.1. [gedaagde 2] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Hij stelt daartoe dat het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 16 september 1988, Trb. 1989, 58 (hierna: EVEX) van toepassing is. De bevoegdheid wordt volgens hem bepaald door toepassing van artikel 14 lid 2 EVEX op basis waarvan de Zwitserse rechter bij uitsluiting bevoegd is, nu sprake is van een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 13 EVEX waardoor een forumkeuze op grond van artikel 15 EVEX niet geldig is.

3.2. Subsidiair betwist [gedaagde 2] de toepasselijkheid van het Reglement als zodanig.

3.3. De rechtbank passeert het verweer van de curator dat het EVEX niet van toepassing is omdat het in de hoofdzaak gaat om een vordering uit onverschuldigde betaling. Het EVEX formuleert (onder meer) regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken. Het is juist dat er in het EVEX geen specifieke bevoegdheidsregels zijn opgenomen voor vorderingen die zijn gegrond op onverschuldigde betaling, maar dat laat onverlet dat een vordering uit onverschuldigde betaling een burgerlijke of handelszaak betreft, zodat de bevoegdheidsregels van het EVEX gevolgd dienen te worden.

3.4. De rechtbank stelt voorop dat op grond van de hoofdregel in artikel 2 lid 1 EVEX [gedaagde 2] als gedaagde in beginsel voor een Zwitsers gerecht opgeroepen dient te worden, daar hij in Zwitserland woonachtig is. Slechts indien een in het EVEX opgenomen uitzondering aan de orde is, is onderhavige rechtbank bevoegd van de vordering kennis te nemen.

3.5. De curator grondt de bevoegdheid van de Haagse rechtbank op artikel 17 EVEX waarin de bevoegde rechter wordt gevonden aan de hand van een geldige forumkeuze. De curator acht een geldig forumkeuzebeding vervat in het Reglement. [gedaagde 2] stelt de toepasselijkheid van het Reglement als zodanig te betwisten waarbij hij verwijst naar artikel 6:234 e.v. BW. Daargelaten dat artikel 6:234 e.v. BW in de relatie curator / [gedaagde 2] op grond van artikel 6:247 lid 2 BW niet van toepassing is, wordt in artikel 17 EVEX zelf aangegeven onder welke omstandigheden een geldige forumkeuze in de zin van het EVEX tot stand komt. Dat is het geval indien de forumkeuze bij overeenkomst is gesloten. Dat kan - onder andere - schriftelijk of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst (vergelijk artikel 17 lid 1 aanhef en onder a) EVEX). Omdat met een forumkeuze de rechterlijke bevoegdheid op grond van het algemene beginsel van artikel 2 EVEX en de specifieke artikelen 5 en 6 EVEX wordt uitgesloten, dienen de in artikel 17 EVEX gestelde voorwaarden strikt te worden uitgelegd. Er moet sprake zijn van wilsovereenstemming tussen partijen die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt.

De curator heeft in dit kader - onweersproken - gesteld dat in de schriftelijke voorlopige koopovereenkomsten die SBC aan bestaande en nieuwe klanten voor wie zij bemiddelde toezond, uitdrukkelijk is opgenomen dat het Reglement is overeengekomen en een exemplaar reeds ter hand is gesteld. Ook wordt gemeld dat het Reglement ter inzage ligt op het kantoor van SBC, op verzoek gratis wordt toegezonden en te raadplegen is via internet. Indien koper en verkoper binnen drie dagen geen bezwaar maakten tegen de inhoud van het voorlopig koopcontract, zond SBC partijen de definitieve koopovereenkomst toe. Nu in de voorlopige koopovereenkomst het Reglement - met daarin de forumkeuzeclausule - expliciet (op meerderlei wijzen) wordt genoemd, moet de rechtbank het ervoor houden dat [gedaagde 2] vóór ontvangst van de voorlopige koopovereenkomst al een exemplaar van het Reglement toegestuurd heeft gekregen en dit heeft kunnen raadplegen alvorens de koopovereenkomst definitief werd. Dat betekent dat aan het vereiste van een schriftelijke overeenkomst in de zin van artikel 17 EVEX is voldaan.

3.6. [gedaagde 2] stelt vervolgens dat de forumkeuze op grond van artikel 17 EVEX gepasseerd dient te worden, omdat de onderhavige aan de orde zijnde overeenkomst voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 13 lid 1 aanhef en onder 3 aanhef en onder a) en b) EVEX. In dit artikel is - voor zover relevant - het volgende opgenomen:

"Artikel 13. - 1. Ter zake van overeenkomsten gesloten door een persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, hierna te noemen de consument, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, nr. 5,

(...)

3. voor elke andere overeenkomst die betrekking heeft op de verstrekking van diensten of op de levering van roerende lichamelijke zaken indien

a) de sluiting van de overeenkomst in de Staat waar de consument woonplaats heeft, is voorafgegaan door een bijzonder voorstel of reclame, en

b) de consument in die Staat de voor de sluiting van die overeenkomst noodzakelijke handelingen heeft verricht."

Nu [gedaagde 2] stelt dat in zijn relatie tot de curator (de Stichting) sprake is van een overeenkomst die betrekking heeft op de levering van roerende lichamelijke zaken, moet de rechtbank het ervoor houden dat hij bedoelt te stellen dat het gaat om de overeenkomst(en) waarbij hij als verkoper van bloembollen is opgetreden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank echter niet het geval.

SBC heeft met kopers/verkopers - waaronder [gedaagde 2] - immers bemiddelingsovereen-komsten gesloten op basis waarvan zij bij de totstandkoming van de koopovereenkomsten met betrekking tot bloembollen heeft bemiddeld. De Stichting (in deze procedure vertegenwoordigd door de curator) is een hulppersoon van SBC. Het gaat in deze bemiddelingsovereenkomsten om het leveren van diensten. Nu artikel 13 lid aanhef en onder 3 ook ziet op het leveren van diensten, blijft de vraag of aan de vereisten van dit artikel wordt voldaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daargelaten of [gedaagde 2] als consument in de zin van artikel 13 lid 1 aanhef EVEX kan worden gekwalificeerd, voldoet de bemiddelingsovereenkomst tussen SBC (c.q. de Stichting) en [gedaagde 2] al niet aan de vereisten van artikel 13 (lid 1 aanhef en) onder 3 aanhef en onder a) en b), nu niet is gesteld of gebleken dat de bemiddelingsovereenkomst met SBC in Zwitserland is voorafgegaan door een bijzonder voorstel of reclame (zijdens SBC) en evenmin dat [gedaagde 2] de voor de sluiting van de bemiddelingsovereenkomst noodzakelijke handelingen in Zwitserland heeft verricht.

3.7. Het voorgaande betekent dat de rechtbank 's Gravenhage bevoegd is van de vordering van de curator kennis te nemen op basis van artikel 17 EVEX.

3.8. [gedaagde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden verwezen.

4. De beoordeling in het incident tot voeging

4.1. De curator vordert dat de rechtbank - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de onderhavige procedure zal voegen met de eveneens bij de rechtbank aanhangige procedure van [curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de Stichting tegen 112 gedaagden (rolnummer HA ZA 2007-1754). Daartoe stelt de curator dat beide zaken voor dezelfde rechter dienen en verknocht zijn in die zin dat in beide procedures een oordeel wordt gevraagd over dezelfde (rechts)feiten.

4.2. [gedaagde 1] heeft zich ten aanzien van de gevorderde voeging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. [gedaagde 2] voert gemotiveerd verweer en betoogt allereerst dat geen sprake is van een procedure die dient voor dezelfde rechter daar onderhavige rechtbank niet bevoegd is. Met verwijzing naar r.o. 3.7. passeert de rechtbank dit verweer.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat voor voeging zoals deze thans wordt gevorderd vereist is dat de zaken verknocht zijn. Daarvan is sprake indien in beide procedures een oordeel wordt gevraagd over het bestaan van dezelfde rechtsfeit(en). De curator heeft in dat kader gesteld dat alle gedaagden, zowel in onderhavige procedure als in de procedure met rolnummer HA ZA 2007-1754, verkopers zijn van bloembollen waarbij SBC heeft bemiddeld en de Stichting de financiële afwikkeling heeft geregeld. Volgens de curator liggen dezelfde rechtsvragen voor in beide procedures omdat de curator op dezelfde gronden van de gedaagden de door de Stichting betaalde bedragen terugvordert als onverschuldigd betaald, dan wel vernietiging van de betalingen vordert op grond van artikel 42 e.v. Fw. De curator heeft de dagvaarding in de procedure met rolnummer HA ZA 2007-1754 niet ingebracht. De rechtbank heeft echter ambtshalve kennis genomen van deze dagvaarding en volgt de curator in zijn stelling dat connexiteit aan de orde is met betrekking tot het feitencomplex en de daarbij opgeworpen rechtsvragen in beide procedures. De proceseconomie wordt gediend met gelijktijdige behandeling zodat de rechtbank de gevorderde voeging zal toewijzen.

4.5. Daarbij passeert de rechtbank de verweren van [gedaagde 2] dat de zaken niet verknocht zijn daar onbekend is wat de aard van de individuele afspraken is van ieder van gedaagden, voor zover deze afspraken zijn gemaakt met de Stichting, voorts dat in het kader van de door de curator gestelde toepasselijkheid van het Reglement van SBC de identiteit van de verschillende gedaagden van belang is (bijvoorbeeld consumenten, telers of handelaren) en dat met betrekking tot [gedaagde 2] de aparte kwestie speelt of Nederlands dan wel Zwitsers recht van toepassing is. [gedaagde 2] verliest hierbij uit het oog dat de voeging geschiedt om redenen van proceseconomie maar dat de procedures (en de mogelijk andersluidende verweren van verschillende gedaagden) op hun eigen merites beoordeeld worden en er dus geen sprake hoeft te zijn van volledig identieke zaken. Ten slotte kan het verweer van [gedaagde 2] dat voeging achterwege moet blijven omdat dit voor hem complicaties en daarmee verband houdende kosten met zich brengt daar het in dat geval voor hem van belang wordt kennis te nemen van de verweren van de overige 112 gedaagden, niet worden gevolgd. Voeging van onderhavige procedures leidt niet noodzakelijkerwijs tot het maken van voornoemde kosten, omdat processtukken in de procedure met rolnummer HA ZA 2007-1754 niet zonder meer ook in de onderhavige zaak gebruikt kunnen worden (tenzij deze stukken op de gebruikelijke wijze in het geding worden gebracht). Eventuele kennisname van verweren van overige gedaagden betreft derhalve een eigen keus van [gedaagde 2].

4.6. [gedaagde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden verwezen. Nu [gedaagde 1] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zal jegens hem compensatie van kosten volgen.

5. De beslissingen

De rechtbank:

in het bevoegdheidsincident

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 452,00,

in het incident tot voeging

5.3. voegt de onderhavige zaak met de procedure met zaak- en rolnummer 288612 / HA ZA 07-1754,

5.4. veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.5. compenseert de kosten van deze incidentele procedure tussen [gedaagde 1] en de curator, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

5.6. verwijst de hoofdzaak naar de rolzitting van woensdag 12 december 2007 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier