Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8257

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/852 VERWIJZINGSBESLISSING
Rechtsgebieden
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen / art. 7 Associatiebesluit 1/80

In vervolg op het eerdere heropeningsbesluit van 6 juli 2007, waarbij de Meervoudige Kamer van zittingsplaats Roermond het voornemen kenbaar heeft gemaakt om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EG en partijen in de gelegenheid heeft gesteld om op die vragen te reageren, is bijgevoegde verwijzingsbeslissing van 22 oktober 2007 aan het Hof van Justitie verzonden.

De prejudiciële vragen hebben betrekking op de uitleg van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 tussen de EG en Turkije. Volgens dit artikel hebben gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen, het recht om (..) te reageren op een arbeidsaanbod (dit impliceert het recht om in de lidstaat te verblijven), wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen. De cruciale vraag is kort gezegd of een huwelijk van een gezinslid (de bij een Turkse werknemer inwonende dochter) een eind maakt aan het 'legaal wonen' van dat gezinslid, wanneer dat gezinslid na dat huwelijk bij haar ouders (lees de Turkse werknemer) blijft wonen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenwet 2000 19
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/23
RV20070041 met annotatie van Red. Rechtspraak Vreemdelingenrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ´S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Verwijzingsbeslissing in het kader van het beroep met

Procedurenummer: AWB 06/852

Inzake:

[Eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

In deze beslissing wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

Bij fax van 29 december 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 december 2005 (verzonden op 15 december 2005). Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 7 november 2003, gericht tegen het besluit van 13 oktober 2003 (verzonden op 16 oktober 2003), ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van eiseres ingetrokken en haar aanvraag om wijziging van de aan die vergunning verbonden beperking afgewezen.

Voorts heeft eiseres op 29 december 2005 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer AWB 06/853.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

De openbare behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2006, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. P.H. Hillen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. L. Verheijen.

Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend. Daarbij is verweerder in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen ter zake van de stelling van eiseres dat zij als gezinslid van een Turkse werknemer aanspraken kan ontlenen aan artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de EEG) en Turkije van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de EEG en Turkije (hierna: het Associatiebesluit 1/80).

Nadat verweerder zijn standpunt ter zake bij schrijven van 20 november 2006 kenbaar heeft gemaakt, is eiseres in de gelegenheid gesteld om op dit standpunt te reageren. De schriftelijke reactie van eiseres dateert van 5 december 2006.

De rechtbank heeft de openbare behandeling van het beroep voortgezet op 30 maart 2007, alwaar eiseres in persoon is verschenen, vergezeld van haar vader en bijgestaan door haar gemachtigde mr. P.H. Hillen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.H.M. Post.

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft de rechtbank het onderzoek nogmaals heropend teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de prejudiciële vragen die de rechtbank voornemens is voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ van de EG).

Bij schrijven van 3 augustus 2007 heeft eiseres van die gelegenheid gebruik gemaakt. De schriftelijke reactie van verweerder dateert van 13 augustus 2007.

Bij uitspraak van 6 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met procedurenummer AWB 06/853 toegewezen.

II. OVERWEGINGEN

Bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de EEG en Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst), is een Associatieraad ingesteld. Deze overeenkomst is op 12 september 1963 door de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap enerzijds en Turkije anderzijds ondertekend en namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217) gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd.

Ingevolge artikel 36 van het Aanvullend Protocol (Trb. 1973/30), voor zover thans van belang, wordt het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geleidelijk tot stand gebracht overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen. De hiertoe nodige regels worden door de Associatieraad bepaald.

Ingevolge artikel 59 mag op de onder het Aanvullend Protocol vallende gebieden, de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die, welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag).

De Associatieraad heeft krachtens artikel 12 van de Associatieovereenkomst en artikel 36 van het Aanvullend Protocol op 20 december 1976 besluit nr. 2/76 genomen, dat volgens artikel 1 ervan bedoeld is als een eerste stap op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije. Op 19 september 1980 heeft hij besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: Associatiebesluit 1/80) genomen. Dit besluit dient er volgens de derde overweging van de considerans toe om op sociaal gebied de regeling voor werknemers en hun gezinsleden te verbeteren ten opzichte van de regeling die is ingevoerd bij voormeld besluit nr. 2/76.

Artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van het Associatiebesluit 1/80 luidt - voor zover thans van belang - als volgt.

“Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen: hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen; (..)”.

Op 1 april 2001 is de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, Stb. 2000, 495; hierna: de Vw 2000) in werking getreden, die nadien enkele malen is gewijzigd.

Op 1 april 2001 zijn tevens het krachtens die wet vastgestelde Vreemdelingenbesluit 2000 (Stb. 2000, 497; hierna: het Vb 2000) en Voorschrift Vreemdelingen (Stcrt. 2001/10; hierna: het Vv 2000) in werking getreden. In de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) heeft verweerder uiteengezet, hoe hij van de hem bij de Vw 2000 en het Vb 2000 verleende bevoegdheden gebruik zal maken.

Ook het ter zake van het Associatiebesluit 1/80 door de Nederlandse overheid gevoerde beleid is neergelegd in de Vc 2000. In onderdeel B11/3.5 van de Vc 2000, zoals die circulaire luidde ten tijde van het thans bestreden besluit, is ter zake van artikel 7 van het Associatiebesluit (onder meer) het volgende vermeld.

“Toelichting op begrippen 'Gezinsleden': de echtgenoot van de Turkse werknemer en hun bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn. En de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn (zie B11/3.7, onder nummer 13). Zie B10/5.1.

'Legaal wonen': dit begrip veronderstelt dat het gezinslid gedurende de periode van drie respectievelijk vijf jaar onafgebroken daadwerkelijk bij de Turkse werknemer moet wonen (zie B11/3.7, onder nummer 14). Bij de berekening van deze periode moet echter wel rekening worden gehouden met korte onderbrekingen van het samenleven, waarbij niet de bedoeling bestond om het samenleven op te geven. Hierbij kan gedacht worden aan een afwezigheid van de gemeenschappelijke woonplaats gedurende een redelijke periode waarvoor gegronde redenen zijn dan wel aan onvrijwillig verblijf van minder dan zes maanden dat de betrokkene in zijn land van herkomst heeft doorgebracht (zie B11/3.7, onder nummer 15).”

Die laatste verwijzing doelt op de uitspraak van het HvJ van de EG van 17 april 1997, Kadiman, C-351/95, gepubliceerd in RV 1997/87 (toevoeging rechtbank).

Ten aanzien van het recht op voortgezet verblijf voor gezinsleden wordt in onderdeel B11/3.5.1 van de Vc 2000 het volgende vermeld:

“Vooraf: de nationale regels inzake gezinshereniging en -vorming (B2) bieden de gezinsleden in de regel al meteen het recht om te werken en gaan derhalve verder dan waartoe het Associatiebesluit nr. 1/80 verplicht. Verder wordt ingevolge de nationale regelgeving aan het minderjarige gezinslid die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in verband met gezinshereniging bij een persoon met een niet-tijdelijke verblijfsrecht, reeds na een jaar op aanvraag een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verleend (artikel 3.50 Vreemdelingenbesluit).

Drie jaar legaal wonen

Na drie jaar legaal wonen geldt de algemene regel dat gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer, die in het kader van gezinshereniging met de Turkse werknemer in Nederland verblijf hebben gekregen, vrije toegang hebben tot iedere arbeid van hun keuze. De omstandigheid dat het gezinslid in Nederland is geboren en daardoor geen toestemming heeft moeten aanvragen om zich in het kader van de gezinshereniging bij de Turkse werknemer in Nederland te voegen is niet van belang (zie B11/3.7, onder nummer 16).

Dit betekent dat de vrije toegang tot de arbeidsmarkt als bepaald in artikel 7, eerste lid, onder b, besluit nr. 1/80 reeds na drie jaar legaal wonen van toepassing is. Met deze voor de gezinsleden van een Turkse werknemer gunstigere regel wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, onder a, besluit nr. 1/80. Deze gunstigere regel moet altijd worden toegepast.

Daarnaast kunnen bovenstaande gezinsleden reeds na drie jaar rechtmatig verblijf hier te lande aanspraak maken op een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. Zie B2/5.3 en B2/9.3. Op grond van deze verblijfsvergunning hebben zij ook de vrije toegang tot iedere arbeid van keuze.

Na de periode van drie jaar legaal wonen worden ingevolge artikel 7 van het besluit nr. 1/80 aan het verblijf van het gezinslid geen voorwaarden meer verbonden. De omstandigheid dat de Turkse werknemer na deze periode niet meer behoort tot de legale arbeidsmarkt of dat de gezinsband is verbroken, heeft geen gevolgen voor het verblijfsrecht van het gezinslid (zie B11/3.7, onder nummer 17). Dit geldt ongeacht of het gezinslid in het bezit is van een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf.”

De ter zake relevante nationale regelgeving luidt als volgt.

Artikel 14 van de Vw 2000 bepaalt het volgende.

“1. Onze Minister is bevoegd:

a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

c. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen, hetzij op aanvraag van de houder van de vergunning hetzij ambtshalve wegens veranderde omstandigheden;

d. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken;

e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

3. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.”

Ingevolge artikel 3.24 van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien:

a. de vreemdeling naar het oordeel van verweerder feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en

b. de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een onevenredige hardheid zou betekenen.

In onderdeel B2/8.3 van de Vc 2000, zoals die passage luidde ten tijde van het thans bestreden besluit, is het volgende bepaald.

“De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien het meerderjarige kind niet feitelijk behoort of niet reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de ouder. 'Feitelijk behoren tot het gezin' houdt in dat:

- de gezinsband reeds in het buitenland heeft bestaan;

- er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder, welke afhankelijkheid reeds in het buitenland moet hebben bestaan; en

- de vreemdeling moet gaan samenwonen bij de ouder(s).

Het meerderjarige kind behoort niet langer feitelijk tot het gezin, indien de feitelijke gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. Dit doet zich in elk geval voor in een of meer van de volgende omstandigheden:

- duurzame opneming in een ander gezin en degene bij wie verblijf wordt beoogd is niet meer belast met het (feitelijke) gezag over de vreemdeling;

- duurzame opneming in een ander gezin en degene bij wie verblijf wordt beoogd voorziet niet meer in de kosten van opvoeding en verzorging van de vreemdeling;

- de vreemdeling gaat zelfstandig wonen en in eigen onderhoud voorzien;

- de vreemdeling vormt een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of relatie;

- de vreemdeling heeft de zorg of zorgplicht voor een (buitenechtelijk) kind, een pleeg- of adoptiekind of andere afhankelijke gezinsleden.

Duurzame opneming in een ander gezin is op zich onvoldoende om aan te nemen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Naast een duurzame opneming in een ander gezin moet er altijd sprake van zijn dat degene bij wie verblijf wordt beoogd niet meer is belast met het (feitelijke) gezag over de vreemdeling (zie hierna onder c) of niet meer voorziet in diens kosten van opvoeding en verzorging (zie hierna onder d).”

Ingevolge artikel 19 van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, van de Vw 2000.

Artikel 18 van de Vw 2000 luidt als volgt.

“1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;

b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

c. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

d. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

e. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;

g. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.”

In artikel 3.51 van het Vb 2000 is het volgende bepaald.

“1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met:

a. gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht;

b. het ondergaan van medische behandeling, voor zover die medische behandeling naar het oordeel van verweerder gedurende ten minste nog één jaar in Nederland noodzakelijk zal zijn;

c. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, of

d. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

2. De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

3. De verblijfsvergunning kan eveneens worden verleend, indien de relatie tussen de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinsvorming of gezinshereniging, of verblijf ter adoptie of als pleegkind is verleend en de persoon met het niet-tijdelijke verblijfsrecht door het overlijden van die persoon is verbroken.

4. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Artikel 3.80a is van toepassing.

5. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, en het derde lid, wordt onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3.52 van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet heeft gehad en van wie naar het oordeel van verweerder wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

III. FEITEN

Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij is op 11 mei 1999 Nederland binnengekomen. Met ingang van 9 augustus 1999 heeft verweerder eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verruimde gezinshereniging bij ouders’. Die vergunning is laatstelijk verlengd tot 24 juli 2003.

Op 19 maart 2002 heeft eiseres de in rubriek I bedoelde aanvraag om wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning ingediend. Eiseres heeft bij die aanvraag kenbaar gemaakt dat ze haar verblijf wenst voort te zetten onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verruimde gezinshereniging bij ouders’ ingetrokken met ingang van 22 december 2000. Bij dit besluit heeft verweerder tevens geweigerd om eiseres de gevraagde verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar ouders als verbroken moet worden beschouwd omdat eiseres op 22 december 2000 in het huwelijk is getreden.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op 22 december 2000 te [plaats] (Turkije) in het huwelijk is getreden met [echtgenoot] van Turkse nationaliteit. Op 30 maart 2002 is uit het huwelijk een zoon geboren. Eerst op 3 mei 2002 heeft eiseres de vreemdelingendienst van haar huwelijk op de hoogte gebracht. Het huwelijk is op 1 juli 2002 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente waar eiseres woonde.

Eiseres heeft vanaf 12 augustus 1999 bij haar ouders gewoond (op verschillende adressen).

Op 1 april 2005 is zij samen met haar zoontje verhuisd.

Tijdens een hoorzitting van een ambtelijke commissie, die heeft plaatsgevonden op 13 september 2005 naar aanleiding van een door eiseres ingediend bezwaarschrift, heeft eiseres verklaard dat haar echtgenoot als Turks vrachtwagenchauffeur in 2002 naar Nederland is gekomen en in Nederland een (verblijfs)aanvraag heeft ingediend. Nadat die aanvraag is afgewezen, is hij uitgezet. Volgens eiseres heeft haar man vanaf juni 2002 gedurende negen maanden bij haar en haar ouders gewoond.

Bij vonnis van de rechtbank van de eerste instantie te Cihanbeyli van 10 februari 2004 is het huwelijk van eiseres en haar echtgenoot ontbonden.

IV. STANDPUNT VERWEERDER

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verruimde gezinshereniging bij ouders’ van eiseres ingetrokken met ingang van 22 december 2000. Verweerder heeft die intrekking met terugwerkende kracht gebaseerd op het bepaalde in artikel 19, juncto artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vw 2000.

Verweerder is gebleken dat eiseres op 22 december 2000 in het huwelijk is getreden. Door dit huwelijk is in de visie van verweerder de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar ouders verbroken en wordt met ingang van laatstgenoemde datum niet langer voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.

In het besluit van 13 oktober 2003 heeft verweerder zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres, gelet op de intrekking van haar verblijfsvergunning met ingang van 22 december 2000, niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ als bedoeld in artikel 3.51 van het Vb 2000. Verder is volgens verweerder gesteld noch gebleken dat in het geval van eiseres sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard welke zouden leiden tot de conclusie dat wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd zou kunnen worden Nederland te verlaten, zodat artikel 3.52 van het Vb 2000 evenmin aanleiding geeft om voortgezet verblijf toe te staan. Verder heeft verweerder geen grond gevonden voor toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb. De weigering om eiseres voortgezet verblijf toe te staan levert volgens verweerder geen schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, terwijl verweerder ook overigens niet is gebleken dat internationale verplichtingen tot inwilliging van de aanvraag van eiseres nopen.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80. In dit artikel wordt, voor zover hier van belang, gesproken over een periode van legaal verblijf van tenminste drie jaar. Eerst na verloop van deze periode kan een gezinslid van een werknemer zelfstandig rechten doen gelden. Volgens verweerder voldoet eiseres niet aan deze voorwaarde. Zij heeft immers slechts legaal verblijf gehad in de periode van 9 augustus 1999 tot 22 december 2000. Verweerder heeft zich in dit verband beroepen op het eerder genoemde arrest van het HvJ van de EG inzake Kadiman van 17 april 1997, zaak C-351/95. Uit rechtsoverweging 32 van dit arrest blijkt volgens verweerder dat de lidstaat van ontvangst aan het verblijfsrecht van het voor gezinshereniging toegelaten gezinslid gedurende de eerste drie jaar voorwaarden mag verbinden. In het bestreden besluit is geconcludeerd dat eiseres sinds 22 december 2000 als gevolg van haar huwelijk niet meer voldoet aan de nationale regels voor (verruimde) gezinshereniging. Volgens verweerder is er dan ook geen sprake van drie jaar legaal verblijf.

Het door eiseres gedane beroep op het arrest Eyüp van 22 juni 2000, eveneens van het HvJ van de EG, kan volgens verweerder niet slagen, aangezien in rechtsoverweging 35 van het betreffende arrest is vermeld dat in het geval van mevrouw Eyüp haar verblijfsrecht nimmer ter discussie is gesteld, hetgeen in de zaak van eiseres wel het geval is.

V. STANDPUNT EISERES

Eiseres heeft erkend dat zij op 22 december 2000 met voornoemde Pehlivan in het huwelijk is getreden. Zij heeft echter weersproken dat door dit huwelijk de feitelijke gezinsband met haar ouders zou zijn verbroken. Volgens eiseres is de feitelijke situatie van eiseres door haar huwelijk niet veranderd. Eiseres en haar minderjarige kind zijn immers (tot hun verhuizing op 1 april 2005) onderdeel blijven uitmaken van het gezin van haar ouders en haar (inmiddels voormalige) echtgenoot verblijft niet in Nederland. Omdat haar feitelijke situatie door het huwelijk niet veranderd is, was eiseres - zo heeft zij gesteld - zich ook niet bewust dat zij de vreemdelingendienst op de hoogte moest brengen van haar huwelijk. Eiseres heeft een beroep gedaan op het arrest inzake Eyüp van het HvJ van de EG van 22 juni 2000, zaaknummer C-65/98. Zij heeft betoogd dat zij een - onafgebroken - verblijfsrecht heeft in Nederland op grond van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80. Uit het arrest Eyüp volgt volgens eiseres dat samenwoning - in het geval van eiseres de feitelijke samenwoning met haar ouders - maatgevend is en niet zozeer de verandering van haar burgerlijke staat van ongehuwd naar gehuwd.

VI. VRAGEN

Tussen partijen is niet in geschil dat de vader van eiseres moet worden aangemerkt als een Turkse werknemer in de zin van het Associatiebesluit 1/80 en dat hij behoort tot de legale arbeidsmarkt. In de onderhavige procedure gaat het in het bijzonder om de vraag of in het geval van eiseres wordt voldaan aan de uit artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 - zijnde een artikel met rechtstreekse werking - voortvloeiende voorwaarden dat sprake moet zijn van een gezinslid en van drie jaar ‘legaal wonen’. Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft eiseres immers vrije toegang tot de arbeidsmarkt en het daarbij behorende verblijfsrecht verworven. Turkse werknemers en hun gezinsleden kunnen dit recht slechts verliezen op twee gronden, die in het geval van eiseres niet aan de orde zijn. Dit betreft redenen van openbare orde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het Associatiebesluit 1/80, alsmede langdurig verblijf buiten Nederland.

Tussen partijen is voorts niet in geschil is dat eiseres, sedert de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan haar per 1 augustus 1999, tenminste gedurende drie jaren daadwerkelijk met haar vader heeft samengewoond.

In de uitspraak van het HvJ van de EG inzake Kadiman, zaaknr. C-351-95, heeft het Hof, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak op dit punt, vastgesteld dat het Associatiebesluit 1/80 niet treedt in de bevoegdheid van de lidstaten om zowel de toegang van Turkse onderdanen tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste tewerkstelling te reglementeren. In Associatiebesluit 1/80 wordt - in artikel 6 - uitsluitend de situatie van Turkse werknemers geregeld die reeds legaal tot de arbeidsmarkt van de lidstaat behoren. Ten aanzien van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 overweegt het Hof in de uitspraak Kadiman als volgt.

“32 insgelijks verleent dit besluit in artikel 7, eerste alinea, gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lid-staat behorende turkse werknemer het recht om aldaar arbeid te verrichten, nadat zij daar voor een bepaalde periode legaal hebben gewoond, zonder evenwel de bevoegdheid van deze lid-staat aan te tasten om de betrokkenen toestemming te verlenen om zich bij de aldaar legaal werkzame turkse werknemer te voegen, hun verblijf te reglementeren tot het tijdstip waarop zij op elk arbeidsaanbod mogen reageren en, eventueel, hun toe te staan om onder de door hem vastgestelde voorwaarden arbeid te verrichten vóór de afloop van de oorspronkelijke periode van drie jaar, bedoeld in het eerste streepje.

33 in het bijzonder met betrekking tot het verblijf van een gezinslid gedurende deze oorspronkelijke periode van drie jaar, waar het in het hoofdgeding om gaat, volgt uit rechtsoverweging 29 van dit arrest, dat de lid-staat die de betrokkene toestemming heeft verleend om zijn grondgebied binnen te komen teneinde zich bij de turkse werknemer te voegen, hem weliswaar vervolgens niet het recht kan ontzeggen om aldaar te verblijven met het oog op de gezinshereniging, doch deze lid-staat behoudt wel het recht om aan dit verblijfsrecht voorwaarden te verbinden waarmee gewaarborgd kan worden, dat de aanwezigheid van het gezinslid op zijn grondgebied in overeenstemming is met de strekking van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80.

34 deze bepaling heeft tot doel, de tewerkstelling en het verblijf van de tot de legale arbeidsmarkt van een lid-staat behorende turkse werknemer te bevorderen, door te waarborgen dat hij zijn familiebanden kan behouden.

35 vanuit dit oogpunt voorziet deze bepaling in eerste instantie in de mogelijkheid, dat de gezinsleden van een reeds tot de legale arbeidsmarkt van een lid-staat behorende turkse werknemer toestemming wordt verleend om zich bij hem te voegen teneinde daar met het oog op gezinshereniging hun woonplaats te vestigen. teneinde de duurzame integratie van het gezin van de turkse migrerende werknemer in de lid-staat van ontvangst te versterken, verleent deze bepaling die gezinsleden bovendien het recht om na een bepaalde tijd in die staat arbeid te verrichten.

36 de bij artikel 7, eerste alinea, ingevoerde regeling wil dus gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging in de lid-staat van ontvangst scheppen, door eerst de aanwezigheid van de gezinsleden bij de migrerende werknemer mogelijk te maken en vervolgens hun positie daar te consolideren, door hun het recht te verlenen in die staat arbeid te verrichten.

37 gelet op haar strekking kan deze bepaling daarom niet aldus worden uitgelegd, dat zij enkel verlangt, dat de lid-staat van ontvangst het gezinslid toestemming heeft verleend om zijn grondgebied binnen te komen teneinde zich bij de turkse werknemer te voegen, zonder dat de betrokkene daar evenwel werkelijk samen met de migrerende werknemer moet blijven wonen, zolang hij zelf niet het recht van toegang tot de arbeidsmarkt heeft.

38 een dergelijke uitlegging zou niet alleen ernstig afbreuk doen aan de door deze bepaling beoogde gezinshereniging, maar eveneens het risico inhouden, dat turkse onderdanen de strengere eisen van artikel 6 omzeilen en, in het bijzonder door het sluiten van schijnhuwelijken, de gunstige voorwaarden van artikel 7, eerste alinea, misbruiken.”

Artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van Associatiebesluit 1/80 moet dus volgens het HvJ van de EG aldus worden uitgelegd, dat het gezinslid van een Turks werknemer, dat zich in het kader van gezinshereniging bij hem in een lidstaat heeft gevoegd, in beginsel gedurende een periode van drie jaar ononderbroken met de werknemer onder één dak moet hebben gewoond, wil het in die lidstaat op elk arbeidsaanbod kunnen reageren.

In de uitspraak van het HvJ van de EG van 22 juni 2000, zaaknr. C-65/98, inzake Eyüp heeft het Hof het volgende voor recht verklaard:

“artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de associatieraad die is ingesteld bij de associatieovereenkomst tussen de europese economische gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd, dat het ook doelt op de situatie van een Turks onderdaan als verzoekster in het hoofdgeding, die, als echtgenote van een tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst behorende Turkse werknemer, toestemming heeft gekregen, zich aldaar bij die werknemer te voegen, wanneer zij, na te zijn gescheiden vóór het verstrijken van de in artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, bedoelde wachttijd van drie jaar, evenwel feitelijk zonder onderbreking met haar voormalige echtgenoot is blijven samenwonen tot het tijdstip waarop de twee voormalige echtelieden opnieuw zijn gehuwd. een dergelijke Turks onderdaan moet derhalve worden geacht legaal in die lidstaat te wonen in de zin van deze bepaling, zodat zij zich aldaar na drie jaar rechtstreeks kan beroepen op haar recht te reageren op ieder arbeidsaanbod en, na vijf jaar, op haar recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst naar keuze.”

In laatstbedoelde uitspraak heeft het Hof verder, alvorens tot zijn verklaring voor recht te komen, overwogen “dat de bevoegde nationale autoriteiten tijdens de periode van samenwonen van de voormalige echtgenoten niet het verblijfsrecht van mevrouw Eyüp in de lidstaat van ontvangst ter discussie hebben gesteld”.

Uit de laatstgenoemde uitspraak - in samenhang bezien met de eerdergenoemde jurisprudentie - lijkt derhalve te volgen dat een Turkse onderdaan, die gedurende drie jaren als gezinslid heeft samengewoond met een Turks werknemer, zich op het bepaalde in artikel 7, eerste alinea, kan beroepen enkel omdat er gedurende die drie jaren feitelijk als gezinslid is samengewoond met die werknemer, mits de nationale autoriteiten tijdens die periode van drie jaren niet het verblijfsrecht van de betrokkene, die zich op het bepaalde in dat artikel beroept ter discussie hebben gesteld. Deze uitleg zou met zich brengen dat ook een betrokkene bij wie zich tijdens de periode van drie jaren een wijziging in de omstandigheden voordoet, die volgens nationaal recht een einde zou maken aan het verblijfsrecht van die betrokkene, en die - al dan niet opzettelijk - niet wordt gemeld, zich op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van het Associatiebesluit 1/80 zou kunnen beroepen.

Nu voor de beoordeling van de onderhavige procedure de betekenis van artikel 7, eerste lid, van het Associatiebesluit 1/80 bepalend is en deze betekenis naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk is, ziet de rechtbank aanleiding tot het stellen van de volgende prejudiciële vragen:

1a. Moet artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van het Associatiebesluit 1/80 aldus worden uitgelegd dat dit artikel reeds van toepassing is indien een gezinslid gedurende drie jaren feitelijk heeft samengewoond met een Turkse werknemer zonder dat het verblijfsrecht van het bedoelde gezinslid door de bevoegde nationale autoriteiten tijdens die drie jaren ter discussie is gesteld?

1b. Staat artikel 7, eerste lid, eerste streepje, van het Associatiebesluit 1/80 er aan in de weg dat een lidstaat tijdens die drie jaren kan bepalen dat indien het toegelaten gezinslid in het huwelijk treedt, verder geen rechten onder die bepaling worden opgebouwd, ook al blijft het gezinslid bij de Turkse werknemer wonen?

2. Staat artikel 7, eerste lid, eerste streepje, dan wel enige andere Europeesrechtelijk(e) bepaling en/of rechtsbeginsel er aan in de weg dat de bevoegde nationale autoriteiten na het verstrijken van die periode van drie jaar het verblijfsrecht van de betrokken vreemdeling op grond van de nationale regelgeving omtrent de vraag of er sprake is van een gezinslid en/of legaal wonen in die drie jaren met terugwerkende kracht ter discussie stelt?

3a. Is voor de beantwoording van de voormelde vragen nog relevant of de vreemdeling al dan niet opzettelijk gegevens heeft achtergehouden die voor het verblijfsrecht op grond van de nationale regelgeving van belang zijn? Zo ja, in welke zin?

3b. Maakt het daarbij nog uit of van die gegevens is gebleken in de eerdergenoemde periode van drie jaren, of eerst na het verstrijken van die drie jaren? Daarbij in aanmerking nemende dat de bevoegde nationale autoriteiten na het bekend worden van die gegevens mogelijk nog (nader) onderzoek dienen te verrichten alvorens tot besluitvorming over te kunnen gaan. Zo ja, in welke zin?

Mitsdien wordt beslist als volgt.

VII. BESLISSING

De rechtbank:

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:

1a. Moet artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van het Associatiebesluit 1/80 aldus worden uitgelegd dat dit artikel reeds van toepassing is indien een gezinslid gedurende drie jaren feitelijk heeft samengewoond met een Turkse werknemer zonder dat het verblijfsrecht van het bedoelde gezinslid door de bevoegde nationale autoriteiten tijdens die drie jaren ter discussie is gesteld?

1b. Staat artikel 7, eerste lid, eerste streepje, van het Associatiebesluit 1/80 er aan in de weg dat een lidstaat tijdens die drie jaren kan bepalen dat indien het toegelaten gezinslid in het huwelijk treedt, verder geen rechten onder die bepaling worden opgebouwd, ook al blijft het gezinslid bij de Turkse werknemer wonen?

2. Staat artikel 7, eerste lid, eerste streepje, dan wel enige andere Europeesrechtelijk(e) bepaling en/of rechtsbeginsel er aan in de weg dat de bevoegde nationale autoriteiten na het verstrijken van die periode van drie jaar het verblijfsrecht van de betrokken vreemdeling op grond van de nationale regelgeving omtrent de vraag of er sprake is van een gezinslid en/of legaal wonen in die drie jaren met terugwerkende kracht ter discussie stelt?

3a. Is voor de beantwoording van de voormelde vragen nog relevant of de vreemdeling al dan niet opzettelijk gegevens heeft achtergehouden die voor het verblijfsrecht op grond van de nationale regelgeving van belang zijn? Zo ja, in welke zin?

3b. Maakt het daarbij nog uit of van die gegevens is gebleken in de eerdergenoemde periode van drie jaren, of eerst na het verstrijken van die drie jaren? Daarbij in aanmerking nemende dat de bevoegde nationale autoriteiten na het bekend worden van die gegevens mogelijk nog (nader) onderzoek dienen te verrichten alvorens tot besluitvorming over te kunnen gaan. Zo ja, in welke zin?

- houdt iedere verdere beslissing op dit beroep aan.

Aldus gegeven op 22 oktober 2007 door mrs. F.H. Machiels (voorzitter), B.W.P.M. Corbeij-Smits en M.I.J. Hegeman in tegenwoordigheid van mr. E.M.J. Clermonts als griffier.

Voor eensluidend afschrift:

griffier

voorzitter

verzonden op: 23 oktober 2007