Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8218

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
274227 - HA ZA 06-3347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval, verkeersongeval, ontslag. Eiser spreekt WAM-verzekeraar aan t.g.v. het verkeersongeval. Kniefractuur en blijvende klachten na bedrijfsongeval. Eiser is dientengevolge arbeidsongeschikt voor zijn voormalige functie van hoofd onderhoudsmonteur. Arbeidsgeschikt voor functie van magazijnmedewerker. PWS door verkeersongeval. Na ontslag uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt geraakt door PTSS wegens multifactorale oorzaak. Geen hoofdelijke aansprakelijkheid van werkgever en WAM-verzekeraar. Geen verlies aan inkomsten nu eiser WAO uitkering ontvangt o.b.v. vroegere functie van hoofd onderhoudsmonteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 274227 / HA ZA 06-3347

Vonnis van 22 augustus 2007 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. W. Waardenburg,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

procureur mr. S.E. Pontier.

Partijen zullen hierna [eiser] en Aegon genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 januari 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 juni 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 20 februari 1991 is [eiser] een bedrijfsongeval overkomen bij zijn (voormalig) werkgever [werkgever] (hierna: [werkgever]). Ten gevolge van dit bedrijfsongeval heeft hij letsel opgelopen, bestaande uit linker knie klachten.

2.2. Vóór het bedrijfsongeval is [eiser] werkzaam geweest als hoofd onderhoudsmonteur. Na het ongeval is hij - na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid - omstreeks september 1992 in aangepast werk als magazijnmedewerker weer full time bij [werkgever] aan de slag gegaan.

2.3. Per 1 oktober 1992 heeft [eiser] een WAO uitkering ontvangen naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-45%.

2.4. Op 1 juli 1993 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij heeft met zijn personenauto - merk Opel 1.3 S, kenteken [nummer] - staan wachten voor een rood licht uitstralend verkeerslicht. De auto is van achteren aangereden door een personenauto.

2.5. Deze auto was ten tijde van het ongeval WA verzekerd bij Aegon. Aegon heeft de aansprakelijkheid voor het verkeersongeval erkend.

2.6. [eiser] heeft ten gevolge van het verkeersongeval letsel opgelopen, welk letsel tenminste nek- en hoofdpijnklachten omvat. In verband met deze klachten heeft hij zich ziek gemeld van 1 juli 1993 tot en met 20 juli 1993.

2.7. [eiser] is per 1 oktober 1993 bij [werkgever] ontslagen ten gevolge van een reorganisatie, waarbij de arbeidsplaats van [eiser] is komen te vervallen. Sindsdien is [eiser] werkloos.

2.8. Op verzoek van Aegon heeft [eiser] keuringsarts P. Hak bezocht. Deze rapporteert op 23 februari 1994 aan Aegon onder meer het volgende:

'3.a. Welke zijn de bevindingen bij uw onderzoek?

Drukpijn cervicale wervels 3, 4 en 5.

Hoofdpijn ook bij druk op nek.

Naar achter bewegen hoofd beperkt.

4. a. (...)

b. Hoe luidt uw prognose? langdurig genezingsproces.

c. In welke mate acht u onderzochte op dit moment functioneel beperkt, zonder rekening te houden met zijn arbeid? nek + hoofdpijn (bew. beperking) 50%.'

2.9. [eiser] heeft zich op 24 mei 1994 bij het GAK ziek gemeld.

2.10. Op verzoek van het GAK heeft [eiser] neuroloog G. Kropveld geconsulteerd. Deze doet op 18 augustus 1994 zijn rapportage aan het GAK toekomen, waarin onder meer is opgenomen:

'Anamnese:

Specieel: Op 1 juli 1993 omstreeks 8 uur 's morgens gezeten achter het stuur van zijn auto, op weg naar zijn werk, gordels aan, stilstaand voor een stoplicht met hoge snelheid van achteren aangereden. Geen anticipatie, geen voet op de rem, geen trekhaak. Betrokkene is niet bewusteloos geweest, geen uitwendig letsel. Direct aansluitend een stijve pijnlijke nek, tegen de avond geassocieerd met hoofdpijn. De klachten bereikten na een dag of 3 een maximum en zijn daarna maandenlang op een plateau gebleven met lichte fluctuaties afhankelijk van locale belasting. (...)

Specificatie:

De nekpijn is permanent aanwezig, verloopt golvend, met enige toename door de dag en bij bukken. Maximale rotaties, flexie en extensie zijn door de pijn niet mogelijk. Het maximum daarvan geeft hij aan vlak boven vertebra prominens met opstraling in de middenlijn tot in het achterhoofd. Als de nekpijn erger wordt, ontstaat obligaat hoofdpijn, die gevoeld wordt in het achterhoofd en frontaal (drukkend).

(...)

Na zijn ontslag heeft betrokkene maandenlang intensief gesolliciteerd, waarbij het gaandeweg tot hem is doorgedrongen dat hij met zijn gedeeltelijke aaw/wao-uitkering en zijn leeftijd vrijwel zeker niet meer aan de slag zal komen.

(...)

Conclusie:

De hoofd- en nekklachten zijn mogelijk manifestaties van een post-whiplash syndroom. Gezien de toestand heden bij onderzoek ruim 1 jaar na het ongeval acht ik daaraan geen consequenties meer te verbinden met betrekking tot geschiktheid tot het verrichten van de voor hem geduide funkties, waarbij al rekening werd gehouden met een andere handicap (linker knie).'

2.11. Per 13 september 1994 is [eiser] door het GAK hersteld verklaard (met betrekking tot de functie van magazijnmedewerker dan wel daarmee vergelijkbare functies).

2.12. Op 13 september 1994 heeft [eiser] zich wederom ziek gemeld. Per 17 oktober 1994 is hij door het GAK hersteld verklaard.

2.13. Van beide beslissingen van het GAK is [eiser] in beroep gegaan.

2.14. Aegon heeft voor [eiser] een medische expertise geëntameerd bij neuroloog L.H. Penning de Vries-Bos, die op 3 april 1995 onder meer als volgt aan Aegon rapporteert:

'Nek en schoudergordel: drukpijn vertebraal en paravertebraal cervicaal over het hele traject. Bewegingen in alle richtingen zijn pijnlijk maar niet beperkt.

Conclusie:

Whiplashtrauma in juli 1993 met als restklachten pijn in nek en hoofd. Bij neurologisch onderzoek geen uitvalsverschijnselen.

(...)

In antwoord op uw vragen het volgende:

1. De diagnose luidt whiplashtrauma waarvoor aanvankelijk rust en fysiotherapie werden voorgeschreven met redelijk resultaat.

2. De klachten van patiënt zouden niet zijn ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen. De restklachten moeten op medische gronden in redelijkheid als ongevalsgevolg worden beschouwd.

3. M.i. is er een eindtoestand met betrekking tot de ongevalsgevolgen.

De functiestoornis op neurologisch gebied als gevolg van het ongeval kan worden uitgedrukt in een percentage van 5%, rekening houdend met de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.

4. Bij activiteiten van het dagelijks leven en in de vrijetijdsbesteding wordt patiënt niet gehinderd, bij de beroepsuitoefening in feite ook niet omdat hij nu geen werk heeft. Wel stelt patiënt dat hij t.g.v. de klachten moeilijker aan het werk komt.'

2.15. De rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht, heeft in het kader van het door [eiser] ingestelde beroep met betrekking tot de twee hersteldverklaringen van het GAK van 13 september 1994 en 17 oktober 1994 een deskundigenonderzoek gelast, uit te voeren door neuroloog A.H.C. Geerlings. In zijn deskundigenrapport van 13 november 1995 is onder meer opgenomen:

'Diagnose:

Post-whiplash syndroom, leidend tot pijn en verminderde beweeglijkheid van de nek (...).

Bespreking:

De huisarts heeft mij gemeld dat betrokkene een nektrauma doormaakte in 1993. Naar blijkt uit de gedingstukken heeft hij zich ziek gemeld in maart 1994 met als voornaamste klacht duizeligheid. Hij heeft dus gewerkt in de funktie van magazijnmedewerker van eind juli of begin augustus 1993 tot 17 maart 1994. Op grond van het whiplash-letsel klaagt betrokkene over pijn in de nek en werd door mij een beperkte beweeglijkheid van de nek geconstateerd. De klacht over duizeligheid leidt niet tot een gestoorde funktie van het evenwicht, zoals bij mijn neurologisch onderzoek bleek. De duizeligheid is ter beoordeling van de arbeidsongeschiktheid derhalve niet belangrijk. Ik heb mij afgevraagd in hoeverre de arbeid als magazijnmedewerker voldoende passend zou zijn en voldoende nekontlastend, gezien de voorgeschiedenis. Gezien het feit dat betrokkene deze arbeid heeft kunnen verrichten gedurende lange tijd, meen ik dat voldoende vast staat dat hij hiertoe in staat geacht kan worden.

Conclusie:

Eiser was, naar mijn medisch oordeel, en na 17 oktober 1994, geschikt tot het verrichten van arbeid als magazijnmedewerker.'

2.16. Op 26 maart 1996 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan. In die procedure heeft het GAK haar standpunt met betrekking tot de hersteldverklaring per 13 september 1994 ingetrokken naar aanleiding waarvan het besluit van het GAK d.d. 12 september 1994 door de rechtbank is vernietigd. Met betrekking tot de tweede ziekmelding heeft de rechtbank op grond van de rapportage van Geerlings het beroep van [eiser] ongegrond verklaard, waarmee [eiser] per 17 oktober 1994 arbeidsgeschikt is verklaard. Tegen die uitspraak heeft [eiser] geen beroep aangetekend.

2.17. [eiser] heeft zich op 22 mei 1996 bij het GAK ziek gemeld. Per 5 augustus 1996 is hij door het GAK hersteld verklaard, van welke beslissing [eiser] in beroep is gegaan.

2.18. In het kader van deze beroepsprocedure achtte de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht, deskundige voorlichting van belang en heeft psychiater G.M.M.L. Frijns verzocht een deskundigenonderzoek te verrichten. Het deskundigenrapport van Frijns van 7 april 1997 bevat onder meer de navolgende inhoud:

'Diagnose

Posttraumatische stressstoornis na auto-ongeluk bij man met enigszins kwetsbare persoonlijkheid met verder onbelaste voorgeschiedenis.

Conclusie uit eigen onderzoek

(...)

Op 1 juli '93 heeft hij een auto-ongeluk gehad (...) Er is nog steeds een forse en niet te hanteren angst voor herhaling.

Tot 20 juli '93 is hij ziek gebleven en daarna heeft hij zijn werk wel volgehouden tot het ontslag op 1 oktober '93, maar wel met voortdurend opnemen van snipperdagen. Zijn klachten zijn toen ontstaan, en mogelijk nog verergerd door het verlies van zijn hele maatschappelijke leven door het ontslag. Hij heeft deze teruggang, zijn eigen beperkingen volstrekt niet kunnen verwerken. Dit heeft het herstel zeker niet bevorderd.

Op basis van zijn klachtenpatroon kan niet echt van een depressie in engere zin maar wel van een posttraumatische stressstoornis gesproken worden. Op basis van daarvan is er zeker sprake geweest van een sterk verminderde belastbaarheid en was hij niet meer in staat te achten voor zijn eigen aangepaste functie van '92.

(...)

Beantwoording vraagstelling

Op basis van de gegevens uit het dossier, mijn eigen onderzoek, en de verkregen informatie luidt dan de conclusie, dat eiser naar mijn medisch oordeel op en na 5 augustus 1996 ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid van magazijnmedewerker in een aangepaste functie.'

2.19. Aegon heeft op 3 maart 1997 aan [eiser] een bedrag van ƒ 10.000,- (EUR 4.538,-) uitgekeerd. Aegon heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband bestaat tussen het verkeersongeval en de arbeidsongeschiktheid van [eiser]. Deze wijt zij geheel aan het bedrijfsongeval en het ontslag.

2.20. Per 21 mei 1997 ontvangt [eiser] een WAO uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.

2.21. In de beroepsprocedure met betrekking tot de hersteldverklaring van 5 augustus 1996 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan en geconstateerd dat het GAK bij brief van 2 juli 1997 heeft meegedeeld het bestreden besluit niet langer te handhaven. De rechtbank heeft het beroep vervolgens niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van (proces)belang.

2.22. [eiser] heeft bij dagvaarding van 14 december 2000 bij de rechtbank Rotterdam, sector kanton een civielrechtelijke procedure jegens [werkgever] aanhangig gemaakt wegens schending van de zorgplicht ingevolge artikel 7:658 BW.

2.23. In het kader van deze procedure heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 25 juli 2002 een deskundigenonderzoek gelast en als deskundigen neuroloog E. Oosterhof en orthopedisch chirurg J.H. Postma benoemd. In het door hen uitgebrachte deskundigenbericht van 5 juni 2003 is onder meer opgenomen:

'VI. CONCLUSIE:

a. Op orthopedisch gebied (...) Er resteert thans een milde tot matige patellofemorale posttraumatische artrose. Er is op dat punt een verminderde patellofemorale belastbaarheid. (...)

b. Vanuit neurologisch oogpunt overkwam betrokkene op 01.07.1993 een ongeval waarbij sprake was van een typische achteropaanrijding. Het is zeer aannemelijk dat hij daarbij een acceleratie/deceleratietrauma van de nek heeft opgelopen. Vervolgens heeft hij een klachtenpatroon ontwikkeld waarin vooral nek- en hoofdpijnklachten op de voorgrond stonden (en staan). Te dienaangaande kan gesproken worden van een postwhiplashsyndroom. (...)

BEANTWOORDING VAN DE DOOR U GESTELDE VRAGEN:

(...)

Vraag 2: Zijn de eventueel door u vastgestelde klachten en/of afwijkingen aan te merken als gevolg van het arbeidsongeval op 20.02.1991 en/of van het verkeersongeval op 01.07.1993 of is er sprake van een samenloop van oorzaken?

Antwoord: (...)

Kortom: de knieklachten links hangen alleen samen met het ongeval van 20.02.1991 (...), terwijl de hoofd- en nekklachten alleen samenhangen met het ongeval van 01.07.1993 (...).

(...)

Vraag 5: Welke beperkingen ten aanzien van loonvormende arbeid in het algemeen heeft betrokkene de afgelopen jaren ondervonden als gevolg van het arbeidsongeval respectievelijk het verkeersongeval respectievelijk andere factoren, al dan niet in samenloop?

Antwoord: Op orthopaedisch gebied moet worden gesteld dat wat betreft loonvormende arbeid in het algemeen betrokkene de afgelopen jaren beperkt is geweest ten aanzien van intensieve kniebelastende arbeid als gevolg van het doorgemaakte arbeidsongeval. (...)

Neurologisch gesproken heeft betrokkene sinds het ongeval op 01.07.1993 het beeld van een postwhiplashsyndroom. De aanwezigheid daarvan brengt beperkingen met zich mee bij het verrichten van lichamelijk zware, vooral nekbelastende bezigheden, met name wanneer deze langdurig volgehouden dienen te worden. Te denken valt aan langdurig gebukt staan of boven schouderhoogte werken, maar ook aan heel lang zitten, staan en lopen en aan zwaar tillen, sjouwen, duwen en trekken. Bovendien zijn er beperkingen bij klimmen en klauteren. Bij deze beperkingen gaat het dus niet alleen om de activiteiten als zodanig, maar vooral ook om een beperking bij de duurbelasting.

(...)

Vraag 8: Zijn de beperkingen die [eiser] heeft ondervonden en/of nog ondervindt ten aanzien van zijn mogelijkheid om loonvormende arbeid te verrichten mede beïnvloed door andere factoren, dan de gevolgen van de beide hiervoor bedoelde ongevallen?

Antwoord: Naar ons oordeel is het niet onmogelijk dat de beperkingen die betrokkene ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid mede beïnvloed zijn door psychische factoren. Deze hebben een negatieve uitwerking op de beleving van de klachten en op zijn functioneren in het algemeen. (...) Ter beoordeling van de psychische toestand heeft hij bovendien een psychiatrisch onderzoek ondergaan waaruit naar voren kwam dat er sprake was van een posttraumatische stressstoornis bij een (tevoren) kwetsbare persoonlijkheid. Het kan niet gesteld worden dat de psychische status de oorzaak is van de thans nog aanwezige klachten, maar zij kunnen eerder beschouwd worden als een gevolg daarvan, om vervolgens weer aanleiding te geven tot een negatieve beïnvloeding.'

2.24. In juni 2005 heeft de kantonrechter eindvonnis gewezen. Daarbij is [werkgever] geheel aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het bedrijfsongeval tot 1 juli 1993 en is de nadien door [eiser] geleden inkomensschade voor 40% toegeschreven aan dat bedrijfsongeval. De veroordeling ten laste van [werkgever] sluit op EUR 58.340,40 (inclusief wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 6.000,- en smartengeld en met verrekening van het door [werkgever] betaalde voorschot). [werkgever] heeft aan de ingevolge dit vonnis aan haar opgelegde veroordeling voldaan. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert zakelijk weergegeven - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van Aegon tot betaling van

a. EUR 130.850,- aan verlies aan verdienvermogen, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 98.545,40 vanaf 1 oktober 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. EUR 8.073,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 4.500,- vanaf 14 december 2000 en over EUR 3.578,43 vanaf 21 oktober 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

c. de proceskosten.

3.2. Ter onderbouwing van de vordering genoemd onder 3.1. a. stelt [eiser] dat er in dit geval sprake is van een samenloop van oorzaken op grond waarvan Aegon en [werkgever] hoofdelijk voor de gehele schade ten gevolge van het bedrijfsongeval en het verkeersongeval dienen op te komen. In de procedure bij de kantonrechter is door het Nederlands Rekencentrum Letselschade (hierna: NRL) berekend dat (de ingevolge het vonnis van de kantonrechter voor rekening van [werkgever] komende) 40% van de volledige schade EUR 52.340,- bedraagt waarbij wettelijke rente opgeteld moet worden, berekend over een bedrag van EUR 39.418,16 vanaf 1 oktober 2004. Dat betekent dat de totale schade uitkomt op een bedrag van EUR 130.850,-, bij een wettelijke rente te berekenen over een bedrag van EUR 98.545,40. Bij de uiteindelijke betaling door Aegon mag rekening worden gehouden met niet terugvorderbare bedragen die door [werkgever] zijn uitbetaald aan [eiser].

3.3. De vordering genoemd onder 3.1. b. ziet op het totaalbedrag aan buitengerechtelijke kosten die [eiser] heeft gemaakt bij zijn pogingen tot het buitengerechtelijk innen van (voornamelijk) het volledige door hem geleden verlies aan verdienvermogen.

3.4. Aegon voert gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

Hoofdelijkheid

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de grootste schadepost die [eiser] vordert, inkomensschade is ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid. Daarbij geldt het volgende. Voor toepassing van artikel 6:102 BW is vereist dat de gebeurtenissen waarvoor (in onderhavige zaak) [werkgever] en Aegon aansprakelijk zijn, 'dezelfde schade' hebben veroorzaakt. Dat is niet het geval. Ten gevolge van het bedrijfsongeval lijdt [eiser] - onder meer - inkomensschade omdat hij 100% arbeidsongeschikt is geraakt met betrekking tot de uitoefening van zijn voormalige functie als hoofd onderhoudsmonteur en nog slechts inkomen kan genereren op het niveau van de functie van magazijnmedewerker dan wel daarmee vergelijkbare functies. Deze schade lijdt [eiser] ongeacht of het verkeersongeval hem al dan niet zou zijn overkomen, waarmee tussen dit deel van de schade en het verkeersongeval geen causaal verband (in de zin van condicio sine qua non) bestaat. Aegon is slechts aansprakelijk voor eventuele extra inkomensschade die [eiser] lijdt als gevolg van het verkeersongeval. Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele inkomensschade is dus niet aan de orde. De rechtbank passeert tevens de stelling van [eiser] dat hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade opnieuw in beeld komt, vanaf het moment dat [werkgever] en Aegon beide aansprakelijk zijn te achten voor de arbeidsongeschiktheid van [eiser] voor de functie van magazijnmedewerker ten gevolge van de posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS). Artikel 6:102 BW betreft slechts een regeling die ziet op hoofdelijke aansprakelijkheid indien van meet af aan de gehele schade als 'dezelfde schade' kan worden gedefinieerd en daarvan is hier geen sprake.

(Medische) causaliteit

4.2. Aegon betoogt ten verwere dat het causaal verband tussen het haar regarderende verkeersongeval en de gestelde arbeidsongeschiktheid van [eiser] ontbreekt.Ten eerste lijdt [eiser] volgens Aegon niet aan een postwhiplashsyndroom (hierna: PWS), nu voor een terecht stellen van deze diagnose volgens de criteria van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (hierna: NVvN) een beperkte nekfunctie noodzakelijk is. Daarvan is bij [eiser] geen sprake. Zou toch worden geconstateerd dat sprake is van een PWS dan betreft dit volgens Aegon een dusdanig licht syndroom dat dat niet in de weg staat aan het genereren van loonvormende arbeid. Ten tweede is de belangrijkste reden waarom [eiser] vanaf 1997 een volledige WAO uitkering geniet volgens Aegon gelegen in de PTSS. Naar de mening van Aegon is er geen oorzakelijk verband tussen het verkeersongeval en de PTSS. Deze stoornis is uitsluitend het gevolg van het ontslag van [eiser] bij [werkgever], aldus Aegon.

4.3. De rechtbank kan Aegon hierin niet volgen en neemt daarbij het volgende in aanmerking.

PWS

4.4. De rechtbank constateert dat alle opvolgende neurologen - te weten - Kropveld, Penning de Vries-Bos, Geerlings en Oosterhof (vergelijk r.o. 2.10., 2.14., 2.15. en 2.23.) onafhankelijk van elkaar - aan de hand van een uitgebreide anamnese en lichamelijk onderzoek - zijn gekomen tot de diagnose PWS. In dat licht bezien, passeert de rechtbank het verweer van Aegon dat er geen sprake zou zijn van een PWS vanwege het enkele feit dat de nekfunctie van [eiser] niet beperkt is, als onvoldoende feitelijk geadstrueerd. Een zo stringente interpretatie van de richtlijnen van de NVvN is niet aan de orde, zoals ook volgt uit de toepassing van deze richtlijnen door de neurologen die in onderhavige zaak de deskundigenrapporten hebben opgesteld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het vanuit juridisch oogpunt niet per definitie relevant is of de door [eiser] ervaren klachten kunnen worden geduid als PWS. Voldoende is dat het causaal verband wordt aangetoond tussen de (pijn)klachten die [eiser] ondervindt en het onderhavige verkeersongeval. Gezien de in het geding gebrachte medische informatie is dit causaal verband aangetoond evenals de omvang van de (pijn)klachten en daarmee gepaard gaande beperkingen.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] feitelijk niet arbeidsongeschikt te achten is door het PWS. Daarbij is van belang dat uit de medische informatie volgt dat [eiser] mogelijk enige beperkingen ondervindt ten gevolge van het PWS bij de uitoefening van de functie van magazijnmedewerker dan wel daarmee vergelijkbare functies (vergelijk het deskundigenbericht van Oosterhof / Postma bij de beantwoording van vraag 5, r.o. 2.23.). Echter, tot zijn ontslag heeft hij zijn werk wel kunnen volhouden. De klachten ten gevolge van het PWS zijn nadien ook nog verminderd. Daarnaast is het GAK tot het oordeel gekomen dat [eiser] ondanks het PWS onveranderd arbeidsgeschikt te achten was voor de functie van magazijnmedewerker, welk oordeel de rechtbank Rotterdam heeft overgenomen in het kader van de hersteldverklaring van 17 oktober 1994. Tegen deze beslissing heeft [eiser] geen beroep aangetekend.

PTSS

4.6. Tijdens de comparitie van partijen heeft Aegon aangevoerd dat de door Frijns gestelde diagnose PTSS te kort door de bocht is daar aan veel voorwaarden dient te worden voldaan voordat sprake is van een PTSS. De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer. Daargelaten dat dit onvoldoende feitelijk is geadstrueerd om de rechtbank reden te geven het uitgebreide deskundigenbericht van Frijns op dit punt te passeren, heeft Aegon tijdens de comparitie van partijen erkend dat er psychische beperkingen bij [eiser] te duiden zijn. Het label dat wordt geplakt op deze psychische beperkingen acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang. Voorts heeft Aegon tijdens de comparitie aangegeven dat het ook haars inziens een multifactorale kwestie betreft. Hiermee geeft zij blijkbaar aan dat naast de 'life events' die voor rekening van [werkgever] komen ook het verkeersongeval in de causale keten een rol speelt. Al daarom is Aegons verzoek om nog een psychiatrisch deskundigenbericht naar de werkelijke oorzaak van de psychische beperkingen overbodig. Bovendien heeft Frijns in zijn rapportage op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden zijn conclusies steunen. Deze gronden kunnen zijn conclusies ook dragen. De bevindingen van Frijns leiden de rechtbank tot het oordeel dat de PTSS naast de in deze niet causaal gerelateerde en voor risico van [werkgever] komende 'life events', zijn oorzaak vindt in het verkeersongeval en dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] met betrekking tot de functie van magazijnmedewerker dan wel daarmee vergelijkbare functies daarom deels aan het verkeersongeval dient te worden toegerekend. Nu hierna zal blijken dat deze wèl causaal gerelateerde arbeidsongeschiktheid geen extra verlies van inkomsten tot gevolg heeft gehad, kan de rechtbank de schatting van het percentage arbeidsongeschiktheid voor de functie van magazijnmedewerker dat toe te rekenen is aan het verkeersongeval, achterwege laten.

Verlies van inkomsten

Algemeen

4.7. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid beoordeling van de omvang van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen geschiedt door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zo'n vergelijking komt het aan op een schatting naar redelijkheid door de rechter van de goede en kwade kansen.

4.8. Zoals tijdens de comparitie van partijen is besproken, heeft de rechtbank het volgende geconstateerd, welke bevindingen door partijen feitelijk niet zijn weersproken.

[eiser] is door het bedrijfsongeval 100% arbeidsongeschikt geraakt voor de functie van hoofd onderhoudsmonteur, maar is 100% arbeidsgeschikt te achten voor de functie van magazijnmedewerker. Tot de datum van zijn ontslag (1 oktober 1993) heeft [eiser] zijn volledige loon als hoofd onderhoudsmonteur behouden ingevolge de CAO. De ZW/WAO uitkering ging tot dan toe naar [werkgever]. Blijkens de GMD rapportage van 1 oktober 1992 (overgelegd als productie 6 onder i. bij brief van 12 juni 2007 met bijlagen aan de zijde van [eiser]) is De WAO uitkering gebaseerd op het loon van hoofd onderhoudsmonteur (maatmanloon ƒ 4.256,81 bruto, verdienloon als magazijn medewerker ƒ 2.516,67 bruto), leidend tot een WAO uitkering van 35-45%. [eiser] heeft vanaf 1 oktober 1993 70% van zijn laatst verdiende loon als hoofd onderhoudsmonteur ontvangen (exclusief de ontslagvergoeding) via WAO en WW. Per 21 mei 1997 is deze uitkering op dat niveau gehandhaafd gebleven, nu via een volledige WAO uitkering.

4.9. Om de aanvangsdatum voor de schadeberekening te bepalen, is van belang dat [eiser] tot eind mei 1996 arbeidsgeschikt is geweest met betrekking tot de functie van magazijnmedewerker. Dat betekent dat er tot in mei 1996 geen inkomstenderving is die causaal gerelateerd is aan het verkeersongeval omdat Aegon slechts aansprakelijk is voor de eventuele extra inkomensschade die [eiser] lijdt omdat hij zijn functie van magazijnmedewerker niet meer kan uitoefenen. Nu de PTSS sedert eind mei 1996 heeft geleid tot volledige arbeidsongeschiktheid, neemt de rechtbank als aanvangsdatum voor de berekening 1 januari 1996.

Situatie na verkeersongeval

4.10. Voor het cijfermateriaal dat gekoppeld moet worden aan de feitelijke inkomenssituatie vanaf 1 januari 1996, neemt de rechtbank de gegevens over uit de 2e rapportage van het NRL (overgelegd als onderdeel van productie 10 bij dagvaarding). Bij het opmaken van de rapportage is 1 januari 2001 als kapitalisatiedatum aangehouden. Tot en met 2000 zijn de daadwerkelijke inkomensgegevens bekend. Ook voor 2001 houdt de rechtbank het door NRL berekende inkomen aan.

4.11. De rechtbank merkt nog op dat de ontslagvergoeding die [eiser] van [werkgever] heeft ontvangen (en die in de NRL rapportage als lijfrente is meegenomen) voor de onderhavige schadeberekening buiten beschouwing is gelaten. Zou deze lijfrente in de situatie na verkeersongeval als inkomen worden meegenomen, dan ontstaat er een scheef beeld bij de vergelijking met het hypothetische inkomen dat [eiser] als magazijnmedewerker zou hebben kunnen verdienen zonder verkeersongeval.

Hypothetische situatie zonder verkeersongeval

4.12. De rechtbank gaat er in de situatie zonder verkeersongeval veronderstellenderwijs van uit dat [eiser] 100% arbeidsgeschikt zou zijn gebleven voor de functie van magazijnmedewerker. Dat uitgangspunt is niet geheel correct, nu is geoordeeld dat de PTSS slechts ten dele aan het verkeersongeval is toe te rekenen, zodat het de vraag is of [eiser] - zonder het verkeersongeval - toch deels arbeidsongeschikt zou zijn geraakt voor zijn functie als magazijnmedewerker. Voor de berekening in onderhavige procedure laat de rechtbank deze nuance buiten beschouwing, aangezien een uitgangspunt ontstaat dat in de relatie [eiser] / Aegon voordelig uitvalt voor [eiser]. Als er aan de hand van dit uitgangspunt een schadebedrag uit de berekening zou voortvloeien dan zou dit door Aegon te betalen schadebedrag immers dienen te worden verminderd met de schade die samenhangt met het aandeel arbeidsongeschiktheid voor de functie van magazijnmedewerker dat aan het bedrijfsongeval en het ontslag is toe te schrijven.

4.13. Om het inkomen dat van [eiser] als magazijnmedewerker zou hebben gegenereerd, te berekenen, heeft de rechtbank met betrekking tot de jaarlijkse loonaanpassingen aansluiting gezocht bij de berekening van het NRL (overgelegd als onderdeel van productie 8 bij dagvaarding). In die berekening wordt weliswaar uitgegaan van het loon dat [eiser] zou hebben verdiend als hoofd onderhoudsmonteur, maar dat is geen beletsel om voor jaarlijkse loonsverhogingen aan te haken bij de NRL rapportage, nu niet is gesteld of gebleken dat voor een magazijnmedewerker beduidend andere loonsverhogingen gelden dan in dezelfde branche voor gebruikelijk is aangenomen.

4.14. Zoals reeds is overwogen (zie r.o. 4.8.), zou [eiser] - als magazijnmedewerker - ƒ 2.517,- bruto per maand hebben verdiend (inclusief vakantiegeld en gratificatie) hetgeen in 1993 op een bruto jaarinkomen van (12 x ƒ 2.517,- =) ƒ 30.204,- sluit. In de NRL rapportage is het loon tot en met 1994 (op basis van informatie van [werkgever] met betrekking tot het loon van hoofd onderhoudsmonteur) met een gemiddeld stijgingspercentage van 1,8 verhoogd. Over de jaren 1995 en 1996 wordt in deze rapportage niets gemeld, maar kijkend naar de cijfers in de aangepaste NRL berekening (overgelegd als onderdeel van productie 10 bij dagvaarding), blijkt dat het NRL deze loonsverhoging ook in 1995 en 1996 heeft toegepast. Uit de 1e NRL rapportage volgt voorts dat de gemiddelde loonsverhoging tussen 1997 en 2000 op 3% ligt. De rechtbank neemt dit als aanknopingspunten over en rekent met een loonstijging van 1,8% voor de jaren 1994 tot en met 1996 en 3% voor de jaren 1997 tot en met 2000. Voor 2001 houdt de rechtbank als loonsverhoging een gemiddelde prijspeilcompensatie aan van 1,2%.

Conclusie

4.15. De voornoemde uitgangspunten leveren het volgende overzicht op:

Jaartal Situatie na ongeval (bruto) Hypothetische situatie zonder ongeval (bruto)

1996 ƒ 37.356,- ƒ 31.863,-

1997 ƒ 36.732,- ƒ 32.819,-

1998 ƒ 44.277,- ƒ 33.804,-

1999 ƒ 39.400,- ƒ 34.818,-

2000 ƒ 40.668,- ƒ 35.863,-

2001 ƒ 39.980,- ƒ 36.293,-

4.16. De rechtbank is zich ervan bewust dat niet de bruto maar de netto inkomenssituatie met en zonder verkeersongeval vergeleken dient te worden. Blijkens de NRL-rapportage moet vóór en na ongeval worden uitgegaan van een vergelijkbaar fiscaal regime. Dat wettigt derhalve de conclusie dat bovenstaande bruto gegevens genetteerd eenzelfde beeld zullen geven, te weten: een hoger netto inkomen met verkeersongeval dan zonder verkeersongeval. Voor de situatie vanaf 2002 acht de rechtbank - evenals het NRL - het jaar 2001 als peildatum bruikbaar. Niet is immers gesteld of gebleken dat [eiser] in de functie van magazijnmedewerker carrièrekansen zou hebben gehad die sprongsgewijze substantiële loonsverhogingen met zich zouden hebben gebracht.

4.17. Het voorgaande betekent dat [eiser] qua inkomen geen nadeel ondervindt van het feit dat hij geheel arbeidsongeschikt is geworden voor de functie van magazijnmedewerker. Het gehele inkomensverlies vloeit daarmee voort uit het bedrijfsongeval en is niet gerelateerd aan het verkeersongeval.

Pensioenschade

4.18. Uit de brief van KPMG van 20 maart 2000 (overgelegd als één van de bijlagen bij productie 8 bij dagvaarding) volgt dat de pensioenopbouw van [eiser] gedeeltelijk wordt voortgezet. Blijkens de NRL berekening is ook de pensioenschade berekend op basis van het loon van een hoofd onderhoudsmonteur. Nu [eiser] geen verlies aan inkomsten lijdt ten gevolge van het verkeersongeval (maatman magazijnmedewerker) en er geen onderbouwing voorligt waaruit blijkt dat dat voor de pensioenschade anders is, moet de rechtbank het ervoor houden dat ook de gevorderde pensioenschade zuiver is gerelateerd aan het bedrijfsongeval.

4.19. De vordering genoemd onder 3.1. a. ligt met verwijzing naar het voorgaande voor afwijzing gereed.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.20. De kantonrechter heeft bij de veroordeling van [werkgever] EUR 6.000,- aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen (vergelijk r.o. 2.24.). Dat betekent dat een bedrag van EUR 2.037,- van de onder 3.1. b. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten resteert. De rechtbank acht dit bedrag als gemaakte kosten ten gevolge van het verkeersongeval redelijk, zodat dit deel van de vordering in beginsel zal worden toegewezen (zie tevens r.o. 4.22.). Daarbij houdt de rechtbank rekening met de gewisselde correspondentie en met het feit dat [eiser] Aegon meermaals heeft moeten rappelleren. Voorts is van belang dat ook Aegon zich aanvankelijk kennelijk niet heeft gerealiseerd dat voor de WAO uitkering als maatman de functie van hoofd onderhoudsmonteur is gehanteerd (bij conclusie van antwoord geeft Aegon zelfs aan dat voor de WAO uitkering is uitgegaan van het salaris van magazijnmedewerker). Het is ook aan Aegon te wijten dat deels op basis van foutieve uitgangspunten preprocessueel is gediscussieerd.

4.21. [eiser] vordert (uitgaande van het bedrag van EUR 2.037,-) wettelijke rente vanaf 21 oktober 2004. Aegon betoogt ten verwere dat onduidelijk is op welke wijze [eiser] tot de berekening van wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is gekomen. Nu [eiser] niet nader heeft toegelicht waarop de datum van 21 oktober 2004 is gebaseerd, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van dagvaarding (25 september 2006).

Verrekening

4.22. Aegon betoogt ten verwere dat zij de volledige door [eiser] ten gevolge van het verkeersongeval geleden schade heeft vergoed met het door haar reeds betaalde voorschot (vergelijk r.o. 2.19.). De rechtbank passeert dit verweer. Het voorschot ad EUR 4.538,- is volgens Aegon betaald ter vergoeding van smartengeld en economische kwetsbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank is naar huidige maatstaven een (geïndexeerde) smartengeld-vergoeding van EUR 4.000,- redelijk. Voorts acht de rechtbank in verband met de door [eiser] opgelopen whiplash en de PTSS een uitkering van EUR 5.000,- wegens economische kwetsbaarheid op zijn plaats. Dat betekent dat een door Aegon te betalen bedrag van (EUR 2.037,- + EUR 4.000,- + EUR 5.000,- - EUR 4.538,- =) EUR 6.499,- resteert. Dit bedrag komt voor toewijzing in aanmerking.

Proceskosten

4.23. Aegon zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waarbij de rechtbank voor de berekening van deze kosten uitgaat van het liquidatietarief gerelateerd aan het toe te wijzen bedrag.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Aegon om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] een bedrag van EUR 6.499,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Aegon in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden bepaald op EUR 960,- aan salaris van de procureur en EUR 3.139,87 aan verschotten,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willink, mr. S.J. Hoekstra - van Vliet en mr. H.M. Boone en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.?