Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8140

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
19-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/2796 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting 2002. Autokostenforfait DGA. Eiser is als directeur-grootaandeelhouder in dienst van zijn B.V., welke B.V. maat is in de maatschap. De maatschap stelt aan eiser een personenauto ter beschikking, die hij zowel voor zakelijke als voor prive doeleinden gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2008/1.4
V-N 2008/18.15 met annotatie van Redactie
FutD 2007-2216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2796 IB/PVV

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Y.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 6 februari 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.959.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [...].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Eiser heeft ter zitting zijn beroep ingetrokken voor zover het is gericht tegen de aanslag in de premie ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en tegen het niet verlenen van zelfstandigenaftrek. Derhalve is uitsluitend nog in geschil of verweerder terecht het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning op grond van artikel 3.82 juncto artikel 3.145 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2002, hierna: de Wet) heeft verhoogd met een voordeel wegens een ook voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto.

2.2. Voor dit geschil kan worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten. Eiser is belastingadviseur en is als directeur-grootaandeelhouder in dienst van [A.] B.V., welke B.V. maat is in de maatschap [B.] Accountants & Belastingadviseurs (hierna: [B.]). [B.], althans de gezamenlijke maten, is c.q. zijn eigenaar van (onder andere) een personenauto met een cataloguswaarde van € 68.067. [B.] stelt de auto ter beschikking aan eiser, die deze zowel voor zakelijke als voor privédoeleinden gebruikt. [B.] neemt alle kosten van de auto voor haar rekening en de B.V. betaalt aan [B.] een vergoeding van circa € 8.000 per jaar voor de afschrijvingslasten. Eiser is voor het gebruik van de auto geen vergoeding verschuldigd.

2.3. Eiser meent kort gezegd dat de bijtelling achterwege moet blijven, omdat de auto niet door zijn werkgever, de B.V., maar door een derde, [B.], ter beschikking is gesteld en hij derhalve het voordeel uit de terbeschikkingstelling niet als werknemer heeft genoten. Ter zitting heeft hij het standpunt ingenomen dat een eventueel te belasten voordeel € 8.000 bedraagt, zijnde het bedrag van de door de B.V. aan [B.] betaalde vergoeding.

2.4. Op grond van de onder 2.2 vermelde feiten gaat de rechtbank ervan uit dat de auto aan eiser ter beschikking is gesteld in zijn hoedanigheid van werknemer. Gesteld noch gebleken dat de auto aan eiser in enige andere hoedanigheid ter beschikking is gesteld. Tevens volgt uit de vaststaande feiten dat eiser een voordeel heeft uit de hem ter beschikking gestelde auto. Deze staat hem immers - ook voor privé-doeleinden - ter beschikking zonder dat hij enige vergoeding verschuldigd is. Aldus is voldaan aan alle in artikel 3.82, aanhef en onderdeel a, van de Wet gestelde voorwaarden om het door eiser genoten voordeel aan te merken als loon. Anders dan eiser meent is daartoe niet vereist dat de terbeschikkingstelling geschiedt door de werkgever, in dit geval de B.V.

2.5. Eiser heeft nog aangevoerd dat artikel 3.82 van de Wet slechts van toepassing is voor de werknemer en dat een bijtelling wegens privégebruik van een auto derhalve slechts van toepassing is als sprake is van een dienstbetrekking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964) tussen een werknemer en degene die de auto ter beschikking heeft gesteld. Eiser miskent hiermee dat loon uit dienstbetrekking op grond van het ruime loonbegrip van artikel 3.81 van de Wet in verbinding met artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964, ook kan worden verkregen van een derde.

2.6. Eiser heeft erop gewezen dat de koppeling van de autokostenfictie in artikel 42a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 aan het verrichten van arbeid met ingang van 2001 is vervangen door een koppeling aan het werknemerschap in artikel 3.82 van de Wet. Naar het oordeel van de rechtbank ligt aan deze wijziging in de formulering van de autokostenfictie, anders dan eiser stelt, geen beleidswijziging ten grondslag. Eiser heeft hiervoor, ook desgevraagd, geen ondersteuning in de wetsgeschiedenis van de Wet aangegeven.

2.7. Ook de door eiser ter zitting ingenomen stelling van eiser dat hij (middellijk) slechts voor zijn maatschapaandeel (economisch) eigenaar is van de auto leidt niet tot een ander oordeel omdat de autokostenfictie niet aangrijpt bij de gerechtigdheid tot de auto van degene die de auto ter beschikking stelt maar bij de terbeschikkingstelling aan de werknemer.

2.8. Aangezien vaststaat dat de auto ook voor privé-doeleinden is gebruikt, dient de omvang van dit loon in natura te worden bepaald op de voet van artikel 3.145 van de Wet. Verweerder heeft dit loon op deze wijze berekend op basis van een cataloguswaarde van € 68.067, welke berekening door eiser als zodanig niet is betwist en welke de rechtbank ook juist voorkomt. Het standpunt van eiser dat de omvang van het voordeel moet worden gesteld op € 8.000 vindt geen steun in de tekst van artikel 3.145 van de Wet.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 28 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.