Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8117

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/35275
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afgifte W2-document / artikel 3.3 Vv 2000 / vereiste van zeer bijzondere omstandigheden / onverbindendheid

Afgifte W2-document aan vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van regulier aanvraag die niet in het bezit is van een paspoort. Artikel 3.3 van het Voorschrift Vreemdelingen (Vv) 2000 is mogelijk onverbindend.

De oorspronkelijke tekst van artikel 4.21 lid 1 onder d van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de wijziging daarvan, als mede de toelichting daarop en de oorspronkelijke uitwerking in 3.5 van het Vv 2000 zijn duidelijk. De uitwerking in 3.3 van het Vv 2000, waarin dit document slechts in zeer bijzondere omstandigheden wordt toegekend aan vreemdelingen zonder paspoort en met procedureel rechtmatig verblijf, is daarmee niet in overeenstemming. Toewijzing voorlopige voorziening tot afgifte van dit document.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 9
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Proces-verbaal van de zitting van 18 oktober 2007 inhoudende mondelinge

Uitspraak

artikel 8:67 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/35275

V-nr: 070.206.4181

inzake:

[Verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1985, van Beninse nationaliteit, wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

DICTUM

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verweerder verzoeker binnen twee weken na deze uitspraak in het bezit dient te stellen van het gevraagde document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 (hierna: W2-document), en hem in het bezit te laten van dit document gedurende de periode dat het beroep onder nummer AWB 07/21306 aanhangig is, tot en met de uitspraak op dat beroep.

2. Verweerder wordt veroordeeld in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--).

3. Tevens wordt bepaald dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het griffierecht ad € 143,-- vergoedt.

Aan deze uitspraak ligt de navolgende motivering ten grondslag.

MOTIVERING

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor toewijzing van het verzoek bestaat aanleiding, indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dat verweerders belang bij (uitvoering van) zijn besluit. Daarbij is met name van belang het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het besluit en derhalve de vraag of het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verzoeker in aanmerking dient te komen voor verstrekking van een W2-document.

3. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat hij, gelet op de aard en complexiteit van de materie, de onderhavige zaak niet geschikt acht voor afdoening door de enkelvoudige kamer. Als lid van de enkelvoudige kamer zal hij de zaak verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats onder meer in verband met de vraag of artikel 3.3, eerste lid aanhef en onder c en d, van het Voorschrift Vreemdelingen (Vv) 2000 in strijd is met een hoger algemeen verbindend voorschrift, te weten artikel 4.21 en 4.29 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000.

4. Ter onderbouwing van zijn belang bij toewijzing van het onderhavige verzoek heeft verzoeker gewezen op het feit dat het voor hem zonder een document waaruit zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie blijken, niet mogelijk is om zijn opleiding aan het middelbaar beroepsonderwijs te vervolgen en voltooien. Zonder een dergelijk document is het verzoeker niet toegestaan de vereiste stage te lopen. Voorts heeft verzoeker erop gewezen dat hij niet kan voldoen aan de op een ieder rustende identificatieplicht.

5. De voorzieningenrechter acht hierin voor verzoeker een concreet en spoedeisend belang aanwezig bij toewijzing van de voorziening. Omtrent enig specifiek belang van verweerder bij het onthouden van het document gedurende de beroepsprocedure is niets gebleken, en ook desgevraagd niets gesteld. Bij de belangenafweging zoals hiervoor onder 1 bedoeld speelt mee dat verweerder op grond van artikel 9 van de Vw 2000 verplicht is de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 een bescheid te verstrekken waaruit dat rechtmatig verblijf blijkt. De afgifte van het W2-document is geen onomkeerbare beslissing in die zin, dat verweerder het zal kunnen innemen als het beroep ongegrond wordt verklaard. Bovendien is het geen document voor grensoverschrijding en geeft het geen recht op verblijf. Het is slechts een document dat verbonden is met de identiteit van verzoeker waarin de aantekening kan worden geplaatst dat verzoeker rechtmatig verblijf heeft.

6. De voorzieningenrechter acht voorts in hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht voldoende grond aanwezig voor het voorlopige oordeel dat het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Daartoe overweegt hij als volgt.

7. Vast staat dat verzoeker op 7 november 2006 - na definitieve afronding van zijn asielprocedure - een aanvraag heeft ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Op 10 mei 2007 heeft verzoeker bezwaar ingediend tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Op dit bezwaar is tot op heden niet beslist. Verzoeker heeft derhalve rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000. Voorts staat vast dat verzoeker niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding. Onder deze omstandigheden heeft verzoeker op grond van artikel 4.21 van het Vb 2000, gelezen in samenhang met artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, recht op het in artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 bedoelde document, te weten een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, dat is voorzien van een inlegvel als bedoeld in artikel 4.29, derde lid, van het Vb 2000 waarop de verblijfsrechtelijke positie is aangetekend.

8. Verzoeker stelt dat hij op grond hiervan in het bezit moet worden gesteld van het zogenaamde W2-document.

9. Verweerder heeft het verzoek om verstrekking van het bedoelde W2-document evenwel niet ingewilligd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat van vreemdelingen als verzoeker die in afwachting zijn van een beslissing op een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning in alle redelijkheid kan en mag worden verwacht dat zij in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding en dat zij zich daartoe zo nodig wenden tot de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst. Van zeer bijzondere omstandigheden is niet gebleken, aldus verweerder. Deze afwijzing heeft verweerder gebaseerd op artikel 3.3, eerste lid, onder c, van het Vv 2000, waarin - voor zover van belang - is neergelegd dat in aanmerking komen voor het W2-document overige vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of een rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Vw 2000 en die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vw 2000 hebben en waarbij naar oordeel van de Minister sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

10. Verzoeker heeft tegen het standpunt van verweerder - onder meer en onder verwijzing naar een rapport over dit onderwerp van de Nationale Ombudsman van 28 maart 2007 (2007/060) - aangevoerd dat verweerder de verstrekking van een W2-document in het Vv 2000, een ministeriële regeling, ten onrechte heeft beperkt tot de situatie waarin sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Deze beperking van het Vb 2000, een algemene maatregel van bestuur, moet volgens verzoeker onverbindend worden geacht.

11. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het standpunt van verzoeker juist. Ingevolge artikel 9 van de Vw 2000 wordt aan iedere rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling een bewijs van dat rechtmatig verblijf verschaft. Hiermee wordt het de vreemdeling, zoals verzoeker, mogelijk gemaakt diens rechtmatig verblijf aan te tonen. In het onderhavige geval is hierin voorzien in artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000. Volgens de letterlijke tekst van deze bepaling valt verzoeker onder het toepassingsbereik hiervan en heeft verzoeker recht op een document met een inlegvel waarop zijn verblijfsrechtelijke positie kan worden aangetekend, dus op het gevraagde document. Niet kan uit de tekst van deze bepaling worden afgeleid dat het de bedoeling is geweest het toepassingsbereik te beperken tot de situatie waarin sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Ook uit de toelichting op deze bepaling kan de bedoeling om een dergelijke beperking aan te brengen niet worden afgeleid.

12. Hierbij wordt verwezen naar artikel 3.5 van het Vv 2000. Deze bepaling heeft betrekking op de groep vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000. Daarin wordt aan onder meer aan vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding een W2-document toegekend. Aldus was artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 in het Vv 2000 uitgewerkt voor de wijziging van die bepaling.

13. Immers, bij besluit van 8 februari 2006 is de reikwijdte van onderdeel d van het eerste lid van artikel 4.21 van het Vb 2000 uitgebreid. Sinds deze wijziging komt niet alleen de groep vreemdelingen die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000 in aanmerking voor het genoemde document, maar ook de groep vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h, van de Vw 2000. In de toelichting op deze wijziging is uitdrukkelijk de wenselijkheid geuit van het tevens aan deze groep vreemdelingen verstrekken van een verblijfsdocument om daarmee de problematiek rond het aantonen van de identiteit en het rechtmatige verblijf op te lossen. Met de door verweerder in het Vv 2000 aangebrachte beperking tot zeer bijzondere omstandigheden wordt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter derhalve voorbijgegaan aan tekst en uitdrukkelijke bedoeling van artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000. Die bij artikel 3.3 van het Vv 2000 aangebrachte beperking op het toepassingsbereik van dit artikel van het Vb 2000 moet dan ook als onverbindend worden aangemerkt.

14. De conclusie is dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

15. Ook los van het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter grond voor het voorlopige oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Zelfs in de situatie waarin uitsluitend in geval van zeer bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat voor verstrekking van een W2-document, lijkt van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake te zijn, gezien de onderbouwde stelling van verzoeker dat hij zich, conform hetgeen verweerder van vreemdelingen als hij verwacht, ter verkrijging van een document voor grensoverschrijding reeds meerdere malen zonder resultaat tot de autoriteiten van zijn land van herkomst heeft gewend.

16. Gezien het vorenstaande is er aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. S. Slijkhuis

griffier

mr. O.L.H.W.I. Korte

voorzieningenrechter

afschrift verzonden op:

Conc.: SaS

Coll.:

Bp:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Samenvatting:

Afgifte W2-document aan vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van regulier aanvraag die niet in het bezit is van een paspoort. Artikel 3.3 van het Voorschrift Vreemdelingen (Vv) 2000 is mogelijk onverbindend.

De oorspronkelijke tekst van artikel 4.21 lid 1 onder d van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de wijziging daarvan, als mede de toelichting daarop en de oorspronkelijke uitwerking in 3.5 van het Vv 2000 zijn duidelijk De uitwerking in 3.3 van het Vv 2000, waarin dit document slechts in zeer bijzondere omstandigheden wordt toegekend aan vreemdelingen zonder paspoort en met procedureel rechtmatig verblijf, is daarmee niet in overeenstemming. Toewijzing voorlopige voorziening tot afgifte van dit document.