Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8107

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/10337
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / artikel 7 Definitierichtlijn / relevante wijziging van het recht / doeltreffend juridisch systeem

Verweerder heeft eiseres in eerdere procedures tegengeworpen dat zij niet heeft aangetoond dat het bij voorbaat zinloos of gevaarlijk zou zijn om bescherming van de autoriteiten in te roepen. Partijen verschillen van mening over de vraag of dit criterium verschilt van het in artikel 7 van de Definitierichtlijn opgenomen criterium ten aanzien van de beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de aanwezigheid van een ‘doeltreffend juridisch systeem’ niet garandeert dat een persoon tegen elke vervolging zonder meer de gewenste bescherming krijgt. Eiseres heeft dit ook niet gesteld. Echter, met het stellen van het vereiste van een doeltreffend juridisch systeem is een algemene voorwaarde geformuleerd, waaraan de door het land van herkomst te treffen redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade minimaal dienen te voldoen. Het tot nu toe gehanteerde criterium bevatte niet een dergelijk algemeen criterium. Een situatie, waarin niet op voorhand vaststaat dat het inroepen van bescherming van de autoriteiten zinloos is, maar tevens ernstig kan worden getwijfeld aan de doeltreffendheid van het juridische systeem, zou toetsend aan artikel 7 van de Definitierichtlijn tot een ander resultaat kunnen leiden dan toetsend aan het tot nu toe gehanteerde criterium. Er is derhalve sprake van een wijziging van het recht. Deze wijziging is voorts relevant voor eiseres, aangezien in rechte vaststaat dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten haar niet kunnen of willen beschermen, maar eiseres nadien diverse stukken heeft overgelegd op grond waarvan de aanwezigheid van een doeltreffend juridisch systeem zoals bedoeld in artikel 7 van de Definitierichtlijn in Nigeria kan worden betwijfeld. Nu er sprake is van voor eiseres relevant nieuw recht heeft verweerder het beroep van eiseres ten onrechte op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen en binnen 48 uur in de AC-procedure afgedaan. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 07/10337

V.nr.: 070.270.5491

inzake:

[Eiseres], geboren op [geboortedatum] 1977, van Nigeriaanse nationaliteit, mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen, eiseres,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.K. Frijters, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 6 maart 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van dezelfde datum waarbij de aanvraag van eiseres van 28 februari 2007 om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van eiseres achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Bij uitspraak van 29 maart 2007, kenmerk AWB 07/10341, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

3. Het beroep is behandeld ter zitting van 6 juni 2007. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.J. Glass, als tolk in de Engelse taal.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiseres heeft op 19 juni 2002 een eerste aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 21 juni 2002 heeft verweerder hierop afwijzend beslist.

In dat besluit is voor zover hier van belang het volgende overwogen. “In Nederland bleek betrokkene het slachtoffer te zijn van vrouwenhandel en werd zij gedwongen zich te prostitueren. Overwogen wordt dat zij het slachtoffer is van een commuun delict, hetgeen geen aanknopingspunten biedt met het Verdrag. Bovendien heeft zij haar land vrijwillig verlaten en liggen aan haar vertrek geen vluchtmotieven ten grondslag. Betrokkene heeft verklaard dat zij, bij terugkeer naar Nigeria angst heeft om de dame “Madame” die haar bedreigd heeft met de dood opnieuw te ontmoeten. Betrokkene vreest voorts, dat deze dame haar, na terugkeer in Nigeria, via omkoping en leugens bij de politie van Nigeria in diskrediet zal brengen. Hiertoe wordt overwogen dat betrokkene zich na terugkeer in Nigeria kan wenden tot de Nigeriaanse autoriteiten om bescherming te vragen tegen de door haar gestelde vrees. Niet aannemelijk is gemaakt dat de autoriteiten dit niet kunnen of willen doen. Voorts wordt overwogen, dat betrokkene zich (tijdelijk) elders in Nigeria kan vestigen”. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld.

2. Op 10 augustus 2006 heeft eiseres wederom een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 16 augustus 2006 de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Bij uitspraak van 6 september 2006, kenmerk Awb 06/39780 en Awb 06/39778, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres heeft tegen voornoemde uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 oktober 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de uitspraak van 6 september 2006 bevestigd.

III. OVERWEGINGEN

1. De aanmeldcentrum (AC)-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres in de AC-procedure afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb en heeft hiertoe - samengevat - het volgende overwogen. Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht kan niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden. Over de eerder aangevoerde problemen is reeds geoordeeld dat deze niet leiden tot vluchtelingschap. Voorts is de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) geen rechtens relevant novum. Het Nederlandse beleid inzake toelating van asielzoekers zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voldoet aan de bepalingen van de Definitierichtlijn. Van een termijnoverschrijding van de 48 uurstermijn is geen sprake. Uit een brief van verweerder van 29 december 2006 blijkt dat de 48 uursprocedure niet eerder aanvangt dan op het moment dat de vreemdeling in persoon zijn aanvraag indient bij het AC. Eerst in het AC kan worden vastgesteld of het inderdaad de vreemdeling is die de ingestuurde aanvraag heeft ondertekend. Voorts heeft onderzoek naar de aanvraag geen zin als de vreemdeling niet aanwezig is en dus niet kan worden gehoord.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag niet in de AC-procedure mocht afdoen en voert hiertoe het volgende - samengevat - aan. De aanvulling op de zienswijze op 6 maart 2007 is ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken. Voorts is de 48 uurstermijn verstreken. De datum van de aanvraag is het moment waarop het aanvraagformulier per fax is toegestuurd. Verweerders stelling dat pas in het AC kan worden vastgesteld of de vreemdeling de ingestuurde aanvraag heeft ondertekend gaat niet op, aangezien eiseres eerder aanvragen heeft ingediend en verweerder bekend was met haar handtekening. Niet is gebleken dat verweerder in het AC onderzoek heeft laten doen naar haar handtekening. Het persoonlijk indienen van de aanvraag was zinloos aangezien bij de aanvraag een begeleidende brief was meegezonden waarin de nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Ten aanzien van eerdergenoemde Definitierichtlijn heeft eiseres zich beroepen op de artikelen 7 en 15, aanhef en onder c. Volgens eiseres is daarin sprake van een relevante wijziging van het recht, zodat haar aanvraag ten onrechte op grond van artikel 4:6 van de Awb is afgewezen.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ten aanzien van de beroepsgronden dat de aanvulling op de zienswijze van 6 maart 2007 ten onrechte niet bij de besluitvorming is betrokken en dat de 48 uurstermijn is verstreken ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de voorzieningenrechter hieromtrent. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij de betreffende overwegingen, opgenomen in IV.5 en IV.6 in de uitspraak van 29 maart 2007 en maakt die tot de hare. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

5. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder de aanvraag terecht op grond van artikel 4:6 van de Awb heeft afgewezen.

5.1 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

5.2 Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:6 van de Awb (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 93-94) ziet die bepaling niet op de situatie dat het recht wordt gewijzigd. Indien het voor de aanvraag relevante recht wordt gewijzigd, kan ook zonder dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een nieuwe aanvraag worden ingediend, die op grond van de dan geldende bepalingen wordt beoordeeld.

5.3 Eiseres heeft niet betwist geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan onderhavige aanvraag ten grondslag te hebben gelegd. Volgens eiseres heeft verweerder haar aanvraag evenwel ten onrechte op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen, omdat er sprake is van een relevante wijziging van het recht. Hierbij heeft eiseres zich beroepen op de artikelen 7 en 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

6. Ter beantwoording van de vraag of sprake is van een relevante wijziging van het recht, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of deze bepalingen in de Definitierichtlijn rechtstreekse werking hebben.

6.1 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover een lidstaat op bepalingen van een richtlijn beroepen in alle gevallen waarin 1) die bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn en 2) wanneer de lidstaat hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan.

6.2.1 Onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 25 januari 2007, kenmerk AWB 06/50100, oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn wordt voldaan aan voornoemde voorwaarden. Deze bepaling komt derhalve rechtstreekse werking toe.

6.2.2.1 Ten aanzien van artikel 7 van de Definitierichtlijn wordt als volgt overwogen.

6.2.2.2 Artikel 7 van de Definitierichtlijn luidt als volgt:

Actoren van bescherming

1. Bescherming kan worden geboden door:

a. de staat, of

b. partijen of organisaties, inclusief internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen.

2. In het algemeen wordt bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in lid 1 redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

3. Bij het beoordelen of een internationale organisatie een staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheerst en bescherming verleent als omschreven in lid 2, houden de lidstaten rekening met de richtsnoeren die worden gegeven in toepasselijke Raadsbesluiten.

6.2.2.3 De rechtbank is van oordeel dat artikel 7 van de Definitierichtlijn eveneens voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd om aan te nemen dat deze bepaling van gemeenschapsrecht rechtstreekse werking heeft binnen de Nederlandse rechtsorde. Voorts stelt de rechtbank vast dat de einddatum van de implementatietermijn van de Definitierichtlijn op 10 oktober 2006 is verstreken, zonder dat implementatie van de Definitierichtlijn middels aanpassingen van de Vw 2000 en/of het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft plaatsgevonden. Nu artikel 7 van de Definitierichtlijn niet is vastgelegd in een algemeen verbindend voorschrift, kan eiseres zich in het onderhavige geding daarop rechtstreeks beroepen.

7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de artikelen 7 en 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, voor eiseres een relevante wijziging van het recht inhouden.

7.1 Ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak van 29 maart 2007 overwogen dat dit ten aanzien van eiseres geen relevante wijziging van het recht is, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de situatie wat betreft vrouwenhandel in Nigeria dient te worden aangemerkt als een gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank ziet hier geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de voorzieningenrechter hieromtrent. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij de betreffende overwegingen, opgenomen in IV.11 en IV.12 in de uitspraak van 29 maart 2007 en maakt die tot de hare.

7.2.1 Ten aanzien van artikel 7 van de Definitierichtlijn heeft eiseres aangevoerd dat verweerder haar in de eerdere procedures heeft tegengeworpen dat zij niet heeft aangetoond dat het bij voorbaat zinloos of gevaarlijk zou zijn om bescherming in te roepen. Ingevolge artikel 7 van de Richtlijn dient er echter in zijn algemeenheid sprake te zijn van een doeltreffend juridisch systeem en dient de verzoeker toegang te hebben tot dit systeem. Volgens eiseres is dit een andere, lichtere maatstaf en is er derhalve sprake van een relevante wijziging van recht. Uit artikel 7 van de Richtlijn volgt volgens eiseres tevens dat de bewijslast met betrekking tot bescherming niet op de vreemdeling rust, maar op verweerder.

7.2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 7 van de Definitierichtlijn niet kan worden aangemerkt als een relevante wijziging van recht. Uit het gebruik van de term ‘redelijke maatregelen’ blijkt dat nog steeds uitgangspunt is dat nergens ter wereld een staat op voorhand kan garanderen dat een persoon tegen elke vervolging steeds de gewenste bescherming krijgt. Dat onder andere sprake moet zijn van een ‘doeltreffend juridisch systeem’ kan dan ook niet zover strekken, dat zo’n systeem garandeert dat een persoon tegen elke vervolging zonder meer de gewenste bescherming krijgt.

7.2.3 De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van de eerste asielaanvraag van eiseres mocht worden verwacht dat zij voor haar problemen bescherming zocht bij Nigeriaanse autoriteiten, tenzij dit op voorhand zinloos kon worden geacht. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of dit criterium verschilt van het in artikel 7 van de Definitierichtlijn opgenomen criterium. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de aanwezigheid van een ‘doeltreffend juridisch systeem’ niet garandeert dat een persoon tegen elke vervolging zonder meer de gewenste bescherming krijgt. Eiseres heeft dit ook niet gesteld. Echter, met het stellen van het vereiste van een doeltreffend juridisch systeem is een algemene voorwaarde geformuleerd, waaraan de door het land van herkomst te treffen redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade minimaal dienen te voldoen. Het tot nu toe gehanteerde criterium bevatte niet een dergelijk algemeen criterium. Een situatie waarin niet op voorhand vaststaat dat het inroepen van bescherming van de autoriteiten zinloos is, maar tevens ernstig kan worden getwijfeld aan de doeltreffendheid van het juridische systeem, zou toetsend aan artikel 7 van de Definitierichtlijn tot een ander resultaat kunnen leiden dan toetsend aan het tot nu toe gehanteerde criterium. Er is derhalve sprake van een wijziging van het recht. Deze wijziging is voorts relevant voor eiseres, aangezien in rechte vaststaat dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten haar niet kunnen of willen beschermen, maar eiseres nadien diverse stukken heeft overgelegd op grond waarvan de aanwezigheid van een doeltreffend juridisch systeem zoals bedoeld in artikel 7 van de Definitierichtlijn in Nigeria kan worden betwijfeld.

7.2.4 Nu er sprake is van voor eiseres relevant nieuw recht heeft verweerder het beroep van eiseres ten onrechte op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen en binnen 48 uur in de AC-procedure afgedaan.

8. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 24 oktober 2007 door mr. C.I.H. Fockens, voorzitter en mrs A.J. van Putten en E.H. de Jong-van Dooijeweert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc: ST

Coll: CU

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.