Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8090

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/11567
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / relevante wijziging van het recht / individueel ambtsbericht / concreet aanknopingspunt voor twijfel

Vaststaat dat het bestreden besluit dateert van 10 januari 2006 en dat op dat moment het besluit- en vertrekmoratorium reeds was afgeschaft. Gelet hierop is er op dit punt geen sprake van ander recht dan ten tijde van het eerdere besluit van 24 oktober 2002, toen er nog geen besluit- en vertrekmoratorium gold. Dat ten tijde van de latere aanvraag de moratoria nog wel golden doet voor de onderhavige vraag niet ter zake. Wel is het in paragraaf 5.1 van WBV 2004/43 neergelegde beleid een voor eiser relevante wijziging van het recht ten opzichte van het recht zoals dat gold ten tijde van het eerdere besluit van 24 oktober 2002.

De onderhavige aanvraag kan derhalve niet worden beschouwd als een herhaalde aanvraag. Het bestreden besluit dient derhalve getoetst te worden aan het beleid dat gold ten tijde van het nemen van het besluit, te weten WBV 2004/43.

Verweerder heeft aan het ten aanzien van eiser uitgebrachte individueel ambtsbericht de conclusie verbonden dat eiser heeft gelogen over zijn arrestatie en detentie. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser door het overleggen van de brieven van de Vereniging Bengoma Nederland van 13 mei 2003 en van 3 februari 2006 voldoende aannemelijk gemaakt dat ongeregistreerde detentie is voorgekomen in de periode dat en in de gevangenis waar hij naar gesteld heeft vastgezeten. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/11567

V.nr.: 200.745.8656

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1977, van Liberiaanse nationaliteit, wonende te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 4 augustus 2003 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 10 januari 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Het door eiser hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 september 2006 (AWB 06/5731) ongegrond verklaard.

3. Tegen deze uitspraak heeft eiser bij brief van 13 oktober 2006 hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 maart 2007 (200607522/1, JV 2007, 214) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep (kennelijk) gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 14 september 2006 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was A. Diaby, tolk Mandingo, ter zitting aanwezig.

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiser heeft op 27 oktober 2000 een (eerste) aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 24 oktober 2002 afgewezen. Bij uitspraak van 20 februari 2003 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (AWB 02/89280), is het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig indienen van het beroep. Het tegen deze uitspraak ingediende verzet is bij uitspraak van 11 juli 2003 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard.

2. In de eerdere procedure is ten aanzien van eiser op 3 juli 2002 een individueel ambtsbericht uitgebracht.

3. Eiser heeft - kort gezegd - aan beide aanvragen ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Mandingo bevolkingsgroep, dat hij actief lid was van de All Liberia Coalition Party (ALCOP), dat hij in juli 2000 is gearresteerd door militairen op verdenking van steun aan de rebellen die tot dezelfde etnische bevolkingsgroep behoorden als eiser en die onder leiding van de ALCOP trachtten de overheid van Liberia omver te werpen, dat hij gevangen is gehouden in de gevangenis in de wijk South Beach in Monrovia en dat hij op 30 augustus 2000 met behulp van een bewaker is ontsnapt waarna hij Liberia is ontvlucht.

III. OVERWEGINGEN

1. Gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2007 ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de besluiten van verweerder tot het instellen respectievelijk afschaffen van een besluit- en vertrekmoratorium voor Liberianen en het aanmerken van de etnische groep Mandingo als groep van personen die verhoogde aandacht vraagt, kunnen worden aangemerkt als nieuw recht in die zin dat ten tijde van het in beroep bestreden besluit ander recht gold dan ten tijde van het eerdere besluit van 24 oktober 2002. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is aan de orde de vraag of sprake is van een voor eiser relevante wijziging van het recht.

2. Vastgesteld wordt dat er ten tijde van het eerdere besluit van 24 oktober 2002 geen speciaal beleid gold voor Liberia in het algemeen dan wel voor groeperingen in Liberia in het bijzonder.

Bij het besluit tot wijziging van hoofdstuk C8/Liberia van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 van 14 november 2002 (TBV 2002/47) is, voor zover hier van belang, de etnische groep Mandingo aangemerkt als groep van personen die verhoogde aandacht vraagt. Dit beleid gold vanaf 4 november 2002.

Op 27 juni 2003 is zowel een besluit- als een vertrekmoratorium voor asielzoekers van Liberiaanse nationaliteit in werking getreden (TBV 2003/27).

Het besluit- en vertrekmoratorium zijn bij besluit van 27 januari 2004 verlengd tot 27 juni 2004 (WBV 2004/4). Nadien zijn het besluit- en vertrekmoratorium niet meer verlengd.

Bij besluit van 13 juli 2004 is hoofdstuk C8/Liberia van de Vc 2000 gewijzigd en is, voor zover hier van belang, de etnische groep Mandingo aangemerkt als groep van personen die verhoogde aandacht vraagt (WBV 2004/43). Het beleid van 13 juli 2004 is komen te vervallen op 27 augustus 2006 met de inwerkingtreding van WBV 2006/27.

3. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op de besluiten tot het instellen respectievelijk afschaffen van een besluit- en vertrekmoratorium voor Liberianen, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat het bestreden besluit dateert van 10 januari 2006 en dat op dat moment het besluit- en vertrekmoratorium reeds was afgeschaft. Gelet hierop is er op dit punt geen sprake van ander recht dan ten tijde van het eerdere besluit van 24 oktober 2002, toen er nog geen besluit- en vertrekmoratorium gold. Dat ten tijde van de latere aanvraag de moratoria nog wel golden doet voor de onderhavige vraag niet ter zake. Evenmin zijn voornoemde beleidswijzigingen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen.

4. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op het specifiek ten aanzien van Mandingo’s gevoerde beleid. Volgens paragraaf 5.1 van WBV 2004/43, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, geldt voor personen behorend tot de etnische groep Mandingo dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 indien slechts in geringe mate blijk wordt gegeven van op de persoon gerichte daden van verdragsrechtelijke vervolging of van een reëel en persoonlijk risico om bij uitzetting te worden onderworpen aan folteringen of andere onmenselijke behandelingen, welke in verband gebracht kunnen worden met de etnische afkomst. Het besluit op de eerdere aanvraag dateert van 24 oktober 2002. Vastgesteld wordt dat het toentertijd door verweerder gevoerde beleid niet voorzag in een met paragraaf 5.1 van WBV 2004/43 overeenstemmend onderdeel. Gelet hierop is het in paragraaf 5.1 neergelegde beleid een wijziging van het recht ten opzichte van het recht zoals dat gold ten tijde van het eerdere besluit van 24 oktober 2002.

5. Eiser heeft steeds verklaard te behoren tot de Mandingo bevolkingsgroep. Deze verklaring is in de eerdere en de onderhavige procedure onbestreden gebleven. Gelet hierop valt eiser binnen de reikwijdte van de hiervoor aangehaalde paragraaf 5.1 van WBV 2004/43 en is dit een voor eiser relevante wijziging van het recht ten opzichte van het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het eerdere besluit van 24 oktober 2002. De onderhavige aanvraag kan derhalve niet worden beschouwd als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en wordt dan ook niet beheerst door het ‘ne bis in idem’-beginsel, op grond waarvan een hernieuwde rechterlijke beoordeling alleen is gerechtvaardigd voor zover er sprake is van nieuw gebleken of veranderde omstandigheden.

6. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit getoetst dient te worden aan het beleid dat gold ten tijde van het nemen van het besluit, te weten WBV 2004/43. Het in paragraaf 5.1 van dit WBV neergelegde beleid ziet, gezien de tekst van het beleid, op de verlening van vergunningen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2006 (200509166/1) strekt de hernieuwde rechterlijke beoordeling zich uit tot deze twee gronden en niet tot de overige in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden.

Gezien de tekst van voornoemde paragraaf 5.1 ligt dan ook thans ter toetsing voor het bestreden besluit, voor zover daarin een oordeel is gegeven over het door eiser gestelde relaas dat verband houdt met zijn Mandingo afkomst. Vanwege de onlosmakelijke verwevenheid van de gestelde problemen voortkomend uit eisers Mandingo afkomst en uit zijn actief lidmaatschap van de ALCOP, zal de rechtbank tevens dit actief lidmaatschap bij de beoordeling betrekken.

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit - voor zover thans van belang - op het standpunt gesteld dat aan de door eiser gestelde arrestatie en detentie geen geloof wordt gehecht, nu uit het individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 juli 2002 is gebleken dat eiser gedurende de maanden juli en augustus 2000 niet gedetineerd is geweest in de centrale gevangenis te Monrovia. Hiertoe zijn de registers van de gevangenis gecontroleerd en daaruit is niet naar voren gekomen dat eiser aldaar gedetineerd is geweest. Voorts heeft verweerder het volgende overwogen. De brief van de Vereniging Bengoma Nederland van 13 mei 2003, alsmede de brief van het Kenniscentrum Vluchtelingenwerk, waarin wordt gesteld dat in Liberia ongeregistreerde detentie voorkomt, hetgeen naar eisers mening zou kunnen verklaren waarom hij niet in de registers van de centrale gevangenis van Monrovia voorkomt, doet aan de bevindingen in het individueel ambtsbericht geen afbreuk. Uit de stelling dat ongeregistreerde detentie voorkomt volgt niet dat dit, in de periode dat eiser naar gesteld in de centrale gevangenis van Monrovia gedetineerd was, in deze gevangenis is voorgevallen, dan wel dat dit in het geval van eiser aan de orde is geweest. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat ongeregistreerde detentie in deze gevangenis voorkomt en voorts is de bevinding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat eiser op de gestelde plaats en in de gestelde periode niet gedetineerd is geweest, niet geclausuleerd. Verder is uit de zogenoemde REK-check gebleken dat het individueel ambtsbericht qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen.

Uit het individueel ambtsbericht is voorts gebleken dat de door eiser overgelegde geboorteakte en Medical Certificate of Care niet authentiek zijn. Eiser heeft een kopie van een brief van 4 november 2005 van het John F. Kennedy Medical Center overgelegd waarin wordt bevestigd dat dr. Babalola Isaac Owolabi van januari 1998 tot januari 1999 in het John F. Kennedy Medical Center heeft gewerkt. Nu eiser enkel een kopie van deze brief heeft overgelegd, waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, doet dit document geen afbreuk aan de bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Eiser komt derhalve volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

8. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het feit dat hij niet geregistreerd staat als ex-gevangene in de centrale gevangenis van Monrovia onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat geen geloof kan worden gehecht aan zijn detentie. Eiser verwijst naar de in de onderhavige procedure overgelegde brief van de Vereniging Bengoma Nederland van 13 mei 2003. Deze vereniging heeft onderzoek gedaan waaruit is gebleken dat ongeregistreerde detentie in Liberia voorkwam. Thans legt hij een tweede brief van de Vereniging Bengoma Nederland van 3 februari 2006 over waaruit blijkt dat ongeregistreerde detentie ook in de periode dat eiser er zat in die bewuste gevangenis voorkwam.

Eiser is voorts in het bezit van het origineel van de brief van 4 november 2005 waarin wordt bevestigd dat dr. Babalola Isaac Owolabi in het John F. Kennedy Medical Center heeft gewerkt in de door eiser aangegeven periode.

9. Ten aanzien van de in beroep overgelegde brief van de Vereniging Bengoma Nederland van 3 februari 2006 overweegt de rechtbank dat zij deze zal beschouwen als een nadere onderbouwing van de reeds ingenomen en deels onderbouwde stelling dat ongeregistreerde detentie in Liberia voorkwam in de periode dat en de gevangenis waar eiser vastzat. Geen rechtsregel verbiedt dat eiser zijn beroepsgrond gericht tegen de bevindingen van het individueel ambtsbericht dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, tracht te staven met eerst in de beroepsfase overgelegde nadere bewijsmiddelen, behalve indien daardoor sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde. Van dat laatste is niet gebleken. De rechtbank zal de brief dan ook bij haar beoordeling betrekken.

10. In het individueel ambtsbericht van 3 juli 2002 is onder meer geconcludeerd dat eiser gedurende de maanden juli en augustus 2000 niet gedetineerd is geweest in de centrale gevangenis van Monrovia. Zoals blijkt uit de deels geblindeerde onderliggende stukken van het ambtsbericht heeft het onderzoek bestaan uit het controleren van de administratie van de gevangenis op het daarin voorkomen van eisers naam. Verweerder heeft aan het individueel ambtsbericht de conclusie verbonden dat eiser heeft gelogen over zijn arrestatie en detentie. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser door het overleggen van de brieven van de Vereniging Bengoma Nederland van 13 mei 2003 en van 3 februari 2006 voldoende aannemelijk gemaakt dat ongeregistreerde detentie is voorgekomen in de periode dat en in de gevangenis waar hij naar gesteld heeft vastgezeten. Deze informatie is gelet hierop een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de in het individueel ambtsbericht op basis van voornoemd onderzoek getrokken conclusie dat eiser gedurende de maanden juli en augustus 2000 niet gedetineerd is geweest in de centrale gevangenis van Monrovia. Nu verweerder zijn oordeel desalniettemin onverkort op het individueel ambtsbericht heeft gebaseerd, ontbeert het bestreden besluit in zoverre een deugdelijke motivering.

11. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Bij het nieuw te nemen besluit dient verweerder alle door eiser overgelegde stukken te betrekken, waaronder de voornoemde originele brief van 4 november 2005 van het John F. Kennedy Medical Center.

12. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden begroot op € 1.288,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Die kosten zijn als volgt berekend. De door eiser gemaakte proceskosten voor de behandeling van het beroep vóór de behandeling in hoger beroep bedragen € 644,- (2 punten voor het beroepschrift en het verschijnen ter eerste zitting). Voorts ziet de rechtbank aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van € 322,- die eiser na de terugwijzing van de Afdeling in verband met de behandeling van het beroep, en wel voor het verschijnen ter zitting (1 punt), redelijkerwijs heeft moeten maken. Voorts heeft de Afdeling in de uitspraak van 12 maart 2007 de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt vastgesteld op een bedrag van € 322,-.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1.288,-- (zegge: twaalfhonderd achtentachtig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 11 oktober 2007 door mr. J. Jonkers, voorzitter, mrs. O.L.H.W.I. Korte en S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier is buiten staat om te tekenen

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: MK

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.