Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8077

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/13945, 07/13950
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / novum / verhoor Syrische ambassade / verzwijgen aanvraag

Door eisers is als novum ingebracht dat zij bij een bezoek aan de Syrische ambassade in Brussel aan een verhoor zijn onderworpen. In een door eisers overgelegd schrijven van Amnesty International is dit incident geduid als zorgwekkend. In samenhang met het feit dat eiser heeft verklaard lid te zijn van de Yekiti-partij, maakt het incident op de ambassade dat eisers te vrezen kunnen hebben voor een behandeling strijdig met artikel 3 EVRM, aldus A.I..

De rechtbank acht dit incident een novum. Ook wordt een overgelegd militair boekje als novum aangemerkt. Aan verweerder moet worden toegegeven dat eisers bij hun eerste aanvraag van 29 december 2000 hebben verzwegen dat zij eerder in Duitsland al asiel hadden aangevraagd en dit onder andere personalia. De rechtbank heeft begrip voor verweerders standpunt dat het gebruik door eisers van andere namen en geboortedata in de vorige procedure(s), met als gevolg dat het militaire boekje op een andere naam niet in die eerdere procedures in het geding kon worden gebracht, vragen oproept omtrent de betrouwbaarheid van (de rest van) het asielrelaas. Dat mag er, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet toe leiden dat een asielzoeker op een eenmaal gemaakte fout nooit meer zou mogen terugkomen. Hoe verwijtbaar eisers ook mogen hebben gehandeld, eisers hebben bij hun herhaalde aanvraag van 30 maart 2004 tekst en uitleg gegeven over hun handelwijze en motieven. Geoordeeld wordt dat eiser met de overlegging van het militaire boekje, mede in aanmerking genomen de resultaten van het onderzoek naar de vingerafdrukken daarin, weergegeven in het onderzoeksrapport van 18 oktober 2007, aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] en [alias eiser] een en dezelfde persoon zijn. Door verweerder is overigens niet bestreden dat een document als dit als identiteitsbewijs kan gelden. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat eisers geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden aan hun herhaalde asielaanvragen van 25 januari 2005 ten grondslag hebben gelegd, welke nova aanleiding zouden kunnen vormen terug te komen op de eerdere asielbeslissingen van 2 april 2004 en 4 mei 2001.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 07/13945 en 07/13950

Uitspraak in het geschil tussen:

[vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

alias [naam],

geboren op [geboortedatum] (eiser)

[vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

alias [naam],

geboren op [geboortedatum] (eiseres)

mede namens hun minderjarige kinderen

[vreemdeling]

geboren op [geboortedatum]

alias [naam],

geboren op [geboortedatum],

[vreemdeling]

geboren op [geboortedatum]

alias [naam],

geboren op [geboortedatum] en

[vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

alias [naam],

geboren op [geboortedatum],

allen van Syrische nationaliteit,

V-nummers [V-nummer], [V-nummer], [V-nummer] en [V-nummer]

eisers,

gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.D. Gunster, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 25 januari 2005 hebben eisers verweerder verzocht met toepassing van de discretionaire bevoegdheid aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen.

1.2. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een asielaanvraag en bij beschikkingen van 14 maart 2007, verzonden op 19 maart 2007 afwijzend op de aanvragen beslist. Daarbij is tevens beslist eisers niet ambtshalve in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het zogenoemde buiten schuld beleid.

1.3. Bij beroepschriften van 29 maart 2007 hebben eisers tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn bij brief van 18 mei 2007 ingediend. Bij brief van 12 oktober 2007 zijn aanvullende gronden ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers toegezonden en hen in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 16 oktober 2007 is door de gemachtigde van eisers een brief van Amnesty International d.d. 15 oktober 2007 aan de rechtbank gestuurd. Verweerder is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld op dit schrijven te reageren en heeft dat gedaan bij brief van 22 oktober 2007.

Bij brief van 18 oktober 2007 heeft de gemachtigde van eisers een brief ingediend van de heer [naam] van de Politie Academie. Het betreft een onderzoeksrapport van vingerafdrukken die voorkomen op een door eiser overgelegd militair boekje.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 23 oktober 2007. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. Als medegemachtigde is de heer N. Ligtenberg, medewerker van de noodopvang, verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eisers hebben eerder, te weten op 29 december 2000 aanvragen tot toelating als vluchteling ingediend. Aan deze aanvragen is ten grondslag gelegd dat eiser toneelspeler was bij een Koerdische theatergroep die kritisch getinte toneelstukken opvoert. Ook is eiser lid van de in Syrië verboden Koerdische Democratische Uniepartij. Tijdens het jaarlijkse Koerdische theaterfestival werd wederom een kritisch toneelstuk opgevoerd. Eiser speelde president Assad. Nog voordat eiser het toneel op ging deed de geheime dienst een inval, waarbij twee acteurs zijn gearresteerde en twee acteurs zijn gevlucht. Ook eiser is gevlucht. Omdat diezelfde dag eisers huis werd doorzocht en daarna nog geregeld navraag werd gedaan naar eiser bij zijn echtgenote, die eenmaal is verhoord op het bureau van de veiligheidsdienst, zijn eisers gevlucht.

Bij beschikkingen van 4 mei 2001 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Aan eisers werd daarbij tegengeworpen dat zij geen documenten hadden overgelegd. Verweerder heeft voorts in verband met tegenstrijdigheden niet aannemelijk geacht dat eisers voor vervolging te vrezen hebben. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 18 april 2002, geregistreerd onder nummer Awb 01/24615 het hiertegen gerichte beroep van 1 juni 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het oordeel van verweerder dat niet aannemelijk is geworden dat eisers te vrezen hebben voor vervolging onderschreven. Relevant is daarvoor geacht dat eisers na het nader gehoor een aanvulling op het asielrelaas hebben gegeven die essentieel is voor het asielrelaas, namelijk de aanvulling dat eiser de rol van president Assad speelde. Ook is relevant geacht dat het asielrelaas van eisers tegenstrijdigheden bevatten, bijvoorbeeld over de vraag of eiser al dan niet op het toneel stond toen de veiligheidsdienst een inval deed. Daarmee zijn de beslissingen op de aanvragen van 29 december 2000 onherroepelijk geworden.

Vervolgens hebben eisers op 30 maart 2004 een herhaalde asielaanvraag gedaan. Daarbij is door eisers naar voren gebracht dat zij voor 29 december 2000 al in Duitsland, asiel hebben aangevraagd. Voor de aanvraag in Duitsland zijn eisers in Oostenrijk geweest, doch een officiële asielprocedure is niet gevolgd, hoewel eisers dat wel hadden gewild. Wel zijn in Oostenrijk vingerafdrukken gemaakt en werd gedreigd met uitzetting. Omdat eisers bang waren dat zij door Duitsland weer terug naar Oostenrijk zouden worden gestuurd, hebben zij in Nederland asiel aangevraagd met gebruikmaking van onjuiste personalia. Bij de herhaalde aanvragen van 30 maart 2004 heeft eiser een legitimatiebewijs voor verkiezingen overgelegd, alsmede een kopie van een document waaruit blijkt dat eiser door de Syrische politie wordt gezocht. Dit document is uitgegeven op 5 juni 2000. Eiser heeft dit document niet bij zijn eerste aanvraag overgelegd omdat de personalia niet kloppen met de in die eerste asielprocedure opgegeven personalia. Ook is een verklaring van vrienden overgelegd waarin wordt bevestigd dat eiser problemen met de autoriteiten heeft.

Bij beschikking van 2 april 2004 zijn deze aanvragen door verweerder afgewezen. Verweerder heeft daarbij –kort gezegd- geoordeeld dat de documenten geen nova zijn in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eisers de documenten eerder hadden en moeten overleggen. Het arrestatiebevel is bovendien een kopie en reeds daarom geen novum. Verder heeft verweerder overwogen dat het feit dat eisers bij de eerste aanvraag bewust onjuiste personalia hebben opgegeven en hebben verzwegen eerder asiel te hebben aangevraagd in Duitsland, maakt dat ook betwijfeld kan worden of nog waarde kan worden gehecht aan de overige verklaringen. Tegen deze beschikkingen van 2 april 2004 is geen rechtsmiddel aangewend, zodat ook deze beschikkingen onherroepelijk zijn geworden.

2.2. Op 25 januari 2005 heeft eiser in een brief bij de rechtsvoorganger van verweerder aandacht gevraagd voor de schrijnendheid van de situatie waarin eiser en zijn gezin verkeren. Aangegeven is hoe zwaar de vlucht uit Syrië is geweest en dat eiseres en de oudste dochter nog steeds psychische en lichamelijke klachten hebben. Aangegeven is verder dat eiser nog steeds wordt gezocht door de Syrische autoriteiten voor zijn rol van president Assad. Ook maakt eiser melding van een onaangenaam “kruisverhoor” door de Syrische consul op de Syrische ambassade, toen eisers probeerden aldaar documenten te verkrijgen. De consul trachtte informatie over de Koerdische beweging in Nederland te verkrijgen. Verder is in de brief gewezen op de vergaande integratie van de kinderen van eisers. De kinderen doen het goed op school en spreken Nederlands. Het gezin heeft een Nederlandse vriendenkring opgebouwd. Eiser doet vrijwilligerswerk.

2.3. In verband met asielgerelateerde aspecten in de brief van 25 januari 2005 heeft verweerder dit schrijven opgevat als een (herhaald) asielverzoek. In een gehoor nieuwe feiten en omstandigheden van 23 maart 2006 heeft eiser aangegeven in 2000 eerst naar Oostenrijk te zijn gevlucht. Daar hebben eisers hun verhaal verteld, maar er werd hen niet gewezen op de mogelijkheid om een asielverzoek in te dienen. Omdat de Oostenrijkse autoriteiten dreigden eisers terug te sturen naar Syrië, zijn eisers naar Duitsland gevlucht. In verband met het feit dat Oostenrijk vingerafdrukken van eisers had, zouden de Duitse autoriteiten eisers echter terug sturen naar Oostenrijk. Uit angst om daarvandaan teruggestuurd te worden naar Syrië hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. In verband met dit eerdere verblijf in Oostenrijk en Duitsland kloppen de data uit het asielrelaas van de eerste asielaanvraag niet. De theatervoorstelling die tot de vlucht heeft geleid was niet op 30 september 2000 maar op 20 mei 2000. Eisers hebben Syrië niet op 26 november 2000 maar op 26 augustus 2000 verlaten.

Bij de aanvraag van 25 januari 2005 heeft eiser een origineel militair boekje overgelegd, waarover hij sinds medio 2005 beschikt. Hiermee wil eiser aantonen dat hij is wie hij stelt te zijn. Verder heeft eiser een sociaal rapport van 16 december 2005 overgelegd, waarmee hij wil aantonen dat eisers volledig geïntegreerd zijn en een verklaring van een kennis d.d. 5 juli 2005, waaruit zou blijken dat eiser in Syrië verzetswerk heeft gedaan voor de Koerden. Eiser is nog steeds actief voor de Yekiti-partij. Hij heeft meegedaan aan een demonstratie.

In het gehoor hebben eisers verweerder verzocht in verband met schrijnende omstandigheden gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid.

2.4. Verweerder heeft op 3 november 2006 een voornemen tot afwijzing van de herhaalde asielaanvragen uitgebracht. Aangegeven is dat het overgelegde militaire boekje op naam staat van [naam], geboren in [jaar] en met de laatste rang van soldaat. Dit laatste komt niet overeen met eisers verklaring dat hij Ferhad Birim heet, geboren op 16 augustus 1968 en dat zijn rang korporaal was. Nu eiser ten aanzien van zijn personalia, zijn familieleden en zijn militaire diensttijd wisselende verklaringen heeft afgelegd kan niet worden aangenomen dat hij degene is die vermeld staat in het militaire boekje. De verklaring van de vriend van eiser voegt niets toe aan hetgeen reeds bekend was. Verder is overwogen dat eiser slechts vermoedt dat de Syrische autoriteiten weten dat hij zijn politieke activiteiten heeft voortgezet in Nederland. Ook de ondervraging op de ambassade is volgens verweerder geen novum.

2.5. In de zienswijze van 5 december 2006 is aangegeven dat verweerder de brief van 25 januari 2005 ten onrechte als een asielaanvraag heeft opgevat. Verweerder is voorbijgegaan aan de niet asielgerelateerde elementen van schrijnendheid. Ten aanzien van de personalia is aangegeven dat de vader van eiser [naam] heette. Nadat in 1962 werd besloten tot arabisering van de Noord Syrische Koerden zijn Koerden gedeporteerd en werd tevens geëist dat alle Koerden een Arabische naam zouden aannemen. Eisers vader noemde zich nadien [naam]. Ook is aangevoerd dat het militair boekje door verweerder kan worden onderzocht bij de afdeling falsificaten van de KMAR of bij Bureau Documenten. Gewezen is op de samenwerkingsplicht als bedoeld in artikel 4 van de Definitierichtlijn van de EU. Het kruisverhoor op de Syrische ambassade maakt voorts duidelijk dat de Syrische autoriteiten eiser persoonlijk kennen en in het oog houden. Gewezen is in dit verband op de situatie van 181 personen die gepresenteerd zijn bij de Syrische delegatie. Eisers lopen dan ook een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM.

2.6. In de bestreden beschikkingen van 14 maart 2007, verzonden op 19 maart 2007, heeft verweerder onder verwijzing naar het voornemen en in reactie op de zienswijze het volgende overwogen. Gelet op de duidelijke asielgerelateerde elementen in de brief van 25 januari 2005 is deze brief terecht als asielaanvraag opgevat. Eiser verklaart immers bij terugkeer naar Syrië te worden opgepakt voor zijn toneelrol als president Assad. Met betrekking tot de Arabische naam van eisers vader is verweerder van oordeel dat eisers dit eerder hadden kunnen en moeten inbrengen. Overigens hebben eisers bij hun eerste asielaanvraag niet alleen een andere naam opgegeven, maar ook andere geboortedata, een andere familiesamenstelling, andere gegevens over de militaire dienstplicht en een andere geloofsovertuiging. Voorts is een arrestatiebevel achtergehouden.

Verweerder ziet geen aanleiding het militaire boekje te (laten) onderzoeken. Dit boekje had eiser eerder dienen over te leggen. Eiser heeft voorts niet geconcretiseerd dat hij een risico loopt als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dat bij een bezoek aan de Syrische ambassade vragen zijn gesteld over de Koerdische beweging in Nederland is onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM. Eisers situatie is voorts niet vergelijkbaar met die van de 181 personen die zijn gepresenteerd bij de Syrische delegatie. Ook overigens heeft eiser geen nova aangedragen, in de visie van verweerder.

2.7. In beroep hebben eisers aangevoerd dat de brief van 25 januari 2005 door verweerder ten onrechte is opgevat als een asielverzoek. Ten aanzien van de schrijnendheid is de beschikking onvoldoende gemotiveerd. Overlegging van het militaire boekje is wel degelijke een novum, omdat de twijfel rond zijn identiteit daarmee wordt weggenomen.

2.8. In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt nog nader toegelicht. Het militaire boekje had door eiser eerder kunnen en moeten worden overgelegd, zodat dit om die reden geen novum is.

2.9. Verweerder heeft bij brief van 22 oktober 2007 gereageerd op de door eisers ingediende brief van Amnesty International (hierna: A.I.) van 15 oktober 2007. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers deze brief van A.I. eerder hadden kunnen en moeten overleggen. De brief is in strijd met artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding gebracht, hetgeen verweerder in strijd met de goede procesorde acht. Voorts is verweerder van mening dat de brief van A.I. voor een groot deel algemeen van aard is. Voorzover dat niet het geval is en een oordeel wordt uitgesproken over de specifieke situatie van eisers in verband met het bezoek aan de ambassade, heeft A.I. zich, naar verweerders mening ten onrechte, gebaseerd op verklaringen en interpretaties van eisers zelf. Voor de vraag of het bezoek aan de ambassade de kans op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM vergroot is van belang wat feitelijk de situatie was ten tijde van het gesprek, aldus verweerder. Dat eiser inmiddels bekend zal zijn bij de Syrische ambassade is slechts een vermoeden van eiser en onvoldoende om van een novum te kunnen spreken. Verweerder acht geen bijzonder situatie aan de orde, zoals dat het geval was in de door het EHRM beoordeelde zaak Bahaddar (JV 1998,45). Ten slotte persisteert verweerder in het standpunt dat de identiteit van eisers nog steeds niet bekend is, nu eiser geen enkel bewijs heeft ingebracht dat hij de Syrische nationaliteit bezit en gedurende zijn procedures wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd aangaande zijn relaas en afkomst.

2.10. Ter zitting hebben partijen hun standpunt nader toegelicht.

Beoordeling van het beroep

2.11. De rechtbank stelt allereerst vast dat van de kant van eisers geen gronden zijn aangevoerd tegen de in het bestreden besluit vervatte weigering van verweerder eisers in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het zogenoemde buiten schuld beleid. Indien en voorzover eisers beroep ook tegen dit onderdeel van het bestreden besluit is gericht wordt dat beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank constateert vervolgens dat het bestreden besluit wel een overweging, maar geen expliciet besluit bevat omtrent toepassing van de discretionaire bevoegdheid wegens schrijnendheid. Gelet op hetgeen ter zitting van de kant van verweerder dienaangaande is verklaard, gaat de rechtbank er van uit dat verweerder hierover nog een besluit zal nemen, waartegen eisers desgewenst kunnen opkomen. Een weigering om eisers in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning wegens schrijnendheid is dan ook (thans) geen onderwerp van geschil.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit een adequate reactie is op de brief van eisers van 25 januari 2005. Meer in het bijzonder is daarbij de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat deze brief als een (herhaalde) asielaanvraag diende te worden opgevat. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de brief van 25 januari 2005 meerdere onmiskenbaar asielgerelateerde elementen, zodat terecht de procedure van een herhaalde asielaanvraag is gestart. Dienaangaande overweegt de rechtbank voorts het volgende.

2.12. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, Awb kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

2.13. Ter beoordeling aan de rechtbank staat, gelet op de vaste lijn in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), slechts of eisers ter onderbouwing van hun aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen op de rechtens onaantastbare beschikkingen van 4 mei 2001 en 2 april 2004. De ABRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat besluit rust.

2.14. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 18 april 2002 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, in rechte is komen vast te staan dat eisers niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling, dat zij bij uitzetting naar Syrië geen reëel risico lopen op een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen. Daarbij zij evenwel het volgende opgemerkt. In de eerste asielprocedure is de rechtbank, in navolging van verweerder, uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers lidmaatschap van de Koerdische Democratische Uniepartij en een daaraan gelieerde theatergroep. De rechtbank achtte evenwel niet geloofwaardig dat eiser de rol van de Syrische president Assad vertolkt zou hebben in het toneelstuk dat werd opgevoerd toen de inval door de veiligheidsdienst plaatsvond. Evenmin heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. Eiser was al vanaf 1989 als acteur betrokken bij de door de theatergroep opgevoerde politiek-kritische toneelstukken en had nooit eerder problemen met de autoriteiten ondervonden. Dat de autoriteiten op de hoogte zouden zijn geraakt van zijn activiteiten voor de theatergroep berustte volgens de rechtbank dan ook slechts vermoedens van eiser.

2.15. In de onderhavige herhaalde asielaanvraag is door eisers als nieuw feit naar voren gebracht dat zij bij een bezoek aan de Syrische ambassade in Brussel aan een verhoor zijn onderworpen. Eiser heeft hierover in het gehoor van 20 december 2005 gedetailleerd verklaard. De rechtbank verwijst naar pagina 7, eerste alinea, van het rapport van gehoor van die datum. Ook eiseres heeft over het verhoor verklaard, en wel op pagina 5 van het rapport van gehoor van 23 maart 2006.

Door verweerder wordt niet betwist dat het bezoek aan de Syrische ambassade heeft plaatsgevonden en dat eisers daar zijn verhoord. Volgens verweerder is het algemeen bekend dat door de autoriteiten op de ambassade vragen worden gesteld. Een dergelijk verhoor is volgens verweerder echter niet aan te merken als zo specifiek op eisers gericht dat gesproken kan worden van een dreigende schending van artikel 3 EVRM bij uitzetting.

In het schrijven van A.I. van 15 oktober 2007 wordt de door eisers beschreven situatie evenwel heel anders geduid, namelijk als uiterst zorgwekkend. In samenhang met het feit dat eiser heeft verklaard actief lid te zijn van de Yekiti-partij maakt dat wel degelijk sprake kan zijn van een verhoogd risico op een schending van artikel 3 EVRM, aldus A.I.

2.16. De rechtbank is van oordeel dat het door eisers beschreven incident op de Syrische ambassade is aan te merken als een novum en dat de brief van A.I. van 15 oktober 2007 is aan te merken als een nadere onderbouwing van dit aan de onderhavige herhaalde asielaanvraag ten grondslag gelegde novum, inhoudende dat eisers in de negatieve belangstelling van de Syrische autoriteiten zijn komen te staan. De rechtbank ziet geen reden om geen acht te slaan op de brief van A.I. in verband met artikel 8:58 Awb, omdat verweerder heeft kunnen reageren op de inhoud en derhalve niet in zijn processuele positie is geschaad. Verweerders standpunt dat de brief van A.I. eerder ingebracht had kunnen en moeten worden deelt de rechtbank niet. Het bezoek aan de ambassade heeft plaatsgevonden nadat een tweede asielverzoek door verweerder was afgewezen. De gang van zaken aldaar is kennelijk voor eisers (mede) aanleiding geweest om een derde asielverzoek in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank valt het eisers niet aan te rekenen dat een kwalificatie door A.I. van een gebeurtenis, welke op zich niet door verweerder wordt betwist, nu pas in het geding wordt gebracht. Uit het schrijven van A.I. blijkt dat de vertraging bij A.I. lag en niet bij eisers.

2.17. Ook de verklaring van de heer [naam], ook aangeduid als dokter [naam], van 1 juli 2005 dient naar het oordeel van de rechtbank als een novum te worden beschouwd. In deze verklaring wordt niet alleen aangegeven dat eiser lid was van de Koerdische Democratische Partij (Yekiti) en van een illegale theatergroep, maar ook dat eiser na zijn vertrek uit Syrië lid van de partij is gebleven. De rechtbank deelt verweerders standpunt niet dat eiser deze verklaring eerder had kunnen en moeten inbrengen, nu aannemelijk is geworden dat eisers pas in 2005 op de hoogte zijn geraakt van de verblijfplaats van deze arts.

2.18. Met de overlegging van het militaire boekje hebben eisers eveneens een novum ingebracht. Aan verweerder moet worden toegegeven dat eisers bij hun eerste aanvraag van 29 december 2000 hebben verzwegen dat zij eerder in Duitsland al asiel hadden aangevraagd en dit onder de naam [naam] en Nassru. De rechtbank heeft begrip voor verweerders standpunt dat het gebruik door eisers van andere namen en geboortedata in de vorige procedure(s), met als gevolg dat het militaire boekje op naam van [naam] niet in die eerdere procedures in het geding kon worden gebracht, vragen oproept omtrent de betrouwbaarheid van (de rest van) het asielrelaas.

Dat mag er, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet toe leiden dat een asielzoeker op een eenmaal gemaakte fout nooit meer zou mogen terugkomen. Hoe verwijtbaar eisers ook mogen hebben gehandeld, eisers hebben bij hun herhaalde aanvraag van 30 maart 2004 tekst en uitleg gegeven over hun handelwijze en motieven. Geoordeeld wordt dat eiser met de overlegging van het militaire boekje, mede in aanmerking genomen de resultaten van het onderzoek naar de vingerafdrukken daarin, weergegeven in het onderzoeksrapport van 18 oktober 2007, aannemelijk heeft gemaakt dat Farad Birim en [naam] een en dezelfde persoon zijn. Door verweerder is overigens niet bestreden dat een document als dit als identiteitsbewijs kan gelden.

2.19. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat eisers geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden aan hun herhaalde asielaanvragen van 25 januari 2005 ten grondslag hebben gelegd, welke nova aanleiding zouden kunnen vormen terug te komen op de eerdere asielbeslissingen van 2 april 2004 en 4 mei 2001.

2.20. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. De bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel (artikel 7:12 Awb) en het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb).

2.21. Nu de beroepen gegrond worden verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs hebben moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de beschikkingen van 14 maart 2007 en bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de aanvragen van eisers;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 644,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te voldoen.

Aldus gegeven door mr. D.M. Schuiling en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier op 29 oktober 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: