Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8043

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/32734
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / oproep tot haat / vrees onttrekking uitzetting

Ten tijde van de behandeling ter zitting van het beroep was eiser reeds uitgezet naar Turkije. Het gaat derhalve enkel om toekenning van schadevergoeding. Eiser is imam en heeft op uitnodiging in een moskee in Amsterdam verbleven. Eiser is in het bezit van een diplomatiek paspoort. Aan de maatregel is ten grondslag gelegd dat eiser zich niet heeft gemeld bij de korpschef, dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat eiser uitlatingen zou hebben gedaan welke tot haat zouden leiden ten opzichte van westerse landen, onder verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen (gedingstuk 1). Ten aanzien van de grond dat eiser uitlatingen zou hebben gedaan welke tot haat zouden leiden ten opzichte van westerse landen overweegt de rechtbank als volgt. Als het doen van dergelijke uitlatingen al zou leiden tot een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting, is het de rechtbank onvoldoende duidelijk of eiser daadwerkelijk dergelijke uitlatingen heeft gedaan, nu dit vermoeden blijkens gedingstuk 1 is gebaseerd op een anonieme en niet nader gespecificeerde klacht.

Nu eiser zich echter niet had gemeld bij de korpschef en hij voorts geen vaste woon- of verblijfplaats had, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de openbare orde de inbewaringstelling vorderde, omdat er aanwijzingen waren om te vermoeden dat eiser zich aan uitzetting zou onttrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/32734

V-nr.: 271.501.5750

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1950, van Turkse nationaliteit, voorheen verblijvende in het Uitzetcentrum Schiphol te Oude Meer, eiser,

gemachtigde: mr. S.L.J. Swart, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Nardelli, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 20 augustus 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 21 augustus 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Op 24 augustus 2007 is eiser naar Turkije uitgezet.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 28 augustus 2007. Eiser noch zijn gemachtigde is aldaar, na voorafgaande kennisgeving, verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De maatregel van bewaring is onrechtmatig geweest. Eiser is imam en heeft op uitnodiging in een moskee in Amsterdam verbleven. Eiser is in het bezit van een diplomatiek paspoort en heeft zodoende rechtmatig toegang tot Nederland, zonder dat een visum is vereist.

Eiser betwist de gronden van zijn inbewaringstelling. Verweerder was op de hoogte van de verblijfplaats van eiser, zodat ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd dat eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. Voorts heeft verweerder eiser zonder enige vorm van nadere specificatie tegengeworpen dat hij uitlatingen zou doen welke tot haat zouden leiden ten opzichte van westerse landen. Indien deze beide gronden komen te vervallen, geeft de resterende grond dat eiser zich niet heeft gemeld bij de korpschef onvoldoende aanleiding voor het vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

Ten slotte had verweerder kunnen volstaan met oplegging van een lichter middel.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De maatregel van bewaring is rechtmatig geweest.

Allereerst heeft eiser zich niet gemeld bij de korpschef, zodat zijn vrije termijn is komen te vervallen en eiser niet rechtmatig in Nederland verbleef. Deze grond is op zich reeds voldoende om de maatregel te kunnen dragen.

Eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats omdat hij niet stond ingeschreven op een adres in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA).

Voorts handhaaft verweerder de grond dat eiser uitlatingen zou hebben gedaan welke tot haat zouden leiden ten opzichte van westerse landen, onder verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen van 10 augustus 2007 (gedingstuk 1).

Verweerder heeft, gelet op de omstandigheden dat eiser zich niet heeft gemeld bij de korpschef en niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, in redelijkheid kunnen afzien van oplegging van een lichter middel.

De rechtbank stelt vast dat de bewaring na de indiening van het beroep is opgeheven. Thans moet worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

De rechtbank overweegt dat bewaring slechts mogelijk is indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert. Het belang van de openbare orde kan de bewaring onder andere vorderen indien er aanwijzingen zijn voor het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zal onttrekken.

Niet in geschil is dat eiser zich bij binnenkomst hier te lande niet binnen drie dagen heeft aangemeld bij de korpschef. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat eiser, ondanks de omstandigheid dat hij geen visum nodig heeft voor verblijf in Nederland, ingevolge artikel 12 van de Vw 2000 niet rechtmatig in Nederland verbleef.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft overwogen bij uitspraak van 24 juli 2002 (JV 2002, 312) kan het niet melden op zich reeds voldoende kan zijn voor het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er gevaar voor onttrekking aan de uitzetting is. In de onderhavige zaak heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting door het niet voldoen aan de meldplicht.

Voorts is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 22 mei 2003 (JV 2003, 319), van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot uitgangspunt heeft kunnen nemen dat voor toepassing van de hier aan de orde zijnde bepalingen, gesteld bij en krachtens de Vw 2000, sprake is van een vaste woon- en verblijfplaats, indien de vreemdeling op een gesteld adres in de GBA is ingeschreven. Niet in geschil is dat eiser niet staat ingeschreven in de GBA op het door hem gestelde adres, zodat verweerder aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen dat eiser niet beschikt over een vaste woon- en verblijfplaats. Het feit dat verweerder op de hoogte was van de verblijfsplaats van eiser betekent niet dat eiser ook een vaste woon-en verblijfplaats in Nederland had.

Ten aanzien van de grond dat eiser uitlatingen zou hebben gedaan welke tot haat zouden leiden ten opzichte van westerse landen overweegt de rechtbank als volgt. Als het doen van dergelijke uitlatingen al zou leiden tot een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting, is het de rechtbank onvoldoende duidelijk of eiser daadwerkelijk dergelijke uitlatingen heeft gedaan, nu dit vermoeden blijkens gedingstuk 1 is gebaseerd op een anonieme en niet nader gespecificeerde klacht.

Nu eiser zich echter niet had gemeld bij de korpschef en hij voorts geen vaste woon- of verblijfplaats had, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de openbare orde de inbewaringstelling vorderde, omdat er aanwijzingen waren om te vermoeden dat eiser zich aan uitzetting zou onttrekken.

Ten aanzien van het standpunt van eiser om een lichter middel toe te passen overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de AbRS van 18 mei 2005 (AbRS 200502895/1) volgt dat, bij de beoordeling of het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert, dient te worden uitgegaan van de gronden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Indien voldoende gronden voor inbewaringstelling aanwezig waren, staat ter beoordeling of oplegging van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De door eiser aangevoerde belangen, te weten dat eiser afscheid van zijn omgeving wilde nemen alvorens te vertrekken, acht de rechtbank onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verweerder in redelijkheid niet tot oplegging van de maatregel had kunnen komen en een lichter middel had moeten toepassen.

Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is geweest met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd was te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 27 september 2007 door mr. J. Jonkers, voorzitter, in tegenwoordigheid van P.L. Rempt, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: PLR

Coll:

D: b

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.