Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8035

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/25399
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid beroep / opheffing vrijheidsontnemende maatregel / schadevergoeding

In de uitspraak van de AbRS van 12 juli 2007 (LJN: BB 1379) is overwogen dat voor de betekenis van artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 de tekst van de bepaling als uitgangspunt moet worden genomen en in dit artikel in duidelijke bewoordingen is neergelegd dat, voor zover thans van belang, het instellen van beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel niet aan enige termijn is gebonden. Aangezien de uitspraak betrekking had op een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel dat was ingesteld na de opheffing van de maatregel, blijkt uit deze uitspraak dat de indiening van beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel ook niet aan enige termijn is gebonden indien het beroep is ingesteld na opheffing van de maatregel. In een dergelijk geval is er geen grond het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege overschrijding van een termijn voor het instellen daarvan.

De rechtbank leidt, evenals partijen, uit deze uitspraak van de AbRS af dat de rechtbank kennelijk ook bevoegd is van een beroep dat is ingediend na opheffing van de maatregel, kennis te nemen. Aangenomen moet worden dat, zowel wat betreft een beroep tegen de oplegging van een maatregel als wat betreft een beroep gericht tegen de voortduring daarvan, de wet zich hier niet tegen verzet. Voorts ziet de rechtbank in de tekst van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 geen beletsel om in een dergelijk geval schadevergoeding toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/25399

V-nr.: 271.658.5968

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1969, van (gestelde) Nigeriaanse nationaliteit, voorheen verblijvende op het Politiebureau te Amsterdam,

eiser, gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Snoeks, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Op 17 juni 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

2. Op 19 juni 2007 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

3. Bij beroepschrift van 20 juni 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 28 juni 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. J.P. Kuper.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

5. Bij beslissing van 30 augustus 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en is de zaak op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb naar een meervoudige kamer verwezen.

6. Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 september 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring voorafgaand aan de indiening van het beroep is opgeheven. Aan de orde is allereerst of de rechtbank bevoegd is van het beroep kennis te nemen en of het beroep ontvankelijk is. Indien deze vragen bevestigend worden beantwoord, dient te worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.

2. Eiser heeft aangevoerd dat de rechtbank bevoegd is van het beroep kennis te nemen en dat het beroep ontvankelijk is.

Voorts heeft eiser gesteld dat de maatregel al eerder dan op 19 juni 2007 had moeten worden opgeheven en dat er aanleiding is voor het toekennen van schadevergoeding. De medische problematiek van eiser was immers al eerder bekend bij verweerder. Eiser is op 18 juni 2007 al kort in het ziekenhuis geweest voor onderzoek, waarna de maatregel is voortgezet.

3. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 12 juli 2007 (LJN: BB1379), op het standpunt gesteld dat de rechtbank bevoegd is van het beroep kennis te nemen en dat het beroep ontvankelijk is, nu het beroep niet onredelijk laat is ingediend.

Verweerder heeft de maatregel van bewaring opgeheven vanwege de hoge bloeddruk van eiser, na een medisch consult op 19 juni 2007. Eiser is de dag daarvoor ook onderzocht door een arts. Toen is kennelijk geen aanleiding gezien de maatregel op te heffen. Verweerder ziet geen aanleiding voor toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank overweegt het volgende.

4. Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – wordt een ingevolge hoofdstuk 5 van de Vw 2000 genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld met een besluit.

Ingevolge artikel 69, derde lid, eerste volzin, van de Vw 2000 is in afwijking van artikel 6:7 van de Awb het instellen van beroep als bedoeld in de artikelen 94 en 96 van de Vw 2000 tegen een besluit als bedoeld in artikel 93 van de Vw 2000 niet aan enige termijn gebonden.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

5. Tot op heden volgde deze rechtbank en zittingsplaats de lijn dat zij zich, in geval een beroep gericht tegen een vrijheidsontnemende maatregel was ingediend nadat de maatregel was opgeheven, onbevoegd verklaarde van het beroep kennis te nemen. De rechtbank ziet in het navolgende aanleiding deze lijn te verlaten.

6. In de hiervoor genoemde uitspraak van de AbRS van 12 juli 2007 is overwogen dat voor de betekenis van artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 de tekst van de bepaling als uitgangspunt moet worden genomen en in dit artikel in duidelijke bewoordingen is neergelegd dat, voor zover thans van belang, het instellen van beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel niet aan enige termijn is gebonden. Aangezien de uitspraak betrekking had op een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel dat was ingesteld na de opheffing van de maatregel, blijkt uit deze uitspraak dat de indiening van beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel ook niet aan enige termijn is gebonden indien het beroep is ingesteld na opheffing van de maatregel. In een dergelijk geval is er geen grond het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege overschrijding van een termijn voor het instellen daarvan.

7. De rechtbank leidt, evenals partijen, uit deze uitspraak van de AbRS af dat de rechtbank kennelijk ook bevoegd is van een beroep dat is ingediend na opheffing van de maatregel, kennis te nemen. Aangenomen moet worden dat, zowel wat betreft een beroep tegen de oplegging van een maatregel als wat betreft een beroep gericht tegen de voortduring daarvan, de wet zich hier niet tegen verzet. Voorts ziet de rechtbank in de tekst van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 geen beletsel om in een dergelijk geval schadevergoeding toe te kennen.

8. Vervolgens is aan de orde de vraag of er in het geval van eiser aanleiding is voor het toekennen van schadevergoeding. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend. Ten tijde van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel was verweerder onbekend met de medische problematiek van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder vervolgens adequaat gehandeld. Eiser is op 18 juni 2007 voor de eerste keer medisch onderzocht. Hij is daartoe overgebracht naar het ziekenhuis. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel gaat de rechtbank ervan uit dat hij de vereiste medische zorg heeft ontvangen. De dag hierop is eiser nogmaals onderzocht. Dat als gevolg van dat tweede consult is besloten de maatregel op te heffen, betekent niet dat verweerder een dag eerder dezelfde beslissing had moeten nemen. Gesteld noch gebleken is dat eiser tussen de twee medische onderzoeken niet de juiste behandeling heeft ontvangen. Voor zover eiser heeft willen betogen dat reeds uit dat eerste onderzoek had moeten blijken dat eiser detentieongeschikt was, volgt de rechtbank dit niet, nu deze stelling van iedere onderbouwing verstoken is gebleven.

9. De rechtbank concludeert dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel voorafgaand aan de opheffing daarvan in strijd is geweest met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd was te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2007 door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, en mrs. K. Mans en S.M. Schothorst, rechters, in tegenwoordigheid van P.L. Rempt, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: PLR

Coll:

D:

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.