Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7684

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/36045
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PTSS / artikel 3 EVRM

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een PTSS heeft. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat bij uitblijven van de benodigde behandeling van eiseres in het land van terugkeer, een crisis kan ontstaan die onder het bereik van artikel 3 EVRM kan vallen. Evenwel zijn voor een geslaagd beroep op dit artikel ook andere factoren van belang, zoals het gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang. De rechtbank stelt in dit verband in de eerste plaats vast – en tussen partijen lijkt ook niet in geschil – dat eiseres in Kosovo behandeld kan worden en dat aldaar medicatie en behandelend artsen aanwezig zijn. Ook bestaat de mogelijkheid van gedwongen opname in een instelling om suïcide te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn aangedragen om te twijfelen aan de passage in het advies van het BMA waarin staat vermeld dat de in Kosovo beschikbare medicatie equivalent is aan de in Nederland aan eiseres verstrekte medicatie. De rechtbank overweegt voorts dat het feit dat de behandeling in Kosovo mogelijk minder adequaat is dan in Nederland in het licht van artikel 3 EVRM niet van doorslaggevende betekenis is. Waar partijen duidelijk verdeeld over zijn is het antwoord op de vraag of de behandeling in Kosovo effectief zal zijn. In zijn brief van 8 november 2006 heeft de door eiseres ingeschakelde onafhankelijke psychiater gesteld dat een impulssuïcide denkbaar is vanwege de reële angst van eiseres voor eerwraak en dat behandeling in het land van herkomst daarom geen effectieve remedie is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze angst een asielmotief betreft dat thans niet ter beoordeling voorligt. Derhalve ligt evenmin de vraag voor of de medische behandeling in Kosovo van die angst effectief is. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat dit anders moet worden gezien, zijn er onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om aan te nemen dat behandeling in dat geval niet effectief is, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres zich aan medische behandeling in Kosovo zal ontrekken. Voorts is niet gesteld of gebleken dat eiseres binnen de behandelingssetting zoals die in Kosovo aanwezig is geen sociale structuur zal kunnen opbouwen zoals zij die tijdens haar behandeling in Nederland heeft opgebouwd, zodat niet kan worden gezegd dat in het land van herkomst sociale opvang ontbreekt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 06/36045

Uitspraak in het geschil tussen:

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1980,

van Servische nationaliteit,

V-nummer: 060.601.5788,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.A. Buys, advocaat te Leeuwarden,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, voorheen de Minister van Justitie, daarvoor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Vos, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 29 december 2004 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 27 juni 2006 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Bij beroepschrift van 26 juli 2006 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 4 juni 2007. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiseres heeft eerder, te weten op 27 april 1999, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij beschikking van 10 mei 2001 is deze aanvraag niet ingewilligd. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 14 augustus 2001 (Awb 01/24590) het hiertegen gerichte beroep van 6 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is de beschikking van 10 mei 2001 rechtens onaantastbaar geworden.

2.2. Eiseres heeft aan haar, thans aan de orde zijnde, aanvraag van 29 december 2004 het volgende ten grondslag gelegd. Uitzetting naar haar land van herkomst levert strijd op met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aangezien zij een behandeling ondergaat wegens een post traumatische stress stoornis (PTSS) en er een medische noodsituatie zal ontstaan wanneer er geen behandeling meer plaatsvindt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres twee brieven overgelegd van A.Colmans, haar behandelend arts, van 28 oktober 2004 en 28 september 2005.

2.3. Op verzoek van verweerder heeft het Bureau Medische Advisering op 22 augustus 2005 advies uitgebracht. Dit advies is op 30 december 2005 door het BMA aangevuld.

2.4. Verweerder heeft de aanvraag om de volgende redenen afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft in haar uitspraak van 8 november 2005 (200507278/1) overwogen dat uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name uit de zaken St. Kitts (RV 1997/70) en Bensaid (JV 2001/103), blijkt dat uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, kan leiden tot schending van artikel 3 EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens genoemde uitspraken van het EHRM slechts sprake zijn als de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. De vraag of er sprake is van een medische noodsituatie als bedoeld in hoofdstuk B8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is derhalve niet aan de orde. Uit het door het BMA uitgevoerde onderzoek blijkt niet dat eiseres zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte bevindt. Dit leidt tot de conclusie dat uitzetting van eiseres naar het land van herkomst niet strijdig is met artikel 3 EVRM. Ten overvloede heeft verweerder nog overwogen dat in het land van herkomst van eiseres behandelmogelijkheden zijn. In dat verband geldt ten aanzien van de door de gemachtigde van eiseres overgelegde inwilligende beschikkingen dat in die gevallen is gebleken dat in het land van herkomst onvoldoende behandelmogelijkheden aanwezig waren. Reeds daarom kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Dat een optimale voortzetting van de behandeling in Nederland niet mogelijk is in Kosovo, is geen reden om in afwijking van het beleid aan eiseres verblijf toe te staan. Eiseres verschilt daarin niet van vele van haar landgenoten aan wie evenmin om die reden verblijf wordt toegestaan. De door het BMA over de behandelmogelijkheden in het land van herkomst geraadpleegde bronnen zijn genoemd in het advies van 30 december 2005. De landeninformatie die door de arts van het BMA is gebruikt bij het opstellen van de adviezen is inzichtelijk. Het advies is op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze opgesteld. De bij de zienswijze overgelegde brief van de behandelend arts van eiseres van 28 september 2005 leidt niet tot een ander oordeel. Dat de behandelaar van eiseres van mening verschilt over de vraag of de medicatie die in Kosovo kan worden verstrekt, gelijk is aan de hier in Nederland verstrekte medicatie leidt immers niet tot de conclusie dat het door het BMA verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Ook ten aanzien van de dochter van eiseres heeft het BMA niet geconcludeerd dat sprake is van een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte. Artikel 39 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), waarop eiseres een beroep heeft gedaan, bevat geen normen die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving direct toepasbaar zijn. Het in de zienswijze gedane beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid kan niet slagen, nu niet is aangegeven van welke beleidsregel afgeweken zou moeten worden en in welke zin er sprake is van bijzondere omstandigheden die voor eiseres tot gevolgen leiden, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat alleen strijd met artikel 3 EVRM ontstaat wanneer er een levensbedreigende ziekte is, die zich in een eindstadium bevindt. Verweerder gaat eraan voorbij dat het, binnen drie maanden na het staken van een medische behandeling, ontstaan van een medische noodsituatie gelijk staat aan het brengen van iemand in een onmenselijke situatie. Waar het om gaat is of er een onmenselijke situatie ontstaat wanneer behandeling niet kan plaatsvinden. Dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord wordt door verweerder niet betwist. In de zaken, waarnaar in de zienswijze is verwezen, heeft het BMA, evenals in casu, geoordeeld dat er een medische noodsituatie ontstaat als er geen behandeling plaatsvindt en is verweerder tot vergunning¬verlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 overgegaan. Voorts heeft eiseres verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 12 mei 2006 en 14 juli 2006, waarin is overwogen dat het ontstaan van een medische noodsituatie binnen drie maanden valt binnen het bereik van artikel 3 EVRM. Vervolgens is dan van belang of er een effectieve remedie is als er geen behandeling is. Verweerder stelt dat er volgens het BMA artsen en medicijnen zijn in het land van herkomst om een medische noodsituatie te voorkomen. Dit is volstrekt onjuist. Het BMA zegt alleen maar dat er artsen en medicatie aanwezig zijn en dat daarom een medische noodsituatie voorkomen kan worden. Voorts stelt het BMA dat een optimale behandeling niet aanwezig is. De vraag is derhalve of de aanwezigheid van artsen en medicijnen een effectieve remedie is om een medische noodsituatie te voorkomen. Deze vraag heeft het BMA uitdrukkelijk niet beantwoord. Evenmin is het BMA gemotiveerd ingegaan op het door eiseres overgelegde stuk van haar behandelend arts. Het advies van het BMA is daarom onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is de informatie waarop het advies van het BMA is gebaseerd meer dan een jaar oud. Verweerder stelt dat het ontbreken van een optimale behandeling niet voldoende is om eiseres verblijf toe te staan. Inderdaad hoeft de behandeling in eigen land niet te voldoen aan de Nederlandse maatstaven. Dat is door eiseres ook nooit bestreden. Het gaat echter om “hetgeen zich in het hoofd van eiseres afspeelt” en of behandeling daarvan in eigen land een effectieve remedie is om een medische noodsituatie te voorkomen. Artikel 39 IVRK is niets anders dan het equivalent van artikel 3 EVRM en heeft daarom rechtstreekse werking. De uitleg die verweerder aan artikel 39 IVRK geeft snijdt daarom geen hout. Geconcludeerd kan worden dat verweerder geen aandacht aan de problematiek van de dochter van eiseres geeft en dat de beschikking om die reden op onvoldoende wijze is voorbereid. De wijze waarop verweerder heeft geoordeeld dat de zaak van eiseres niet schrijnend is, is in de ogen van eiseres onbegrijpelijk en ongepast.

2.6. Bij brief van 9 november 2006 heeft eiseres een brief overgelegd van een onafhankelijke psychiater, I. Ch. Oostveen, gedateerd 8 november 2006. In deze brief is onder meer gesteld dat, ook al is psychiatrische begeleiding in het land van herkomst mogelijk, eiseres doodsbang is bij terugzending slachtoffer te worden van eerwraak. In het contact met Colmans is duidelijk geworden dat het hier niet gaat om een randpsychotische fantasie maar om een reële angst. In het land van herkomst is een effectieve remedie om een noodsituatie te voorkomen niet aanwezig. Een impulssuïcide is heel wel denkbaar. Mantelzorg en sociale steun zijn noodzakelijk omdat eiseres erg schuw en teruggetrokken is.

2.7. Bij brief van 2 mei 2007 heeft verweerder een reactie van 6 februari 2007 van het BMA op het verslag van Oostveen ingezonden. Daarin staat onder meer vermeld dat, nu de vraag of eiseres daadwerkelijk voor eerwraak zal moeten vrezen in het land van herkomst niet door een medisch adviseur (en ook niet door een onafhankelijk of behandelend arts) kan worden beoordeeld, het BMA geen commentaar kan geven op de door de psychiater daaraan verbonden conclusie dat geen effectieve remedie om een medische noodsituatie te voorkomen aanwezig is. De conclusies in de adviezen van 22 augustus 2005 en 30 december 2005 aangaande de behandelmogelijkheden en het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn hoeven derhalve niet gewijzigd te worden. Met betrekking tot de vraag of eiseres kan reizen is het opstellen van een nieuw advies, na opvragen van actuele informatie bij de behandelaars, aan te raden.

2.8. Bij brief van 7 mei 2007 is namens eiseres gereageerd op de reactie van het BMA van 6 februari 2007.

Beoordeling van het beroep

2.9. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 14 augustus 2001 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, in rechte is komen vast te staan dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling, dat eiseres bij uitzetting naar de Federale Republiek Joegoslavië geen reëel risico loopt op een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen. De aanvraag van 29 december 2004, die thans ter beoordeling voorligt, wordt aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, Vw 2000. Ingevolge voormeld artikel 1, aanhef en onder f, Vw 2000 wordt onder ‘herhaalde aanvraag’ verstaan: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb kan worden afgewezen.

2.10. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, Awb kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

2.11. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag niet met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb heeft afgewezen. Dit neemt niet weg dat de aanvraag van 29 december 2004, gelet op vaste jurisprudentie van de ABRS, aangemerkt dienen te worden als een herhaalde aanvraag.

2.12. Ter beoordeling aan de rechtbank staat derhalve, gelet op de vaste lijn in de jurisprudentie van de ABRS, of eiseres ter onderbouwing van haar aanvraag van 29 december 2004 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van de rechtens onaantastbare beschikking van 10 mei 2001. De ABRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan, feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.13. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres overgelegde brieven van Colmans dateren van na de eerdere beschikking van 10 mei 2001. Dit brengt met zich dat deze stukken naar het oordeel van de rechtbank niet voor het nemen van die beschikking konden worden overgelegd. Deze stukken zijn derhalve aan te merken als nieuw gebleken feiten en omstandigheden, tenzij op voorhand uitgesloten is dat deze stukken kunnen afdoen aan de eerdere beschikking en de overwegingen waarop die rust. Gelet op de inhoud van deze stukken en gelet op het feit dat de medische toestand van eiseres in de beschikking van 10 mei 2001 niet bij de beoordeling is betrokken, is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand uitgesloten dat hetgeen eiseres ter ondersteuning van de onderhavige asielaanvraag naar voren heeft gebracht kan afdoen aan de eerdere beschikking van 10 mei 2001 en de overwegingen waarop die rust. Derhalve is in casu sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die in rechte behoren te kunnen worden beoordeeld.

2.14. De rechtbank stelt vast dat ook verweerder een inhoudelijk oordeel heeft gegeven in de thans bestreden beschikking – en verweerder derhalve geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, Awb – en dat dit heeft geleid tot afwijzing van de onder¬havige asielaanvraag. Derhalve ligt nu de vraag voor of dit standpunt van verweerder in rechte stand kan houden. De rechtbank stelt daarbij voorop dat tussen partijen slechts in geschil is of aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te worden verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

2.15. In beroep heeft eiseres eerdergenoemd rapport overgelegd van I. Ch. Oostveen. De rechtbank is van oordeel – en tussen partijen is gelet op het verhandelde ter zitting ook niet in geschil – dat dit rapport is aan te merken als een nadere onderbouwing van een eerder door eiseres ingenomen standpunt. De rechtbank ziet geen aanleiding dit rapport niet bij de beoordeling van het onderhavige beroep te betrekken.

2.16. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 kan een verblijfs¬vergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Blijkens de toelichting (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998/1999, 27 732, nr. 3, blz. 37) heeft de wetgever daarbij het oog gehad op de gevallen, waarin de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met verplichtingen uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens, waaronder artikel 3 EVRM.

2.17. Gezien eerdergenoemde uitspraken van het EHRM van 2 mei 1997 en 6 februari 2001 kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 EVRM. Ingevolge de uitspraak van het EHRM van 2 mei 1997 dient sprake te zijn van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Gelet op rechtsoverweging 37 van de uitspraak van het EHRM van 6 februari 2001 kan ook uitzetting in geval van psychische stoornissen onder omstandigheden in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Het EHRM heeft in die zaak – waar het betrof een vreemdeling die leed aan schizofrenie – het volgende overwogen: ‘The difficulties in obtaining medication and the stresses inherent in returning to this part of Algeria, where there is violence and active terrorism, are alleged to endanger seriously his health. Deterioration in the applicant’s already existing mental illness could involve relapse into hallucinations and psychotic delusions involving self-harm and harm to others, as well as restrictions in social functioning (e.g. withdrawal and lack of motivation). The Court considers that the suffering associated with such a relapse could, in principle, fall within the scope of Article 3.’

2.18. In haar brief van 28 oktober 2004 heeft Colmans aangegeven dat eiseres angstig is en dat zij nachtmerries heeft. Eiseres heeft angst voor terugkeer naar het land van herkomst en heeft soms suïcidale gedachten. Er is volgens Colmans sprake van een PTSS tengevolge van traumatische gebeurtenissen in het land van herkomst. In haar brief van 28 september 2005 heeft Colmans aangegeven dat terugkeer naar het land van herkomst gecontraïndiceerd is gezien het klinische beeld van eiseres. Eiseres zit in een fase van vele herbelevingen die in dissociatieve crisis een psychotisch desintegreren laat zien. Terugkeer naar de plek van de traumatisering zal herbelevingen in frequentie en ernst doen toenemen. Externe structuur (AZC, GGZ) blijkt een steeds grotere voorwaarde te zijn om risicovolle situaties voor eiseres en haar dochter te voorkomen. Deze externe structuur verbreken zal een acute noodsituatie veroorzaken die als een medische noodsituatie aangemerkt kan worden. Voorts moet de mogelijkheid van eerwraak bij terugkeer niet worden onderschat.

2.19. In het rapport van het BMA van 22 augustus 2005 is gesteld dat eiseres een chronische PTSS heeft, met gegeneraliseerde angst en in crises psychotische desintegratie. Als gevolg van langdurige traumatisering heeft zij een verandering van persoonlijkheidskenmerken ondergaan met afhankelijke kenmerken. Er is sprake van een langdurige en mogelijk blijvende behandelingsnoodzaak. De benodigde behandeling is echter in Servië voorhanden, aldus het BMA.

2.20. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat, gelet op in de vorige overweging weergegeven informatie, bij uitblijven van de benodigde behandeling van eiseres in het land van terugkeer, een crisis kan ontstaan die, gelet op rechtsoverweging 37 van de uitspraak van het EHRM van 6 februari 2001, onder het bereik van artikel 3 EVRM kan vallen. Evenwel zijn voor een geslaagd beroep op dit artikel ook andere factoren van belang, zoals het gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang. De rechtbank stelt in dit verband in de eerste plaats vast – en tussen partijen lijkt ook niet in geschil – dat eiseres in Kosovo behandeld kan worden en dat aldaar medicatie en behandelend artsen aanwezig zijn. Ook bestaat de mogelijkheid van gedwongen opname in een instelling om suïcide te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn aangedragen om te twijfelen aan de passage in het advies van het BMA waarin staat vermeld dat de in Kosovo beschikbare medicatie equivalent is aan de in Nederland aan eiseres verstrekte medicatie. De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op rechtsoverweging 38 van meergenoemde uitspraak van het EHRM van 6 februari 2001, het feit dat de behandeling in Kosovo mogelijk minder adequaat is dan in Nederland in het licht van artikel 3 EVRM niet van doorslaggevende betekenis is. Overigens wijst de rechtbank er op dat eiseres blijkens de brief van Oostveen van 8 november 2006 slechts eens in de drie weken haar behandelend psychiater Colmans bezoekt. Waar partijen duidelijk verdeeld over zijn is het antwoord op de vraag of de behandeling in Kosovo effectief zal zijn. In zijn brief van 8 november 2006 heeft Oostveen gesteld dat een impulssuïcide denkbaar is vanwege de reële angst van eiseres voor eerwraak en dat behandeling in het land van herkomst daarom geen effectieve remedie is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze angst een asielmotief betreft dat thans niet ter beoordeling voorligt. Derhalve ligt evenmin de vraag voor of de medische behandeling in Kosovo van die angst effectief is. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting gesteld dat “het hier gaat om iets dat zich in haar hoofd afspeelt” en dat de angst voor eerwraak dus geen asielmotief betreft. De rechtbank stelt echter vast dat de brief van Oostveen niet in de door gemachtigde gestelde richting wijst. Voor zover toch aangenomen zou moeten worden dat Oostveen anders bedoelt, is de rechtbank van oordeel dat diens conclusie dat een impulssuïcide heel wel denkbaar is niet dan wel onvoldoende te herleiden valt tot hetgeen Colmans, die anders dan Oostveen in een behandelrelatie tot eiseres staat, in haar brieven van 28 oktober 2004 en 28 september 2005 schrijft. Voorts zijn er onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om aan te nemen dat behandeling in dat geval niet effectief is, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres zich aan medische behandeling in Kosovo zal ontrekken. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiseres haar stelling dat de behandeling in het land van herkomst niet effectief is, onvoldoende heeft onderbouwd en dat deze stelling derhalve speculatief van aard is. Voorts is niet gesteld of gebleken dat eiseres binnen de behandelingssetting zoals die in Kosovo aanwezig is geen sociale structuur zal kunnen opbouwen zoals zij die tijdens haar behandeling in Nederland heeft opgebouwd, zodat niet kan worden gezegd dat in het land van herkomst sociale opvang ontbreekt. Bij al het voorgaande overweegt de rechtbank nog dat het EHRM in rechtsoverweging 40 in het arrest van 6 februari 2001 wijst op de hoge drempel die artikel 3 EVRM opwerpt, ingeval de Verdragsstaat niet direct verantwoordelijk is voor het bij terugkeer te verwachten leed.

2.21. Ten aanzien van de dochter van eiseres overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de dochter van eiseres lijdt aan een ziekte die onder het bereik van artikel 3 EVRM zou kunnen vallen. In haar geval is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de dochter van eiseres in Kosovo niet kan worden opgevangen en verzorgd in de vorm waarin één en ander thans plaatsvindt. Ten slotte faalt het beroep op artikel 39 IVRK nu deze bepaling zich naar het oordeel van de rechtbank blijkens haar formulering niet voor rechtstreekse toepassing leent.

2.22. Het is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiseres gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiseres aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 geen aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen

2.23. Verweerder heeft derhalve op goede gronden de aanvraag van eiseres afgewezen. Het beroep is dan ook ongegrond.

2.24. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W.A. Jager als griffier op 17 augustus 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: