Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7450

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/4853 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

terrasvergunning afgesplitst terras binnenstad Leiden ; voorlopige voorziening afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 07/4853 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

de Stichting Ontmoetingsruimte de Linkse Kerk, gevestigd te Leiden, verzoekster,

ter zake van het besluit van 8 juni 2007, verzonden op 14 juni 2007, van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, verweerder, waarbij de aanvraag van verzoekster om een terrasvergunning voor een gesplitst terras is afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 5 juli 2007 bij verweerder bezwaar gemaakt. Voorts is bij brief van dezelfde datum de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 juli 2007. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Duijn en E. de Vries.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A.B. Pluyter en C. Bengoua.

I. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Verzoekster heeft op 13 maart 2007 bij verweerder een aanvraag om een terrasvergunning ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 april 2007. De aanvraag betreft een gesplitst terras met een gewenste afmeting van in totaal 21,5 m2 op een nieuwe locatie, te weten een gedeelte voor de gevel van het perceel Hooglandse Kerkgracht 4 te Leiden en een gedeelte tegen de brugleuning aan de overzijde van de openbare weg ter hoogte van dit perceel.

3. Bij het bestreden besluit is voornoemde aanvraag afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat hij zich over de ligging van het gewenste terras heeft laten adviseren door een deskundige van de brandweer en een verkeerskundige van de politie. Verweerder heeft zich - samengevat - op het volgende standpunt gesteld.

1. Het is niet mogelijk om één deel van het terras op te stellen op de door verzoekster gewenste plaats voor de gevel van het pand omdat er voor die gevel een blindengeleidestrook loopt. Een dergelijke strook moet tot een afstand van 50 cm aan weerszijden vrij blijven. Weliswaar loopt in dit geval de strook vlak langs de stoep (met paal), maar kunnen visueel gehandicapten deze als geleiding gebruiken.

2. Beide zijden van de Oude Rijn vormen voor alarmverkeer en vuilniswagens een belangrijke ontsluitingsroute voor delen van de oude binnenstad. In de Koppenhinksteeg is er eenrichtingverkeer voor motorvoertuigen in de richting van de Kaasmarkt. Alarmverkeer en vuilniswagens moeten de steeg in beide richtingen gebruiken. Voor deze voertuigen, die over een ontheffing beschikken om in beide richtingen gebruik te mogen maken van de Koppenhinksteeg, is de draai vanuit en naar de Koppenhinksteeg te zeer beperkt. Deze beperking kan niet worden opgeheven door het stellen van voorwaarden aan de vergunning. Derhalve is een terras op de aangegeven locatie niet mogelijk.

3. Het opstellen van een terras op de aangegeven locatie is vanuit verkeerstechnisch oogpunt niet verantwoord. Het verkeersaanbod ter plaatse is divers en de verkeerstechnische situatie in de nabije omgeving is complex. Verweerder ziet hier geen mogelijkheden om door het stellen van voorschriften tot een voor alle weggebruikers aanvaardbare situatie te komen.

Volledigheidshalve heeft verweerder verzoekster er nog op gewezen dat op

4 januari 2007 aan haar een zogenoemde paracommerciële drank- en horecavergunning is verleend. Dit betekent dat de horeca-activiteiten ondersteunend moeten zijn aan de maatschappelijke doelstellingen van verzoekster. Zelfstandige commerciële horeca-activiteiten zijn op grond van de verleende vergunning niet toegestaan, hetgeen ook geldt voor een eventueel terras. Ook om deze reden kan het verzoek niet worden ingewilligd, aldus verweerder.

4. Verzoekster stelt zich met betrekking tot de blindengeleidestrook op het standpunt dat niet duidelijk is waar het criterium van 50 cm vandaan komt en dat deze strook bovendien tegen een monumentale betonnen paal is aangelegd.

Met betrekking tot de beperkingen voor het alarmverkeer en vuilniswagens stelt verzoekster zich op het standpunt dat er voldoende ruimte is. Het terras zal niet op de rijweg worden gesitueerd, maar op het met rode bakstenen betegelde deel van de openbare weg dat primair voor voetverkeer is bestemd.

Van een complexe verkeerstechnische situatie is volgens verzoekster geen sprake. De Hooglandse Kerkgracht is autoluw en het verkeer wordt dankzij de smalle toegangswegen naar de Hooglandse Kerkgracht gedwongen langzaam te rijden. Op de Hooglandse Kerkgracht is de verkeerssituatie vervolgens overzichtelijk en ruim bemeten.

Verzoekster stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder bekend is met het maatschappelijk karakter van haar Stichting. Met het terras wordt beoogd bestaande bezoekers van de Vrijplaats te behouden en niet om toeristen of voorbijgangers te trekken.

5.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Leiden (APV) is het verboden om zonder een vergunning van burgemeester en wethouders een terras in te richten, te exploiteren of in gebruik te geven op de openbare weg of op een voor publiek toegankelijk terrein.

5.2 In artikel 7, tweede lid, onder c, van de APV is bepaald dat een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien uit de aanvraag blijkt dat het terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig beheer van de weg en daaraan niet door het verbinden van voorschriften aan de vergunning tegemoet kan worden gekomen.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.1 Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat de afwijzing van de terrasvergunning is gebaseerd op artikel 7 van de APV en niet op de nieuwe Beleidsregels voor terrassen en terrasboten in Leiden. Deze beleidsregels zijn voor inspraak vastgesteld. Bij de beoordeling van de aanvraag is wel onderzocht of de nieuwe Beleidsregels wellicht in het geval van verzoekster gunstiger zouden zijn. Hiervan is niet gebleken, aldus verweerder.

6.2. Verweerder heeft voorts medegedeeld dat de brandweer voor de Leidse binnenstad een aantal 'aanvalsroutes' heeft vastgesteld, mede met het oog op de bereikbaarheid van achterliggende hofjes en achterhuizen. Om die reden dienen aanvragen voor terrasvergunningen aan de brandweer te worden voorgelegd voor advies. Verweerder heeft in dit kader aangegeven dat hij tijdens een overleg door een deskundige van de brandweer en een verkeerskundige van de politie is geadviseerd over de ligging van het door verzoekster gewenste terras. Het betreft een mondeling advies, waarvan vooralsnog geen schriftelijke weergave voorhanden is.

Het plaatsen van een terras aan de gevel van het pand van verzoekster zou het gebruik van de blindengeleidestrook onmogelijk maken. Voorts is sprake van een moeilijk toegankelijk gebied. De Hooglandse Kerkgracht moet van beide kanten bereikbaar zijn. Bij het opstellen van een terras op de gewenste plaats ontstaan problemen in verband met de noodzakelijke ontsluitings-routes voor alarmdiensten en vuilniswagens. In dit kader is er op gewezen dat vuilniswagens en brandweerwagens, zoals ladderwagens, vanwege hun lengte een grote draaicirkel hebben en derhalve meer ruimte nodig hebben. De ontsluitingsroutes moeten dan ook vrij blijven, aldus verweerder.

6.2.1 De voorzieningenrechter acht het niet onwaarschijnlijk dat het advies, zoals hiervoor is geschetst door verweerder, door de brandweer en politie aan verweerder is gegeven. Het enkele feit dat dit advies vooralsnog niet schriftelijk is vastgelegd leidt op voorhand niet tot de conclusie dat het besluit tot weigering van de terrasvergunning niet in stand zal kunnen blijven. Verweerder kan dit advies dan wel een verslag van het betreffende overleg nog produceren in de bezwaarfase, waarbij wordt opgemerkt dat, nu de hoorzitting inmiddels is gepland, enige voortvarendheid op dit punt wenselijk wordt geacht.

6.2.2 De voorzieningenrechter overweegt dat de weigeringsgronden van verweerder met name betrekking hebben op de verkeersveiligheid. Verzoekster heeft geen deskundigenadvies overgelegd waaruit blijkt dat het gewenste terras, onder meer met het oog op de noodzakelijke ontsluitingsroutes voor alarmverkeer en vuilniswagens, geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg. Zij heeft tegenover het advies van de deskundige van de brandweer en de verkeerskundige van de politie slechts haar eigen mening gegeven. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om aan de juistheid van het in rechtsoverweging 6.2 geschetste advies te twijfelen. Verweerder heeft derhalve mogen afgaan op eerdergenoemd advies. Nu het gewenste terras een verkeersonveilige situatie oplevert en daaraan niet door het verbinden van voorschriften aan de

vergunning tegemoet kan worden gekomen, was verweerder op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV reeds gehouden om verzoeksters aanvraag om een terrasvergunning af te wijzen. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder de terrasvergunning reeds hierom terecht geweigerd.

De tweede weigeringsgrond, welke is gebaseerd op artikel 7, tweede lid, onder f, van de APV, behoeft in het kader van het onderhavige verzoek derhalve geen nadere bespreking.

7. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het vorenstaande, geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt niet voor inwilliging in aanmerking.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. C.C. de Rijke-Maas, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier, A.J. Faasse - van Rossum.