Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7221

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-09-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
rolnr. 657341 RL EXPL 07-7637
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal pinpas door tientjestruc bij kaartjesautomaat op NS-station. Aansprakelijkheid bank? Gesteld noch gebleken is dat eiser de tientjestruc kende en dat hij zich van die truc bewust was op het moment dat hij op station met zijn bankpas een kaartje kocht bij de automaat. Het enkele feit dat in de media aandacht is besteed aan de tientjestruc brengt niet mee dat moet worden aangenomen dat eiser van die truc op de hoogte had moeten zijn of zich kort na de diefstal had moeten realiseren dat hij slachtoffer was geworden van de tientjestruc. Eiser kan niet worden aangerekend dat hij even het zicht kwijt is geweest op zijn bankpas. Hij heeft normaal gereageerd door even op te kijken toen hij op zijn schouder werd getikt en werd gewezen op de strippenkaart. Het spreekt voor zich dat eiser beter eerst zijn bankpas uit de automaat had kunnen nemen, maar dat kan niet tot het oordeel leiden dat hij grovelijk onzorgvuldig heeft gehandeld door dat niet te doen. De in algemene bewoordingen gegeven waarschuwingen van de bank bij het verstrekken van de bankpas maken dat niet anders.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/7
Prg. 2008, 22

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

MFB

rolnr. 657341 RL EXPL 07-7637

10 september 2007

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. A. Wiersum (DAS Rechtsbijstand),

tegen

de coöperatie Coöperatieve Rabobank Den Haag en Omgeving U.A.,

gevestigd te 's-Gravenhage

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A. van den Berg.

Partijen worden aangeduid als '[eiser]' en 'Rabobank'.

Procedure

- de dagvaarding van 26 maart 2007;

- de conclusie van antwoord;

- comparitie van partijen van 9 juli 2007.

Feiten

1.1 [eiser] heeft een bankrekening bij Rabobank. Bij deze bankrekening hoort een bankpas met pincode. Tussen [eiser] en Rabobank zijn de Voorwaarden Bankpas Voorwaarden gebruik geld- en betaalautomaten (AV) van toepassing.

1.2 Artikel 17 lid 1 AV bepaalt dat de klant zorgvuldig met de bankpas en PIN-code dient om te gaan en dat de bank de klant zo goed mogelijk zal informeren omtrent te nemen voorzorgsmaatregelen. Artikel 17 lid 2 AV bepaalt dat de klant ten aanzien van de hem toegekende PIN-code is verplicht tot geheimhouding ten opzichte van een ieder en dat niet-naleving van dit voorschrift leidt tot aansprakelijkheid van de klant op grond van artikel 20 lid 2c sub 3.

1.3 Krachtens artikel 20 lid 2a AV moet de klant diefstal onverwijld na ontdekking melden en dient de klant ook een vermoeden van diefstal onverwijld te melden. Krachtens artikel 20 lid 2b AV is de klant tot een bedrag van € 150,-- per bankpas aansprakelijk voor de gevolgen van onbevoegd gebruik gedurende de periode tot het moment van melding. Artikel 20 lid 2c sub 2 bepaalt dat de aansprakelijkheid van de klant wordt verhoogd voor de gevolgen van onbevoegd gebruik indien de bank kan aantonen dat de klant niet onmiddellijk na het constateren van diefstal of de mogelijke van onbevoegd gebruik melding daarvan heeft gemaakt. Artikel 20 lid 2c sub 3 AV bepaalt dat de aansprakelijkheid van de klant wordt verhoogd indien de bank kan aantonen dat de onbevoegde transacties hebben kunnen plaatsvinden doordat de klant zijn verplichtingen ex artikel 17 lid 2 niet heeft nageleefd, tot het bedrag van de onbevoegde transacties die hebben plaatsgevonden tot het moment van melding. Krachtens artikel 20 lid 2d AV is de klant in geval van opzet of grove schuld of grove nalatigheid onbeperkt aansprakelijk.

1.4 [eiser] is op 27 oktober 2005 op het station Rijswijk slachtoffer geworden van de zogenaamde 'tientjestruc'. Deze tientjestruc houdt in dat tenminste twee personen weten te bewerkstelligen dat zij enerzijds zicht krijgen op het intoetsen van de pincode en anderzijds de betrokkene vervolgens zo weten af te leiden dat hij het zicht op zijn bankpas korte tijd verliest, veelal door een bankbiljet op de grond te gooien en de betrokkene op dat bankbiljet te attenderen. In die korte tijd wordt de bankpas van de betrokkene verwisselt met een (veelal eerder gestolen en geblokkeerde) andere bankpas. Vervolgens worden met de gestolen bankpas in korte tijd grote sommen geld van de bankrekening van de betrokkene opgenomen.

1.5 [eiser] kocht op 27 oktober 2005 met zijn bankpas een treinkaartje naar Schiphol bij de automaat in de stationshal in Rijswijk. Nadat hij zijn pincode had ingetoetst werd hij op zijn schouder getikt en aangesproken door een onbekende man, die naar de grond wees en hem vroeg of de tramkaart die daar lag van hem was. Nadat [eiser] ontkennend had geantwoord heeft hij zijn bankpas uit de automaat gehaald en is het treinkaartje geprint.

1.6 [eiser] heeft even later op Schiphol geprobeerd een treinkaartje te kopen voor zijn terugreis enkele dagen later, maar kon noch bij de eerste noch bij de tweede poging betalen met zijn bankpas. Dat lukte ook niet toen hij op 30 oktober 2005 terugkwam.

1.7 Op 31 oktober 2005 wilde [eiser] internet-bankieren en heeft hij ontdekt dat de bankpas in zijn portemonnee niet de zijne was, maar dat daarop de naam van ene [A] stond. Daarop heeft [eiser] direct zijn bankpas laten blokkeren.

1.8 In de periode tussen 27 oktober 2005 en 29 oktober 2005 is in totaal een bedrag van

€ 3.249,90 van de bankrekening van [eiser] afgeschreven. Op 29 oktober 2005 is kort na de diefstal van de bankpas een bedrag van € 1.250,-- opgenomen bij een pinautomaat. Voor het overige zijn in de periode van 27 tot en met 29 oktober 2005 met de bankpas aankopen gedaan. In verband met het bereiken van de weeklimiet van € 1.250,-- was opnemen van geld bij een pinautomaat niet meer mogelijk.

Vordering

2.1 [eiser] vordert in de onderhavige procedure dat Rabobank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:

primair: een bedrag van € 3.549,90, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.249,90 primair vanaf 31 oktober 2005, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding;

subsidiair: een bedrag van € 1.400,-- met de wettelijke rente over € 1.250,-- primair vanaf 31 oktober 2005, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding,

met veroordeling van Rabobank in de kosten van de procedure.

Het primair gevorderde bedrag van € 3.549,90 bestaat uit een bedrag van € 3.249,90 aan hoofdsom plus een bedrag van € 300,-- aan buitengerechtelijke kosten. Het subsidiair gevorderde bedrag van € 1.400,-- bestaat uit een bedrag van € 1.250,-- aan hoofdsom plus een bedrag van € 150,-- aan buitengerechtelijke kosten.

2.2 [eiser] legt aan zijn vordering naast bovenstaande vaststaande feiten het navolgende ten grondslag.

2.3 Rabobank is gehouden om de door [eiser] geleden schade te vergoeden. Rabobank is jegens [eiser] tekortgeschoten door [eiser] niet te wijzen op de tientjestruc en door geen controle te houden op het uitgavenpatroon van [eiser] ('datamining'). Zou Rabobank dat wel hebben gedaan, dan zou Rabobank hebben kunnen vaststellen dat de geldopname en betalingen in de periode na de diefstal van de bankpas niet in het gebruikelijke uitgavenpatroon van [eiser] pasten en had zij de bankpas kunnen blokkeren. [eiser] is niet tekortgeschoten in de krachtens de AV op hem rustende verplichtingen. Hem kan niet worden aangerekend dat hij slachtoffer is geworden van de tientjestruc. Op dergelijk vooropgezet crimineel handelen hoefde [eiser] niet bedacht te zijn. [eiser] heeft de diefstal direct gemeld, toen hij bij het internetbankieren ontdekte dat zijn bankpas was gestolen. Eerder wist [eiser] dat niet.

2.4 De schade die [eiser] heeft geleden is gelijk aan het bedrag dat na de diefstal van zijn bankpas van zijn rekening is opgenomen. Voor het geval de kantonrechter van oordeel zou zijn dat op [eiser] de verplichting rustte om na de mislukte pogingen om een pintransactie uit te voeren zijn bankpas te controleren en te moeten vaststellen dat dit niet de zijne was, vordert [eiser] in ieder geval vergoeding van € 1.250,--, het bedrag dat reeds was opgenomen voordat [eiser] een eerste pinpoging deed.

2.5 [eiser] heeft daadwerkelijk en in alle redelijkheid kosten gemaakt ter verkrijging van een oplossing buiten rechte. Rabobank is op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub c gehouden om deze kosten te vergoeden. De buitengerechtelijke kosten bedragen conform het rapport Voorwerk II € 300,-- dan wel € 150,--.

Verweer

3.1 Rabobank voert gemotiveerd verweer. Rabobank voert het navolgende aan.

3.2 [eiser] heeft niet gehandeld in overeenstemming met de AV. [eiser] is onzorgvuldig omgegaan met zijn bankpas. [eiser] had zich niet mogen laten afleiden en zijn bankpas niet uit het oog mogen verliezen, zeker niet nadat hij zijn pincode had ingetoetst. Bovendien heeft hij zijn bankpas niet onmiddellijk na de desbetreffende transactie op het station in Rijswijk gecontroleerd. [eiser] heeft derhalve zijn verplichting uit hoofde van art. 17 lid 1 AV niet nageleefd. Zijn handelwijze is dermate onzorgvuldig dat dit grove nalatigheid dan wel grove schuld in de zin van artikel 20 lid 2d oplevert.

3.3 Bovendien heeft [eiser] artikel 17 lid 2 AV niet nageleefd door dat hij zijn pincode niet geheim heeft gehouden. [eiser] heeft zijn pincode bij het pinnen niet goed afgeschermd, waardoor een derde zijn pincode heeft kunnen afkijken. In de instructies die Rabobank aan haar klanten geeft bij het verstrekken van de bankpas worden klanten daarvoor uitdrukkelijk gewaarschuwd. Het niet-geheimhouden van de pincode leidt tot volledige aansprakelijkheid voor de gevolgen van misbruik tot het moment van melding.

3.4 [eiser] heeft de diefstal te laat gemeld. Hij had kunnen vermoeden dat er iets niet klopte met zijn bankpas na het voorval op het station in Rijswijk, zeker in combinatie met de twee mislukte transacties op Schiphol. [eiser] heeft daardoor in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 20 lid 2a AV.

3.5 De bank heeft de op haar rustende zorgplicht niet geschonden door [eiser] niet op de tientjestruc te wijzen. Deze truc werd reeds in 2000 toegepast en aan dit fenomeen is in de media veel aandacht besteed. Op Rabobank rust niet de verplichting om het betaalgedrag van [eiser] te controleren. Zij is dus niet tekort geschoten in de nakoming van een dergelijke verplichting.

Beoordeling

4.1 Gesteld noch gebleken is dat [eiser] de tientjestruc kende en dat hij zich van die truc bewust was op het moment dat hij op station Rijswijk met zijn bankpas een kaartje kocht bij de automaat. Het enkele feit dat in de media aandacht is besteed aan de tientjestruc brengt niet mee dat moet worden aangenomen dat [eiser] van die truc op de hoogte had moeten zijn of zich kort na de diefstal had moeten realiseren dat hij slachtoffer was geworden van de tientjestruc.

4.2 [eiser] kan niet worden aangerekend dat hij even het zicht kwijt is geweest op zijn bankpas. Hij heeft normaal gereageerd door even op te kijken toen hij op zijn schouder werd getikt en werd gewezen op de strippenkaart. Het spreekt voor zich dat [eiser] beter eerst zijn bankpas uit de automaat had kunnen nemen, maar dat kan niet tot het oordeel leiden dat [eiser] grovelijk onzorgvuldig heeft gehandeld door dat niet te doen. De in algemene bewoordingen gegeven waarschuwingen van Rabobank bij het verstrekken van de bankpas maken dat niet anders.

4.3 Evenmin kan [eiser] worden aangerekend dat hij zijn pincode niet geheim gehouden heeft. In ieder geval kan van grove onzorgvuldigheid niet worden gesproken. Het enkele feit dat criminelen die daarop uit waren kennis hebben kunnen nemen van zijn pincode kan niet tot dat oordeel leiden. Van belang is in dat verband dat gesteld noch gebleken is dat dat in de gegeven omstandigheden bij het in acht nemen van de normale zorgvuldigheid onmogelijk zou zijn geweest. Van schending van de geheimhoudingsverplichting als bedoeld in artikel 17 lid 2 AV is geen sprake geweest. Artikel 17 lid 2 AV ziet op situaties waarin bijvoorbeeld een pincode als geheugensteuntje wordt opgeschreven, maar niet op situaties als de onderhavige, waarin een pincode bij gebruik van de bankpas kennelijk voor anderen zichtbaar is geweest.

4.4 Of [eiser] zich na de mislukte pintransacties op Schiphol had moeten realiseren dat zijn bankpas was gestolen en de diefstal had moeten melden is niet van belang. Artikel 20 lid 2a AV bepaalt dat de klant diefstal onverwijld na ontdekking meldt en dat de klant ook een vermoeden van diefstal onverwijld moet melden. Uit deze bepaling blijkt niet dat een klant ook kan worden aangerekend dat hij niet heeft vermoed dat zijn bankpas was gestolen, maar dit wel had kunnen vermoeden. Onbetwist is dat [eiser] zich pas op 31 augustus 2005 daadwerkelijk heeft gerealiseerd dat zijn bankpas was gestolen en dat hij dat niet eerder heeft vermoed. Derhalve heeft hij gehandeld conform het bepaalde in artikel 20 lid 2a AV door dit direct na de ontdekking te melden. Rabobank heeft derhalve niet aangetoond dat [eiser] niet onmiddellijk na het constateren van de diefstal of de mogelijke diefstal daarvan melding gemaakt heeft, zoals is bepaald in artikel 20 lid 2c sub 2 AV.

4.5 Uit het voorafgaande volgt dat [eiser] jegens Rabobank niet aansprakelijk is voor het misbruik dat van zijn bankpas is gemaakt voor zover dit een bedrag van € 150,-- te boven gaat. Derhalve is de primair gevorderde hoofdsom onder aftrek van dit bedrag van € 150,-- toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten zijn als onbetwist en op de wet gegrond toewijsbaar.

4.6 Rabobank zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

1. veroordeelt Rabobank om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.399,90 vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.249,90 vanaf 31 oktober 2005 tot aan de dag van voldoening;

2. veroordeelt Rabobank in de kosten van de procedure tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 633,31, waarvan € 350,-- als vergoeding voor het salaris van de gemachtigde, € 199,-- griffierecht en € 84,31 dagvaardingskosten;

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. mr. M.F. Baaij en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2007.