Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
02-11-2007
Zaaknummer
09/925543-07 ; 09/535433-07 (ttz. gev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot diefstal met braak en meermalen aan voltooide diefstal met braak. Hij is sedert 1995 stelselmatig met politie en justitie in aanraking gekomen. In de vijf jaren voorafgaand aan het thans bewezen verklaarde feit is verdachte tenminste driemaal wegens een misdrijf tot een onherroepelijke gevangenisstraf veroordeeld. De rechtbank overweegt dat, nu het door verdachte plegen van strafbare feiten sterk samenhangt met zijn verslavingsproblematiek, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom misdrijven als de onderhavige zal plegen indien voor deze problematiek geen oplossing wordt gevonden. De veiligheid van goederen is daarmee in het geding. De rechtbank zal daarom aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar. Binnen 6 maanden beoordeling omtrent de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09/925543-07; 09/535433-07 (ttz. gev)

's-Gravenhage, 30 oktober 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 oktober 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. C.E.J. Backer heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 en terzake van het hem bij dagvaarding II telastgelegde voor de duur van twee jaren de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van dagvaarding I en II, gemerkt A en A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding I onder 3 en 4 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Ten aanzien van feit 3 heeft verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat hij niet het plan had in te breken, dat hij betrokken was bij een ruzie op straat, daarbij gewond is geraakt en dat de ruit van een woning kapot is gegaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenmin dat verdachte het voornemen had om in te breken. In het proces-verbaal van bevindingen op pagina 53 relateert de verbalisant die naar de betreffende woning is gegaan dat hij zag dat de verdachten niet in de woning waren geweest en dat dit ook onmogelijk was, omdat men door de verbroken ruit niet de woning kon betreden.

Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de woning via de openstaande deur heeft betreden en heeft gezien dat medeverdachte [medeverdachte] spullen meenam, maar dat hij daaraan niet heeft deelgenomen en is weggegaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte de gestolen goederen onder zich heeft gehad. Ook anderszins blijkt uit het dossier niet dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en voornoemde [medeverdachte].

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat verdachte de voornoemde feiten heeft gepleegd. Mitsdien dient verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op dagvaarding I onder 1, 2, 5 en 6 telastgelegde feiten alsmede het op dagvaarding II telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot diefstal met braak en meermalen aan voltooide diefstal met braak. Vast is komen te staan dat verdachte, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 25 juni 2007, sedert 1995 stelselmatig met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook blijkt hieruit dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het thans bewezen verklaarde feit tenminste driemaal wegens een misdrijf tot een onherroepelijke gevangenisstraf is veroordeeld. De vrijheidstraffen die verdachte in het verleden zijn opgelegd zijn reeds ten uitvoer gelegd voordat het onderhavige bewezen verklaarde feit werd gepleegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het door G. Ingosi-Out, reclasseringswerker bij Parnassia, uitgebrachte rapport d.d. 20 augustus 2007, ten behoeve van de ISD-maatregel betreffende verdachte. In dit rapport komt onder andere naar voren dat verdachte in 2006 reeds is opgenomen bij het klinische behandelprogramma van Triple-ex. Verdachte heeft zijn behandeling bij Triple-ex zelf beëindigd en is daarna teruggevallen in middelengebruik. Tijdens zijn detentie in 2007 heeft verdachte diverse trainingen gevolgd en een gemotiveerde indruk achter gelaten. Verdachte heeft tijdens gesprekken aangegeven zelf geen ander alternatief te zien dan de ISD-maatregel. Verdachte komt ook nu gemotiveerd over, maar geeft zelf aan deze motivatie niet lang vast te kunnen houden.

De rapporteur adviseert om de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Verdachte is van mening dat hij zijn motivatie binnen de ISD-maatregel wel vast kan houden. Binnen het traject kan verdachte aangemeld worden voor diverse inzichtgevende en cognitieve trainingen. Het uiteindelijke doel van de maatregel is om verdachte te resocialiseren naar een zelfstandig bestaan in de maatschappij.

De rechtbank overweegt dat, nu het door verdachte plegen van strafbare feiten sterk samenhangt met zijn verslavingsproblematiek, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom misdrijven als de onderhavige zal plegen indien voor deze problematiek geen oplossing wordt gevonden. De veiligheid van goederen is daarmee in het geding. De rechtbank zal daarom aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen.

De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheid dat de wetgever niet de mogelijkheid heeft geboden om de maatregel, zou deze voor kortere duur worden opgelegd, indien nodig na verloop van tijd te verlengen, aanleiding om te bepalen dat binnen twaalf maanden een tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht zal plaatsvinden. Alsdan kan worden bezien of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel noodzakelijk is.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende aan [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 265,78.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het op dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen tot een bedrag van € 265,78.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 265,78 ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 38m, 38n, 38s, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding 1 onder 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding 1 onder 1, 2, 5 en 6 telastgelegde feiten alsmede het bij dagvaarding II telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. dagvaarding I, feit 1:

poging diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

t.a.v. dagvaarding I, feit 2, 5 en 6:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

t.a.v. dagvaarding II:

diefstal;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;

bepaalt dat in deze zaak binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis ter terechtzitting van deze rechtbank een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden omtrent de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en bepaalt dat de officier van justitie uiterlijk veertien dagen voor dat tijdstip de rechtbank bericht zal doen toekomen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Beslissing vordering van de benadeelde partij.

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van € 265,78, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 265,78 ten behoeve van voornoemd slachtoffer;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

Beslissing schadevergoedingsmaatregel.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Wijnnobel-Van Erp, voorzitter,

Honée en Böcker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Durieux, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 oktober 2007.

Mr. Böcker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.