Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7002

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
02-11-2007
Zaaknummer
09/655399-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft bij een aanhouding zijn politiehond ingezet. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling, door zijn diensthond het commando te geven om aangever aan te vallen. De beten van een getrainde politiehond kunnen zwaar lichamelijk letsel veroorzaken. De omstandigheid dat het slachtoffer daardoor geen blijvend letsel heeft opgelopen is een gelukkige, die echter niet aan de verdachte te danken is. De rechtbank ziet aanleiding om een lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie, nu verdachte in zijn hoedanigheid als politieagent disciplinaire maatregelen opgelegd heeft gekregen die zeer ingrijpend zijn voor verdachte. Hij is voorwaardelijk ontslagen met een proeftijd van twee jaar, zijn functie van hondengeleider mag hij niet langer uitoefenen en zijn hond is afgenomen. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen - 9, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 30 uur, voor het geval dat dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht: vervangende hechtenis van 15 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/655399-07

's-Gravenhage, 30 oktober 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 oktober 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Almere, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. T. Berger heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van

120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte door het inzetten van de diensthond bij de aanhouding van [X] binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door aangever was geslagen, dat hierdoor de grenzen overschreden waren en dat hij aangever daarom wilde aanhouden. Hij zag daartoe geen andere mogelijkheid dan het inzetten van zijn diensthond, omdat hij geen dienstuitrusting bij zich had en ook geen telefoon om assistentie op te roepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zo te handelen niet de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen. De omstandigheid dat verdachte - ondanks het feit dat hij dienst had - niet beschikte over zijn dienstuitrusting en slechts zijn diensthond bij zich had, brengt nog niet mee dat verdachte ter aanhouding slechts zijn diensthond kon en mocht inzetten. Verdachte had immers ook de mogelijkheid om van aangever weg te lopen en vervolgens assistentie in te roepen teneinde op een later moment tot aanhouding over te gaan. Verdachte heeft er niettemin voor gekozen om direct een relatief zeer zwaar middel in te zetten. [X] heeft hierdoor ernstige beetverwondingen opgelopen. Op basis van zijn opleiding en ervaring had verdachte moeten overzien wat de gevolgen van het inzetten van zijn diensthond zouden zijn. Ter terechtzitting heeft verdachte ook verklaard dat de verwondingen van aangever niet ongebruikelijk zijn bij het inzetten van een diensthond.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat zijn cliënt heeft gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces en om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verweer aangevoerd dat zijn cliënt op het gegeven moment niet anders kon handelen dan hij gedaan heeft.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij zijn diensthond heeft ingezet omdat hij aangever wilde aanhouden en niet ter verdediging.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep op noodweer en noodweerexces faalt.

Verdachte is deswege strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling, door zijn diensthond het commando te geven om aangever aan te vallen. De beten van een getrainde politiehond kunnen zwaar lichamelijk letsel veroorzaken. De omstandigheid dat het slachtoffer daardoor geen blijvend letsel heeft opgelopen is een gelukkige, die echter niet aan de verdachte te danken is. Door zo te handelen heeft verdachte pijn en letsel veroorzaakt bij het slachtoffer en voor gevoelens van onrust in de maatschappij gezorgd.

Niettemin ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie, nu verdachte in zijn hoedanigheid als politieagent disciplinaire maatregelen opgelegd heeft gekregen die zeer ingrijpend zijn voor verdachte. Verdachte is voorwaardelijk ontslagen met een proeftijd van twee jaar, zijn functie van hondengeleider mag hij niet langer uitoefenen en zijn hond is afgenomen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het verdachte betreffend Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 28 juni 2007 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging zware mishandeling

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 30 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 15 DAGEN;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Wijnnobel-Van Erp voorzitter,

Honée en Böcker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Durieux, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 oktober 2007.

Mr. Böcker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.