Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6968

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
07-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/36886
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sri Lanka / AC procedure / motivering individuele relaas / categoriaal beschermingsbeleid

Het individuele relaas is ongeloofwaardig bevonden. Die conclusie berust onder meer op het oordeel dat de gestelde snelle vrijlating na twee incidenten niet goed te rijmen is met de beschuldiging van hulp aan de LTTE. Dat oordeel behoeft nadere toelichting en onderbouwing, omdat de meerderheid van de Tamil arrestanten onder de noodregelgeving, dus na een kennelijke verdenking van betrokkenheid bij de LTTE, volgens het ambtsbericht binnen 12 uur of enkele dagen werd vrijgelaten.

Niet elke tegenstrijdigheid over een bijzonderheid moet altijd leiden tot het oordeel dat het volledige relaas positieve overtuigingskracht ontbeert en daarmee niet geloofwaardig is. Verweerder zal altijd alle bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het relaas mee te wegen aspecten ook in onderling verband en samenhang moeten bezien en, ook wanneer een van de omstandigheden van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f van de Vw 2000 in de beoordeling moet worden betrokken, in voorkomende gevallen, wanneer de tegenstrijdigheid niet relevant genoeg is in verhouding tot alle andere in de beoordeling te betrekken aspecten, het voordeel van de twijfel kunnen geven.

Ten aanzien van Tamils uit het noorden en oosten van Sri Lanka heeft verweerder geoordeeld, dat de situatie dermate onveilig is dat terugzending naar deze delen van Si Lanka niet aan de orde is. Verweerder voert geen categoriaal beschermingsbeleid, omdat Tamils een verblijfsalternatief elders in Sri Lanka hebben.

Op basis van informatie van Human Rights Watch van 8 juni 2007, derhalve van recentere datum dan het algemeen ambtsbericht van april 2007, dat Tamils uit het noorden of oosten toestemming nodig hebben om zich elders te vestigen en dat 376 Tamils is verzocht vanuit Colombo terug te keren naar hun woonplaatsen in het noorden of oosten, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat de weigering een categoriaal beschermingsbeleid te voeren niet voldoende gemotiveerd lijkt en nader, in beroep, onderzocht moet worden. Ook daarom wordt het verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 07/36886

Datum uitspraak: 19 oktober 2007

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1980,

v-nummer [nummer],

van Srilankaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. F.J.M. Schonkeren,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 26 september 2007 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 19 september 2007 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Ter Apel. Verzoeker heeft daartegen op 26 september 2007 beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 26 september 2007 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 oktober 2007. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.A.M. de Groot.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verweerder heeft verzoeker meegedeeld, dat gedurende de behandeling van het beroep uitzetting niet achterwege wordt gelaten. Verzoeker heeft derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

3. Getoetst moet worden of de uitzetting verboden moet worden omdat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

4. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Verzoeker heeft Sri Lanka verlaten nadat hij tot twee maal toe is gearresteerd vanwege de verdenking van hulp aan de LTTE (de Tamil Tijgers). Tijdens de verhoren is verzoeker geslagen en geschopt. Verzoeker is ook bedreigd door leden van de Karuna en geprest om zich bij hen aan te sluiten. Om niet nog een keer gearresteerd te worden en aan de bedreigingen van de Karuna te ontkomen heeft verzoeker besloten zijn land te verlaten.

5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is terecht tegengeworpen nu verzoeker zich negen dagen na aankomst in Nederland heeft gemeld en daar geen verschoonbare reden voor had. Ook artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 is terecht tegengeworpen nu verzoeker toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overlegd.

Vervolgens ontbeert het asielrelaas van verzoeker volgens verweerder positieve overtuigingskracht. Daartoe stelt verweerder zich op het standpunt dat de omstandigheden omtrent de aanhoudingen van 1 oktober 2006 en 6 maart 2007 en de daaropvolgende vrijlatingen ongeloofwaardig zijn en dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de termijn dat hij als visser heeft gewerkt en over documenten die zijn ouders naar Canada hadden meegenomen. Voorts heeft verweerder geen waarde gehecht aan de verklaring van zijn dorpshoofd en wekt het verweerder bevreemding dat verzoeker op eigen naam naar Colombo is gereisd. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de Tamils als bevolkingsgroep niet aangemerkt kunnen worden als een kwetsbare minderheidsgroep omdat uit het Algemeen Ambtsbericht van april 2007 blijkt dat de Tamils zich elders in het land kunnen vestigen. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om ten aanzien van Tamils een categoriaal beschermingsbeleid te voeren in verband met de verslechterde veiligheidssituatie nu het voor Tamils mogelijk is om elders in Sri Lanka te verblijven dat in het oosten en het noorden.

6. Hiermee kan verzoeker zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Verzoeker is van mening dat verweerder ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen nu uit de parlementaire geschiedenis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 volgt dat dit artikel alleen betrekking heeft op documentlozen en voorts dat verzoeker, gelet op omstandigheden (gebukt, geslapen en nauwelijks Engels kennend), niet verweten kan worden dat hij de reisroute van Italië naar Nederland niet kon reconstrueren. Ook kon verzoeker niet zijn reisbescheiden afdwingen nu hij bij aankomst in Italië nog niet op zijn eindbestemming (Nederland) was en volstrekt afhankelijk was van de reisagent.

Ten aanzien van het ontbreken van positieve overtuigingskracht stelt verzoeker ondermeer dat de data van zijn werk als visser bij de voorbereiding van het nader gehoor niet zijn doorgenomen. Voorts verwijst verzoeker naar internetrapportages waaruit blijkt dat de politie corrupt is en dat daarom de omkoping door zijn baas niet bevreemdend is. Verder stelt verzoeker dat de verklaringen over de aanhoudingen van 1 oktober 2006 en 6 maart 2007 en de daaropvolgende vrijlatingen wel geloofwaardig zijn, nu het kortdurend vasthouden niet vreemd is gelet op de praktijk van toepassing van noodregelgeving waarvan het Algemeen ambtsbericht van april 2007 op pagina 50 en 51 melding maakt. Verder heeft zijn dorpshoofd de gebeurtenissen van 6 maart 2007 bevestigd en mag van de inhoud van dit document worden uitgegaan nu verweerder de authenticiteit hiervan niet betwist en onderzocht heeft. Voorts heeft verzoeker geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd over documenten die zijn ouders naar Canada hadden meegenomen en acht verzoeker het niet bevreemdend dat hij met eigen documenten naar Colombo is gereisd per trein in verband met het feit dat Tamils een veel groter gevaar lopen om opgepakt te worden als ze geen documenten kunnen tonen.

Verder vreest verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling in strijd met 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In dit verband wijst verzoeker naar het risico op gedwongen terugkeer naar een onveilig gebied en verwijst daartoe onder meer naar rapportages van Human Rights Watch van 16 maart 2007 en 8 juni 2007 alsmede naar een rapportage van de Norwegian Refugee Council van september 2007. Tot slot stelt verzoeker dat de Tamils als bevolkingsgroep aangemerkt moeten worden als een kwetsbare minderheidsgroep en dat daarom ten aanzien van Tamils een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd moet worden gelet op de verslechterde veiligheidssituatie.

7. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is als volgt.

8. Verweerder heeft op goede gronden artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000 in de beoordeling betrokken. En dat voldoende gemotiveerd. Niet in geschil is dat verzoeker niet beschikte over, kort gezegd, een geldig paspoort met visum voor Nederland. Dat hij wel over een identiteitskaart beschikte, doet daaraan niet af. Verweerder heeft op goede gronden kunnen overwegen, dat verzoeker te vaag en summier heeft verklaard over de reis tussen Italië en Nederland. Verweerder mocht van hem daarover meer (geloofwaardige en verifieerbare) bijzonderheden verwachten en verlangen dan verzoeker heeft verstrekt.

9. Verzoeker heeft als grond aangevoerd dat verweerders oordeel dat zijn asielrelaas geen positieve overtuigingskracht bezit en niet geloofwaardig is, onvoldoende is gemotiveerd.

Die conclusie heeft verweerder gemotiveerd met het oordeel dat enkele (wezenlijke) onderdelen van verzoekers relaas bevreemding wekken. Ook heeft verweerder geoordeeld dat aan een overgelegd document geen bewijskracht toekomt en aan verzoeker een tweetal tegenstrijdigheden op het niveau van bijzonderheden tegengeworpen.

10. Verzoeker heeft onder meer aangevoerd, dat verweerders oordeel dat het, zakelijk samengevat, bevreemding wekt dat verzoeker op 2 oktober 2006 respectievelijk 6 maart 2007 zou zijn vrijgelaten, hoewel hij, naar zijn zeggen, bij beide gelegenheden verdacht werd van steun aan de Tamil Tijgers (hierna ook: LTTE), in het licht van een aantal passages in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van april 2007 onbegrijpelijk is.

Zakelijk weergegeven komt het oordeel van verweerder neer op: verdenking van het bieden van hulp aan de LTTE is een "zware verdenking", een "zware beschuldiging". Met die verdenking of beschuldiging acht verweerder niet te rijmen dat verzoeker, naar hij heeft gesteld, in oktober 2006 is vrijgekomen nadat zijn baas smeergeld had betaald, en evenmin goed te rijmen dat verzoeker in maart 2007 vrij gemakkelijk zou zijn vrijgekomen, alsmede dat de gegevens van verzoeker na het incident in oktober 2006 niet zouden zijn geregistreerd bij de politie.

Verzoeker heeft gewezen op passages in het ambtsbericht dat gebruik van de noodregelgeving, die voorziet in de mogelijkheid om verdachten van terroristische activiteiten aan te houden, volgens verschillende bronnen leidt tot willekeur, rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid, waar vooral Tamils slachtoffer van zijn (p. 50), alsmede dat de meerderheid van arrestanten bestond uit Tamils, en dat de meesten binnen 12 uur of enkele dagen werden vrijgelaten (p. 51).

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hier een punt: áls het zo is dat de meeste arrestanten onder de noodregelgeving na 12 uur tot enkele dagen worden vrijgelaten, hoewel er kennelijk een verdenking van (mogelijke) betrokkenheid bij de LTTE moet zijn geweest (want die verdenking is de grond voor toepasselijkheid), vereist verweerders oordeel dat het bevreemding wekt dat verzoeker ondanks die verdenking na een dag respectievelijk dezelfde dag is vrijgelaten, een nadere toelichting en onderbouwing. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee, dat de verdenking van betrokkenheid bij de LTTE ongetwijfeld als een zware gekarakteriseerd mag worden, gezien hetgeen in het algemeen over het conflict in Sri Lanka bekend is. Toch worden volgens het ambtsbericht substantiële aantallen Tamils die daarvan beschuldigd worden, weer snel vrijgelaten.

Met betrekking tot verweerders overweging dat het bevreemding wekt dat verzoekers gegevens niet meer bekend waren bij het incident van maart 2007, ligt het op verweerders weg nader toe te lichten hoe deze overweging zich verhoudt tot de opmerking in het ambtsbericht (p. 54) dat het volgens een bron regelmatig voorkomt dat personen worden gearresteerd maar nog niet geregistreerd, dat dan enkele dagen van mishandeling en/of marteling kunnen volgen en dat pas daarna een officiële registratie volgt met de wettelijk voorgeschreven voorgeleiding voor een rechter binnen 24 uur.

Het voorgaande leidt tot de voorlopige conclusie dat verzoeker terecht op een zwak punt in de motivering van verweerders oordeel over de feiten heeft gewezen.

11. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker op goede gronden aangevoerd, dat zijn verklaring dat hij, zakelijk samengevat, tweemaal zonder concrete, laat staan goede, aanleiding is aangehouden en gedurende enige tijd vastgehouden en daarbij mishandeld, strookt met wat over de algemene situatie in Sri Lanka bekend is. Verweerder heeft het tegendeel overigens ook niet overwogen. Hetzelfde geldt voor verzoekers verklaringen over de ondergane mishandelingen. Verzoeker heeft terecht erop gewezen dat het ambtsbericht op p. 54 vermeldt dat het slaan van verdachten en gedetineerden systematisch voorkomt. Op dezelfde pagina wordt ook vermeldt dat ook het leger zich "regelmatig" schuldig heeft gemaakt aan mishandelingen en folteringen. Op de erop volgende pagina is vermeld dat ook de Karuna-factie verantwoordelijk is gehouden voor folteringen. Details worden overigens niet vermeld.

12. Verweerder heeft zijn oordeel ook op enkele tegenstrijdigheden gebaseerd.

Met betrekking tot verweerders oordeel dat verzoeker tegenstrijdig verklaard heeft over de termijn tot welke hij visser zou zijn geweest, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gestelde tegenstrijdigheid tussen de passage op p. 5 van het rapport van eerste gehoor (tot januari of februari 2007) en die op p. 9 van het rapport van nader gehoor (tot het incident van 1 oktober 2006) op zich terecht is geconstateerd. Maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt p. 7 van het rapport van eerste gehoor, waar is vermeld dat verzoeker tot oktober 2006 heeft gewoond in een hut bij de kust, een aanwijzing dat eerder in dat gehoor een vergissing is gemaakt. Mede gezien de uitgebreide verklaringen die verzoeker heeft afgelegd, is enige nadere motivering op zijn plaats.

Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee, dat de jurisprudentie over de positieve overtuigingskracht niet zover strekt dat élke tegenstrijdigheid tussen twee rapporten van gehoren over welk detail dan ook altijd moet leiden tot het oordeel dat een volledig asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert en daarmee niet geloofwaardig is. Het gaat immers om de beoordeling van tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden. Verweerder zal altijd alle bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het relaas mee te wegen aspecten ook in onderling verband en samenhang moeten bezien en, ook wanneer een van de omstandigheden van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f van de Vw 2000 in de beoordeling moet worden betrokken, in voorkomende gevallen, wanneer de tegenstrijdigheid niet relevant genoeg is in verhouding tot alle andere in de beoordeling te betrekken aspecten, het voordeel van de twijfel kunnen geven.

In voornemen en besluit heeft verweerder de tegenstrijdigheid tegengeworpen dat verzoeker enerzijds heeft verklaard dat "de" door verzoeker overgelegde documenten door zijn ouders naar Canada zijn meegenomen en na zijn aankomst naar Nederland zijn opgestuurd, terwijl verzoeker tevens heeft verklaard dat zijn identiteitskaart, die hij in Nederland heeft overgelegd, in Sri Lanka is getoond (bij de controle op 6 maart 2007) en tijdens de treinreis vanuit het oosten naar Colombo in augustus 2007 voorhanden was. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet onderkend, dat verzoeker nergens heeft verklaard, dat zijn identiteitskaart vanuit Canada naar hem is gestuurd. Verweerder heeft nooit per document nagevraagd hoe het bij verzoeker is gekomen. Op p. 3 van het rapport van nader gehoor heeft verzoeker verklaard over zijn poging om samen met zijn ouders vanuit India naar Canada te migreren, en dat dat toen niet mogelijk was voor hem (wel voor zijn ouders). Onder meer op p. 12 heeft verzoeker verklaard dat hij na de vredesonderhandelingen vanuit India naar Sri Lanka is teruggekeerd omdat hij niet mee kon naar Canada, dat hij na aankomst in Sri Lanka geen identiteitskaart had en dat hij de overgelegde identiteitskaart toen heeft aangevraagd en verkregen in Trincomalee. Op p. 13 verklaart verzoeker vervolgens over "de documenten" dat hij die allemaal had verzameld toen "wij zouden aanvragen voor Canada" en dat die documenten door zijn ouders zijn meegenomen naar Canada (vanuit India) en dat die documenten vanuit Canada zijn verstuurd naar Nederland. De met betrekking tot de identiteitskaart gestelde tegenstrijdigheid mist dus feitelijke grondslag in het rapport van gehoor, terwijl verweerder ook niet om nadere uitleg heeft gevraagd per document hoe verzoeker er aan is gekomen.

13. Aan verweerder kan worden toegegeven dat verzoeker zeer summiere informatie over de interventie van de UC heeft gegeven. Daar staat tegenover dat verzoeker niet zonder grond heeft verwezen naar de beschrijving van plaats en functie van de mensenrechtencommissie indien iemand wordt aangehouden in het kader van de noodregelgeving in het ambtsbericht. Dat verzoeker niet precies weet wat de leden van de UC hebben gedaan of gezegd om hem vrij te krijgen, is daarom zonder nadere toelichting niet zonder meer bevreemdend. Verzoeker heeft immers niet verklaard dat hij steeds aanwezig is geweest bij hun bemiddeling; hij heeft verklaard: "Wat zij precies gedaan hebben weet ik niet. Er kwamen vijf leden van de UC en zij zeiden dat ik mij geen zorgen hoefde te maken en zij zouden er alles aan doen om mij vrij te krijgen." Daarom behoeft verweerders oordeel op dit punt nadere toelichting. Niet uit te sluiten valt immers, dat verzoeker het niet weet omdat hij er niet bij is geweest. Niet onbegrijpelijk is, dat verzoeker zich na de gestelde ervaringen na zijn vrijlating zo snel mogelijk uit de voeten heeft gemaakt en niet is gaan uitzoeken wat de UC precies heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor het document dat hij stelt te hebben getekend; het ondertekenen van het voorgehouden document heeft volgens verzoeker een rol gespeeld bij zijn vrijlating. Onduidelijk is waarom verweerder van oordeel is dat van verzoeker meer informatie verwacht en verlangd mag worden.

14. In onderling verband en samenhang leidt het voorgaande tot het voorlopig oordeel dat verzoeker op een aantal cruciale onderdelen van verweerders oordeel over de feiten gefundeerde kritiek heeft uitgeoefend. Daarbij weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de kritiek op de bevreemding over de relatie tussen de zware verdenking en de snelle vrijlating vrij zwaar. Dat leidt tot het voorlopig oordeel dat het beroep, voor zover een motiveringsklacht tegen dat oordeel is aangevoerd, een redelijke kans van slagen heeft.

15. Met betrekking tot het niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid is het volgende van belang.

16. Niet in geschil is dat verzoeker de Srilankaanse nationaliteit heeft, Tamil is en afkomstig is uit het oosten van Sri Lanka (Trincomalee).Verzoeker heeft aangevoerd dat een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd moet worden jegens Tamils uit (het oosten van) Sri Lanka.

17. Verweerder heeft daarover, voor zover van belang, in het voornemen (en het besluit) overwogen: "Vastgesteld dient te worden dat de veiligheidssituatie in het noorden en oosten van Sri Lanka dermate onveilig is dat de terugzending van Tamils naar deze delen van het land niet aan de orde is. Het is evenwel aannemelijk te achten dat het voor Tamils mogelijk is om elders in het land te verblijven. Gelet hierop is er thans geen aanleiding om voor Sri Lanka een categoriaal beschermingsbeleid te voeren."

18. In de zienswijze heeft verzoeker aangevoerd, dat verweerder heeft miskend dat de Srilankaanse autoriteiten op grote schaal Tamils uit andere delen van het land terugsturen naar het noorden en oosten van het land. Deze stelling heeft verzoeker geadstrueerd met een tweetal documenten van "Human Rights Watch" (hierna ook: HRW), te weten een document van 16 maart 2007 getiteld "Sri Lanka: civilians who fled fighting are forced to return" (http://hrw.org/english/docs/2007/03/16/slanka15497_txt.htm) en een document van 8 juni 2007 getiteld "Sri Lanka: end expulsions of Tamils from Colombo" (http://hrw.org/english/docs/2007/06/08/slanka16106_txt.htm).

In het document van 8 juni 2007staat onder meer het volgende vermeld:

"On June 1, 2007 Colombo Police Inspector-General Victor Perera told reporters, “Those who are loitering in Colombo will be sent home. We will give them transport.” On June 7, the Sri Lankan Ministry of Defense said that 376 Tamil persons, including 85 women, were asked to leave for their homes in Vavuniya, Batticaloa, Jaffna and Trincomalee because they could not provide “valid reasons” for being in Colombo. They were rounded up during overnight police raids on budget hotels, put into buses and sent out of the capital to their home towns in northeastern Sri Lanka. According to media reports, thousands more Tamils from the north and east have been asked to leave Colombo if they do not have the permits required to travel to and remain in the city.

(…)

The crackdown, according to the police, is to stop members of the Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) from infiltrating Colombo and carrying out bomb attacks. The LTTE has been held responsible for a number of attacks, including suicide bombings, in the city during two decades of conflict and recently claimed responsibility for two bomb attacks that killed nine, most of them civilians.

Citizens from the north and east, where Tamils are in the majority, are required to obtain a pass to travel to the rest of the country and specify for how long they will stay. This permit system was restored after the collapse last year of a ceasefire signed in 2002 between the Sri Lankan government and the LTTE. "

19. In het besluit heeft verweerder, voor zover van belang, ter motivering van het niet voeren van categoriaal beschermingsbeleid aanvullend verwezen naar de volgende overweging die (tevens) is gedaan in het kader van verweerders uitleg waarom verweerder Tamils in Sri Lanka niet heeft aangemerkt als "kwetsbare groep":

"Uit het Algemeen Ambtsbericht inzake Sri Lanka d.d. 12 juli 2007 (DPV/AM-900856) blijkt niet dat aan bovengenoemde bepalingen [aspecten die van belang zijn bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwestbare minderheidsgroep, voorzieningenrechter] wordt voldaan. Immers, Tamils kunnen zich elders in het land vestigen zoals blijkt uit voornoemd ambtsbericht. Gemachtigde stelt dat betrokkene zich niet elders kan vestigen, zoals zou moeten blijken uit de bijgevoegde rapportages van Human Rights Watch d.d. 16 maart 2007 en d.d. 8 juni 2007. Deze stelling wordt niet gevolgd. De beoordeling van de algehele situatie in Sri Lanka en de positie van Tamils in het bijzonder dient te worden gebaseerd op hetgeen bekend is gemaakt [lees: in] voornoemd ambtsbericht. De informatie in dit ambtsbericht vormde voor de Minister geen aanleiding om Tamils uit Sri Lanka aan te merken als kwetsbare groep dan wel te stellen dat [lees: Tamils] zich niet elders in Sri Lanka kunnen vestigen dan wel dat er sprake is [lees: van] gedwongen terugkeer naar het oosten dan wel noorden van Sri Lanka. De documenten waarnaar door gemachtigde wordt verwezen beschrijven dezelfde periode als die in het huidige ambtsbericht wordt beschreven. Niet gesteld is dat de informatie in deze documenten in relevante mate op andere feiten berust dan het huidige ambtsbericht. Waar derhalve sprake is van andere conclusies op basis van die feiten, moet dit worden toegeschreven aan een andere interpretatie van dezelfde feiten als die waarop het ambtsbericht is gebaseerd. Om deze reden bieden bovengenoemde documenten en de gronden waarop deze berusten onvoldoende grondslag om aan de juistheid van het huidige ambtsbericht te twijfelen en leiden de documenten en de door betrokkene afgelegde verklaringen in deze zaak niet tot een ander oordeel dan reeds in het voornemen is verwoord."

20. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarbij niet onderkend, dat het ambtsbericht volgens de tekst dateert van april 2007 en overigens, volgens verweerders brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 12 juli 2007 (sic; Tweede kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19 637, nr. 1166) van 4 mei 2007. In ieder geval is niet uit een openbare bron bekend dat de minister van Buitenlandse Zaken nadien nog een algemeen ambtsbericht over Sri Lanka heeft uitgebracht. Bovendien is in de inleiding vermeld, dat het ambtsbericht de periode van januari 2006 tot en met maart 2007 beslaat,

Verder heeft verweerder daarbij niet onderkend, dat in het document van Human Rights Watch van 8 juni 2007, derhalve gedateerd na dat ambtsbericht, melding is gemaakt van uitlatingen van hoge Srilankaanse funtionarissen over het uit Colombo terugsturen van Tamils gedateerd 1 juni en 7 juni 2007. Die uitlatingen zijn derhalve eveneens gedateerd na dat ambtsbericht.

De overweging dat de documenten (alleen) dezelfde periode beschrijven als in het algemeen ambtsbericht is beschreven, is dus niet zonder nadere motivering houdbaar en lijkt onjuist. Ook gaat het niet (alleen) om hetzelfde feitencomplex: ook in het ambtsbericht is wel melding gemaakt van gedwongen verplaatsingen van ontheemden in het oosten, maar niet vanuit Colombo. De voorzieningenrechter heeft in het ambtsbericht geen passage gevonden die duidelijk spreekt over onvrijwillige terugkeer van ontheemden uit Colombo. Evenmin is een passage gevonden die ingaat op het al dan niet bestaan van een systeem van toestemming met pasjes voor vestiging buiten het noorden en oosten, waarvan HRW melding heeft gemaakt, terwijl de paragraaf over bewegingsvrijheid (nr 3.3.4) het alleen heeft over praktische belemmeringen bij de wettelijke vrijheid van vestiging, onder meer door de vele controleposten, en de soms moeizame registratie en afgifte van een identiteitskaart na hervestiging.

Het aan (een woordvoerder van) het Srilankaanse Ministerie van Defensie toegeschreven citaat vermeldt een aantal van 376 Tamils, inclusief 85 vrouwen, aan wie was 'verzocht' terug te keren naar hun woningen in onder meer Trincomalee in het oosten omdat zij geen 'geldige reden' hadden voor aanwezigheid in Colombo. Dat lijkt zo'n hoog aantal, dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter nadere informatie hierover en over het in dat bericht beschreven vergunningensysteem voor verplaatsingen van Tamils vanuit het noorden en oosten naar de rest van Sri Lanka nodig is. In dit verband is van belang dat de politiegeneraal niet van verzoeken heeft gesproken maar van teruggestuurd zullen worden; dat klinkt niet erg vrijwillig.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is dus nader onderzoek nodig. Daarvoor leent de hoofdzaak zich wel en onderhavige procedure naar aanleiding van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, niet.

Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat, bij deze stand van zaken, het beroep ook in verband met verweerders weigering een categoriaal beschermingsbeleid te voeren jegens de categorie Tamils, afkomstig uit het noorden of oosten van Sri Lanka, waartoe verzoeker behoort, een redelijke kans van slagen heeft.

21. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek zal worden toegewezen. Daarom bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling als in de beslissing is vermeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek toe;

verbiedt de uitzetting van verzoeker tot op het beroep is beslist;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2007 in tegenwoordigheid van drs. G. Sassen als griffier.

de griffier

de voorzieningenrechter?