Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6967

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
07-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/35149
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BC0027, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / eerdere inbewaringstelling / zicht op uitzetting / geen nieuwe feiten of omstandigheden

Eiser, van Chinese afkomst, is op 22 augustus 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 30 januari 2007 was hij ook al in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 5 april 2007 heeft de rechtbank deze maatregel opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een tweetal andere zaken van Chinese vreemdelingen stelt de Staatssecretaris van Justitie dat het eerdere oordeel van de rechtbank onjuist is geweest en dat er destijds wel zicht op uitzetting bestond. De Staatssecretaris betoogt onder meer dat om die reden geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren hoeven te worden gebracht waaruit blijkt dat thans wel zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank is evenwel van oordeel dat zowel het rechtszekerheidsbeginsel als de Vreemdelingenwet 2000 zich verzet tegen het terugkomen op een rechterlijk oordeel dat in een onherroepelijke uitspraak is vervat. Dat tegen dat oordeel geen hoger beroep openstond maakt dat volgens de rechtbank niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de uitspraken van de AbRvS ook niet als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid worden aangemerkt waaruit volgt dat thans wel zicht op uitzetting bestaat, nu deze uitspraken niet meer behelzen dan de uitleg van een wettelijke bepaling die sinds 5 april 2007 niet is gewijzigd. Ook uit het overige dat is aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat thans wel zicht op uitzetting bestaat. De maatregel is dientengevolge met toekenning van schadevergoeding opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 07/35149

V-nummer: [v-nummer]

Inzake: [eiser] , eiser,

gemachtigde mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.M.C. de Haan.

I Procesverloop

1 Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1960 en de Chinese nationaliteit te bezitten.

2 Op 11 september 2007 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 augustus 2007 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 september 2007. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van Gemeren. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Hanssen-Telman. Tevens was aanwezig B. Farida-Fong, tolk Mandarijn. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft daarbij het volgende bepaald:

- verweerder dient vóór vrijdag 21 september 2007 om 16.00 uur de vraag te beantwoorden of tijdens de eerdere inbewaringstelling van eiser al sprake was van een kopie van een paspoort;

- eiser krijgt de gelegenheid om vóór dinsdag 25 september 2007 om 16.00 uur te reageren op het antwoord van verweerder;

- partijen dienen de rechtbank schriftelijk te informeren of zij toestemming geven voor het sluiten van het onderzoek zonder nadere zitting.

4 Bij brief van 20 september 2007 heeft verweerder geantwoord. Voorts heeft verweerder bij brief van gelijke datum toestemming gegeven het onderzoek zonder nadere zitting te sluiten. Nadat de rechtbank op woensdag 26 september 2007 alsnog het antwoord van verweerder aan eiser had gestuurd, heeft eiser op donderdag 27 september 2007 gereageerd. De zaak is daarna verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

5 De nadere zitting bij de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2007. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Koevoets, die heeft waargenomen voor de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.C. de Haan. Tevens was aanwezig G.S. Nie, tolk Mandarijn.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 Eiser heeft zich – kort samengevat – op het volgende standpunt gesteld.

Eiser heeft eerder in bewaring gezeten. De laatste maatregel van bewaring is op 5 april 2007 bij mondelinge uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (AWB 07/12054), opgeheven in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden, waaruit blijkt dat zulk zicht nu niet ontbreekt. Er is geen kopie van een paspoort van eiser. De paspoortkopie waaraan verweerder refereert, is van een paspoort van iemand anders.

3 Verweerder heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Weliswaar is de eerdere maatregel van bewaring van eiser, die liep van 30 januari 2007 tot 5 april 2007, door deze rechtbank opgeheven omdat geen zicht op uitzetting bestond, doch uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van respectievelijk 16 april 2007 (zaak nr. 200701752/1, JV 2007/242) en 9 mei 2007 (zaak nr. 200702050/1, JV 2007/296) volgt dat ten tijde van eisers vorige inbewaringstelling wel degelijk zicht op uitzetting bestond. Nu ten tijde van de opheffing op 5 april 2007 zicht op uitzetting aanwezig was, kan de rechtbank niet toekomen aan het onderzoek of bij onderhavige inbewaringstelling sprake is van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat zicht op uitzetting thans niet ontbreekt. Er bestaat immers geen algemeen rechtsbeginsel dat de rechtbank verbiedt terug te komen van een eerder gegeven, onjuist gebleken, rechterlijk oordeel. Tegen de uitspraak van 5 april 2007 stond geen hoger beroep open.

Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat de rechtbank dient te bezien of er redenen zijn om aan te nemen dat het doel van de opgelegde maatregel, namelijk om de uitzetting van eiser te effectueren, thans wel realiseerbaar kan worden geacht. Gelet daarop dienen de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling aangemerkt te worden als een nieuw feit of omstandigheid. Tijdens de vorige inbewaringstelling is bovendien geen laissez-passeraanvraag ingediend bij de Chinese autoriteiten. De schriftelijke presentatie van eiser op 13 september 2007 kan eveneens als een nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1 De rechtbank stelt vast dat eisers laatste inbewaringstelling is opgeheven bij de eerder genoemde uitspraak van deze rechtbank van 5 april 2007. De rechtbank heeft de maatregel van bewaring destijds opgeheven, omdat de rechtbank van oordeel was dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak. Tegen deze uitspraak stond geen hoger beroep open, zodat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. Gelet op het feit dat sprake is van een onherroepelijke uitspraak, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank thans geen ruimte om af te wijken van dit eerder gegeven oordeel over het zicht op uitzetting van eiser. Dat tegen die uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep open stond, maakt het vorenstaande niet anders. Het is de keuze van de wetgever geweest om alleen hoger beroep open te stellen voor beroepen op grond van artikel 94 van de Vw 2000. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het niet alleen in strijd met het beginsel van rechtszekerheid, doch dat het ook in strijd met de Vw 2000 is om deze onherroepelijk geworden uitspraak te passeren, door thans nogmaals het zicht op uitzetting ten tijde van de sluiting van het onderzoek in de vorige bewaringsprocedure te beoordelen. Dit zou immers tot gevolg hebben dat, zonder wettelijke grondslag, alsnog een weg gecreëerd wordt om onherroepelijk geworden uitspraken aan de orde te stellen.

De recht¬bank realiseert zich dat in uitzonderlijke gevallen de Afdeling het appelverbod doorbreekt, te weten wanneer sprake is van ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De vraag daargelaten of, naar analogie van deze jurisprudentie van de Afdeling redenerend, in een dergelijk geval de inhoud van een onherroepelijke uitspraak ter discussie kan worden gesteld, is gesteld noch gebleken, dat in het onderzoek dat heeft geleid tot voornoemde uitspraak van 5 april 2007, van een dergelijke schending sprake is. Derhalve kan ook hierin geen aanleiding worden gezien de inhoud van de uitspraak van 5 april 2007 ter discussie te stellen.

Ten slotte verwijst de recht¬bank naar de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005 (JV 2005/150). In die zaak heeft de Afdeling overwogen dat de “rechtszekerheid die is gediend met eerbiediging van de oordelen vervat in de in rechte onaantastbare uitspraak van […] dient te prevaleren boven toepassing [in die zaak] van de hangende de beoordeling in rechte van [na vernietiging van de eerdere beslissing op bezwaar genomen nieuwe beslissing op bezwaar] gewijzigde rechtspraak inzake het rechtskarakter [van mvv-adviezen].” Die zaak komt in zoverre overeen met de onderhavige, dat in beide gevallen na een in kracht van gewijsde gegaan oordeel van de rechtbank, de jurisprudentie is veranderd. Ook dit steunt de overtuiging van de recht¬bank dat niet kan worden teruggekomen op het oordeel dat op 5 april 2007 is gegeven.

4.2 Als gevolg van hetgeen onder 4.1 is geoordeeld, komt de rechtbank op grond van de vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 18 mei 2007, zaak nr. 200503257/1, JV 2005/282 en 13 februari 2007, zaak nr. 200700584/1, JV 2007/142) toe aan het onderzoek of, anders dan ten tijde van de opheffing van 5 april 2007, thans sprake is van feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat zulk zicht nu niet ontbreekt.

Niet langer is in geding dat de fotokopie van het paspoort – los van de vraag of dat paspoort wel of niet van eiser is – reeds ten tijde van de eerdere inbewaringstelling in het bezit van verweerder was. Derhalve kan deze kopie niet als feit of omstandigheid als bedoeld in de uitspraken van onder meer 18 mei 2007 en 13 februari 2007 worden aangemerkt.

De uitspraken van de Afdeling van 16 april 2007 en 9 mei 2007 kunnen evenmin worden aangemerkt als vorenbedoelde feiten en omstandig¬heden. Deze uitspraken bieden geen nieuw wettelijk kader, doch slechts de uitleg van een wettelijke bepaling, die sinds 5 april 2007 niet is gewijzigd. Daarbij komt dat, indien deze uitspraken als nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt, alsnog een onherroepelijk geworden uitspraak wordt gepasseerd, hetgeen juist uitdrukkelijk door de wetgever is uitgesloten.

De rechtbank overweegt voorts dat volgens de Afdeling (onder meer de uitspraak van 7 november 2006, zaak nr. 200607335/1, JV 2006/459) zicht op uitzetting reeds op het moment van de inbewaringstelling dient te bestaan. Derhalve moet de schriftelijke presentatie van 13 september 2007, welke plaats heeft gevonden na de oplegging van de maatregel, buiten beschouwing worden gelaten. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat ten tijde van de inbewaringstelling sprake was van concrete aanknopingspunten voor een onderzoek naar feiten en omstandigheden die de bewaring rechtvaardigden als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2007 (zaak nr. 200609265/1, LJN AZ8714).

4.3 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de inbewaringstelling van eiser op 22 augustus 2007 wegens het ontbreken van zicht op uitzetting onrechtmatig moet worden geacht. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van heden.

4.4 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige bewaring in een politiecel (van 22 augustus 2007 tot en met 26 augustus 2007) ten bedrage van € 95,-- en 39 dagen onrechtmatige bewaring op de Detentieboot Stockholm te Rotterdam (van 27 augustus 2007 tot en met 4 oktober 2007) ten bedrage van € 70,--. Het totale bedrag aan schadevergoeding komt daarmee op € 3205,--.

4.5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1.) Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

rechtdoende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 3205,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 805,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. J. de Gans en mr. J. van den Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Simi, griffier, en door de voorzitter en de griffier ondertekend.

De griffier,

De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2007

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

afschrift verzonden op: