Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6778

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/42486
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / verblijfsprocedure / belang

Uit de jurisprudentie van de ABRS inzake procesbelang bij ongewenstverklaring kan niet de conclusie worden getrokken dat er evenmin (proces-)belang meer aanwezig is ter zake van mogelijke aanspraken op een verblijfsvergunning tot het moment van ongewenstverklaring. Bij de beoordeling van die aanspraak heeft eiser (proces-)belang nu het resultaat, te weten het met terugwerkende kracht verlenen van een verblijfsvergunning over de periode tot aan de ongewenstverklaring, met de onderhavige verblijfsrechtelijke procedure wel kan worden bereikt. Voorts overweegt de rechtbank dat het belang daarvan voor eiser ook daarin is gelegen dat met het bereiken van het resultaat zijn ongewenstverklaring, gelet op artikel 67, eerstel lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in samenhang met het beleid dat ten tijde van belang was neergelegd in paragraaf B1/2.2.4.4, mogelijk anders dient te worden beoordeeld en aanleiding bestaat om de opheffing daarvan te verzoeken. Na opheffing van de ongewenstverklaring zouden weer andere aanspraken kunnen ontstaan, bijvoorbeeld op verlenging van de verleende verblijfsvergunning. De rechtbank overweegt verder dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser zijn grieven ten aanzien van de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure te verlenen over een periode gelegen voor de ongewenstverklaring, kan inbrengen in een eventueel te voeren procedure tot opheffing van de ongewenstverklaring. De rechtbank wijst er in dit verband nogmaals op dat de beschikking waarbij eiser ongewenst is verklaard formele rechtskracht heeft gekregen. Van een mogelijkheid tot rechtsherstel, zoals die bestond in de casus waarover de ABRS in de door verweerder aangehaalde jurisprudentie heeft geoordeeld, zal, indien verweerder gevolgd zou worden, in de situatie van eiser dan ook niet zonder meer sprake zijn, met als gevolg dat eisers aanspraak op een verblijfsvergunning wegens tijdsverloop in de asielprocedure en eventueel daaraan te ontlenen vervolgaanspraken mogelijk nimmer in bezwaar en in rechte beoordeeld worden. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de omstandigheid dat eiser op 12 juli 2005 ongewenstverklaard is, er niet aan in de weg staat dat zijn aanspraken op een verblijfsvergunning tot aan 12 juli 2005 in bezwaar (en in rechte) inhoudelijk beoordeeld moeten kunnen worden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:40
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 20
Vreemdelingenwet 2000 26
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/548

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 06/42486

Uitspraak in het geschil tussen:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1988,

van Rwandese nationaliteit,

V-nummer: 120.900.0929,

eiser,

gemachtigde: mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, voorheen de Minister van Justitie, daarvoor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

(Immigratie-en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 1 januari 1999 is namens eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 24 februari 2003 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve besloten om aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van ‘tijdsverloop in asielprocedure’ te verlenen.

1.2. Eiser heeft tegen de afwijzende beschikking inzake de toelating als vluchteling op 5 maart 2003 beroep ingesteld. Tegen de ambtshalve beschikking tot afwijzing van een vergunning tot verblijf heeft eiser op 10 maart 2003 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 10 oktober 2004 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, het beroep gegrond verklaard (Awb 03/14279).

1.3. Bij beschikking van 14 april 2005 heeft verweerder het bezwaar van 10 maart 2003 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze beschikking op 19 april 2005 beroep ingesteld.

1.4. Bij beschikking van 12 juli 2005 heeft verweerder nogmaals afwijzend beslist op eisers aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij separate beschikking van 12 juli 2005 is eiser ongewenst verklaard.

1.5. Bij brief van 10 juli 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de beschikking op bezwaar van 14 april 2005 is ingetrokken. Eiser heeft daarop het beroep van 19 april 2005 ingetrokken.

1.6. Bij beschikking van 29 augustus 2006 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van 10 maart 2003 beslist en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.7. Bij beroepschrift van 31 augustus 2006 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.8. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.9. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 3 april 2007. Eiser is niet verschenen. Eisers gemachtigde is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft het bezwaar om de volgende reden niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is bij beschikking van 12 juli 2005 ongewenst verklaard. Blijkens artikel 67, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan aan eiser geen verblijfsvergunning verleend worden, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, omdat een ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 Vw 2000 geen rechtmatig verblijf kan hebben. De ongewenstverklaring blijft van kracht tot het moment dat deze wordt opgeheven. De ongewenstverklaring kan enkel op aanvraag en onder bepaalde voorwaarden worden opgeheven. Ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking was daar echter geen sprake van. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift, omdat dit bezwaarschrift nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Derhalve is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Eiser heeft zich in de gronden van beroep op het standpunt gesteld dat het op zichzelf genomen juist is dat hij ongewenst verklaard is. Er is echter geen sprake van een onherroepelijke beslissing, aangezien de beschikking is gezonden naar de gemachtigde van eiser die hem bijstond ten tijde van de asielprocedure. Eiser was toen nog minderjarig. Ten tijde van de beschikking waarbij eiser ongewenst is verklaard, was eiser meerderjarig evenals ten tijde van de uitreiking daarvan, zodat daartegen strikt genomen, nu dit besluit niet aan hemzelf is uitgereikt, nog bezwaar openstaat. Eiser is voorts van mening dat het bezwaar een redelijke kans van slagen zou hebben gehad. Eiser voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van ‘tijdsverloop in asielprocedure’. Dit blijkt temeer uit het feit dat de overige familieleden met wie eiser naar Nederland is gereisd ook in het bezit van een dergelijke vergunning zijn gesteld. De strafrechtelijke veroordelingen zijn onvoldoende om de verblijfsvergunning te weigering. Eiser is veroordeeld tot in totaal 213 dagen jeugddetentie. Gelet op de criteria die gelden ingevolge de glijdende schaal, zou eerst een strafmaat van achttien maanden voldoende zijn om de verblijfsvergunning te weigeren. Daar komt bij dat eiser ten tijde van het plegen van de delicten en na ommekomst van de termijn van drie jaar en zes maanden ook nog minderjarig was.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het onredelijk is om hem thans te beschouwen als ongewenst verklaard vreemdeling. Eiser is dan ook van mening dat verweerder zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Beoordeling van het beroep

2.3. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), onder meer de uitspraak van 6 juli 2006 (JV 2006, 347), is of verweerder bij de bestreden beschikking het bezwaar van eiser terecht niet ontvankelijk heeft verklaard op grond van het ontbreken van procesbelang nu eiser bij beschikking van 12 juli 2005 ongewenst is verklaard. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt dienaangaande als volgt.

2.4. De rechtbank stelt vast dat verweerders beschikking van 12 juli 2005, waarbij eiser ongewenst is verklaard, op de juiste wijze bekend is gemaakt, zodat dit besluit, nu daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, formele rechtskracht heeft gekregen. Uit de gedingstukken, waaronder telefoonnotities van 6 juni 2005 en 11 juli 2005, blijkt dat eisers verblijfplaats ten tijde van het nemen van deze beschikking noch bij eisers gemachtigde, noch bij het Nidos bekend was. Verweerder heeft de beschikking tot ongewenstverklaring op 12 juli 2005 verzonden aan eisers toenmalige gemachtigde, aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en aan de redactie van de Staatscourant, met het verzoek tot publicatie over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de beschikking aldus overeenkomstig artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekendgemaakt en op dat moment inwerking getreden.

2.5. Ingevolge artikel 26, eerste lid, Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. Op 1 januari 2001 was de periode van drie jaar waarin niet was beslist op eisers asielaanvraag verlopen, zodat deze datum bepalend is voor eisers aanspraken op een verblijfsvergunning wegens tijdsverloop in de asielprocedure. Een verblijfsvergunning onder deze beperking behelst naar zijn aard een niet tijdelijk doel en kan uiteindelijk ook aanspraken op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier, als bedoeld in artikel 20 Vw 2000 opleveren. Voor de beoordeling van de vraag of aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure wanneer sprake is van criminele antecedenten is ingevolge paragraaf C2 9/3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) relevant het moment waarop het delict of de delicten zijn gepleegd. Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal, genoemd in artikel 3.86, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000. Is het delict daarvoor gepleegd dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, aangezien het driejaren beleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

2.6. Met verweerder wordt geoordeeld dat, gelet op genoemde jurisprudentie van de ABRS, een vreemdeling die ongewenst verklaard is, zolang deze ongewenstverklaring voortduurt geen rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning kan hebben. Uit deze jurisprudentie kan evenwel, naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie worden getrokken dat er evenmin (proces-)belang meer aanwezig is ter zake van mogelijke aanspraken op een verblijfsvergunning tot het moment van ongewenstverklaring. Bij de beoordeling van die aanspraak heeft eiser (proces-)belang nu het resultaat, te weten het met terugwerkende kracht verlenen van een verblijfsvergunning over de periode tot aan de ongewenstverklaring, met de onderhavige verblijfsrechtelijke procedure wel kan worden bereikt. Voorts overweegt de rechtbank dat het belang daarvan voor eiser ook daarin is gelegen dat met het bereiken van het resultaat zijn ongewenstverklaring, gelet op artikel 67, eerstel lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in samenhang met het beleid dat ten tijde van belang was neergelegd in paragraaf B1/2.2.4.4, mogelijk anders dient te worden beoordeeld en aanleiding bestaat om de opheffing daarvan te verzoeken. Na opheffing van de ongewenstverklaring zouden weer andere aanspraken kunnen ontstaan, bijvoorbeeld op verlenging van de verleende verblijfsvergunning. De rechtbank overweegt verder dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser zijn grieven ten aanzien van de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure te verlenen over een periode gelegen voor de ongewenstverklaring, kan inbrengen in een eventueel te voeren procedure tot opheffing van de ongewenstverklaring. De rechtbank wijst er in dit verband nogmaals op dat de beschikking waarbij eiser ongewenst is verklaard formele rechtskracht heeft gekregen. Van een mogelijkheid tot rechtsherstel, zoals die bestond in de casus waarover de ABRS in de door verweerder aangehaalde jurisprudentie heeft geoordeeld, zal, indien verweerder gevolgd zou worden, in de situatie van eiser dan ook niet zonder meer sprake zijn, met als gevolg dat eisers aanspraak op een verblijfsvergunning wegens tijdsverloop in de asielprocedure en eventueel daaraan te ontlenen vervolgaanspraken mogelijk nimmer in bezwaar en in rechte beoordeeld worden.

2.7. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de omstandigheid dat eiser op 12 juli 2005 ongewenstverklaard is, er niet aan in de weg staat dat zijn aanspraken op een verblijfsvergunning tot aan 12 juli 2005 in bezwaar (en in rechte) inhoudelijk beoordeeld moeten kunnen worden.

2.8. Eiser moet dan ook worden geacht in bezwaar nog (proces-)belang te hebben bij een inhoudelijk oordeel over zijn verblijfsaanspraken tot het moment waarop hij ongewenst werd verklaard. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder bij de bestreden beschikking ten onrechte het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.9. Het beroep is derhalve gegrond.

2.10. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 augustus 2006;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 322,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

Aldus gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier op 16 augustus 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: