Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6747

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 05/48930
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nationaliteitsverklaring / novum / Liberia / Mandingo / geloofwaardigheid

Eiser heeft bij zijn herhaalde asielaanvraag een nationaliteitsverklaring overgelegd. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle heeft eerder al het beroep gegrond verklaard en hierbij overwogen dat niet valt in te zien waarom niet van de juistheid van de inhoud van de nationaliteitsverklaring kan worden uitgegaan en waarom er geen waarde aan dit document kan worden gehecht. Verweerder heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, noch heeft verweerder nader onderzoek ingesteld, zodat naar het oordeel van de rechtbank van de inhoud van dit document moet worden uitgegaan. De nationaliteitsverklaring is een bewijsstuk van eisers eerdere verklaringen over zijn nationaliteit. De rechtbank concludeert verder dat eiser het document niet eerder had kunnen overleggen en dat op voorhand niet is uitgesloten dat de nationaliteitsverklaring kan afdoen aan de eerdere beslissing. Er is derhalve sprake van een novum. De rechtbank komt vervolgens, marginaal toetsend, tot de conclusie dat verweerder het standpunt van ongeloofwaardigheid onvoldoende heeft onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 05/48930

Uitspraak in het geschil tussen:

[vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

van Liberiaanse nationaliteit,

V-nummer: 270.158.1270,

eiser,

gemachtigde: mr. F. van Dijk, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

voorheen de Minister van Justitie,

daarvoor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. K. Bijkerk, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 21 augustus 2003 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 24 augustus 2003 afwijzend op de aanvraag beslist. Het beroep, dat eiser tegen de afwijzende beschikking heeft ingesteld, is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 12 september 2003 ongegrond verklaard.

1.2. Eiser heeft vervolgens op 8 januari 2004 opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 9 januari 2004 eveneens afwijzend op deze aanvraag beslist. Het hiertegen gerichte beroep van eiser is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 30 januari 2004 gegrond verklaard.

1.3. Verweerder heeft bij beschikking van 12 oktober 2005 opnieuw afwijzend beslist op de aanvraag van 8 januari 2004. Bij beroepschrift van 1 november 2005 heeft eiser tegen deze beschikking beroep ingesteld. Deze beschikking ligt thans ter beoordeling voor.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan

eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 januari 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn asielrelaas, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Liberia en behoort tot de Mandingo bevolkingsgroep. Op 4 februari 2003 is hij -terwijl hij aan het werk was als opzichter in een diamantmijn- gearresteerd omdat men veronderstelde dat hij tot de Mandingo bevolkingsgroep behoorde. Hij is samen met twee anderen gearresteerd en overgebracht naar een gevangenis in Monrovia. Daar werd hij vastgehouden met andere mensen van Mandingo afkomst. Eiser werd meerdere malen opgehaald en vervolgens mishandeld. Zijn moeder heeft hem eenmaal kort kunnen bezoeken in de gevangenis. Eiser heeft kunnen ontsnappen met hulp van een vriend van zijn broer, [naam], die in de gevangenis werkzaam was en die hem herkende. [naam] heeft vervolgens de reis naar Nederland, met hulp van een reisagent, geregeld. De reis is door eiser zelf betaald met een diamant die hij in zijn kleding verborgen had.

2.2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het relaas niet geloofwaardig wordt geacht. Hierbij heeft verweerder het ontbreken van documenten met betrekking tot zijn identiteit en reisroute toerekenbaar geacht. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert, en dat het relaas zich kenmerkt door een aaneenschakeling van toevalligheden zodat het relaas ongeloofwaardig wordt bevonden. Zo heeft eiser vage verklaringen afgelegd over zijn gestelde arrestatie en detentie. Verweerder heeft in dit verband overwogen dat eiser niet de namen van zijn mede-arrestanten en medegevangenen weet, dat hij niet weet of er bij zijn arrestatie nog meerdere mensen zijn aangehouden, hoeveel soldaten er in het voertuig zaten waarmee hij naar de gevangenis werd gebracht, hoeveel cellen er waren in de gevangenis waar hij maandenlang stelt te hebben verbleven, dat hij niet weet hoeveel deuren hij door moest vanaf de ingang van de gevangenis tot aan zijn cel, wat de functie was van de militairen die hem geholpen heeft te ontsnappen en dat hij evenmin weet hoeveel bewakers in de buurt van zijn cel waren. Daarnaast zijn de verklaringen van eiser over hoe zijn moeder wist dat hij in de gevangenis zat, zowel vaag als tegenstrijdig. Voorts wekt bevreemding dat eiser met meerdere medegevangenen Mandingo sprak, terwijl hij tevens heeft verklaard dat toegeven dat je Mandingo bent, betekent dat je gedood zult worden. Ook eisers verklaringen over zijn ontsnapping en over de diamant in zijn kleding zijn bevreemdingwekkend. Niet valt in te zien waarom [naam], zonder aanvankelijk een tegenprestatie te verwachten, een risico zou nemen om eiser te helpen ontsnappen. Daarnaast wekt de wijze waarop hij de gevangenis zou hebben verlaten bevreemding. Over de diamant is opgemerkt dat het onwaarschijnlijk is dat eiser op eenvoudige wijze en zonder problemen diamanten kon meenemen uit de mijn en dat het nog onwaarschijnlijker is dat hij maanden lang deze diamant in de gevangenis verborgen kon houden. Ten slotte is overwogen dat eiser onwaarschijnlijk vaak herkend wordt, nu één van de soldaten bij zijn arrestatie hem herkende en hij in de gevangenis door de vriend van zijn broer herkend is. Nu het relaas ongeloofwaardig is geacht, is niet inhoudelijk op het relaas ingegaan en wordt geen aanleiding gezien eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning.

2.3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn relaas geloofwaardig is en dat hem niet kan worden aangerekend dat hij niet over voldoende documenten beschikt. Eiser stelt dat hij pogingen heeft ondernomen om contact te leggen met familieleden, zodat zij documenten naar Nederland konden sturen. Hij verwijst naar de brief die hij op 8 september 2004 aan zijn familie heeft verzonden en naar de brief aan het Rode Kruis van 13 september 2004. Eiser heeft vooralsnog niets van hen vernomen. Voorts heeft eiser aangegeven waarom hij niet meer gedetailleerde verklaringen over zijn reis heeft afgelegd, maar verweerder heeft dit onvoldoende gemotiveerd van de hand gewezen. Met betrekking tot de UN-identiteitskaart heeft eiser naar voren gebracht dat, juist omdat deze ontbrak, hij een nationaliteitsverklaring heeft overgelegd en dat er een taalanalyse is uitgevoerd. Verweerder had zelf contact kunnen opnemen met de Liberiaanse autoriteiten om zich ervan te gewissen of de nationaliteitsverklaring authentiek is, dan wel had verweerder anderszins onderzoek moeten laten uitvoeren. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van 30 januari 2004 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle. Niet langer kan worden gesteld dat, vanwege het ontbreken van documenten, op voorhand afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Ten aanzien van zijn arrestatie en detentie is opgemerkt dat verweerder ongemotiveerd heeft gesteld dat van eiser meer concrete informatie verwacht kan worden. Daarnaast heeft hij geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het bezoek van zijn moeder, nu hij eerst heeft gesteld dat zijn moeder op de hoogte is gesteld door iemand die hem heeft herkend, en later dat hij niet precies weet hoe zijn moeder op de hoogte is geraakt van zijn detentie. Hij heeft zijn moeder overigens maar enkele minuten gezien. Voor zover verweerder stelt dat het relaas gekenmerkt wordt door een aaneenschakeling van toevalligheden en dat derhalve het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert, heeft eiser gesteld dat verweerder niet heeft aangegeven welke toevalligheden bedoeld worden. Over de frequentie waarmee hij herkend is, is opgemerkt dat in zijn relaas slechts twee keer sprake is geweest van herkenning door anderen. Over zijn ontsnapping en een tegenprestatie voor [naam] stelt eiser dat hij heeft willen aangeven dat [naam] mogelijk rekening hield met een tegenprestatie, en dat dit onverlet laat dat landgenoten ook zonder directe tegenprestatie en met inachtneming van risico’s elkaar helpen. Dit geldt zeker in de situatie van chaotische oorlogsomstandigheden. Over de diamant die hij heeft gebruikt om zijn reis te bekostigen, heeft eiser opgemerkt dat hij deze in de zoom van zijn broek heeft kunnen bewaren aangezien het een klein steentje is.

Beoordeling van het beroep

2.4. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 12 september 2003 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, in rechte is komen vast te staan dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling, dat eiser bij uitzetting naar Liberia geen reëel risico loopt op een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen. Thans ligt de (nieuwe) aanvraag van 8 januari 2004 ter beoordeling voor.

2.5. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, Vw 2000 wordt onder ‘herhaalde aanvraag’ verstaan: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb kan worden afgewezen. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, Awb kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

2.6. Ter beoordeling aan de rechtbank staat, gelet op de vaste lijn in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), in de eerste plaats of eiser ter onderbouwing van zijn aanvraag van 8 januari 2004 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen op de rechtens onaantastbare beschikking van 24 augustus 2003. De ABRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.7. Eiser heeft bij zijn tweede aanvraag een nationaliteitsverklaring overgelegd. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 30 januari 2004 het beroep tegen verweerders afwijzende beschikking gegrond verklaard en heeft hierbij overwogen dat niet valt in te zien waarom niet van de juistheid van de inhoud van de nationaliteitsverklaring kan worden uitgegaan en waarom er geen waarde aan dit document kan worden gehecht. Verweerder heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, noch heeft verweerder nader onderzoek ingesteld, zodat naar het oordeel van de rechtbank van de inhoud van dit document moet worden uitgegaan.

2.8. Voorts overweegt de rechtbank dat de nationaliteitsverklaring een bewijsstuk is van eisers eerdere verklaringen over zijn nationaliteit. De vraag is of eiser dit bewijsstuk vóór het nemen van het eerdere besluit naar voren had kunnen brengen. De eerdere, afwijzende, beschikking van 24 augustus 2003, op eisers aanvraag (van 21 augustus 2003) is in de AC-procedure genomen. Naar het oordeel van de rechtbank had van eiser niet verwacht kunnen worden dat hij, tijdens die korte die procedure en kort na zijn aankomst in Nederland, reeds over de nationaliteitsverklaring zou beschikken. In dit verband wordt gewezen op hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot het toerekenbaar ontbreken van documenten. Hierbij is van belang dat een nationaliteitsverklaring doorgaans niet in het land van herkomst wordt afgegeven, zodat van eiser niet verwacht kon worden dit document uit Liberia mee te nemen. De rechtbank is van oordeel dat niet op voorhand is uitgesloten dat de nationaliteitsverklaring (in samenhang met de taalanalyse) kan afdoen aan de eerdere beslissing van 24 augustus 2003. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een novum in de zin van artikel 4:6 Awb. De aanvraag dient inhoudelijk te worden getoetst -zoals door verweerder overigens ook is gedaan.

2.9. Ingevolge artikel 29, eerste lid, a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de

vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst; of

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.10. Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.11. Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Liberia zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandig¬heden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een verblijfs¬vergunning op die grond moet worden verleend.

2.12. Verweerder heeft aangegeven dat thans van de Liberiaanse nationaliteit wordt uitgegaan, maar dat het ontbreken van documenten aangaande zijn identiteit en reisroute toerekenbaar wordt geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is het ontbreken van identiteitsdocumenten in redelijkheid niet aan eiser te wijten. Ten eerste heeft eiser een nationaliteitsverklaring overgelegd. Hiervoor is reeds overwogen dat van de inhoud van dit document dient te worden uitgegaan. Verweerder heeft onvoldoende duidelijk kunnen maken waarom de Liberiaanse autoriteiten aan eiser een nationaliteitsdocument zouden uitreiken, indien zij zouden twijfelen aan eisers identiteit. Daarenboven heeft eiser verklaard dat hij na zijn ontsnapping niet kon terugkeren om zijn identiteitsdocument van de UN op te halen. Verweerder heeft hier niet zonder meer aan voorbij kunnen gaan. De enkele stelling van verweerder dat hij nog enkele dagen in Liberia heeft verbleven, betekent op zich zelf, en gelet op zijn verklaringen en met name in aanmerking genomen de chaotische situatie in Liberia ten tijde van zijn ontsnapping, niet dat hij een reële mogelijkheid had om documenten te gaan ophalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenwel in redelijkheid kunnen overwegen dat het ontbreken van documenten over eisers reisroute aan hem toerekenbaar is, nu hij onvoldoende gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over zijn reis.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

2.13. Vooropgesteld zij dat eisers asielrelaas op zichzelf past in het algemene beeld zoals dat uit algemene bronnen bekend is over de situatie in Liberia in die periode. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat niet langer aan eiser wordt tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de manier waarop zijn moeder op de hoogte is geraakt van zijn detentie. Verder heeft eiser als verklaring voor het feit dat hij niet weet hoeveel mensen er tegelijk met hem zijn gearresteerd en met hoeveel bewakers hij is vervoerd gewezen op de chaotische omstandigheden bij die arrestatie; eiser werd tijdens de aanval samen met anderen opgepakt en op zijn buik op de grond van de truck vervoerd. Verweerder heeft deze op zichzelf plausibele verklaringen onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Voorts heeft verweerder eisers verklaring voor het feit dat hij niet weet hoeveel deuren er vanaf de ingang van het gevangeniscomplex waren of hoeveel bewakers er in de buurt van zijn cel verbleven, niet –zonder nader op deze verklaring in te gaan- van de hand kunnen wijzen. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij uitsluitend uit zijn cel werd gehaald om te worden mishandeld, zodat hij zich niet heeft beziggehouden met het tellen van celdeuren. Eiser heeft bovendien over het aantal bewakers in de zienswijze aangegeven dat dit een steeds wisselend aantal was. De omstandigheid dat eiser ondanks zijn angst voor ontdekking Mandingo heeft gesproken met zijn medegevangenen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenmin, zonder nader in te gaan op eisers verklaringen daarover, aan eiser kunnen tegenwerpen. Immers, eiser heeft gesteld dat hij geruime tijd in detentie heeft verbleven en dat enkel Mandingo werd gesproken als men zeker wist dat er geen bewakers in de buurt waren. Verweerders stelling dat eiser onwaarschijnlijk vaak herkend is en dat het relaas van toevalligheden aan elkaar hangt, kan in redelijkheid niet gevolgd worden. Zo is eiser slechts twee maal herkend, eenmaal bij zijn arrestatie en eenmaal in de gevangenis en blijft onduidelijk welke toevalligheden verder een rol spelen. Ook heeft verweerder niet in redelijkheid zonder nadere motivering ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser de diamant tijdens zijn detentie verborgen heeft kunnen houden. Immers, eiser heeft aangegeven dat de diamant een klein steentje is van een halve centimeter dat hij heeft bewaard in de zoom van zijn broek en dat het als opzichter in de diamantmijn gebruikelijk was om op die plek gedolven diamanten te bewaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers verklaringen over zijn ontsnapping, met name de omstandigheid dat hij samen met [naam] naar buiten kon lopen, in redelijkheid evenwel als bevreemdingwekkend kunnen aanmerken. Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank dit evenwel onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt dat het asielrelaas als geheel ongeloofwaardig is.

2.14. Gelet op het voorgaande ontbeert de bestreden beschikking een draagkrachtige motivering. Het beroep is dan ook ongegrond. De beschikking van 12 oktober 2005 dient derhalve te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb.

2.15. In dit geval bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 05/48930, gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 12 oktober 2005;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze aan de griffier dient te vergoeden;

Aldus gegeven door mr. G. Laman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.M. Pot als griffier op 21 mei 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: